HISTORISCHE TEKSTEN

 

 

Winston Churchill (1874-1965, premier Groot-Brittannië 1940-1945, 1951-1955):

Regeringsverklaring (Rede gehouden voor het Lagerhuis te Londen, 13 mei 1940)

 

"VRIJDAGAVOND JONGSTLEDEN heb ik van Zijne Majesteit opdracht gekregen een nieuwe regering te vormen. Het was de uitdrukkelijke wens van het parlement en de natie dat deze regering op een zo breed mogelijke basis zou worden samengesteld en alle partijen zou omvatten, zowel de partijen die de vorige regering hebben gesteund als de oppositiepartijen. Ik heb het belangrijkste deel van deze taak voltooid. Er is een Oorlogskabinet gevormd van vijf leden, die tezamen met de liberalen, die in de oppositie zijn, de nationale eenheid vertegenwoordigen. De drie partijleiders hebben hun medewerking toegezegd, hetzij als lid van het Oorlogskabinet, hetzij in een ander regeringsambt. De posten van minister van Landmacht, Luchtmacht en Marine zijn reeds vervuld. Dit moest in één dag gebeuren, vanwege de buitengewoon dringende en grimmige omstandigheden. Een aantal andere sleutelposities is gisteren vervuld, en vanavond zal ik Zijne Majesteit wederom een lijst voorleggen. Ik hoop morgen de benoeming van de belangrijke ministers te voltooien. Het benoemen van de overige ministers vergt gewoonlijk wat meer tijd, maar ik reken erop dat dat deel in mijn taak voltooid zal zijn wanneer het parlement weer bijeenkomt, en dat tegen die tijd de regering in alle opzichten compleet zal zijn.

Het leek me een zaak van algemeen belang voor te stellen dat het Huis vandaag bijeengeroepen zou worden. De Voorzitter heeft hiermee ingestemd en de benodigde stappen ondernomen, conform de bevoegdheden die hem zijn verleend krachtens een besluit van het Huis. Aan het eind van de dag, wanneer alles is afgehandeld zal er een voorstel worden gedaan om de zitting van het Huis te verdagen tot dinsdag 21 mei, waarbij natuurlijk de mogelijkheid wordt opengehouden voor een eerdere zitting indien dat nodig mocht zijn. De leden zullen zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld van de zaken die gedurende die week aan de orde zullen komen. Ik verzoek nu het Huis om krachtens de resolutie die mijn naam draagt zijn goedkeuring te hechten aan de tot nu toe genomen maatregelen en zijn vertrouwen uit te spreken in de nieuwe regering. Het vormen van een regering van deze omvang en complexiteit is op zichzelf al een serieuze onderneming, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat we ons in het voorstadium bevinden van één van de grootste veldslagen in de geschiedenis, dat we op velerlei plaatsen in Noorwegen en Nederland aan de gevechtshandelingen deelnemen, dat we klaar moeten staan in het Middellandse-Zeegebied, dat we voortdurend in luchtgevechten verwikkeld zijn en dat er ook in eigen land tal van voorbereidingen moeten worden getroffen. Ik hoop dat het me in de huidige crisissituatie vergeven zal worden dat ik het Huis vandaag niet uitvoerig toespreek. Ik hoop dat een ieder van mijn vrienden en collega's, of vroegere collega's, die gevolgen mocht ondervinden van de politieke reorganisatie, alle begrip zal opbrengen voor een eventueel gebrek aan ceremonie waarmee moest worden gehandeld. Ik zou tegen het Huis willen zeggen, wat ik ook heb gezegd tegen hen die tot deze regering zijn toegetreden: ‘Ik heb niets anders te bieden dan bloed, inspanning, tranen en zweet.’

Voor ons ligt een beproeving van het ergste soort. Voor ons liggen vele, vele lange maanden van strijd en van lijden. U vraagt wat onze politiek is? Dat zal ik u zeggen: oorlog voeren, ter zee, te land en in de lucht, uit alle macht en met alle kracht die God ons kan geven: oorlog voeren tegen een monsterlijke tirannie, die nog nooit in de duistere, trieste lijst van door mensen bedreven misdaden is overtroffen. Dat is onze politiek. U vraagt wat ons doel is? Dat kan ik met één woord zeggen: overwinnen, overwinnen tot elke prijs, overwinnen, alle verschrikkingen ten spijt, overwinnen, hoe lang en zwaar de weg ook moge zijn; want zonder overwinning is er geen voortbestaan. Laten we ons dat goed realiseren; geen voortbestaan voor het Britse rijk; geen voortbestaan voor alles waarvoor het Britse rijk gestaan heeft, geen voortbestaan voor de eeuwenoude drang en drijfveer van de mensheid om voorwaarts te gaan op haar doel af. Maar ik aanvaard mijn taak blijmoedig en vol hoop. Ik ben er zeker van dat men onze zaak niet zal laten mislukken. Op dit tijdstip voel ik me gerechtigd ieders hulp in te roepen en zeg ik: ‘Kom, laten we samen voorwaarts gaan met vereende kracht.’"

 

 


Bron: J.P. GUEPIN (red), Schokkende redevoeringen. Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam, 1990, blz 141-143 (vertaling Yvonne Hassing)


Terug naar inhoudsopgave