HISTORISCHE TEKSTEN

 

John Locke (1632-1704) :

Verantwoording van de parlementaire monarchie (Second treatise on civil government, 1690)

 

In een goed ingerichte staat mag er slechts één enkel oppergezag zijn: de wetgevende macht, waaraan al het andere is ondergeschikt. Nochtans, aangezien de wetgevende macht slechts macht heeft in functie van bepaalde doelstellingen, behoudt het volk steeds de opperste macht om de legislatuur te ontbinden of te wijzigen, indien mocht worden vastgesteld dat zij handelt in tegenspraak met de haar toevertrouwde zending.

Geen enkel edict bezit kracht van wet zonder de goedkeuring van de wetgevende macht, gekozen en aangesteld door het volk. Zonder dat laatste zou een wet niet inhouden wat het tot wet maakt: de goedkeuring van de gemeenschap.

Alhoewel een wet op een welbepaald moment wordt aangenomen, en het opstellen ervan slechts weinig tijd in beslag neemt, bezit zij nochtans een voortdurende en langdurige werking en een eeuwigdurende aanpassingskracht. Bijgevolg is het noodzakelijk dat er altijd een gezag is dat toeziet op de uitvoering van de geldende wetgeving; daarom komt men vaak tot een opsplitsen van wetgevende en uitvoerende macht.

 


bron: W. Dupon e.a., Historia 4T. Kapellen, De Nederlandsche Boekhandel, 2000, blz. 59.


 

klik hier voor de volledige Engelse tekst
klik hier voor achtergrondinfo over John Locke (Engels)
terug naar inhoudsopgave