HISTORISCHE TEKSTEN

 

Frederik (II) de Grote (1712-1786, k. Pruisen 1740-1786)

Over zijn politiek (Politiek Testament 1751)

 

 

"Ik zette aan de Grootkanselier Cocceji het plan uiteen, om de wetten te hervormen en alleen zulke wetten uit te vaardigen, die gebaseerd zijn op de natuurlijke gelijkheid. Deze bewonderenswaardige ambtenaar voerde dit plan tot ieders tevredenheid uit.

Ik heb besloten, nooit in de loop van een proces in te grijpen. Voor het gerecht moeten de wetten spreken en moet de heerser zwijgen.

De grondslag van de handels- en economische politiek bestaat hierin, dat men verhindert dat er geld uit het land gaat, en dat men er voor zorgt dat er geld het land binnenkomt.

De politiek van de heerser in deze staat moet er voor zorgen, dat de adel beschermd wordt. Want welke wending het lot ook zal nemen: de heerser kan misschien wel een rijkere, maar nooit een waardevollere of trouwere stand tot zijn beschikking hebben.

Om het bezit van de adel te beschermen, komt het erop aan, te verhinderen dat burgers adelsgoederen verwerven. De burgers moet men integendeel aansporen, hun geld in de handel te steken. Het is van even groot belang, te verhinderen, dat de adel dienst neemt in andere landen. Men moet hem korpsgeest en nationaal gevoel inpompen. Daar heb ik voor gewerkt.

In mijn eerste oorlog heb ik mij alle moeite van de wereld getroost, om de naam Pruisen te doen schitteren. Daardoor kon ik alle officieren eraan herinneren, dat zij Pruisen waren, uit welke provincie zij ook afkomstig waren. En alle provincies, hoe ver ze ook van elkaar verwijderd zijn, vormen een enkel lichaam.

De steden in de oude provincies heb ik de vrijheid laten behouden, hun magistraten zelf te kiezen. Ik heb in deze verkiezingen enkel dan ingegrepen, als er misbruiken voorkwamen: als namelijk bepaalde burgerlijke families het hele gezag naar zich trokken en de overige burgers in de kou lieten staan. De boeren heb ik vrijgesteld van bepaalde diensten, die ze in het verleden moesten verrichten. In plaats van zes dagen per week, zoals vroeger, moeten ze nu nog maar drie dagen herendiensten verrichten. De heerser moet een evenwicht tot stand proberen te brengen tussen de boer en de edelman, opdat ze elkaar niet zouden ruineren. In Silezië leeft de boer op goede voet; in Opper-Silezië is hij nog lijfeigene. Mettertijd zou men moeten trachten hem vrij te maken. Daarvoor heb ik zelf het voorbeeld gegeven op mijn domeinen. Katholieken, Lutheranen, Hervormden, Joden en talrijke andere christelijke sekten wonen en leven in mijn staat vreedzaam naast elkaar. Als een heerser uit slecht begrepen ijver op de gedachte zou komen, één van deze godsdiensten te bevoordelen, dan zouden zich dadelijk partijen vormen en twisten uitbreken. Langzamerhand zouden vervolgingen beginnen, en uiteindelijk zouden de aanhangers van de vervolgde godsdienst hun vaderland verlaten. Duizenden onderdanen zouden dan onze buren rijker maken met hun industrie en hun bevolkingsaantal vergroten. Ik ben in zekere zin de paus van de Lutheranen en het kerkelijk hoofd van de Hervormden. Ik benoem predikanten en eis van hen alleen zuiverheid van zeden en verdraagzaamheid. Ik verleen echtscheidingen en op dit punt ben ik zeer toegeeflijk. Het huwelijk is in de grond immers alleen een burgerlijke overeenkomst, die ongedaan kan gemaakt worden van zodra beide partijen ermee instemmen. In een staat als de mijne, is het absoluut noodzakelijk dat de vorst zijn eigen zaken behartigt. Want als hij een wijs man is, zal hij zich alleen laten leiden door het openbaar belang, dat met het zijne samenvalt. Een minister daarentegen heeft altijd inzichten die afwijken van het belang van de staat, als dit met het zijne in conflict komt. Een heerser is niet tot zijn hoge rang verheven en men heeft hem niet de hoogste macht toevertrouwd, opdat hij zou leven in ledigheid, zich zou vetmesten met de eigendom van het volk en zelf goede dagen zou hebben, terwijl alle andere lijden, De heerser is veeleer de eerste dienaar van de staat. Hij wordt goed betaald om de waardigheid van zijn functie te kunnen ophouden, maar men verlangt van hem, dat bij krachtdadige werkt voor het welzijn van de staat en dat bij ten minste de hoofdzaken zorgvuldig uitvoert."

 


Bron: W. VERRELST, Het vorstelijk absolutisme (reeks historische units). De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen-Amsterdam, 1974, blz. 27-28



terug naar inhoudsopgave