HISTORISCHE TEKSTEN

 

Jacobus I Stuart (1566-1625) (k. Engeland 1603-1625, k. Schotland 1567-1625) :

Over de koninklijke macht (Openingstoespraak voor het Engelse parlement, 1609)

 

Terecht worden de koningen goden genoemd, want zij oefenen op aarde een gezag uit, dat gelijkt op de goddelijke macht. Kijk naar de eigenschappen van God en gij zult ze terugvinden in de persoon van de koning. God heeft de macht om te scheppen of te vernielen, te maken of af te breken naar zijn goeddunken, het leven of de dood te geven, iedereen te oordelen zonder enig rekenschap te geven. De koningen bezitten een gelijkaardige macht. De fortuin van hun onderdanen hangt van hun goedkeuring af; zij kunnen verheffen of vernederen, beschikken over het recht op leven en dood, al hun onderdanen oordelen, zonder ooit rekenschap te moeten geven, tenzij aan God.

 


bron: W. Verrelst, Het vorstelijk absolutisme. Reeks historische units. Antwerpen-Amsterdam, De Nederlandsche Boekhandel, 1974, blz. 23. 


klik hier voor achtergrondinfo over Jacobus I
terug naar inhoudsopgave