Alfred Denoyelle,
Doctor in de Geschiedenis

 

Savonarola :
een conflict met de paus ?

 

« Een historicus heeft de plicht geen enkele beproeving te verdoezelen waaronder de Kerk te lijden had wegens de fouten van haar kinderen, en somtijds zelfs wegens deze van haar ambtsdragers. »
paus Leo XIII
Schrijven van 8 september 1889
over de studie van de Kerkgeschiedenis

« Der Historiker darf sich nie durch apologetische Zwecke leiten lassen.
Sein einziges Ziel soll die Ergründung der Wahrheit sein. »
Ludwig von Pastor,
voornaam historicus

Inleiding

Girolamo Savonarola (1452-1498) was een pater Dominicaan. Omwille van zijn prediking ondervond hij ernstige moeilijkheden, eerst vanwege zijn toehoorders, die hij mettertijd evenwel tot inkeer kon brengen en grotendeels van levenswandel deed veranderen, maar nadien onverwachts vanwege de paus. Dit bracht hem tot een tragisch einde : hij werd gefolterd, gehangen en eindigde op de brandstapel, om zijn as te kunnen werpen in de Arno, de stroom die Firenze bevloeit. Nogal gruwelijk, maar er was al een voorafgaand en gelijkaardig geval geweest met Jeanne d'Arc (1412-1431) voor wat de brandstapel betreft. Voor het overige komt er in het geval van pater Savonarola wel zijn houding tegenover Alexander VI bij kijken. Tenzij het andersom was ? Vandaar ook de ondertitel van dit artikel : een conflict met de paus ?

Pater Girolamo Savonarola, O.P. :
posthuum portet (rond 1500)
door een onbekende schilder

Savonarola geldt als omstreden figuur. Eigenlijk is het zo, dat over niet omstreden persoonlijkheden ook nog meningsverschillen bestaan, vooral omdat men doorgaans verderbouwt op schoolse kennis en secundaire bronnen, met name boeken of artikels over iemand. Een historicus daarentegen gaat niet deductief te werk op basis van eigen hersenspinsels in confrontatie met hetgeen anderen reeds schreven, maar wel inductief vanuit primaire bronnen : hij zoekt en verzamelt eigentijdse documenten, m.a.w. al dan niet geschreven bronnen uit de tijd van de persoon wiens leven hij bestudeert. Wanneer hij die gevonden en kritisch ontleed heeft, mag hij de rest achterwege laten voor zijn onderzoek, tenzij hij interesse heeft in de visie van anderen of een studie wil maken over hun omgang met de bronnen. Ook hoeft een gestaafd artikel niet noodzakelijk alles aan het licht te brengen. Anders zou het een lijvig boek kunnen worden. Deze bijdrage zal zich dan ook beperken tot een brede kijk op het leven en het werk van pater Savonarola vanuit een vraagstelling aangaande zijn conflict met paus Alexander VI, die trouwens een al even omstreden figuur was.

Paus Alexander VI (1492-1503) :
detail uit een voorstelling
door Bernardino di Betto,
alias Pinturicchio (1454-1513)

Wie nog steeds pauselijke onfeilbaarheid mocht verwarren met onzondigheid, die zal tot ontnuchtering genoopt worden. Men beschikt thans over een groter waaier mogelijkheden dan vroeger om de aangehaalde feiten naar waarheid in te schatten omdat alle bronnen nu beschikbaar en soms zelfs computergestuurd bevraagbaar zijn. Men heeft hoe dan ook behoefte aan juiste inlichtingen over primaire en andere historische bronnen, over het tijdskader en de tijdsgeest, over de gewestelijke gebondenheid, over de personages en hun verhoudingen, tenslotte pas over de gebeurtenissen en hun afloop. Wanneer men daarover onvoldoende of niet beschikt, dan mist men belangrijke gegevens, zodat men van de werkelijkheid uit het verleden slechts een duister afgebakend of vervormd segmentbeeld heeft, zoals paarden met ooglappen er één hebben van hetgeen zich vlak rondom hen afspeelt. Vandaar dat zelfs voorname historici, bij gebrek aan volledige kennis en inzicht, meer dan eens in de afgelopen decennia, en voordien ook al, over Savonarola en Alexander VI een erg eenzijdig verhaal bezorgden. Enkele keren was er zelfs ideologische bevangenheid mee gemoeid. Protestanten zagen helemaal ten onrechte in Savonarola een voorloper van Luther en stelden hem te Worms aldus voor bij diens standbeeld. Katholieken meenden, misschien op grond daarvan, maar alleszins zonder bijkomend onderzoek, dat aan de eer van de paus werkelijk onrecht was aangedaan, en achtten het dan passend Savonarola zomaar voor te stellen als een pater die zich van kerkelijke verboden niets aantrok en de gehoorzaamheid beginselhalve afhankelijk maakte van eigen goeddunken.

 

Over primaire en andere historische bronnen

Wie belangstelling heeft voor Savonarola doet er best aan even zijn geschriften door te nemen. Zijn filosofische en andere traktaten bevatten geen persoonlijke elementen, althans niet wat zijn houding tegenover de paus betreft. Zijn preken bezorgen er wel, maar zijn bedoelingen brengt hij zelf aan het licht in zijn brieven. Destijds werd een gedeelte daarvan ter gelegenheid van het Heilig Jaar 1950 uitgegeven door de Academia d'Oropa en opgedragen aan paus Pius XII. Het is de thans gekende briefwisseling van Savonarola met Alexander VI, een onmisbare bron voor ons onderwerp : vijftien brieven geschreven tussen 21 juli 1495 en 13 maart 1498. Zijn brieven gericht aan een aantal christelijke vorsten waren al eerder uitgegeven. Diplomatische stukken, zowel deze van Rome gericht aan het Hof van de Medici als deze van Firenze gericht aan de Heilige Stoel, lichten vooral in over de gevoelens binnnen het stadsbestuur.

Voor dit artikel werden als primaire bronnen de meest relevante verrekend. Voor de historische situering werden ook enkele secundaire bronnen van voorname historici benut op grond van de afwezigheid van ideologische bevangenheid terzake, maar bijzonder parallelle bronnen uit vroegere en latere tijden in de mate dat zij, vanuit heel gelijkaardige toestanden, reacties helpen begrijpen. De nodige verwijzingen volgen in de bibliografie achteraan. Nagenoeg een derde van de aangehaalde werken zijn bronnenuitgaven. Sommige repertoria, werken met inschatting van de historische uitstraling of bepaalde naslagwerken voor cultuurhistorische aspecten zijn de overige. Er werden eveneens bronnen benut die bij anderen niet in aanmerking kwamen voor de inschatting van de feiten, onder meer het dagboek van de pauselijke ceremoniemeester. Daarnaast werd ook het culturele en politieke gebeuren uit die tijd betrokken in het onderzoek, in de mate dat het evenzeer of mogelijk nog beter de ingesteldheid van de twee hoofdrolspelers van het conflict kan belichten.

Zonder vooroordelen lering opdoen uit het verleden, al zij dit niet het enige nut van de kennis van de geschiedenis, heeft een morele waarde : het geeft inzicht en stemt tot deemoed bij het beseffen van de menselijke drijfveren die soms tot grootschalige drama's kunnen leiden.

 

Over het tijdskader en de tijdsgeest

Volgens de gangbare periodisering van de geschiedenis leefde Girolamo Savonarola op het einde van de late Middeleeuwen en bij het begin van de Renaissance, alhoewel kunst en cultuur in Italië reeds geruime tijd de stempel droegen van de nieuwe stroming. Men mag ze niet verwarren met hetgeen zich later zal afspelen, heel duidelijk in de achttiende eeuw, de tijd van de zogenaamde Verlichting met gekende bronnen voor het ontluiken van het naturalisme. Ten tijde van Savonarola werd het nog bestreden door de eerste humanisten als een afkeurenswaardig gevolg, enerzijds van de droevige neergang van de scholastiek met het nominalisme en het scotisme, anderzijds van het opkomen van het averroïsme dat destijds door de heilige Thomas van Aquino was aangevochten.

"De triomf van Thomas van Aquino" :
tafereel door Filippino Lippi (1457-1504)

Bovendien was heel de samenleving nog christelijk ingericht. Tijdens de Renaissance werd zelfs een philosophia Christi voorgehouden en ging de belangstelling voor teksten uit de Oudheid enkel naar hun waarde voor een betere kennis van de antieke talen (Grieks, Latijn, Hebreeuws), alsook van de geschiedenis, de architectuur, de kunsten en de wetenschappen. Men poogde niet zozeer de heidense culturele voortbrengselen van weleer na te bootsen (imitatio) dan wel ze te overtreffen (aemulatio) in een ware christelijke geest. Bijzonder veelzeggend in dit opzicht is de bronzen "paradijspoort" van het baptisterium te Firenze, gebeeldhouwd door Lorenzo Ghiberti (1378-1455).

Baptisterium te Firenze :
detail van de bronzen poort
door Lorenzo Ghiberti (1378-1455)

Daarnaast waren er weliswaar, zoals in elke periode van de geschiedenis, misbruiken en fouten. Deze vloeiden echter niet zozeer voort uit de nieuwe culturele stroming dan wel uit de welvaart. Het was al ruim een eeuw geleden dat de pest uit Europa geweken was (1356). De handel in specerijen, tapijten, wijn, leder, wapens, meubels en textiel -- onder meer -- had zich sindsdien aanzienlijk ontwikkeld. Vooral in de Italiaanse steden, die zovele republiekjes vormden, was de burgerij rijk geworden. Zij was gaan wedijveren met de aristocratie met dewelke zij de macht deelde. Zowat iedereen, ook de clerus, wenste een gerust en aangenaam leventje te leiden, zonder al te veel inspanningen te moeten doen. De kruistochtsgedachte eigen aan de Middeleeuwen was op de achtergrond geraakt ten gunste van de "dolce vita". De mentaliteit van de vroegere Goliarden werd in een antiek kleedje gestoken en de feestpartijen begonnen alsmaar talrijker te worden. Daarbij kregen taal, kunst en vooral opvoeding vanuit christelijk oogpunt bepaalde ongewenste trekken.

Indien aan de waarheid de plaats dient toegekend die haar toekomt, dan moet er toch op gewezen worden dat een tijdgenoot van Savonarola, met name Erasmus van Rotterdam (1466-1536), in dit verband het snobisme van de burgerij en de aristocratie hekelde. Zij wilden deel uitmaken van de culturele toplaag van de bevolking door verregaand en domweg na te apen wat voorname prelaten, geleerden, universiteiten en abdijen in een heel andere geest en met een ander doel dan praalzucht of genotzucht verrichten. Erasmus wees die modieuze afwijking met haar gevolgen kordaat af :

« Laat ons de smaak van de jeugd toch niet bederven en, onder het bedrieglijk voorwendsel van ze ciceroniaans te maken, passen we maar op dat ze niet heidens worde, ne simplex ac rudis aetas ciceroniani nominis praestigio decepta, pro ciceroniana fiat pagana ... Moge de jeugd eerst en vooral stevig gevoed worden door christelijke studies en dan zal niets mooier lijken dan de godsdienst. Men zal dan niets zoeter vinden dan de naam van Jezus Christus, niets welsprekender en mooier dan de woorden die door de grote christelijke denkers gebruikt werden ... Hij is monsterachtig die een christelijke leerstof besmet met de beuzelarijen van het heidendom, monstruosus est qui materiam christianam paganicis nugis contaminat ... Omdat de zinswendingen van christelijke auteurs niet gelijken op deze door die lui weerhouden, daarom worden zij als barbaars beschouwd. Het zijn veeleer zij die er zo over denken die door dergelijke beoordeling worden betroffen. Onvoorstelbaar, hoe zij het aandurven de Kerkvaders, de grote schrijvers van de Middeleeuwen, Sint Thomas, Scot, Durand en de anderen te misprijzen ... »

Erasmus wees die formele verheidensing van het humanisme ook af door ze te weerleggen bij middel van klassieke gezegden van de heidense auteurs zelf, die de aandacht eerder gevestigd hadden op de schoonheid van de gedachte dan op deze van de stijl :

« Horatius heeft het U gezegd en U vergeet het : Scribendi recte sapere est et principium et fons. Eerst dient zorg besteed aan de uitspraken, nadien zullen de woorden volgen : Prima sit sententiarum cura, deinde verborum. »

Erasmus veroordeelde meer bepaald ironiserend een zogenaamde humanistische opvoeding die als gevolg zou hebben dat de volwassenen van morgen zouden kunnen zeggen :

« Wij belijden Jezus Christus met de mond, maar in ons hart dragen wij Jupiter en Romulus : Christum ore confitemur, sed Jovem et Romulum gestamus in pectore. »

Hij voegde eraan toe :

« Indien men mijn raad wil volgen, zal men, zodra het kind zijn eigen taal kent, hem onder ogen de Spreuken van Salomon, de Ecclesiasticus en het boek der Wijsheid zetten ; vervolgens de Evangelies : Proverbia Salomonis, Ecclesiasticum et librum Sapientiae ; mox Evangelia. »

Zijn oordeel over het klakkeloos overnemen van elementen uit de heidense Oudheid in de kunst was niet minder veelzeggend voor zijn afwijzing van heidendom en naturalisme. Hij hekelde heel duidelijk het snobisme van degenen die de geest van het christelijk humanisme vertekenden. Het zou best kunnen dat Erasmus, die zijn diploma van Doctor in de Theologie te Torino (Italië) behaalde, daar tevens de gelegenheid had om preken van Savonarola te lezen. Er is wel een verschil : Savonarola preekte voor het volk, terwijl Erasmus schreef voor een elite. Hij had het alleszins terloops over Rome en de inrichting van de musea die hij bezocht. Zijn afkeuring daarvan is ontegensprekelijk :

« Wat een schouwspel krijgen we te zien in de kunsten ! Men staat met de mond wijd open te gapen bij het zien van een standbeeld van de oude duivels, of zelfs maar van een fragment van hun standbeelden. Daarentegen scheelt het weinig of men kijkt met misprijzen naar standbeelden van Jezus Christus en de heiligen. Met hoeveel bewondering staart men niet naar een opschrift of een grafschrift op een oude steen door de tand des tijds aangetast ! Alhoewel hij vervuld is van heidendom en zelfs onzin, kust men hem, vereert men hem, aanbidt men hem bijna. Maar relikwieën van de Apostelen, daar spot men mee ! Men is toch zo gelukkig en fier op een gedenkpenning de beeltenis van Hercules, Minerva, Fortuna, Victoria, Alexander of gelijk welke Caesar te tonen, maar men veracht als bijgelovigen en men drijft zelfs de spot met mensen die als kostbare voorwerpen wat hout van het ware Kruis of heiligenbeelden bewaren ! Mocht U ooit te Rome weleer de musea van de Ciceronianen bezocht hebben, tracht U maar te herinneren of U daar een standbeeld van Jezus Christus of van de Apostelen aangetroffen hebt. U zal ze allemaal vol monumenten van het heidendom vinden, Paganismi monumentis plena reperies omnia. En in de schilderwerken trekt Jupiter in regen veranderd om Danaé te verleiden heel wat meer de aandacht dan de aartsengel Gabriël die aan de heilige Maagd de boodschap van het mysterie van de menswording brengt. Ganymedes naar de Olympus ontvoerd door de arend van Jupiter wordt heel wat meer genoten dan Onze Heer Jezus Christus die ten hemel opstijgt. De ogen worden met heel wat meer plezier gevestigd op de feesten van Bacchus en de god Terminus, die nochtans vol schandalige dingen en smerigheden waren, dan op Lazarus uit het graf opgewekt, of de Zoon van God door Sint Jan gedoopt. Dat zijn de mysteries die schuil gaan achter de liefde en de bewondering voor de Oudheid. Gelooft U me vrij : onder dit mooie voorwendsel legt men valstrikken voor de eenvoudigen en bedriegt men gewillige jongelingen, insidiae tendantur simplicibus et fraudem idoneis adolescentibus. Men durft het niet aan openlijk het heidendom te belijden, maar men gaat zich bij voorkeur onder de bijnaam Ciceroniaan vermommen, paganitatem profiteri non audemus, Ciceroniani cognomen obtendimus. »

Erasmus van Rotterdam (1466-1536) :
portret door
Quinten Metsys (1465-1530)

Uiteraard had pater Savonarola een generatie vroeger reeds te Firenze dat snobisme aangetroffen en het met een gelijkaardige afwijzing in zijn prediking gebrandmerkt. Uit de verzameling van zijn preken leidt men af dat de dwaze navolging van de gewoonten uit de Oudheid voor de echte vroomheid en een normaal christelijk leven rampzalige gevolgen had. Sommigen leefden als afvalligen. Bij feesten in karnavalstijl kwamen dag en nacht bacchanalieën en saturnalieën aan de dagorde. Weliswaar waren er ook tijdens de Middeleeuwen af en toe buitensporige feesten geweest, maar nu scheen dat schering en inslag geworden. Het ging bovendien vaak gepaard met sodomie. Aldus Savonarola, die vreesde dat de hele bevolking dat gekke en moreel laakbare gedoe zou overnemen van een aantal prominenten uit de aristocratie en de gegoede burgerij, die dat allemaal haast als onschuldig tijdverdrijf waren gaan beschouwen. Er waren onder hen immers nogal veel leeglopers, die niet of nog nauwelijks hoefden te werken en dientengevolge van het leven een pret maakten zonder veel oog te hebben voor wat anders.

Europa was toen beheerst door de financiële macht van bankiers die grotendeels de politiek wisten te bepalen door hun opportunistische steun aan de machthebbers van het ogenblik. Aldus de families Fugger, Pazzi, Strozzi en Medici die elk voor zich een klein imperium met dynastie hadden weten op te bouwen. Te Firenze was het de aristocraat Lorenzo de' Medici die er de scepter zwaaide. De stad behoorde hem feitelijk toe. Hij straalde bovendien aanzien en invloed uit tot ver in het buitenland. Hij trok kunstenaars aan ten dienste van zijn prestige en steunde met veel vertoon tal van goede werken, kloosters en hospitalen. Het ideaal van de "uomo singolare" dat in de ogen van de humanisten uit de Renaissance het ontwikkelen van deugden en begaafdheden betekende, overeenkomstig de bekende parabel van de talenten uit het Evangelie, werd aldus afgebroken en herleid tot het leven van een "grote meneer" die uitpakt met rijkdom, kunstvoorwerpen verzamelt, dilettante gesprekken voert over alles en nogwat, verfijnde banketten organiseert en fuiven toelaat die eindigen in bandeloosheid.

Lorenzo de' Medici (1449-1492)
bijgenaamd "il Magnifico" :
posthuum portret door
Agnolo Bronzino (1503-1572)

Over de gewestelijke gebondenheid

Een groot gedeelte van Savonarola's leven speelde zich af rond Firenze (Italië). Zijn beschrijving van de toenmalige zeden aldaar doet denken aan hetgeen ook de heilige Petrus Damiani in de elfde eeuw schreef. Sommige uitlaten schijnen op een materiële, zoniet formele afhankelijkheid te wijzen. Heel de stad Firenze wordt als het ware door de duivel bezeten voorgesteld. Over de toestand elders wordt men wat minder ingelicht. Men verneemt nochtans dat pater Savonarola een aantal reizen ondernam en daarover dus min of meer ingelicht was. Naast zijn geboortestad Ferrara kende hij Bologna, Brescia, Faenza, Genua, Pisa en een paar andere Italiaanse steden. De bijzondere gerichtheid op Firenze schijnt een politieke achtergrond gehad te hebben. Savonarola pakte inderdaad niet alleen de hofhouding van Lorenzo de' Medici aan om gewoon haar beterschap te bekomen, maar hij ijverde eveneens om het toenmalige bewind van de republiek Firenze ten gronde te richten met de hulp van de Franse koning. Hij slaagde daarin en probeerde nadien iets gelijkaardigs met Rome : hij klaagde eveneens met een reeks apocalyptische beelden de erg lichte zeden van de paus en diens curie aan, om vervolgens de christelijke vorsten aan te spreken met het verzoek om een concilie dat zou zorgen voor de ontzetting van de paus uit diens ambt. Een ambitieus opzet dat mislukte en zijn eigen ondergang betekende, maar desondanks in heel Europa weerklank vond in het verlangen naar de hervorming van de zeden en de herbronning van de spiritualiteit. Daarmee oversteeg Savonarola heel duidelijk zijn gewestelijke gebondenheid.

 

Over de personages en hun verhoudingen

Over de jeugd van Girolamo Savonarola verneemt men dat hij als zoon van een geneesheer geboren is te Ferrara op 21 september 1452. Zijn familie behoorde dus tot de rijke burgerij. Van jongsbeen af begaafd en welsprekend, legde hij zich toe op het studeren van filosofie en geneeskunde. In 1474, na het horen van een preek die hem emotioneel aangegrepen had, besloot hij evenwel plots in te treden bij de Dominicanen. Hij verbleef in hun vormingsklooster te Bologna waar hij zich verdiepte in de werken van Thomas van Aquino tot 1482. Na zijn wijding kwam hij terecht te Firenze in de kerk San Marco, zetel van zijn Orde aldaar. Hij begon aanstonds het gedrag van de hofhouding in scherpe bewoordingen te laken. De verhoopte beterschap bleef uit. Vervolgens werd pater Savonarola door zijn oversten als rondtrekkende prediker doorheen Italiaanse streken ingezet. Hij diende ook terloops in te staan voor de filosofische en theologische vorming van de jonge paters. Hij had trouwens een aantal deskundige traktaten geschreven waardoor hij intellectueel en geestelijk aanzien verworven had.

Pater Savonarola :
portret als boeteprediker door
Bartolommeo della Porta (1472-1517)

Pas in 1489 kwam hij te Firenze terug. Zijn prediking werd heviger dan ooit. Hij noemde zelfs mensen bij name, ook Lorenzo de' Medici zelf, die weldoener van zijn klooster was. De potentaat van Firenze scheen er zich niets van aan te trekken. Ook uitte hij geen enkel bezwaar tegen de benoeming van Savonarola tot prior in 1491. Op zijn sterfbed eiste hij echter uitdrukkelijk dat de prediker hem zou komen bezoeken om zijn biecht af te nemen en hem de laatste sacramenten toe te dienen. Dit feit van het jaar 1492 betekende uiteraard een aanmoediging voor Savonarola.

In dit verband weze opgemerkt dat men hem vroeger ten onrechte heeft voorgesteld als een zwartkijker of een fanatieke zuurpruim. Zijn onvermoeide prediking over de uitersten (dood, oordeel, hel of hemel) was weliswaar doorspekt met citaten uit het boek Apocalyps van Sint Jan en hij was allesbehalve laks. Maar Savonarola had een humanistische opvoeding genoten en hij was bevriend met een aantal intellectuelen, dichters en kunstenaars. Ook begreep hij meningsverschillen. Zo stond hij als aristoteliaan niet vijandig tegenover de neoplatonische stroming met als vertegenwoordigers Girolamo Benivieni (1453-1542), Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494) en Marsilio Ficino (1433-1499). Hij wees ze enkel terecht op een aantal stellingen die verkeerd waren. Laatstvernoemde, stichter van een Academia platonica en auteur van een Theologia platonica (1488), was kanunnik in de kathedraal van Firenze en weerde zich in een Apologia contro il Savonarola (1498). Eigenlijk was het typerende voor Savonarola dat hij, waar het ging om de geloofsleer en de moraal, niemand naar de ogen zag en geen rekening hield met de sociale verhevenheid van de personen. De liefde tot God en de zorg voor het heil der zielen waren zijn opvallende beweegredenen.

Hij begon ook zijn klooster te hervormen tot meer gestrengheid en bekwam zelfs een afscheiding van de Lombardische congregatie van zijn Orde. De eerste vruchten van zijn preken waren een talrijker aanwezigheid voor de heilige Mis en het ontvangen van de sacramenten, alsook een indrukwekkende toename van de intredes in zijn klooster San Marco, waar de Dominicanen uitgroeiden van 50 naar 238 leden, onder wie talrijke jongeren uit de vooraanstaande families van Firenze. Maar daarmee was de hele stad nog niet bekeerd. Enkele kringen rond Piero de' Medici, zoon van de voorgaande uit dit adellijk geslacht, waren nog erg onverschillig, zoniet bijzonder vijandig gezind, in de mate dat zij hun genotsleven bedreigd voelden. Dat waren nu feitelijk de tegenstanders waarover Savonarola klaagt in zijn briefwisseling.

Lorenzo de' Medici (1449-1492)
bijgenaamd "il Magnifico" :
posthuum portret door
Giorgio Vasari (1511-1574)

Inmiddels had de schatrijke Spaanse kardinaal Rodrigo de Llançol-Borja y Borja (door de Italianen later Borgia genaamd) met omkoperij van kardinalen en een ongehoorde simonie zijn verkiezing tot paus weten te bekomen op 11 augustus 1492 : Alexander VI. Zijn loopbaan had hij te danken aan het nepotisme van zijn oom paus Callixtus III (1455-1458). Hij was zonder roeping op zesentwintigjarige leeftijd zomaar dadelijk bisschop gewijd en tot kardinaal benoemd geworden. Het staat vast dat hij kinderen had met verschillende vrouwen. Onder zijn bijzitten is Giovanna de' Cattanei (alias Vanozza) de meest bekende ; onder zijn tien kinderen zijn vooral Lucrezia en Cesare Borgia de geschiedenis ingegaan. Laatstgenoemde was amper 18 jaar oud toen zijn vader paus werd, en hij werd al dadelijk als leek tot kardinaal verheven. Voor zijn andere kinderen bedacht de paus politieke huwelijken. Ze kregen allen kleine vorstendommen als geschenk.

Alexander VI scheen de hele Kerk als familiebezit te beschouwen. Hij was erg vrijgevig met kerkelijke inkomsten voor het organiseren van stierengevechten op het Sint-Pietersplein en zowat overal Bacchusfeesten. Het dieptepunt van verval was bereikt toen hij samen met zijn zoon Cesare en zijn dochter Lucrezia op de vooravond van Allerheiligen 1501 in het Vaticaan een ballet van vijftig Romeinse lichtekooien liet opvoeren. Het jaar nadien werd zijn laatste bastaard geboren, die hij Rodrigo naar zijn eigen doopnaam noemde. Uitgeput door zijn zondig leven dat uiteindelijk in heel Europa bekendheid had verworven, stierf Alexander VI op 18 augustus 1503 in geheimzinnige omstandigheden, misschien wegens malaria, maar mogelijk met gif omgebracht. Zijn laatste bekommernis ging uit naar de schatkist (twee koffers vol goud en zilver) die zijn zoon Cesare buiten Rome ging veiligstellen.

Paus Alexander VI (1492-1503) :
eigen medaillon met beeltenis

Het hoeft geen betoog dat twee zo moreel uiteenlopende persoonlijkheden als pater Savonarola en paus Alexander VI waarschijnlijk in botsing zouden komen. Bovendien was Rodrigo de Borja een gevaarlijk man. Hij was nog maar nauwelijks tot paus verkozen of hij begon, naast het begunstigen van zijn familie, intriges op touw te zetten om alle opponenten definitief te neutraliseren, bij voorkeur met gif of met een dolk. In het dagboek van zijn ceremoniemeester (die hem gelukkig overleefde) wordt melding gemaakt van de lijken van de slachtoffers die regelmatig in de Tiber opgevist werden. Zelfs een glimlach kon fataal worden met zo'n "meester van Rome".

Nadien gaf de paus aan zijn zoon Cesare de opdracht ook militaire plundertochten te organiseren. Landgoederen van kardinalen en bezittingen van adellijke families werden onteigend. Heel Romagna werd uiteindelijk afgescheiden van het Patrimonium Petri om erfelijk bezit te worden. Nadat ook de hertogdommen Nepi, Urbino en Camerino onder de voet waren gelopen en vervolgens toegewezen aan Juan, de driejarige zoon van de paus, richtte het begerig oog van Cesare, financieel gespijzigd door de erfenissen van vermoorde kardinalen, zich al op Toscane en de koningskroon. Vandaar ook dat de overgebleven kardinalen zich zoveel mogelijk afzijdig hielden.

Het verzet tegen de wereldse paus Alexander VI en zijn dynastische oogmerken had zich rond de vooruitziende Giuliano della Rovere, de latere paus Julius II, geconcentreerd. Deze kardinaal was naar Frankrijk gevlucht om er koning Karel VIII aan te zetten als Anjou's erfgenaam aanspraken op Napels te maken na de dood van Ferrant van Aragon (1458-1494). Hij hoopte van de gelegenheid gebruik te kunnen maken om druk uit te oefenen op de andere kardinalen, een concilie bijeen te roepen en de onwaardige paus te laten ontzetten uit diens ambt. Iets gelijkaardigs was trouwens al gebeurd bij het begin van dezelfde eeuw met het concilie van Konstanz (1414-1418) om een einde te stellen aan de toestand met drie ogenschijnlijke pausen die tegelijkertijd de tiara voor zich opeisten.

Toen de eerste buitensporigheden van paus Alexander VI algemeen bekend waren geraakt, was pater Savonarola dadelijk begonnen met het aanklagen van dat onzedelijk gedrag. Zijn preken, die omwille van zijn beroep op apocalyptische beelden vaak een profetische of extravagante stempel droegen, hadden het meer en meer over Gods straffen, zowel in dit leven als in het hiernamaals. Hij beweerde terloops dat sommige tekstgedeelten van de heilige Schrift bedoeld waren voor de ambtsdragers in de Kerk die hij met name opsomde. Toen hij tenslotte weet had van het verzet tegen Alexander VI, zag hij in de nakende Franse troepen een toepassing van hetgeen hij aangekondigd had inzake Gods straffen, alsook een beschikking van de goddelijke Voorzienigheid om Firenze volledig te "zuiveren" en vervolgens ook Rome aan te pakken.

 

Over de gebeurtenissen en hun afloop

Italië kwam onder de indruk van de buitengewoon snelle vorderingen en succesvolle wapenfeiten van de jonge Franse koning aan het hoofd van meer dan 40.000 soldaten. Velen zagen daarin de "wreker" en de "zuiveraar" door Savonarola aangekondigd. De bevolking van Firenze, die mede daardoor gewonnen was voor de prediker en zowel de zeden als de dwingelandij van Piero de' Medici beu was, verdreef deze met zijn familie uit de stad. Savonarola ging dan ook aan het hoofd van een ambassade van Firenze naar Pisa, de Franse koning Karel VIII tegemoet. Deze werd vervolgens te Firenze plechtig onthaald en, na zijn vertrek, werd een theocratische democratie opgericht op basis van Savonarola's onderricht. Christus werd tot koning van Firenze uitgeroepen.

De mensen brachten naar het klooster San Marco allerlei nutteloze kunstvoorwerpen, speelkaarten, boeken met teksten van immorele dichters, onbetamelijke schilderijen, frivole kledingstukken, spiegels, cosmetica en dergelijke meer, om ze nadien openlijk te laten verbranden op de piazza della Signoria. Alle andere feestelijkheden waren verboden. Boetedoening was uiteraard aanbevolen. Die "zuivering" nam echter ook ongewenste vormen aan, zoals verklikking door een gedrilde bende grote kinderen en een zeer snelle berechting door een menigte aanhangers. Het stadsbestuur, de elegante Signoria van weleer, was gaandeweg in een groot politiebureel veranderd. Bovendien zorgde een gewapende nachtwacht voor een keiharde aanpak van alle dwalenden, dronkaards, dieven, zwervers en lawaaimakers. Er was geen tekort aan bemanning bij die politie. Heel het publieke leven werd afgestemd op eschatologische verwachtingen, door de prediker onderhouden.

Ondertussen ging pater Savonarola door met zijn publieke aanklacht tegen Alexander VI en diens curie. Hij had de invloed van de nabijheid van de Franse koning wellicht overschat. Rome werd weliswaar op 31 december 1494 door de Franse troepen bezet en de paus werd genoopt tot onderhandelingen, maar het liep heel anders af dan verwacht. De sluwe paus wist de jonge Franse koning om te praten. Door de "vrede van Rome" van 15 januari 1495 gaf hij vrije doortocht op pauselijke gebied. Hij verklaarde zich gelukkig dat de "zeer christelijke koning" weldra ook heerser over Napels zou worden. Hij deed er nog een schepje bij en verleende hem de titel van "koning van Jeruzalem". Ook zou hij de rechten van de laatste Oostromeinse keizer afgekocht hebben en, als plaatsvervanger van Christus, trouwens de macht hebben om iemand te belenen met de kroon van de "keizer van Constantinopel" (stad die in Turkse handen gevallen was sinds 1453). Hij had de jonge Karel VIII zozeer weten te overbluffen dat deze, getooid als "keizer van het Oosten", in Napels zijn intrede deed op 22 februari 1495 om er bezit te nemen van zijn erfgoed.

Karel VIII van Frankrijk (1470-1498) :
eigen officiële beeltenis

Alexander VI nam aanstonds de gelegenheid van deze euforie te baat om een "heilige liga" op te richten met Venetië, Milaan, Spanje en keizer Maximiliaan (4 april 1495). Karel VIII diende dus na amper enkele maanden Napels te verlaten en terug naar het noorden te trekken. Door de veldslag van Fornovo (6 juli 1495), waar hij zijn tegenstanders nauwelijks versloeg en zelf veel verlies leed, bekwam hij weliswaar de bevrijding van de hertog van Orléans, die belegerd was te Novara, maar voor het overige enkel een veilige terugkeer naar Frankrijk.

Meteen was ook de hoop van het verzet gefnuikt. Kardinaal Giuliano della Rovere vluchtte opnieuw naar Frankrijk. Nu kon de paus gerust afrekenen met Savonarola. Op 25 juli 1495 gaf Alexander VI aan de prediker het bevel naar Rome uitleg te komen verschaffen over diens interpretatie van de Apocalyps. Hij wenste te vernemen welke profetieën op hem toepasselijk zouden zijn. Savonarola deed zijn gezondheidstoestand en de gevaren van de reis gelden om te Firenze te mogen blijven. Daarop antwoordde de paus met een preekverbod. Nadien werd het klooster San Marco opnieuw afhankelijk gemaakt van de Lombarische congregatie van zijn Orde en vervolgens onder het toezicht van kardinaal Oliviero Caraffa, een minzame en verdienstelijke diplomaat, gesteld.

Wat de werkelijke gezindheid van Alexander VI was, kan men bezwaarlijk afleiden uit zijn geduldig en zwijgzaam luisteren naar de ambassadeur van Firenze die met veel lof sprak over de pastorale inzet van pater Savonarola en kwam getuigen van diens eerbied voor de opvolger van Petrus. Het lot dat beschoren werd aan nabijstaanden die opmerkingen maakten over zijn gedrag licht ons veel beter in over de mentaliteit van deze paus. Sinds geruime tijd zat er in het Vaticaan een gevangene die goed bewaakt was en met veel eerbied omringd werd, met name prins Jem. Het was de jongere broer van de Ottomaanse sultan Beyazid II (1448-1512). Hij had weleer een machtsgreep op touw gezet, maar die poging was mislukt. Prins Jem sloeg vervolgens op de vlucht, uiteindelijk naar het eiland Rhodos waar hij onthaald werd door de ridders van de Orde van Sint Jan van Jeruzalem. Hun grootmeester, Pierre d'Aubusson, liet hem naar Frankrijk overbrengen. Na heel wat onderhandelingen bekwam deze zijn verheffing tot kardinaal in ruil voor de uitlevering van de gevangene aan de paus. Van zijn kant schonk de sultan een jaarlijkse som van 45.000 dukaten om zijn broer, die nog een gevaar betekende wegens diens aanhang in Turkije, met de nodige eerbewijzen te laten bewaken in het Westen, tenslotte in een woonvertrek van de Castel Sant'Angelo te Rome.

Men vroeg aan prins Jem, die begaafd was en zich onder meer met dichtkunst bezighield, of hij zich wou bekeren. Hij weigerde en vroeg zich af waarom Alexander VI niet overstapte naar de Islam, vermits deze toch reeds leefde als een sultan met een harem. De opmerking viel niet in de smaak van iedereen en de reactie daarop voorspelde zeker niets goeds voor de toekomst van pater Savonarola. Die "onbeschofte" oosterling zou in de ogen van de paus best naar het hiernamaals geholpen worden. Zolang hij in het Vaticaan werd bewaakt, was er natuurlijk geen mogelijkheid daartoe of de paus zou het jaarlijks bewakingsgeld verliezen en meteen de sultan tegen hem in het harnas jagen. Daarom zou de moord zeker buiten Rome en door iemand anders moeten gepleegd worden.

De in 1494 oprukkende Franse troepen inspireerden hem : Alexander VI gaf aan zijn gezant Giorgio Buzardo een brief mee voor Beyazid II (26 juni 1494) waarin staat dat hij vreesde voor de veiligheid van diens broer nu hij zelf bedreigd was. Hij maakte de sultan diets dat de goed uitgeruste Fransen vermoedelijk van plan waren na de inname van Napels een kruistocht te ondernemen tegen het Ottomaanse Rijk. Hij verzocht hem om een geldelijke steun van 40.000 dukaten ten einde het hoofd te kunnen bieden aan de Fransen of ze minstens wat tegen te houden. Hij rekende alvast op de sultan om Venetië onder druk te zetten en aldus ook hulp van de Serenissima te bekomen. De paus zorgde er tevens voor dat de Franse koning daarvan bericht kreeg, zodat deze zich erg gevleid zou voelen en zich sterker zou wanen dan hij in werkelijkheid was.Voor de kruistochtsgedachte kon Alexander VI zich ten andere beroepen op hetgeen zijn voorganger weleer aan de vorsten had gevraagd en alvast in Frankrijk enige weerklank had gevonden.

Bovenop de hogervermelde "vrede van Rome" (15 januari 1495) gaf de paus aan Karel VIII de broer van de sultan mee "als gijzelaar ten behoeve van de gewenste kruistocht", mits de koning prins Jem als een uitlening beschouwde voor zes maanden met een borgsom van 20.000 dukaten. Cesare Borgia, zoon van de paus, zou de koning vergezellen als pauselijke legaat. Onderweg naar Napels viel prins Jem plots ziek te Capua waar hij reeds stierf op 25 februari 1495. Volgens het dagboek van de pauselijke ceremoniemeester gebeurde het "nadat de prins iets gegeten of gedronken had dat hem niet paste". Naar de schijn had Alexander VI daar niets mee te maken. Het was overigens buiten Rome gebeurd.

Dit had tot gevolg dat Europa vanaf 1495 opnieuw met een Turkse bedreiging geconfronteerd werd. Bovendien speelde de paus al even laaghartig als gevaarlijk in op de gevoelens van de sultan door hem tot 1499 te laten wachten om het stoffelijk overschot van diens broer te bekomen. In 1496 waren gezanten het aanvankelijk te Napels, waar het voorlopig opgeborgen lag, komen vragen, maar men eiste daarvoor 5.000 dukaten. Er volgden allerlei besprekingen tussen Frankrijk, Napels en de Heilige Stoel over wie deze som zou opstrijken. Pas onder bedreiging met een inval werd het lijk tenslotte te Lecce verscheept. Deze misprijzende bejegening bekwam dat de sultan geen waardering voor de Christenen meer had en bijzonder versomberde.

Dit was uiteraard een angstwekkend perspectief, want sultan Beyazid II beschouwde zichzelf als ware erfgenaam van het Romeinse Rijk en noemde zich trouwens "Kayser-i-Rüm" (Keizer van de Romeinen). In zijn politieke beeldvorming stond een inval gelijk met het herwinnen van landen die hem rechtens toekwamen. Het verlenen van diezelfde keizerstitel aan de Franse koning door de paus beschouwde de sultan dan ook als een belediging met aanmatiging van zijn eigen waardigheid. De houding van Alexander VI gaf derhalve een nieuwe impuls aan het Ottomaans oprukken naar het Westen.

Sultan Beyazid II (1448-1512) :
meester van het Ottomaanse Rijk
afgebeeld naar Gentile Bellini (1429-1507)

Ondertussen had Savonarola zijn onderdanigheid aan de paus betoond door niet te prediken tijdens de Advent 1495. Op verzoek van het stadsbestuur van Firenze, dat daartoe de instemming kreeg van kardinaal Oliviero Caraffa, belast met het toezicht over de Dominicanen, hervatte Savonarola evenwel zijn prediking in de Vastentijd van 1496. In de loop van de daaropvolgende zomer kreeg Savonarola plots vanwege de paus het aanbod om hem tot kardinaal te benoemen, mits hij als bemiddelaar bij de Franse koning zou optreden opdat de 5.000 dukaten voor het lijk van prins Jem aan de Heilige Stoel zouden toegewezen worden, en om hem nog een paar andere "diensten" te bewijzen. Savonarola wees het aanbod beleefd af. Diplomaat worden en daardoor zijn prediking moeten opgeven : dat wenste hij allerminst. Hij was trouwens niet zo naïef als de jonge Franse koning. Op 7 november 1496 besliste de ontgoochelde Alexander VI het klooster San Marco canonisch over te hevelen en de onbuigzame Savonarola voorgoed het zwijgen op te leggen.

Inmiddels was Piero de' Medici naar Firenze teruggekeerd. Dan gebeurde wat de tegenstanders van de prediker waarschijnlijk voorzien hadden : Savonarola werd woedend, overtrad het preekverbod en stookte de bevolking op tegen de dwingeland. Hij probeerde vergeefs in zijn briefwisseling met Alexander VI zowel de toestand als zijn standpunt uiteen te zetten. Nadat hij tenslotte geen rekening had gehouden met het overhevelen van zijn klooster onder Romeins toezicht en verder was blijven preken houden met kritiek op de wantoestanden te Rome en elders, werd Savonarola op 13 mei 1497 zonder verdere procedure en ondanks de bemiddeling van de ambassade van Firenze bij de Heilige Stoel gewoon in de kerkelijke ban gedaan. Deze excommunicatie en de dreiging met interdict over de stad bekwamen dat zijn aanhang moedeloos werd. Dat alles erop gericht was om Savonarola uit de weg te ruimen, blijkt voldoende uit het feit dat de kloosters van Perugia, Viterbo en Rome, die evenzeer als dat van Firenze geweigerd hadden deel uit te maken van een nieuwe religieuze provincie, niet beschouwd werden als betroffen door de excommunicatie, alhoewel de paus had bepaald dat alle weerspannigen door het feit zelf latae sententiae in de ban van de Kerk zouden zijn.

Op 18 februari 1498 zette pater Savonarola de hele zaak van zijn conflict uiteen vanop de kansel. Aangezien zijn hoop, met de hulp van de Franse koning en de steun van het verzet de ontzetting van Alexander VI uit diens ambt of sanering van de toestand te bekomen, nu vervlogen was, had hij thans besloten zich tot alle vorsten van de christenheid te richten met het verzoek een concilie bijeen te roepen. Over deze brieven van de prediker was de paus reeds op 9 maart 1498 ingelicht geworden. Hij was razend van woede. Kardinaal Giuliano della Rovere, ziel van het verzet tegen Alexander VI, trof echter geen verwijt omdat hij niet predikte tegen persoonlijk wangedrag. Het was dus duidelijk dat de paus wraak nam op pater Savonarola omwille van de beroering van zijn geweten door diens prediking, die thans in heel Europa een uitstraling had waardoor hij zich buitengewoon vernederd voelde.

Bijzonder interessant is hetgeen Savonarola schreef aan de vorsten. In zijn brief aan de keizer stelde hij heel uitdrukkelijk dat Alexander VI geen paus (meer) was omwille van zijn simonie, zijn ondeugden en zijn ongeloof, waardoor hij zelfs geen christen (meer) was. God had volgens Savonarola toegelaten dat de Kerk wegens de zonden van velen thans zonder opperherder was. Dit is wel eigenaardig omdat daar niet speciaal op gezinspeeld werd in de briefwisseling met Rome. Integendeel : daarin hanteerde de prediker niet alleen een andere stijl, maar ook en vooral een argumentatie waarbij Alexander VI nog als paus werd aangesproken. Nochtans zijn al deze stukken echt en onvervalst. Uitleg hiervoor werd gevonden in de leer die in de Kerk toen al gemeen was inzake het behouden en het verliezen van de jurisdictie. Een jongere Ordegenoot van Savonarola, met name Jakob Cajetanus (Giacomo de Vio Gaetano) die als religieuze professienaam Tommaso (naar Thomas van Aquino) koos, deed dit alles uit de doeken. Na het algemeen kapittel van de Dominicanen in 1494, waarop hij zich onderscheiden had, bekleedde hij onder meer een leerstoel te Brescia en ook te Pavia, waar hij door hertog Ludovico Sforza van Milaan was uitgenodigd om ten behoeve van de studenten aldaar de Summa theologica van commentaar te voorzien. De humanisten van de Renaissance hadden waardering voor het werk van de Doctor Angelicus in tegenstelling tot de decadente scholastiek van de late Middeleeuwen. Savonarola had zich verdiept in dezelfde herwaardeerde leerstof tot 1482.

De argumenten die de prediker nogal bondig aanvoerde, heeft kardinaal Charles Journet in zijn studie daarover omstandig uiteengezet. Een paus moet eerst en vooral christen zijn. Hij mag vervolgens zijn plichten van staat als paus niet verzuimen door zich anders dan behoort te gedragen. Wanneer hij dan aanhoudend oog heeft voor zaken die vreemd zijn aan de apostolische zending, zoals wereldse bezigheden, en vooral wanneer hij leerstellig erg afwijkende meningen uit, dan mag en moet hij worden ontzet uit zijn ambt omdat hij aan de functie geen conforme inhoud meer geeft en in Gods ogen naar waarheid geen opvolger van Petrus meer is. Deze leer was feitelijk in de elfde eeuw al door de heilige Petrus Damiani en Hildebrand van Soanna, de toekomstige heilige Gregorius VII, toegepast bij de afzetting van de onwaardige Benedictus X en diens vervanging door Nicolaas II (1058). Nadien werd iets dergelijks nog ondernomen. Zo bijvoorbeeld bij de ontzetting van Benedictus XIII uit diens schijnambt wegens ketterij en schisma (1417). Thans waren reeds verschillende kardinalen, onder wie Giuliano della Rovere, Alexander VI precies als schandalige mens, ketter en scheurmaker gaan beschouwen. Eén van deze aanklachten volstond ruimschoots, indien gegrond, voor het bijeenroepen van een concilie ofwel een aktie van het kardinalencollege. Doch de meeste kardinalen hadden zich tot stilzwijgen gedoemd door zich te laten omkopen voor de verkiezing van Rodrigo Borja. Vandaar dat er geen oplossing in het vooruitzicht scheen. Nu het "enkel maar" een pater was met wie de paus wenste af te rekenen, hielden de kardinalen zich liefst afzijdig. De vorsten waren al even besluiteloos. Voor Savonarola was er dus geen hoop op sanering van de toestand en ook geen menselijke redding meer te verwachten.

Op de koop toe kwamen de Franciscanen tussenbeide : reeds geruime tijd ziekelijk jaloers op het succes van de Dominicanen en dan bijzonder op pater Savonarola, stelde de hevigste onder hen plots voor, een Godsoordeel door het vuur in te richten om eens te zien of de Hemel de prediker al dan niet goedkeurde ! In feite waren de zogenaamde Godsoordelen (ordalia) kerkelijk verboden als een vorm van heidense superstitie uit de tijd van de Barbaren en een zware zonde tegen het eerste gebod omdat het een uitdaging van God inhield met het vragen om een teken van goed- of afkeuring (o.m. het formele verbod door Innocentius III op 9 januari 1212 en door Gregorius XI op 8 april 1374). Maar dat stoorde die Franciscanen blijkbaar helemaal niet. Hun "kampioen" pater Francesco Rondinelli kwam alvast opdagen met een provocatie van Savonarola tot een Godsoordeel over diens "heiligheid" dat zou plaatsvinden bij middel van een vuurproef op 7 april 1498. Savonarola nam de uitdaging niet aan, maar sommige van zijn aanhangers - onder meer in het stadsbestuur - waren er wel voor te vinden en zij brachten reeds alles in gereedheid. Op de dag zelf ging een confrater van Savonarola in processie naar buiten met het H.Sacrament, zodat allen moesten knielen en tot andere gedachten gestemd werden. Plots werden door een hevige stortregen zowel het vervolg van de processie als de geplande vuurproef verhinderd.

Aangezien pater Savonarola zich daartoe niet had geleend, kwam de ontgoochelde en door de Franciscanen opgehitste bevolking in opstand. Het klooster San Marco werd belegerd en ingenomen. Savonarola werd met enkele andere paters gevangen gezet. Het kwam gelegen voor de pauselijke legaat, die met de algemene overste van de Dominicanen en de bisschop van Ilerda naar Firenze gestuurd was om de prediker te oordelen. Ook het stadsbestuur, dat herhaaldelijk door de paus met interdict bedreigd was geworden en het bevel had gekregen Savonarola en zijn confraters gevangen te zetten, keerde zich tegen de prediker bij het ontvangen van een nieuwe Breve van de paus waarbij andermaal verzocht werd om op te treden tegen de Dominicanen en ze aan te houden. Savonarola en zijn gezellen werden met uitdrukkelijke pauselijke instemming gefolterd. Men deed hen een document ondertekenen met een bekentenis van "grote misdaden" door het verspreiden van "valse profetieën". Daaropvolgend werden zij "schuldig" bevonden zonder mogelijkheid tot beroep. Alexander VI was uiteindelijk van een lastpost bevrijd : Savonarola had men immers samen met de andere paters snel gehangen en verbrand op 23 mei 1498.

 

Besluit met evaluatie van de feiten

Een historicus velt geen oordeel over mensen. Hij weegt weliswaar hun gekend doen en laten af voor wat hun weerslag op de geschiedenis betreft. Hoge bomen vangen veel wind. Door zijn kritiek heeft pater Savonarola zich ingezet voor de verbetering van de zeden. Dat werd hem kennelijk niet in dank afgenomen. Hij heeft mogelijk wat overdreven in zijn ijver. Zijn woorden hebben ook mogelijk enkele keren de nauwkeurige omlijning van zijn gedachten overtroffen. Bij het zien van de grote onverschilligheid voor het bewaren van de zuiverheid van de christelijke leer en dan bijzonder bij het moeten vaststellen van de ongehoorde zedenverloedering te Rome zelf, heeft hij waarschijnlijk geleden in geest en hart. Hij is blijkbaar wel onvoorzichtig geweest in zijn ijver door een betwistbare en persoonsgebonden interpretatie van de Apocalyps aan de man te brengen. Het verwelkomen van de Franse koning speelde hem ook parten omdat hij daardoor in de politiek verwikkeld geraakte. Hij verloor bovendien de controle over de "zuivering" te Firenze. Pater Savonarola scheen niet helemaal te beseffen dat hij de verstokte levenswandel van paus Alexander VI had aangepakt, dat hij diens onboetvaardigheid niet kon wegwerken door zijn prediking en daardoor zelfs in ongenade was gevallen. Hij heeft hoe dan ook geen gevolg willen geven aan bevelen die er op gericht waren de inhoud en de aard van zijn prediking te dwarsbomen. Hij had zichzelf waarschijnlijk kunnen redden door de benoeming tot kardinaal te aanvaarden, maar hij wou prediker blijven. Hij heeft vervolgens moeten ervaren wat ook bij het berechten van Jeanne d'Arc werd vastgesteld : een ingeklede afrekening met politieke achtergrond, onder het voorwendsel van een (nooit bewezen) ketterij.

Zulk afschuwelijk onrecht is wel nogal zeldzaam geweest in de Kerkgeschiedenis. Nadien, eeuwen nadien soms, krijgt het slachtoffer dan eerherstel, gebeurlijk volgen zelfs een zaligverklaring en een heiligverklaring, zoals voor Jeanne d'Arc respectievelijk in 1456, 1909 en 1920, waardoor de Kerk impliciet de handelwijze van sommige van haar ambtsdragers afkeurt. Voor pater Savonarola werd het proces voor zijn zaligverklaring al ingezet en moeten de door zijn voorspraak bekomen gunsten worden gemeld aan het Convento Santa Sabina van de paters Dominicanen te Rome. De kerkelijke rechtbank terzake werd ingericht onder voorzitterschap van kardinaal Silvano Piovanelli, aartsbisschop van Firenze, stad waar de prediker ongeveer vijf eeuwen geleden een gewelddadige dood stierf. Thans geniet Savonarola ook meer belangstelling vanwege universitaire middens. Zo werd aan de Faculteit Kerkgeschiedenis van de Pontificia Università Gregoriana te Rome voor dit academiejaar zelfs een heel semestercollege aan hem gewijd (2005-2006).

Savonarola had geen conflict met de paus, zeker niet met de paus in zijn hoedanigheid van opvolger van Petrus. Het was net andersom. Degene die tot het pausambt was verkozen, trad als private persoon in conflict met een prediker die zijn slecht geweten beroerde, hij zifte diens prediking uit om er een mogelijke ketterij in te kunnen bespeuren, hij probeerde hem inmiddels het zwijgen op te leggen, hij maakte verder misbruik van dwangmiddelen en legde hem tenslotte de grootste kerkelijke straf op. Om de schone schijn te redden volgde dan nog een verhoorprocedure, maar het vonnis stond reeds vast. Twee confraters van Savonarola moesten het eveneens ontgelden omdat zij geen valse getuigenis hadden willen afleggen. Pas na uitgelezen folteringen werd een bekentenis van "grote misdaden" bekomen, zonder dat enige leerstellige dwaling bij de verspeiding van die "valse profetieën" kon worden aangeduid. Savonarola en zijn confraters werden vervolgens zomaar ter beschikking van de seculiere macht gesteld voor hun terechtstelling. Dit alles was uiteraard in tegenstrijd met de geest en de letter van de kerkelijke wetgeving, die niet bedacht werd ten dienste van wraakneming, verrijking of machtsgrepen, maar wel van de gaafheid van het verlossingswerk en het gemeengoed van de christenheid, overeenkomstig de leer van de Kerk.

In zijn allerlaatste brief met als datum 13 maart 1498 schrijft pater Savonarola aan paus Alexander VI :

« HeiligeVader,

Na vastgesteld te hebben dat sommige herders in de Kerk de kudde aan hun zorgen toevertrouwd naar de dwaling heenvoerden door hun slecht voorbeeld en hun verdorven leer, na zelfs gezien te hebben dat zij door hun ontelbare schandelijkheden de gelovigen naar de weg van de hel lokten, dacht ik in geweten dat het mijn plicht was, voor Gods eer en de overwinning van het geloof, de waarheid van het katholieke geloof te verdedigen, en dat ik ook de verplichting had om de verloedering van de zeden aan de kaak te stellen en tegen te gaan door de mensen te herinneren aan het naleven van de christelijke moraal. Terwijl ik ijverde voor deze goede zaak, de zondaars op de nakende straf wees en mij toelegde op het terugvoeren van de zielen naar de nauwe weg van het heil, werd ik plots getroffen door tegenspoed en angsten tegen dewelke ik geen verdediging noch hulp kreeg. Nochtans had ik de hoop gekoesterd dat Uwe Heiligheid mij ter hulp zou snellen en met mij de vijanden van het geloof zou bestrijden. Welnu, juist het tegenovergestelde is gebeurd, want het is duidelijk dat Uwe Heiligheid geen rekening heeft willen houden met de herhaaldelijk aangehaalde argumenten die pleiten voor mijn onschuld, en dat U geen gehoor hebt willen geven aan de goede redenen die ik opgaf, niet om fouten goed te praten, maar om de gaafheid van het onderricht in mijn prediking te bewijzen, en mijn onderdanigheid ten opzichte van de paus en de heilige Roomse Kerk te betuigen. Uwe Heiligheid heeft zozeer oor gehad voor mijn tegenstanders, dat ik niet meer kan rekenen op de hulp die de plaatsvervanger van Christus mij zou moeten verlenen als christen en als opperste herder. Aldus werd macht gegeven aan wrede wolven om tegen mij op te treden. Voor het overige stel ik mijn betrouwen op Hem die de geringste menselijke instrumenten uitkiest om de machtigen der aarde te beschamen. Ik hoop door Hem verhoord te worden omwille van de waarheid waarvoor ik lijden en vervolging verduren moet. Ik hoop dat zij gestraft zullen worden die mij vervolgen en het goddelijke werk dwarsbomen waarvoor ik ijverde. Naar het voorbeeld van Christus heb ik nooit mijn eigen glorie gezocht. Ik wacht op de dood, ik verlang ernaar van ganser harte. Moge Uwe Heiligheid zich spoeden te denken aan haar eigen heil.

Broeder Hiëronymus Savonarola, nutteloze dienaar van Jezus Christus. »

Epiloog

Vijf jaar na Savonarola's terechtstelling kwam Alexander VI om het leven. De paus na hem noemde zich Pius III. Het was een overgangsfiguur : bejaard en reeds ziek bij zijn verkiezing, stierf hij amper drie weken nadien. Toen verkozen de kardinalen de vroegere opponent tegen Borgia's bewind, hun collega Giuliano della Rovere die als paus Julius II de geschiedenis ingegaan is. De vroeger gangbare beeldvorming van hem was deze van een louter politieke en oorlogvoerende paus. Het pamflet tegen hem, "Julius exclusus de caelo", dat ten onrechte aan Erasmus toegeschreven was, houdt er verband mee. In feite is paus Julius II erin geslaagd het Patrimonium Petri helemaal te herstellen. Daarbij werden lokale despoten, meestal door diplomatie, soms door wapenfeiten, ontzet. Door bondgenootschappen aan te gaan wist hij ook de republiek Venetië te bedwingen. Een jaar na zijn verkiezing was de tot dusver nog steeds invloedrijke pauszoon Cesare Borgia eindelijk onschadelijk gemaakt en in Spanje gevangen gezet. Men kan niet verbergen dat Julius II een kunstliefhebber van formaat was, aan wie men de naar hem genoemde Capella Julia, de pauselijke zangerskapel, te danken heeft en daarnaast tal van beroemde kunstwerken in zijn hoedanigheid van mecenas van (onder meer) Raffaël, Bramante en Michelangelo.

Doorgaans vergeet men echter te vermelden dat Julius II, die Franciscaan was, ook een grote hulpvaardigheid jegens armen en vluchtelingen betoonde. Tenslotte vergeet of verzwijgt men eveneens één van zijn eerste daden als paus te vermelden, met name de uitvaardiging van een Constitutie waarbij simonistische pausverkiezingen ongeldig worden verklaard (1505). Dit document werd door hemzelf hernomen en bekrachtigd samen met het vijfde Concilie van Lateranen in de Bul Si summus rerum opifex van 16 februari 1513. Daarin staat uitvoerig beschreven wat er allemaal komt bij kijken, onder meer dat simonie met ketterij en schisma gelijkgesteld is, zodat een aldus verkozene als een schijnpaus moet beschouwd worden, aan wie men gehoorzaamheid moet weigeren en tegen wie men een concilie of een aktie van het kardinalencollege mag op gang brengen. Daarmee heeft Julius II ook zijn eigen verzet van weleer - en tevens dat van pater Savonarola - als katholiek en normaal doen gelden. Eigenlijk zou Savonarola dus al lang niet meer als "omstreden" figuur mogen beschouwd worden. Vandaar ook het nut van deze epiloog, want zelfs voorname historici kijken soms niet verder dan hun neus lang is, alhoewel enkele bladzijden verder in de geschiedenis de juiste evaluatie van de onderzochte feiten af te lezen staat in heel officiële documenten. Met deze onder ogen maakt de "advokaat van de duivel" weinig kans tegen de zaligverklaring van pater Savonarola. Moge deze gemartelde man van God ons helpen door zijn gebed opdat wij standvastig zouden blijven en ons strijdvaardig zouden inzetten voor de gaafheid van geloof en zeden in een samenleving die uitgegroeid is tot een reusachtige stal van Epicurus met goddeloze humanisten als verlichters.

 

Renaissance-voorstelling
van Christus'geboorte :
door Bernardino di Betto,
alias Pinturicchio (1454-1513)

Bibliografie

- ACADEMIA d'OROPA (ed.) Alessandro e Savonarola. Brevi e lettere. Torino, 1950.
- ALLEN P.S. (ed.) Opus epistolarum Desiderii Erasmi Roterodami. Oxford, 1926 e.v.
- BATAILLON M. Érasme et l'Espagne. Paris, 1937.
- BELARDETTI A. (ed.) Edizione nazionale delle opere di Girolamo Savonarola. Roma, 1955-1996.
- BURKE P. The Renaissance. Cambridge, 1987 (1992³).
- CAJETANUS Jacobus (DE VIO GAETANI Giacomo, alias Tommaso). De divina institutione pontificatus Romani pontificis. Rome, 1521. In : Lauchert F.(ed.). Corpus catholicorum. Vol. X. Münster, 1925.
- COGNASSO F. & PALMAROCHI R. (ed.) Prediche italiane ai fiorentini. Firenze, 1930-1935.
- CONCILIUM LATERANENSE V. Sessio V. Bulla Si summus rerum opifex (16 febr. 1513). In : Alberigo J. e.a. (ed.) Conciliorum oecumenicorum decreta. Basel / Barcelona / Freiburg / Roma, 1962, p. 576-579.
- DE MAIO R. Savonarola e la curia romana. Roma, 1969.
- DENOYELLE A. Van kansel naar slagveld. Genese en doorwerking van pauselijke legitimeringen eigen aan de theocratische beeldvorming rond 1250. Het (zelf)bedrog van het imaginaire. (doctoraatsthesis) Leuven, 1999.
- DE RIANS E.A. (ed.) Trattato circa il reggimento della città di Firenze. Firenze, 1848.
- DI AGRESTI D. Sviluppi della riforma monastica savonaroliana. Firenze, 1980.
- FERRARA M. (ed.) Prediche e scritti di Girolamo Savonarola. Milano, 1930.
- FERRARA M. Bibliografia Savonaroliana. Bibliografia ragionata degli scritti editi dal principio del sec. XIX ad oggi. Firenze, 1958 (Vaduz, 1981).
- FISHER S.N. The fear of Jem's return (1482-1495). In : The foreign relations of Turkey (1481-1512). Chap. IV. Columbus (Ohio, USA), 1948, p. 24-44.
- FONTANA A.I. & SCAPECCHI G. Catalogo delle edizioni di Girolamo Savonarola (secc. XV-XVI) possedute dalla Bibliotheca nazionale centrale di Firenze. Firenze, 1998.
- GARFAGNINI G.C. Savonarola e la politica. Firenze, 1997.
- GAUDE F. (ed.) Bullarium Romanum. Bullarum, diplomatum et privilegiorum sanctorum Romanorum pontificum Taurinensis editio, locupletior facta collectione novissima plurium brevium, epistolarum, decretorum auctorumque S.Sedis a S.Leone magno usque ad praesens. Vol. V. Ab Eugenio IV (1431) ad Leonem X (1521). Augustae Taurinorum (Torino), 1857-1882.
- HURTAUD J. Lettres de Savonarole aux princes chrétiens pour la réunion d'un concile. In : Revue thomiste, janvier 1900, p. 631-674.
- JOURNET Ch. Alexandre VI et Savonarole. Pour le cinquième centenaire de la naissance de Savonarole, 21 septembre 1952. In : Nova et Vetera, XVII, 2 (1952), p. 127-138.
- KLOEK F.C. De pauselijke banvloek. Een geestelijk wapen in de middeleeuwse politiek. Amsterdam, 1987.
- KRISTELLER P.O. Medieval aspects of renaissance learning. New York, 1974.
- KÜHNER H. Lexikon der Päpste, von Petrus bis Pius XII. Zürich / Stuttgart, 1956.
- LOURDAUX W. & VERHELST D. (ed.) The concept of heresy in the middle ages (11th-13th century). Leuven, 1976.
- LUOTTO P. Il vero Savonarola e il Savonarola di L.Pastor. Firenze, 1897 (1998³).
- OLIN J.C. The catholic reformation. Savonarola to Ignatius Loyola : reform in the Church (1495-1540). New York, 1969.
- PETRUS DAMIANI. Epistolae. In : Reindel K. (ed.) Monumenta Germaniae Historica. Epistolae. Nova Series. Vol. IV-1/4. München, 1983-1993.
- ROCKE M.J. Forbidden friendships. Homosexuality and male culture in renaissance Florence. Oxford University Press (N.Y.), 1998.
- ROSITO M.G. (ed.) Savonarola revisitato (1498-1998). Firenze, 1998.
- SCHNITZER J. Quellen und Forschungen zur Geschichte Savonarolas. München / Leipzig, 1902-1914.
- SCHNITZER J. Savonarola, ein Kulturbild aus der Zeit der Renaissance. München, 1923-1924.
- THUASNE L. (ed.) Johannis Burchardi Argentinensis capell(a)e pontifici(a)e sacrorum rituum magistri diarium, sive rerum urbanarum commentarii (1483-1506). Paris, 1883-1885.
- VILLARI P. Storia di Girolamo Savonarola e de' suoi tempi. Firenze, 1859-1861 (1898³).
- VON PASTOR L. Geschichte der Päpste seit dem Ausgang des Mittelalters (1417-1799). Freiburg, 1891-1933.
- VON PASTOR L. Zur Beurteilung Savonarolas. Freiburg, 1898.
- WEINSTEIN D. Savonarola and Florence : prophecy and patriotism in the renaissance. Princeton (N.Y.), 1970.
- ZIMMERMAN H. Papstabsetzungen des Mittelalters. Graz / Wien / Köln, 1968.

 

Over de auteur van dit artikel

Alfred Denoyelle promoveerde tot Doctor in de Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij is mediëvist naar vorming en verricht onder meer gelegenheidsonderzoek over sommige onderwerpen in verband met mentaliteitsgeschiedenis, historische beeldvorming, metamorfose en doorwerking van begrippen in de lange tijdsduur, botsingen tussen groepsculturen, afwijkende gedragingen, gespannen relaties Kerk-Staat en bepaalde andere thema's uit de veelzijdige Kerkgeschiedenis. Hij bezorgde een aantal vulgariserende artikels over geschiedenis en daarnaast ook enkele meer wetenschappelijke bijdragen.