HISTORISCHE TEKSTEN

 

Cattier

over de toestand in Congo in de jaren 1900

 

1) De inboorling is gedwongen zich te verplaatsen en het grootste deel van zijn tijd te besteden aan het oogsten van rubber. In deze omstandigheden is het sterftecijfer zeer groot.

2) Tijdens de rubberoogst moeten de inboorlingen in het oerwoud leven, afgezonderd in kleine groepen, en zij worden de prooi van de wilde dieren.

3) Men houdt geen rekening met de seizoenen: de inboorlingen moeten in het overstroomde woud werken, en staan in het water tot de lenden.

4) De stammen voeren onder elkaar vernietigende oorlogen om de gebieden te veroveren die het rijkst zijn aan rubber.

5) De vrouwen, die ver van hun man zijn, plegen vruchtafdrijving om de soldaten van de openbare macht te kunnen ontvluchten, wanneer deze hun dorp komen aanvallen omdat er niet genoeg rubber werd geleverd.

6) Tijdens deze razzia’s worden elk jaar een groot aantal negers omgebracht door de soldaten van de openbare macht.

7) De moraal van de negers is gedeprimeerd. De bevolking kent een angstig en onrustig bestaan, steeds klaar om in de brousse te vluchten en aldus te ontsnappen aan de aanvallen en plunderingen van de openbare macht.

8) De zwarte woudopzichters plegen een groot aantal moorden. De protestantse missionarissen daarover ondervraagd, hebben zware beschuldigingen neergelegd en een grote menigte negers laten getuigen voor de commissie.

 

 

 


Bron: P. Mille, F. Challaye, Les deux Congo, in Cahiers de la Quinzaine, Parijs, 1906, blz. 59-61. Geciteerd in J. Demey en R. Dhondt, Onze tijd in documenten. Lier, 1973, blz 260



terug naar inhoudsopgave