HISTORISCHE TEKSTEN

 

Frederik (II) de Grote (1712-1786) (k. Pruisen 1740-1786) :

over de macht van de koning (politiek testament, 1752) 

 

In een staat zoals Pruisen is het absoluut nodig dat een heerser zijn zaken zelf voert; is hij verstandig, dan zal hij alleen de openbare belangen volgen, die ook de zijne zijn. De heerser zal de adel steunen, de geestelijkheid in een passend raam houden, niet dulden dat de prinsen van den bloede intriges spinnen en de verdienste uit egoïstische bedenkingen belonen, zoals de ministers het doen.

Blijkt het nu noodzakelijk dat de heerser de binnenlandse aangelegenheden van de staat leidt, hoeveel meer moet hij dan zijn buitenlandse politiek niet zelf leiden, bondgenootschappen afsluiten die hem voordelig zijn, zijn plannen zelf ontwerpen en zijn besluiten treffen in bedenkelijke en moeilijke omstandigheden? Gezien de innige samenhang tussen financiën, binnenlandse politiek, buitenlandse politiek en oorlog is het onmogelijk, een van deze aspecten zonder inachtneming van andere te behandelen. Zodra dit gebeurt varen de vorsten er slecht mee. Een goed geleide regering moet over een even goed gevestigd systeem beschikken als een filosofisch leerstelsel. Alle maatregelen moeten rijp doordacht zijn, financiën, politiek en legerleiding moeten op eenzelfde doel aansturen: de versterking van de staat en de groei van zijn macht. Een systeem kan alleen uit één hoofd ontspringen, daarom moet het uit dit van de heerser komen... Hij heeft zonder twijfel ook helpers nodig. De uitwerking van de details zou te omvangrijk zijn voor hem. Maar hij moet een open oor hebben voor alle klachten, en hij moet snel recht verlenen aan hen die door verdrukking bedreigd worden. Een vrouw wilde een koning van Epirus een smeekschrift reiken. Hij voer hard tegen haar uit en gebood haar, hem met rust te laten. "Waarom zijt gij dan koning", antwoordde zij, "tenzij om mij recht te verschaffen!" Dat is een schone uitspraak die de vorsten zich steeds voor de geest moeten houden.

 


bron: G. Büch en R. Dietrich, Weltgeschichte in Aufriss. Deel 2. Berlijn, 1957, blz. 196-197. Geciteerd in J. Demey en R. Dhondt, Onze tijd in documenten. Lier, Van In, 1973, blz. 37.


 

terug naar inhoudsopgave