HISTORISCHE TEKSTEN

 

Lodewijk XIV (1643-1715, k. Frankrijk 1648-1715)

de laatste raadgevingen van Mazarin (1661)

 

"Parijs, in het kasteel van het Louvre, de 9e maart 1661

Toen de kardinaal zijn einde voelde naderen had hij de laatste ogenblikken van zijn aardse leven nog over voor de liefde, die hij altijd gekoesterd heeft voor het welzijn van mijn staat en voor mijn eigen roem. En in deze geest heeft hij me verschillende zeer belangrijke raadgevingen nagelaten, onder andere de volgende, die ik zo goed mogelijk opgenomen heb.

Ten eerste: de kerk in al haar rechten, immuniteiten en privileges te behouden, als zijnde haar oudste zoon, zonder toe te laten, dat zij, onder welk voorwendsel ook, zouden verzwakt worden. Dat ik daartoe in geweten verplicht ben. Verder: er goed op toe te zien, dat diegenen, aan wie ik beneficie geef, de bekwaamheid, de godsvrucht en de andere nodige kwaliteiten zouden hebben, om ze waardig te vervullen; en vooral dat ze goede intentie hebben voor mijn dienst en voor de rust van deze staat. Hij heeft eraan toe gevoegd, dat ik er de hand moest aan houden, dat de luxe hen niet zou besluipen, en bovendien, dat zij niets zouden doen dat onwaardig is aan hun beroep of aan hun karakter.

Met het oog op de adel: dat het mijn rechterarm moet zijn, dat ik er aandacht moet aan schenken, en dat ik hem bij elke gelegenheid moet behandelen me vertrouwen en goedheid.

Met betrekking tot de magistratuur: dat het juist zou zijn, haar in ere te laten houden. Maar dat het zeer belangrijk zou zijn, te beletten dat de mannen van dit beroep zich onafhankelijk zouden maken, en hen te verplichten zich binnen de grenzen van hun plicht te houden zonder aan iets anders te denken dan aan al mijn onderdanen op gelijke wijze het recht te bedelen, da ik in hun handen heb gelegd.

Dat ik door alle plichten van een goed koning ertoe gehouden ben, de belastingen die op mijn volk drukken te verlichten, tenminste voor zover noodzakelijke en onmisbare uitgaven voor het behoud van de staat zulks toelaten.

Dat ik in de nabijheid van mijn persoon zeer bekwame en volledig betrouwbare dienaars moet hebben. Dat ik zelf moet uitmaken waarvoor ieder van hen het best geschikt is, om hen te gebruiken volgens hun talenten.

Dat ik er goed moet op toezien, dat iedereen er goed van overtuigd is, dat ik de meester ben. Dat men gunsten alleen van mij te verwachten heeft. Er vooral geen gunsten te verlenen dan alleen aan hen die ze verdienen door hun diensten, door hun bekwaamheid en door hun gehechtheid aan mijn persoon. Dat ik er zorg moet voor dragen, dat alle leden van mijn Raad in goede verstandhouding met elkaar leven, uit vrees dat hun onenigheid mijn dienst zou schaden. Dat ik over alle omstandigheden hun advies moet inwinnen; dat ik altijd de beste oplossing moet zoeken tussen hun verschillende opinies; dat ik mijn beslissing zelf moet nemen, en er mij daarna standvastig moet aan houden, zonder te dulden dat de minste inbreuk op mijn gezag zou gepleegd worden.

Dat, indien iemand die ik voor mijn diensten gebruik, ongelukkig genoeg zou zijn om iets zonder mijn bevel te ondernemen, ik hem absoluut van mij moet verwijderen, als onwaardig mij te dienen. Dat ik geen schandaal mag dulden aan mijn hof en geen losbandigheid mag toelaten; dat ik daartoe verplicht ben volgens God, en dat het volgens de wereld zelfs om mijn eer gaat; en dat het goed zou zijn, dat iedereen zou weten, dat ik op dat stuk onverbiddelijk streng zal zijn en voor niemand een uitzondering zal maken."

 

 


Bron: W. VERRELST, Het vorstelijk absolutisme (reeks historische units). De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen-Amsterdam, 1974, blz 15-16.



terug naar inhoudsopgave