Alfred Denoyelle,
Doctor in de Geschiedenis
 
 
De kruistochten : christelijke ondernemingen ?
 
Plan
- enkele voorafgaande bemerkingen
- hoe zit het eigenlijk met de kruistochten ?
- de beweegredenen en de historische context
- de verschillende kruistochten en het bilan van deze ondernemingen
- de eerste kruistocht
- de tweede kruistocht
- de derde kruistocht
- de vierde kruistocht
- de vijfde kruistocht
- de zesde kruistocht
- de zevende kruistocht
- de achtste kruistocht... en enkele andere
- bij wijze van besluit
 
 
Enkele voorafgaande bemerkingen
 
Het thema van de kruistochten is een "gevoelig" onderwerp omdat het vaak in ideologische veronderstellingen verankerd is, met name positieve of negatieve waardeoordelen die elkeen van zijn opvoeding, meer bepaald van zijn schoolse bagage, heeft "overgeërfd". Er bestaat dus veel kans dat het eenvoudig oproepen ervan door de titel van dit artikel een reactie kan uitlokken zoals deze van de jager die schiet op alles wat beweegt. U kent waarschijnlijk die anecdote. Een jager gaat het woud in om te jagen op everzwijnen. Plots ziet hij iets bewegen achter een struik aan de voet van een boom. Hij gelooft dat het een everzwijn is. Zonder wat te wachten om er zich van te vergewissen, ontlaadt hij zijn geweer in de richting van die struik. Wanneer hij nadert om het stoffelijk overschot van het dier op te rapen, beseft hij -- te laat -- dat hij een jonge scout heeft gedood ! Deze reactie van de impulsieve jager, sommige mensen geven daar ook blijk van wanneer zij voordrachten bijwonen -- of zelfs gewoon wanneer zij beweringen horen -- waarvan zij reeds de oriëntatie menen te kunnen raden. Zij wachten dus niet op de uitleg van de voordrachtgever of de gesprekvoerder om er zich van te vergewissen. Zij eigenen zich zomaar het recht toe, vooruit te lopen op een besluit dat nog niet werd uitgesproken, en schieten op de voordrachtgever of op degene waarvan zij de woorden al geïnterpreteerd hebben alvorens ze volledig aanhoord en ontleed te hebben. Ze schieten misschien niet allen met een geweer -- alhoewel men het geval van fanatische of gefanatiseerde lui zou kunnen aanhalen die hun evenmens gedood hebben in de waan daarmee God of de Kerk gediend te hebben --, maar wat denken van morele moorden ? Men staat op tijdens een voordracht om verdenkingen te uiten over wat de voordrachtgever verder zal zeggen, over zijn bedoelingen en zelfs over zijn persoon. Dank zij deze methode bekomt men dat de toehoorders, voor de resterende tijd van de voordracht, de spreker gaan bekijken met de bril van de interveniërende. Een variante van deze methode bestaat erin, niet te interveniëren, maar een waarschuwingspamflet te publiceren. Hoe dan ook, zij die de reactie van de impulsieve jager hebben, zeggen nadien dat zij "de muziek meenden te herkennen" net zoals hun lompe homoloog in het woud een everzwijn meende gezien te hebben. Tenzij U wil doorgaan voor een impulsieve jager, wacht U toch op al mijn uitleg en vooral op mijn besluit.
 
Wanneer wij tenslotte daartoe zullen gekomen zijn, raad ik U aan enkele bemerkingen van Jacques-Bénigne Bossuet (1627-1704), bisschop van Meaux, een klassieke auteur die als bijnaam "de arend van Meaux" meekreeg omwille van de verhevenheid van zijn denken, voor ogen te houden. Deze bijzonder scherpzinnige bemerkingen heeft hij neergepend voor ons nut in zijn werk "over de kennis van God en van zichzelf". --- Hiervan dan enkele korte uittreksels (hfdst. I, over de ziel, § XVI, "Wat goed oordelen inhoudt") :
 
« De echte volmaaktheid van het begripsvermogen bestaat erin, goed te oordelen. Oordelen, dat betekent zich inwendig uitspreken over het ware en het verkeerde ; en goed oordelen, dat betekent er zich over uitspreken met reden en kennis. Twijfelen wanneer dat moet, maakt deel uit van goed oordelen. Hij die als zeker oordeelt wat zeker is, en verder als twijfelachtig wat twijfelachtig is, die oordeelt goed. (...) Iets zijn aandacht laten genieten, dat betekent het van alle kanten beschouwen ; en hij die het slechts bekijkt aan de kant die hem aanstaat, hoe lange tijd hij het ook in ogenschouw moge nemen, die is niet echt aandachtig. Aan iets gehecht zijn is wat anders dan aandachtig zijn voor iets. Eraan gehecht zijn, dat betekent het kost wat kost zijn eigen gedachten en verlangens toeschrijven, hetgeen meebrengt dat men het enkel aan de aangename kant beschouwt ; maar er aandacht voor hebben, dat betekent het willen in ogenschouw nemen om er goed over te oordelen, en daarom ook het 'voor' en 'tegen' willen kennen. (...) De oorzaak van slecht oordelen is het 'over het hoofd zien', dat men ook 'overhaast tewerkgaan' noemt. Overhaast oordelen, dat is geloven of oordelen alvorens kennis op te doen. Dat gebeurt wegens hoogmoed, ongeduld of vooringenomenheid, ook wel beslommering genoemd.
 
Wegens hoogmoed omdat de hoogmoed er ons toe beweegt, te veronderstellen dat wij gemakkelijk de moeilijkste zaken kennen, en haast zonder onderzoek : op die wijze oordelen wij te vlug, en hechten wij ons aan onze visie, zonder daarop terug te willen komen, uit vrees ertoe genoopt te worden, te erkennen dat wij ons vergist hebben. Wegens ongeduld wanneer wij, uit vermoeidheid bij het beschouwen, oordelen alvorens alles gezien te hebben. Wegens vooringenomenheid, op twee manieren : ofwel van buitenuit, ofwel van binnenuit. Van buitenuit, wanneer wij te gemakkelijk geloven op grond van het verslag van een ander, zonder daarbij te overwegen dat hij ons kan misleiden, of zelf misleid werd. Van binnenuit, wanneer wij er zonder reden toe bewogen worden, een welbepaalde zaak eerder dan een andere te geloven.
 
De grootste ongeregeldheid van de geest is dingen geloven omdat men wil dat zij wezen, en niet omdat men ingezien heeft dat zij inderdaad bestaan. Dat is de fout die onze driften ons doen begaan. Wij zijn ertoe geneigd te geloven wat wij wensen en wat wij hopen, of het nu waar zij, of niet. (...) En aangezien wij altijd de reden willen schikken naar onze verlangens, noemen wij 'reden' wat overeenstemt met onze natuurlijke ingesteldheid, met name een verborgen drift die des te minder opvalt, dat zij als het ware de grond van onze natuur is. (...) Wij beseffen ook goed, door hetgeen gezegd werd, dat luiheid, die de moeite van het beschouwen vreest, de grootste hindernis voor goed oordelen vormt. Men kan zo veel moeilijkheden die ons beletten, goed te oordelen of de waarheid te erkennen, niet overwinnen, tenzij door een hevige liefde voor de waarheid en een groot verlangen ze te aanhoren. Daaruit volgt dat slecht oordelen zeer vaak uit een gebrek aan wil voortkomt.
 
Het begripsvermogen is van nature uit gericht op begrijpen ; en telkens het begrijpt, oordeelt het goed. Want indien het slecht oordeelt, dan komt dit enkel door onvoldoende begrip. Onvoldoende begrip hebben, dat betekent niet alles begrijpen ; en niet alles begrijpen van iets waarover dient geoordeeld te worden, dat is het eigenlijk niet echt begrijpen, aangezien het oordeel zich vormt over een geheel. (...) Geen enkel mens wil zich vergissen ; en geen enkel mens zou zich vergissen, indien hij niet gehecht was aan dingen die met zich meebrengen dat hij zich vergist, omdat zij hem beletten dat hij aandacht heeft voor de waarheid en deze ernstig nastreeft. Dientengevolge begrijpt hij die zich vergist zijn onderzoeksobject niet, en vervolgens begrijpt hij zichzelf niet, omdat hij noch zijn onderzoeksobject, noch zichzelf met de overhaast, de hoogmoed, het ongeduld, de luiheid, de driften en de vooringenomenheid die er de oorzaak van is, begrijpt. »
 
Wat dichter bij ons kwam paus Leo XIII op de voorgrond met deze ethische beginselen toen hij schreef, in verband met de studie van Kerkgeschiedenis (8 september 1899) :
 
« Een historicus heeft de plicht geen enkele beproeving te verdoezelen waaronder de Kerk te lijden kreeg
wegens de fouten van haar kinderen en soms zelfs wegens deze van haar prelaten. »
 
Anders gezegd : men moet de waarheid, niets anders dan de waarheid, de volledige waarheid betrachten. De apologetica staat ten dienste van de geloofsleer, niet van de personen die ze belijden, met name wij allen die over de betreurenswaardige neiging beschikken er ons in geest en in daden van af te scheiden. Ook al staat dit sommige lui met ondoordachte ijver niet aan, toch is het zo dat de apologetica geen onderneming voor het vrijpleiten of witwassen der begane zonden mag worden, zelfs en vooral niet deze van de kerkelijke hoogwaardigheidbekleders. Het is trouwens vergeefse moeite de onloochenbaar vaststaande geschiedenis als spiegel van het verleden te willen stukslaan.
 
 
Mijn bemerkingen heb ik met deze citaten ingeleid omdat U waarschijnlijk allen één of andere cultuurschok te wachten staat, naargelang uw inbeeldingswereld, van uw schools verleden overgeërfd, U de kruistochten in moreel opzicht als een positief en enthousiasmerend, of integendeel als een negatief en ontgoochelend epos doet beschouwen. Eigenlijk is de waarheid alleen van belang. Deze van de vaststaande feiten. Zij is niet noodzakelijk onbevlekt, noch fataal besmeurd. Zij is eenvoudig enkel maar wat zij is : de waarheid.
 
 
Hoe zit het eigenlijk met de kruistochten ?
 
Elke menselijke onderneming kan worden bekeken vanuit de invalshoek van de bedoelingen die er klaarblijkelijk aan de grondslag van liggen, ofwel vanuit de invalshoek van het officieel nagestreefde doel (niet noodzakelijk identisch) of nog vanuit de invalshoek van de ingezette middelen (die gebeurlijk afwijkend kunnen zijn ten opzichte van het doel en aldus de aard van de onderneming kunnen wijzigen).
 
Om een geldig antwoord te verschaffen op de vraagtitel van dit artikel, zal het dus passen aandachtig na te gaan wat de kruistochten feitelijk waren vanuit dit drievoudig gezichtspunt, dat bezwaarlijk telkens kan worden herleid tot één enkel voor die historische ondernemingen.
 
Mijn bronnen zijn niet de geschiedenisboeken, noch de schoolhandboeken, noch de best-sellers waarvan men sensatiefilmen heeft gemaakt. Mijn bronnen zijn de toenmalige documenten in hun eigentijdse context ingeschat, bronnen die door de historici worden beschouwd als "primaire bronnen", waaronder sommige archeologische overblijfselen, de archieven van de politieke gezagdragers van toen, de annalen, de kronieken -- oosterse zowel als westerse --, de pauselijke bullen, alsook de beschrijvingen en de aansporingen in de akten van de concilies uit de middeleeuwen. Gedurende een tiental jaren heb ik er mij in verdiept en terloops bij gelegenheid sommige meegekregen overtuigingen in mijn eigen geest rechtgezet. Nu ben ik er mij goed bewust van dat, wat de kruistochten en een hele reeks andere onderwerpen betreft, de "politiek correcte" geschiedenis die doorgaans in schoolhandboeken en syllabi voor studenten wordt voorgesteld, hoegenaamd niet correct is. Het is niet alleen slaafse herhaling : het is oudbakken brood gesopt in een ideologische soep.
 
Indien men zich wil losrukken uit deze obscurantistische halsbeugel, en zijn geest wil verankeren in de werkelijkheid uit het verleden, dan moet men ook de wil hebben om heel wat gebeurtenissen aan het volledige daglicht te brengen. Daartoe komt men uiteraard niet door inlichtingen uit in aanmerking komende bronnen terzijde te laten.
 
We zullen beginnen met enkele gangbare vooroordelen aan de kaak te stellen.
 
In tegenstelling tot wat men zowat overal lezen kan, waren de kruistochten geen razende expedities van een agressief vasteland door het Christendom geïnspireerd. Integendeel : gedurende vele eeuwen had Europa het te verduren gekregen door invallen en verschillende barbaarse indringers, in de pejoratieve betekenis van het woord : zonder enig ontzag vernielende. Men vermoordde, men plunderde, men stak in brand, men verkrachtte. Wanneer er niet voldoende vrouwen beschikbaar waren om de ongebreidelde driften op zoek naar grove sensaties te bevredigen, greep men naar jonge knapen en zelfs naar huisdieren of vee. Wie was daar verantwoordelijk voor ? Na de invasies van germaanse horden, waaronder de Vandalen een faam hebben opgebouwd die de eeuwen trotseerde, kwamen deze van de Hunnen, de Vikings en de Saracenen. Dat waren geen brave jongens, maar bloeddorstige en brutale ontspoorden, zonder enige voorkomendheid met de evenmens, noch respect voor geestelijke of materiële goederen. Al wat zich op hun weg bevond, was onderworpen aan hun egocentrisch en krimineel goeddunken.
 
De Europese bevolking had er uiteindelijk genoeg van. Er was een consensus ontstaan over de rechtmatige zelfverdediging : deze zou niet enkel vertaald worden in het opgeheven schild, maar ook in het preventief optreden tegen nieuwe agressies. Er werden dus gemeenschappelijke expedities met ontradend karakter in de richting van het Oosten op touw gezet. Zij hadden tot eerste doel de pelgrims naar het heilig Land te beschermen. Vandaar ook dat geleiden van soldaten-monniken de karavanen vergezelden. Er dient geweten dat de Kruisorden een parallel bestaan hebben gehad ten opzichte van de kruistochten. Naast een defensieve functie hadden zij eveneens een onthaalfunctie en een geestelijke almoezeniersfunctie waarvan alle bewoners van Palestina zonder enige uitzondering konden genieten.
 
 
Kruisorden (soldaten-monniken)
 
Met de bedoeling de Christenen van elke onderdrukking in het door de ruiters van Allah bezette Jeruzalem te ontzetten, zijn de kruisvaarders afkomstig uit verschillende naties en opgesplitst in kleine bevrijdingslegers er uiteindelijk in geslaagd een groot gedeelte van de Levant te veroveren. Terwijl zij aldaar oorlog voerden, waren de Muzelmannen er natuurlijk toe genoopt, te verzaken aan hun geregelde strooptochten in Europa. Aldus zijn de kruistochten tegelijkertijd bevrijdende en preventieve expedities geweest. Daardoor heeft ons vasteland voldoende vrede van buitenuit gekend om een buitengewone culturele ontwikkeling van binnenuit mogelijk te maken.
 
Zoals in elke menselijke onderneming zijn er weliswaar schaduwzijden te betreuren. Er waren trouweloze ridders, avontuurlijke en vechtlustige baronnen, goud en zilver beogende clerici. Er waren zelfs enkele afwijkende of mislukte kruistochten, precies omwille van deze ondeugden. Wanneer raadgevers voor "historische" films er een mengelmoes van maken om heel het middeleeuws verleden te verguizen en de kruistochten als dusdanig te diaboliseren, delen zij klaarblijkelijk de visie van de modernisten : zij geven aan gedachten, aan fantasieën en aan romantische stripverhalen de bovenhand op vaststaande feiten.
 
Zo bijvoorbeeld voor de film "Kingdom of heaven".
 
 
Wat er eigenlijk van geweest is : laten wij dat precies onderzoeken.
 
 
De motivaties en de historische context
 
Eerst en vooral, wat betreft de motivaties of uitgesproken bedoelingen, die wortels hebben in de pijnlijke en eeuwenlange toestand aan de kruistochten voorafgaand, dient er opgemerkt dat zij hun ontstaan te danken hebben aan een samenloop van omstandigheden. Sinds de neergang van het Westromeinse rijk tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening hebben de Europese landen van alle kanten onophoudelijke invallen gekend. Alhoewel zij teruggedreven werden, of de indringers door landverlening of bekering tot het Christendom geïntegreerd werden, zoals het geval was met de Noormannen, is de constante bedreiging van de veroverende Islam nodig geweest om uiteindelijk bijna iedereen in onze streken te mobiliseren.
 
Het Oostromeinse rijk was er weliswaar in geslaagd om de vooruitgang van de Muzelmannen tegen te houden tot 1453, maar ten koste van steeds meer landverlies in de loop der eeuwen. Sinds de Hegira (622) had de Islam enkel maar veld gewonnen : na Arabië en heel het Midden-Oosten was het Egypte en heel Noord-Afrika, nadien het Iberisch schiereiland en tenslotte het zuiden van het huidige Frankrijk, tot Karel Martel ze een nederlaag bezorgde te Poitiers (732) en Karel de Grote ze definitief in Spanje terugdreef om ze aldaar te bedwingen door versterkte plaatsen in Catalonië (785). De zogenaamde "reconquista" of christelijke herovering was begonnen. Zij zal lang duren, aangezien Toledo pas heroverd zal worden in 1085 door Alphonsus VI. Het emiraat van Cordova zal pas in christelijke handen vallen in 1236. Men zal nog moeten wachten tot het jaar 1492 alvorens het laatste bastion van het moslimrijk rond Granada zal ingenomen worden.
 
Ondertussen hadden de Saracenen zich meester gemaakt van het zuiden van Italië, van Sicilië, van Sardegna en van Corsica. Op de Azurenkust van het huidige Frankrijk hadden zij zelfs uitvalposten zoals te La Garde-Freinet nabij St.Tropez. Zij hadden een controle over de hele streek tot aan de bergpassen van de Alpen. Nog steeds heet het daar "le massif des Maures". Aangezien er nog geen noemenswaardig tegenoffensief was, stond iedereen bloot aan hun roverij : in 972 werd Majolus, Pater abt van Cluny, tegen losgeld gegijzeld. De huidige Franse en Italiaanse kusten, respectievelijk "Côte d'Azur" en "Riviera" genaamd, zullen nog lange tijd door deze ongewenste bezoekers worden geplunderd. Het is pas in 1016, wanneer de Italiaanse steden Pisa en Genua (Genova) hun krachten zullen bundelen om de Muzelmannen uit te drijven, dat de geschiedenis eindelijk een andere wending zal nemen. Tussen 1022 en 1070 werden Corsica en Sardegna opnieuw christelijke eilanden. Weldra zullen afstammelingen van bekeerde Noormannen naar Sicilië trekken om het te veroveren, eerst voor de Byzantijnen en nadien voor eigen rekening. Zodoende zal één onder hen, Robert Guiscard, achtereenvolgens meester van Apulië, Calabrië en Sicilië worden. Naar het noorden oprukkend, zal hij in botsing komen met de pauselijke troepen die het Patrimonium Petri verdedigden en hun zelfs een nederlaag bezorgen te Civitella (1053). Tijdens deze veldslag werd paus Leo IX gevangen gezet, maar het kwam tot een overeenkomst door de investituur van de veroverde gebieden. Vermits de H.Stoel zich naar het zuiden toe wenste te beschermen tegen Byzantium dat zich net van Rome had afgescheiden (1054), achtte paus Nicolaus II het verder opportuun op het concilie van Melfi een formeel verbond te sluiten met de Normannen door een feodale band (1059). De herovering van Sicilië was bijna voltooid met de inname van Palermo (1072).
 
In Noord-Afrika, waar de bevolking misschien meer dan elders massief was geïslamiseerd, had de relatieve verdraagzaamheid ten opzichte van de onwillige of pelgrimerende Christenen hoogten en laagten gekend. De toestand in Palestina was gelijkaardig. De Arabieren hadden Jeruzalem van de Byzantijnen afgenomen in 638, maar zij hadden veel belangstelling in handel met de christelijke bedevaarders om specerijen en allerhande door grote en kleine handelaars vervaardigde producten aan de man te brengen. Men kan dus bezwaarlijk spreken over een vervolging. Twee samenlopende feiten zullen echter de houding van de Muzelmannen wijzigen. De Fatimieden, afkomstig uit Noord-Afrika, hadden de dynastie van de Ikchidieden in Egypte vervangen en Kaïro gesticht (968). Tijdens het bewind van Al Hakim, een kalief die geen soeniet, maar wel een chiiet was, zullen de Christenen stelselmatig worden vervolgd van 996 tot 1021. Deze geduchte Muzelman zal zelfs in 1009 de Heilige Oorden in Jeruzalem vernielen. Inmiddels had in het Oosten eveneens een verandering plaatsgevonden : de dynastie van de Abbasieden (hoofdstad Bagdad) die sinds 750 de dynastie van de Omeyyaden (hoofdstad Damascus) had vervangen, was geleidelijk aan banden gelegd door de Turken, die men vanaf het begin van de XIde eeuw zowat overal aantreft als goeverneurs of feitelijke machthebbers. Vanaf 1055 blijken de abbasiede kaliefen van Bagdad zelfs afhankelijk van de Turkse sultans die zich emanciperen in sultanaten met een weluitgesproken uitbreidingsdrang.
 
Weldra zullen de Christenen zich bij de bloedige botsing tussen twee islamitische fanatismen, het ene uit Noord-Afrika en het andere uit Klein-Azië, als voorkeurdoelwitten bevinden. In het jaar 1070 rukken de Turken op naar Egypte, plunderen Kaïro en steken de bibliotheek in brand. Er volgt een bloedbad tussen Muzelmannen onderling. In 1071 ontnemen zij Jeruzalem aan de Fatimieden van Egypte en verpletteren de Byzantijnen te Mankizert. Zij vernielen het koninkrijk Armenië en veroorzaken een massieve vlucht van de overlevende Armeniërs naar het Taurusgebergte, waar een "klein Armenië" wordt gesticht in de valleien die naar Cilicië samenlopen. De Turken knotten het territorium van de Byzantijnen af, om er uiteindelijk slechts een brede kustband langsheen de oevers van Klein-Azië van over te laten. In 1074 nemen zij Nicea in, en bedreigen zij Nicomedia nabij de kust rechtover Constantinopel. In 1076 nemen zij Damascus in, en in 1077 hernemen zij Jeruzalem in, waar de Fatimieden van Egypte teruggekomen waren. Er volgt opnieuw een bloedbad tussen Muzelmannen onderling. Tenslotte maken de Turken zich in het jaar 1085 meester van Antiochië, en in 1088 van Edessa. Zodoende waren de Turken er in weinige tijd in geslaagd, meester te worden over Palestina, Syrië, Mesopotamië en een groot gedeelte van het Byzantijnse grondgebied. Het was hen gelukt, de kalief van Bagdad te neutraliseren en het Oostromeinse rijk ernstig te doen inkrimpen.
 
In deze afschuwelijke levensomstandigheden zagen de Christenen zich bedreigd van alle kanten. De bedevaarten waren bijna onmogelijk geworden, tenzij men zich wenste bloot te stellen aan gevangenneming, aan mishandelingen en, zo niet aan de dood bij weigering van bekering tot de Islam, dan toch aan de betaling van losgeld om bevrijd te worden en het land te mogen verlaten. Zodus is mensen uitdrijven en ze naar huis terugsturen na ze mishandeld te hebben geen handelwijze van christelijke oorsprong : historisch gezien was dat een initiatief van de Muzelmannen. Men kan dan ook de bevrijdingsdrang uit het islamitische juk raden. Bovendien -- en in tegenstelling tot de legende die de schoolhandboeken alsmaar ten onrechte blijven onderhouden -- was het epos van de kruistochten geen militaire onderneming door een opvolger van Petrus bedacht. Het was inderdaad de Byzantijnse keizer Alexius I Comnenus die, ondanks het recente schisma, in 1085 een gloedvol beroep op de paus had gedaan om hem te smeken, alle Christenen uit het Westen uit te nodigen, alle mogelijke hulp te sturen aan het Oostromeinse rijk tegen de oprukkende Turken en om de Heilige Oorden te bevrijden. Deze oproep kwam gelegen : paus Urbanus II, gewezen Pater abt van Cluny in conflict met keizer Hendrik IV, was uit Rome verdreven, en vervangen door de tegenpaus "Clemens III". Door vervolgens op de synode van Clermont (1095) heel te Christenheid uit te nodigen, een bevrijdingskruistocht te organiseren, kon hij tegelijkertijd hopen, eensgezindheid rond zijn persoon te bekomen. In feite is dat ook wel degelijk gebeurd.
 
Bovendien kon Urbanus II er de gelegenheid in vinden, terug aan te knopen met Constantinopel en het schisma te beëindigen. De buitengewone bijval van de kruistochtsgedachte bij mensen van elke stand kan weliswaar worden uitgelegd door het verlangen eens voor altijd af te rekenen met de constante islamitische bedreiging, maar ook door de religieuze vurigheid, vrucht van de hervorming onder impuls van de abdij van Cluny sinds meer dan een eeuw en nadien van de veelbelovende gregoriaanse hervorming, in de eerste plaats gericht op de heiliging van de clerus en dank zij deze, van het volk. Er was sinds het jaar 1000 ook minder hongersnood en kindersterfte dan vroeger geweest, o.m. door betere landbouwmethoden. Daaruit was een aanzienlijke bevolkingsaangroei voortgevloeid. Ridders en baronnen die bedreven waren in tornooigevechten keken begerig uit naar echte tegenstanders en avonturen in verafgelegen streken. Dit wat de beweegredenen betreft. De ene beweegreden was trouwens niet onverenigbaar met de andere. Het officieel motief van de kruistocht was de bevrijding van de Heilige Oorden, en de Christenen uit het Oosten van de onderdrukking door de Muzelmannen.
 
 
 
De verschillende kruistochten en het bilan van deze ondernemingen
 
In feite was het aantal kruistochten veel groter dan de acht "grote" in de schoolhandboeken vermeld, en waarover ook de meeste boeken handelen :
 
- de eerste kruistocht (1095-1099)
- de tweede kruistocht (1146-1149)
- de derde kruistocht (1187-1192)
- de vierde kruistocht (1199-1204)
- de vijfde kruistocht (1215-1221)
- de zesde kruistocht (1227-1229)
- de zevende kruistocht (1245-1254)
- de achtste kruistocht (1270-1272)
 
Indien men een bilan van deze ondernemingen moest maken, dan zou men alvast moeten vermelden - aan de zijde der activa en winsten - de aanwinst voor het Westen van de zeekaart, van het kompas, van het astrolabium, van luxeartikelen zoals parfum, zijden en katoenen stoffen, tapijten, bewerkt leder en metalen, parels, smaragden, gouden muntstukken en de vroegste banktechnieken, specerijen en suikergoed, tot dusver onbekend fruit zoals de abrikoos, nieuwe geneeskrachtige kruiden, originele handschriften uit de Oudheid in verband met filosofie, geneeskunde, wiskunde, astrologie, gastronomie, kunst en architectuur,... om dan nog te zwijgen over auteurs en Griekse Kerkvaders die nog niet of nog niet goed gekend waren in het Westen, tenzij in Latijnse vertaling, en vooral dan het uitblijven van nieuwe invallen in Europa, precies dank zij de kruistochten, hetgeen de buitengewone culturele ontwikkeling mogelijk heeft gemaakt waar kastelen, kathedralen, het grote aantal religieuze orden en abdijen, de theologische summae, de uitbreiding van de steden en het opbloeien van alle kunsten van getuigen.
 
Daarentegen - aan de zijde der passiva en verliezen - zou men, als bilan van deze ondernemingen, moeten vermelden : de uiteindelijke politieke mislukking met het ineenstorten van de Kruisvaarderstaten van de Levant, onder meer wegens onenigheid en zelfs conflicten tussen Christenen, bovenop de gracht die (in plaats van gedempt te worden) nog vergroot werd tussen Byzantijnen en Latijnen omwille van de vele relikwieën die in de kerken van Constantinopel en elders waren gestolen,... om dan nog te zwijgen over het indrukwekkend aantal slachtoffers bij de niet-strijders, over de gevangenen als slaven verkocht op de oosterse markten en met geweld geïslamiseerd omdat zij niet allen konden vrijgekocht noch naar huis verscheept worden.
 
Dat zijn historisch vaststaande feiten die onloochenbaar zijn en waarvoor men bezwaarlijk de ogen mag sluiten.
 
Laten we nu de meest markante feiten van elke kruistocht in chronologische volgorde bekijken.
 
 
 
De eerste kruistocht
 
Wanneer men spreekt over de eerste kruistocht, dan denkt men doorgaans aan de expeditie die tussen 1095 en 1099 met zwier ondernomen werd onder leiding van roemrijke heren zoals Godfried van Bouillon, Boudewijn van Boulogne, Raymundus van Sint-Gillis, Boudewijn van Bourg, Raymundus van Toulouse, Bohemundus en zijn neef Tancredo van Tarente. Eigenlijk is dat slechts een deel van de waarheid. Het terhulproepen door de Byzantijnse keizer, aan wie de paus kracht bijzette, had niet enkel gehoor gevonden bij de vrijgevigheid van edellieden voor gevechten getraind. Terwijl deze zich aan het klaarmaken waren om te vertrekken langs vier reiswegen in de loop van de zomer van 1096, waren verschillende benden zonder enige organisatie reeds vertrokken in de richting van het Oosten. Deze populaire "kruistocht" omvatte vele niet-strijders onder dewelke kinderen en jongelui, wezen, landlopers en anderen, onbewust van het gevaar, maar gefanatiseerd door de prediking van Pieter de Kluizenaar die -- een meestal verzwegen feit -- bij het beseffen van zijn onvoorzichtigheid, gauw naar Constantinopel terugging om -- veel te laat -- een gewapende bescherming af te smeken van de Byzantijnse keizer.
 
Hij zal zijn reisweg evenwel niet hernemen : hij zal rustig sterven in 1115 in een abdij van de Maasvallei, te Neumoustier (nabij Hoei). De jongeren echter zullen door de Turken worden afgeslacht nabij Nicea. De overlevenden zullen als slaven en genotsvoorwerpen worden verkocht op de oosterse markten. De anderen, met name de gewapende mannen in deze talrijke benden die van alle kanten oprukten, waren onder meer roofridders die slechts op buit bedacht waren, zoals Emich von Leisingen die, terwijl hij oostwaarts paardreed, alle Joden op zijn reisweg ombracht en hun goederen in beslag nam. Aangezien zo'n expeditie nogal renderend was, en zelfs een ondoordachte steun vanwege de bevolking kreeg omwille van de ontplooide kruistochtvaandels, werd Emich von Leisingen door anderen vervoegd, zoals Clarembaud van Vendeuil, Thomas van Marle, Drogon van Nesle en Guillaume Charpentier, de burggraaf van Melun, terwijl Gautier zonder Bezit alsook andere leiders zonder militaire uitrusting op weg gingen langsheen verschillende andere reiswegen. Vermits Emich von Leisingen geen gehoor gaf aan het herhaalde protest van de Duitse bisschoppen, ontstond vrij snel een consensus om hem onschadelijk te maken : hij werd ingehaald en omgebracht in Hongarije, samen met zijn benden vogelvrij verklaarden. Dat dient er geantwoord aan degenen die beweren dat de eerste kruistocht, die de Muzelmannen beoogde, terloops ook enkele pogroms van Joden zou hebben ingericht.
 
 
De officiële kruistocht is met de pauselijke zegen vertrokken. De kruisvaarders kwamen samen nabij Constantinopel en zetten hun tocht verder met de hulp van de Byzantijnse troepen. Terwijl zij de ene zege na de andere behaalden in Klein-Azië, ontscheepten andere kruisvaarders op de palestijnse kust. Jaffa werd ingenomen, hetgeen toeliet proviand en hulpgerief voor de kruisvaarders op te slaan. Ik laat hier de haast kinderachtige geschillen tussen de leiders van de kruisvaarders over wie deze of gene stad zou besturen, buiten beschouwing. Er werd eenstemmigheid bereikt over Jeruzalem. Op 8 juli van het jaar des Heren 1099 begon de belegering met een processie rond de stad, naar het voorbeeld van Josuë weleer rond Jericho. Daarop antwoordden de Muzelmannen met een verfoeilijke provocatie door heiligschennissen, misdaden en ontwijdingen te bedrijven vanop de walmuren. Bij het zien dat de ruiters van Allah zomaar dronken uit gestolen kelken, Christenen de keel oversneden of ze onnoembare mishandelingen toebrachten, met daarbij de aanwending van cibories waarvan de inhoud eerst aan kamelen en andere dieren was toegegooid, is het verzamelde leger kruisvaarders diep verontwaardigd geweest. De leiders van de kruisvaarders konden dan ook de woeste weerwraak niet beletten toen de heilige stad werd ingenomen op 15 juli 1099, maar zij slaagden er evenwel in, de gevangenen tegen afrekening te beschermen. Vervolgens dient nog opgemerkt dat, alhoewel het vanuit Kaïro ter hulp gesnelde Egyptische leger nabij Ascalon op 12 augustus 1099 zal verpletterd worden, het toch vaststaat dat de domme onenigheid tussen de leiders van de kruisvaarders bekwam dat deze strategische kuststad pas in 1153 zal ingenomen worden. De eerste kruistocht, althans de officiële, kreeg desondanks (veel later) "de veroverende" als bijnaam.
 
Ondertussen had het voortzetten van de kruistochten zich als een vitale noodzaak voor de Europese veiligheid opgedrongen wegens de uitgesproken bedoeling van de Muzelmannen, ieder jaar hun invallen te hernemen, zoals onder meer blijkt uit een djihâd-tractaat omstreeks 1105 te Damascus door Al-Sulamî opgesteld. Daarin leest men : "Het is absoluut noodzakelijk dat de bevelhebber er zich op toelegt, ieder jaar het grondgebied van de ongetrouwen binnen te vallen en ze uit te drijven." Het perspectief was nogal ruw, maar heel duidelijk gesteld : het was wij ginds om ze bij hen te bedwingen, ofwel -- volgens hun eigen onomwonden uitgesproken bedoeling -- zij hier om ons uiteindelijk uit ons vaderland te verdrijven. Dat hadden onze christelijke broeders uit de middeleeuwen heel goed begrepen. Een dergelijke bedreiging moest bezweerd worden. Zij hoopten daarin te slagen door de kruistochten.
 
Vertelt U mij eens in welk schoolhandboek of in welke syllabus voor studenten men deze verwijzing kan vinden ! Zo'n islamitische bron is een grote "politiek correcte" taboe in sommige ideologisch bevangen middens : men weigert er melding van te maken, men wil er niet horen over spreken en men matigt zich zelfs aan, te verbieden om er nog over te spreken. In plaats van de objectiviteit in de informatie en bij de opvoeding van de jeugd te bevorderen, is men er klaarblijkelijk op uit, het beeld van een agressieve Christenheid aan de man te brengen : zij zou behoefte gehad hebben, zich te storten op brave mensen met vredelievende bedoelingen, die nooit enig kwaad deden, maar altijd braaf thuis in hun land gebleven waren. Historische leugens ten dienste van een hedendaags politiek opportunisme is geen wetenschappelijk geldige noch eerlijke methode om aan te tonen hoe het middeleeuws verleden eigenlijk geweest is. Een ernstig historicus is van geen enkele politiek knecht. Hij belemmert zijn onderzoek niet met taboes, wat zij ook mogen wezen : hij betracht enkel de historische waarheid.
 
 
De tweede kruistocht
 
Een tweede grote kruistocht zou plaatsvinden (1146-1149). Oorzaak ervoor was het leger van Zengî Atabeg van Mossoul dat in 1144 Edessa had ingenomen. Deze stad heeft bestaan als hoofdstad van de Staat uit de Levant met dezelfde naam (graafschap Edessa) van 1098 tot 1146, maar heeft eveneens talrijke kinderachtige geschillen onder Christenen moeten betreuren. De heilige Bernardus had deze kruistocht gepredikt op verzoek van paus Eugenius III. De koning van Frankrijk Lodewijk VII en de Duitse keizer Koenraad III hadden er wel gevolg aan gegeven, maar eens ter plaatse, zijn ze in botsing gekomen met een sterke weerstand vanwege de Turken en zijn ze er niet in geslaagd overeen te komen met de leiders van de kruisvaarders die potentaten in de andere Staten van de Levant waren geworden.
 
Bovendien hadden zij reeds bij hun aankomst in Constantinopel de vijandigheid van de "orthodoxe" Grieken moeten ervaren, die het bijzonder op de Duitse kruisvaarders gemunt hadden. Om deze eigenaardige toestand te begrijpen, moet men weten dat de Byzantijnse keizer Manuel Comnenius de schoonbroer van de Duitse keizer Koenraad III was, en dat hij de afschuw voor deze overdroeg op alle Duitse kruisvaarders. Afgezonderden onder hen werden in de stad stelselmatig omsingeld en de keel overgesneden. Daarbij kwam nog dat de Byzantijnen voor de commerciële verhandelingen een valse kruistochtsmunt hadden gemaakt, waarmee de Duitsers werden betaald wanneer zij iets verkochten, maar die geweigerd werd wanneer zij iets wensten te kopen ! Vervolgens werden de kruisvaarders bedrogen door hun Griekse gidsen, die de afstanden in Klein-Azië vervalsten. Nadat de gidsen zich 's nachts in volle woestijn uit de voeten hadden gemaakt, werden ongeveer 30.000 personen aan de dood wegens honger en vooral dorst blootgesteld. Toen de overlevenden uiteindelijk de rotsachtige bergpassen nabij Dorylea in Anatolië naderden, vielen zij in een hinderlaag en werden zij afgeslacht door de Turken die door de devote "Orthodoxen" over hun aankomst waren ingelicht. Aldus blijkt dat laatstvernoemden allesbehalve dankbaar waren voor de hulp die het Latijnse Westen hun verschaft had tijdens de eerste kruistocht en die hen dan nog aanzienlijk verrijkt had. Het zag er niet naar uit dat een toenadering om een einde te stellen aan het schisma van 1054 te verhopen was !
 
Keizer Koenraad III, die met zijn lijfwacht aan het bloedbad had weten te ontkomen, verzamelde de verspreide resten van zijn strijdkrachten en vervoegde de Franse kruisvaarders. Vanuit Jeruzalem poogden de verenigde kruisvaarders vergeefs Damascus en Edessa in te nemen. De Duitse keizer sloot de rekening af en keerde naar zijn land terug in de zomer van 1148. De koning van Frankrijk verwijlde nog wat in Palestina om er aan religieus toerisme te doen, en onthaald te worden door de koninkjes van de Levant. Zij lieten niet na, hem eer te bewijzen door prachtige feestmalen, maar bij de vaststelling dat het niet mogelijk bleek er versterkingen van te bekomen, keerde Lodewijk VII naar Frankrijk terug. Deze tweede officiële kruistocht wordt door alle historici beschouwd als "de ondoeltreffende" aangezien zij hoegenaamd niets bekwam, zelfs niet vanwege de dierbare Byzantijnse "afgescheiden broeders" die zich ontpopt hadden als bedrieglijke en moorddadige valse broeders.
 
 
 
De derde kruistocht
 
Om te begrijpen wat de aanleiding was tot de derde officiële kruistocht, dient eerst de aandacht gevestigd op de ondoeltreffendheid van de tweede, die aan de Muzelmannen deed geloven dat Allah met hen was om die "christelijke honden" buiten te smijten. Van 1146 tot 1174, zal Nur-al-Dîn, zoon van Zengî Atabeg van Mossoul, dan ook onophoudelijk strijden tegen de Staten van de Levant. Tegen het einde van zijn leven greep een vizier van kurdische oorsprong evenwel de macht in Egypte (1171) : hij riep zichzelf tot sultan uit, maakte een einde aan het chiitisch kalifaat van de Fatimieden, knoopte terug aan met de onderdrukte soenieten, ondernam de verovering van Arabië en van Syrië, drong zijn gezag op aan de kleine prinsjes van Mesopotamië en Klein-Azië, om uiteindelijk voor eigen rekening de suzereiniteit van de Turkse prins Nur-al-Dîn bij diens dood op te eisen. Met Sala-el-Dîn Youssouf ibn-Ayoub, bij ons beter bekend onder de naam Saladin, zal de strijd van de -- thans verenigde -- Muzelmannen dus harder en harder met de Christenen hervatten. In feite zal de hoogmoed en het niet willen nakomen van het gegeven woord vanwege een leider van de Christenen de gebeurtenissen verhaasten. Door de weigering om een in vredestijd buitgemaakte karavaan van Saladin terug te geven, draagt Renaud de Châtillon de verantwoordelijkheid voor de gewelddadige reactie van de benadeelde. Saladin verzamelde een ontzaglijk leger dat de toegang tot het meer van Galilea bezette. Het op de hoogten van Hattin dorstige leger der Christenen werd door Saladin aangevallen en vernietigd (4 juli 1187). Enkel Raymundus III van Tripoli en enkele ridders waren er in geslaagd de omsingeling te doorbreken. Guy de Lusignan werd gevangen en nadien bevrijd, maar Saladin zal eigenhandig Renaud de Châtillon terechtstellen et zal eveneens ongeveer driehonderd soldaten-monniken Tempeliers en Hospitaalridders laten onthoofden.
 
Aangezien de meeste christelijke versterkte plaatsen op dat ogenblik slechts nog door enkele soldaten verdedigd werden, zullen zij zonder veel moeite ingenomen worden. Daarentegen zullen de steden Tyr, Tripoli, Antiochië, alsook de Krak van de Ridders en een paar andere versterkte kastelen voorlopig in de handen van Christenen blijven. In enkele weken tijd slaagt Saladin er in, Acra, Sidon, Ascalon en Nazareth te bezetten. Hij doet zijn intrede in Jeruzalem op 2 oktober 1187. De afschaffing van het christelijke koninkrijk Jeruzalem betekende de ineenstorting van een eeuw kruistochten. Behalve de reeds vermelde versterkte plaatsen, bleef er voor de Christenen slechts "klein Armenië" en een gearceerd deel van het vorstendom Antiochië (gaande van Tarsus tot Lattaquié).
 
 
Toen het nieuws daarvan het Westen bereikte, gaf dit aanleiding tot de derde grote kruistocht (1187-1192), deze van "de drie koningen", met name Philips-August van Frankrijk, Richard Leeuwenhart van Engeland en Frederik Barbarossa van Duitsland. Laatstvernoemde zal eigenaardig sterven door verdrinking bij het oversteken van een rivier in Klein-Azië (10 juni 1190). Byzantijnse gezanten, jaloers wegens het succes van de homoloog van hun meester, zouden daaraan niet helemaal vreemd zijn. De koning van Frankrijk vond de onderneming te riskant voor zijn gezondheid, en gaf de kruistocht schoorvoetend op. Wat nu Richard Leeuwenhart betreft, die zijn bijnaam van de Muzelmannen had gekregen omdat zijn religieuze dapperheid in de strijd hun achting had gewekt, hem bejegende Saladin met een uitzonderlijke eerbied en zelfs een vreemde vorm van vriendschap tussen vijanden : zonder wederdienst te eisen, kwam hij met hem overeen over een bestand van drie jaar, tijdens hetwelk de Christenen heel de kuststreek van Jaffa tot Tyr terugkregen, en aan de bedevaarders de vrijheid gegarandeerd werd om het H.Graf te bezoeken. Nog geen jaar later zou Saladin sterven (4 maart 1193), misschien met vergif omgebracht door een weerwraak nemende Chiiet. Het was in ieder geval één van de edelste figuren uit de geschiedenis van de Islam. Meer dan eens gaf hij bewijzen van een oprechte verdraagzaamheid door te beletten dat fanatici de Heilige Oorden met de grond gelijk zouden maken. Hij gaf blijken van hoffelijkheid jegens christelijke dames in het heroverde Jeruzalem. Hij organiseerde zelf de terugtocht van de Europese bevolking naar de kusthavens die nog in handen van de kruisvaarders waren. In de christelijke middeleeuwse literatuur wordt Saladin beschouwd als een rechtschapen vijand en een model van ridderlijke deugden, zodanig dat de dichter Dante Alighieri de islamitische veroveraar in zijn "Divina Commedia" plaatst in een geprivilegieerde afdeling van de Hel waar zich de verdwaalde zielen bevinden die enkel het ongeluk hadden Christus en de verlossing die hij ons aangeboden heeft, te miskennen.
 
 
Bovenop dit bestand dat van nogal korte duur was, van de magere overblijfselen van de Staten der kruisvaarders in de Levant, en van hun versterkte plaatsen, bezaten de Christenen toch als grote aanlegplaats, basis voor een strategische terugtocht en voor proviandering, het eiland Cyprus dat aan de weinig betrouwbare Byzantijnen door Richard Leeuwenhart ontnomen was. Gezien de toestand, was een herovering van Palestina echter wenselijk : het zou de Muzelmannen aldaar bezighouden, en het zou tegelijkertijd beletten dat Europa opnieuw geteisterd werd door invallen die de Imams wensten.
 
 
De vierde kruistocht
 
De herovering van Palestina zou moeten gebeurd zijn door de vierde officiële kruistocht (1199-1204). Paus Innocentius III had dit gewenst. Nu was het zó dat het Oostromeinse rijk, dat grote winst had gemaakt dank zij de kruistochten, vermits het zijn gezag had kunnen herstellen in een groot gedeelte van Klein-Azië, opnieuw moeilijkheden had ondervonden, thans op intern vlak. De laatste keizer van de dynastie der Comnenen, Andronicos, onder invloed van de Griekse handelaars die jaloers waren wegens de concurrentie, had de afslachting van de Venetiaanse handelaars te Constantinopel georganiseerd. Vandaar dat hij van de troon gestoten was door Isaac Angelos in 1185. Er volgden paleisintriges, omkeringen van situaties en onverwacht nieuws waarvan het Oosten het geheim bezit. In het jaar 1198, toen Innocentius III de taak van Petrus' opvolger had, en de voorbereidselen voor een nieuwe kruistocht bezig waren, was Alexios, zoon van Isaac Angelos die op zijn beurt van de troon gestoten was, door zijn eigen broer dan nog wel, naar Venetië komen onderhandelen om te bekomen dat de kruisvaarders zouden helpen om zijn vader op de troon te herstellen, vermits zij toch te Constantinopel zouden moeten aanleggen. Van zijn kant zou hij ze betalen voor die hulp en hun vervolgens de ondersteuning van de Byzantijnse troepen bezorgen om Jeruzalem te heroveren en de christelijke Staten van de Levant te herstellen.
 
Aangezien de kruisvaarders onvoldoende vermogen hadden voor transportschepen, stelde de doge van Venetië voor, daarvan de kosten voor zijn rekening te nemen, in ruil voor hun diensten om Zara in Dalmatië (thans Zadar), een havenstad aan de kust van het huidige Croatië, zopas ingenomen door de Hongaren, te heroveren. Er was daar een afwijking van het begrip zelf van de kruistocht, ten voordele van een louter militaire expeditie met een commercieel oogmerk voor Venetië. De kruisvaarders stemden er desondanks mee in, dat allemaal even "voorbijgaand" te verrichten en zij namen dus Zara, een andere christelijke stad, in. Toen de paus dit vernam, sprak hij de banvloek uit over deze expeditie.
 
 
Het is dus als geëxcommuniceerden dat de kruisvaarders vervolgens Constantinopel innamen om er de gewezen keizer Isaac Angelos op de troon te herstellen (17 juli 1203). Terwijl de kruisvaarders zich aan het voorbereiden waren om hun reis verder te zetten en vergeefs wachtten op de betaling voor hun dienst, alsook op de beloofde hulp van de Byzantijnse troepen, bereikte hen het nieuws van een paleisrevolutie (opnieuw) : de keizer en zijn zoon Alexios waren zopas omgebracht. De kruisvaarders namen dus andermaal Constantinopel in, maar nu voor eigen rekening (12 april 1204). De stad werd helemaal leeggeplunderd, maar -- in tegenstelling tot wat er doorgaans wordt onderwezen -- was er geen totale vernieling : er werd bij de plundering afgezien van de kunstwerken, die ongeschonden bleven. Slechts een klein deel daarvan werd, samen met bepaalde uit kerken vereerde relikwieën, naar het Westen verscheept. De brutale handelwijze tijdens de inname van de stad kan worden verklaard, zonder ze uiteraard te rechtvaardigen, door de collectieve herinnering aan de moorddadige valsheid van de "orthodoxe" Byzantijnen tijdens de tweede kruistocht. Desondanks uitte paus Innocentius III zijn volkomen oneens zijn met een dergelijke handelwijze door een nieuwe excommunicatie tegen de kruisvaarders uit te spreken. Maar de leiders onder hen schenen er zich niets van aan te trekken : hun bezorgdheid van het ogenblik was de verdeling onder hen van het Oostromeinse rijk. Terwijl een deel van de Griekse prinsen op de vlucht waren naar Klein-Azië om er het keizerrijk van Nicea te stichten met Theodoros Lascaris, alsook de vorstendommen van Trebizondus en Epirus met wat overbleef van de oude dynastie van de Comnenen, stichtten de kruisvaarders het Latijnse keizerrijk van Constantinopel (1204-1261).
 
Zij wensten echter allen een stuk van de taart te krijgen. Tenslotte kwam het tot een akkoord tussen twaalf baronnen en zes venetiaanse vertegenwoordigers : men richtte verschillende kleine koninkrijkjes op voor Bonifatius van Montferrat, Geoffroy de Villehardouin, Guillaume de Champlitte, Otton de la Roche... terwijl de graaf van Vlaanderen, Boudewijn, tot keizer werd benoemd, en Venetië zich meester mocht maken van de Griekse eilanden, evenals van sommige kustplaatsen om er handelsposten te installeren. Dandolo, de zeer sluwe doge van Venetië, bekwam zelfs van de paus dat de excommunicaties zouden worden opgeheven door te laten gelden dat het schisma van 1054 nu weldra zou kunnen worden beëindigd, en dat men thans over een grotere uitvalsbasis kon beschikken voor de toekomstige kruistochten. Voor de historici geldt deze vierde kruistocht evenwel als "de afgewekene" of "de afgewende" omdat zij haar doel niet bereikt heeft, maar zich met dingen heeft bezig gehouden, die aanvankelijk niet voorzien waren op het programma van de expeditie.
 
 
De vijfde kruistocht
 
Laten we nu de vijfde (1215-1221) even onder ogen nemen. In het Oosten hadden de Muzelmannen natuurlijk de nodige tijd gehad om hun posities te verstevigen sinds het einde van de derde kruistocht (1192). De verwikkelingen van de vierde kruistocht hadden hen niet getroffen, en zij konden er zich vanzelfsprekend uitermate over verheugen, vermits hun vijanden van weleer, destijds verenigd om op kruistocht te gaan, thans onenig waren in twee tegenover elkaar staande keizerrijken (het Latijnse te Constantinopel en het Griekse te Nicea) die het oude Oostromeinse rijk hadden verdeeld. Het valt niet te ontkennen dat zij niet bepaald gezind waren om onderlinge hulp te bieden. Tijdens het oecumenisch concilie, vierde van Lateranen, door paus Innocentius III in 1215 samengeroepen, werd de droevige toestand omstandig uiteengezet. De Christenheid werd dientengevolge aangezet tot het bundelen van strijdkrachten om het Heilig Land te herwinnen. Een derde keizerrijk scheen in de ogen van de paus daarbij een stimulerende rol te kunnen spelen, met name het heilig Roomse rijk der Duitse natie, wiens nieuw verkozen keizer, Frederik van Hohenstaufen, tevens koning van Sicilië en aldus leenman van de H.Stoel, erkend was en met pauselijke zegen gekroond werd te Aken op 25 juli 1215, toen hij 20 jaar oud was. Het concilie had het begin van de nieuwe kruistocht vastgesteld voor het jaar 1217, maar sommige elementen waren alvast op verkenning vertrokken en daarvan met verontrustend nieuws teruggekomen, onder meer in verband met een versterkte plaats die de Muzelmannen op de berg Thabor aan het bouwen waren. De jonge keizer deed de gelofte om op kruistocht te gaan zodra hij daartoe in staat zou zijn, want hij had een broze politieke situatie in Duitsland overgeërfd en zijn leeftijd speelde niet in zijn voordeel om zijn gezag te laten gelden. Twee van zijn leenmannen vertrokken dus in zijn plaats, met name Leopold VI van Oostenrijk en Andreas II van Hongarije.
 
Hun gebundelde strijdkrachten die te Acco waren verzameld, slaagden er evenwel niet in, de Muzelmannen te verjagen. De kruisvaarders probeerden de toestand te ontzetten door een afleiding in Egypte. Het gelukte hen, de havenstad Damietta in te nemen. De sultan stelde hen voor, Jeruzalem om te ruilen met Damietta, maar de pauselijke legaat, Pelayo Gaitán, een fanatieke Spanjaard die kardinaal van Albano geworden was, en die ook alles meende af te weten van politiek en strategie, beriep zich op zijn functie om deze omruiling te doen weigeren. Zelfs de komst van de hertog van Beieren en van de grootmeester van de Duitse Orde met een bericht van de keizer kon hem niet van gedacht doen veranderen : hij gaf het bevel, de Muzelmannen na te zitten in de delta van de Nijl in de richting van Kaïro. Jean de Brienne, die het terrein goed kende in zijn hoedanigheid van koning van Jeruzalem, achtte deze expeditie een zelfmoord en verzette zich daarom tegen de legaat, maar deze zette hem dientengevolge als opperbevelhebber van de kruisvaarders af. Onder de bedreiging van een excommunicatie zakte het legerkorps dus de uitgestrektheid van de woestijn in, en werd te Mansourah door de hoge waterstand van de Nijl omsingeld. De sultan grijnslachte achter zijn sik bij het zien van die "christene honden" die zo erbarmelijk in de val gelopen waren. Hij stond hun een veilige terugtocht toe ... mits het teruggeven van Damietta.
 
 
De pauselijke legaat, die ijlings naar Rome was teruggekeerd, poogde de mislukkung van de kruistocht te rechtvaardigen bij paus Honorius III : hij liet gelden dat de kruisvaarders zijn "gezag" hadden durven trotseren door een afwijkende visie en dat hij zijn beslissing had moeten handhaven om zijn "gezag" onbetwist op te leggen, aangezien de geestlijke macht (de zon) steeds dient beschouwd te worden als hoog verheven boven de tijdelijke macht (de maan) -- een vergelijking ontleend aan de voorganger van de paus, met name Innocentius III. De legaat kreeg een duchtige afstraffing vanwege de paus, die de gelegenheid kreeg om op te merken dat, indien de maan inderdaad haar licht ontvangt van de zon, deze zich evenwel nooit in de plaats stelt van de maan in haar bewegingen. De legaat eindigde zijn loopbaan als kardinaal in een klooster, waar hij nog lange tijd zal hebben kunnen mediteren over de hemellichamen die onze dagen en nachten verlichten. Deze vijfde kruistocht staat bekend onder historici als "de mislukte" omwille van het feit dat de aanwinst domweg verloren ging wegens de schoolmeesterachtige aanmatiging van een dweepzieke prelaat.
 
 
De zesde kruistocht
 
De zesde kruistocht (1227-1229) zal echter een welslagen zijn. De jonge keizer, die inmiddels gehuwd en er ook in geslaagd was, zijn keizerlijk gezag te verstevigen, was ingelicht over de oorzaak van de mislukking van de voorgaande onderneming. Hij sloot met paus Honorius III het verdrag van San Germano (1226) waarbij hij er zich toe verplichtte, op kruistocht te gaan onder bedreiging van de banvloek ingeval hij er zou van afzien. Na de voorbereidselen scheepte hij dus in te Brindisi, maar werd zeeziek en ging aan wal amper twee dagen nadien om zich te laten verzorgen. Toen het nieuws van dit oponthoud Rome bereikte, werd dit overhaastig geïnterpreteerd als een definitief verzaken aan de kruistocht, en werd de excommunicatie dan ook dadelijk uitgesproken. In de weet dat hij zich in een geval van overmacht had bevonden, trok de keizer er zich niet van aan, maar zette zijn koers verder in de richting van Cyprus. Vandaar begaf hij zich naar Acco en behaalde belangrijke overwinningen. Hij ging door tot Jeruzalem waar hij het christelijke koninkrijk uit de tijd van de eerste kruistocht herstelde.
 
 
In plaats van hem te verheugen, boezemde dit nieuws aan de paus een nieuwe excommunicatie van de keizer in, thans "om een kruistocht ondernomen te hebben als geëxcommuniceerde". Maar Frederik II trok het zich niet erg aan. Bovendien was hij niet zinnens, zijn gedrag te laten dicteren door een gezag in spiritualibus dat zich bemoeide met zaken in temporalibus en dat opnieuw, wegens een gebrek aan inzicht in de werkelijke toestand, dreigde een kruistocht te doen mislukken. Frederik II had de gelofte gedaan om een kruistocht tot een goed einde te brengen, en hij deed dit ook daadwerkelijk : hij sloot te Jaffa een vredesverdrag met de sultans van Egypte en Syrië.
 
 
Gedurende tien jaar zullen niet alleen de bedevaarders worden beschermd en de vrede gewaarborgd, maar Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth en het territorium tot aan de kuststeden zullen worden teruggeschonken aan de Christenen. Nadat zij vernomen hadden dat de keizer geëxcommuniceerd was, zullen de baronnen van de Levant, als kleine potentaten van de zeldzame versterkte plaatsen die overeind gebleven waren, over deze vrede echter pruilen en aan de keizer eerbetoon weigeren. Laatstvernoemde moest verder nog vernemen van boodschappers uit Europa dat paus Gregorius IX zijn afwezigheid te baat genomen had om een aanval uit te voeren op Sicilië waarvan hij koning was. Frederik II verliet dus Palestina en stevende naar de pauselijke troepen toe. Als getuige van het gebeuren, vermeldt een kroniekschrijver het hartverscheurende schouwspel van het leger der kruisvaarders met op hun borstkas het grote rode kruis op witte achtergrond, dat het hoofd moest bieden aan het leger van de invallende paus wiens soldaten bekleed waren met het beeld van de elkaar kruisende sleutels van Sint Pieter ! Het beeld was zo schokkend als symbolisch : claves contra crucem, de sleutels tegen het kruis !
 
De aangevallen keizer slaagde er evenwel in, een nederlaag te bezorgen aan de paus. Hij vroeg een onderhoud met hem en sloot de vrede van Ceprano (1230). Deze kruistocht, die de dag voordien nog bestempeld was als een heulen met de vijand, werd thans beschouwd als een goed werk ten gunste van de Christenheid. De excommunicaties werden niet alleen "nietig en ongelegen" verklaard, maar de keizer werd bovendien begenadigd met de titel "geliefkoosde zoon van de heilige Kerk" en bevestigd als "koning van Jeruzalem". Deze zesde kruistocht, die tegelijk de minst bloedige en in feite de meest geslaagde was na de eerste, werd dus afgesloten in Europa zelf met een eindomhelzing tussen de paus en de keizer. Vandaar dat zij onder historici wordt aangeduid als "de diplomatieke", vermits de meeste aanwinsten door onderhandelingen waren bekomen.
 
 
De zevende kruistocht
 
In feite duurde de vrede langer dan het overeengekomen tienjarige bestand. Tot de zevende kruistocht (1245-1254) werd inderdaad besloten nadat Jeruzalem door de Muzelmannen in het jaar 1244 was hernomen. De koning van Frankrijk was toen de Heilige Lodewijk IX. Hij was de enige die gehoor gaf aan de oproep van het oecumenisch concilie van Lyon (1245). Keizer Frederik II kon er niet aan deelnemen omwille van de belemmering geschapen door paus Innocentius IV. Toen deze nog Sinisbaldo dei Fieschi, graaf van Lavagna en hoofdraadgever van Gregorius IX was, had hij laatstvernoemde aangezet tot vijandelijkheden tegen de jonge keizer. Hij had hun verzoening in 1230 niet kunnen verhinderen, maar sinds hij er in geslaagd was, zich door de kardinalen tot paus te laten verkiezen in 1243, had hij een argumentatie ontwikkeld die een aantal oude feiten, waarvoor de keizer nochtans ontlasting van de daarmee gepaard gaande excommunicaties had bekomen, opnieuw aan de dagorde stelde. Hij achtte ze "uitingen van misprijzen voor de sleutelmacht" (sic) en meende daarin "openlijke ketterijen" (sic) te ontwaren, alhoewel daar geen sprake van was, en de katholieke leer zelfs niet betroffen was. De woordvoerder van de keizer vroeg waar de juridische zin van de paus en van de andere kerkelijke hoogwaardigheidbekleders moet gevonden worden indien zij niet bekwaam blijken het minste bewijs van ketterij aan te voeren, maar er reeds op voorhand van uitgaan dat de zaak beslecht is, en dat elke verdediging dus overbodig is. Eigentijdse kroniekschrijvers melden dat de schatrijke Innocentius IV de aanwezige bisschoppen had omgekocht om ze te overhalen, zijn visie te delen, en dat hij ze zelfs één na één had bedreigd : "Wees met mij of ik ruk je ring af !"
 
In die omstandigheden werd Frederik II zomaar (andermaal) geëxcommuniceerd, en (thans ook) voor afgezet verklaard. Bovendien verbood de paus aan alle heersers om nog met hem te onderhandelen of hem verder "keizer" te blijven noemen. Dit verbod werd stelselmatig getrotseerd door de Heilige Lodewijk, die bewust was van de zeer grove ongerechtigheid begaan door de paus en het concilie van Lyon. Bovendien kreeg de koning van Frankrijk, die op kruistocht was vertrokken, ter plaatse alle logistieke en financiële steun vanwege Frederik II. Vandaar dat Blanche van Castilië, vrouw met een energisch temperament en moeder van de Heilige Lodewijk, tot bij de paus gegaan is om hem al het goede, dat zij dacht van de keizer, en al het kwade, dat zij dacht van de laster over hem verspreid, mee te delen. Eigentijdse kronieken, zoals deze van de benedictijn Matthew Paris, melden dit alles uitdrukkelijk. Sinds men de Oosterse kronieken heeft uitgepluisd en de geheime briefwisseling van Innocentius IV met de Muzelmannen heeft ontdekt, beseft men nog beter welk een apocalyptische haat deze voor de Christenheid verraderlijke paus bezielde. In feite wenste hij het verdwijnen van alle heersers en beoogde hij uitdrukkelijk een "regimen universale" voor hemzelf. In aanwezigheid van de Engelse ambassadeur hoorden religieuze getuigen hem onder meer deze woorden uitspreken, die nogal schokkend zijn vanwege een opvolger van Sint Pieter : "Ik moet thans wel tot een vergelijk komen met uw koning, maar als ik zal klaar gekomen zijn met de draak [de keizer], zal ik gemakkelijker van leer kunnen trekken tegen de slangen [de koningen]."
 
Pauselijke agenten lichtten in over de bewegingen van de koning van Frankrijk en over de hulp die de keizer hem verleende. De Heilige Lodewijk, die niet wist dat hij bespied was, had in zijn gevolg niet alleen almoezeniers, maar ook raadgevers die hem vergezelden met de zegen van de paus en die er in slaagden, hem dezelfde strategische vergissingen te doen begaan als deze die de pauselijke legaat aan de vijfde kruistocht had doen begaan. In plaats van te vertrekken vanuit Cyprus naar Acco en vandaar naar Jeruzalem te trekken zoals keizer Frederik II had gedaan tijdens de vorige kruistocht, is de Heilige Lodewijk weliswaar vanuit Cyprus vertrokken, maar in de richting van Egypte. Na de inname van Damietta verstevigde hij zijn posities niet om vervolgens Palestina langs Ascalon binnen te vallen, en vandaar op te rukken naar Jeruzalem, wat mogelijk geweest ware. Hij gaf daarentegen gehoor aan de raad, eerder naar het zuiden te trekken om Kaïro in te nemen en er te gaan zetelen op de troon van de sultan. Dat is nu precies wat de Muzelmannen verwachtten. Al ploeterend in de delta van de Nijl ging het leger van de koning van Frankrijk op onhandige wijze een veldslag vóór Mansourah aan. De Heilige Lodewijk werd er gevangen genomen, en het is pas tegen een zeer hoog losgeld dat hij bevrijd werd (1250).
 
 
Vervolgens zal hij in het Heilig Land vertoeven, zoals Lodewijk VII tijdens de tweede kruistocht, maar langer dan deze, om eensgezindheid tussen de kleine christelijke potentaten van de Levant trachten te bekomen. Hij zal zelfs de burchten van de kruisvaarders opknappen, maar er niet in slagen, Jeruzalem te bemachtigen. Ondertussen was inderdaad zijn grootste steun weggevallen met de dood van keizer Frederik II (1250). Bij het vernemen van de dood van zijn moeder, Blanche van Castilië, zal de Heilige Lodewijk naar Frankrijk terugkeren (1254). Hetzelfde jaar nog zal ook paus Innocentius IV sterven. Afgezien van de Franse historici die zich net als kinderen heel opgewonden verheugen over deze kruistocht, die natuurlijk "deze van de heilige Lodewijk" is, hetgeen in hun ogen al de rest in de schaduw stelt, beschouwen de andere historici deze zevende kruistocht als "de hernieuwing van de mislukte" (de vijfde) omdat gelijkaardige feiten -- te wijten aan de schoolmeesterachtige aanmatiging van geestelijke raadgevers, onbevoegd inzake strategie -- geleid hebben tot een gelijkaardig winstverlies.
 
 
De achtste kruistocht... en enkele andere
 
Als laatste onder de grote kruistochten geldt de achtste (1270-1272) die plaatsvond na het bericht over het verlies van Antiochië en Jaffa. De inname van deze twee kruisvaarderssteden door Baibars, leider van de Mammelukken, was al voorafgegaan door de plundering van Nazareth en andere christelijke bezittingen sinds 1263. Kleine kruisvaardersgroepen waren reeds vertrokken naar Palestina sinds 1265, maar dit had het verlies van Cesarea (1265) niet belet, noch van de burcht der Tempeliers te Safed (1266), noch van Antiochië (1268), noch van Jaffa (eveneens in 1268). De Heilige Lodewijk besloot dus opnieuw een kruistocht te ondernemen in 1270. Eigenaardig genoeg, toen hij aanlegde in Sardinië, berichtte de koning van Frankrijk dat hij in Noord-Afrika zou ontschepen, te Tunis, waarschijnlijk in de hoop aldus de Muzelmannen van achteren aan te vallen, ofwel een haard van afleiding te scheppen met het oog op de verdeling van de islamitische strijdkrachten. Het gelukte hem, Carthago in te nemen, maar hij werd ziek en stierf amper een maand na zijn aankomst. Zonder slag of stoot heeft het Franse leger zich dan teruggetrokken met de toelating van de emir van Tunesië. Het kwam niet tot een samenbundelen met de Engelse strijdkrachten die naar Palestina stevenden. Koning Edward ontscheepte dus alleen in het Heilig Land. Hij vernam er vrij dadelijk dit onmoedigend nieuws : de "onneembare" burcht, de zogenaamde Krak der Ridders, was ingenomen (8 april 1271).
 
 
De strijdvaardigheid van de Engelsen liet hun desalniettemin toe, Nazareth te hernemen en Acco te ontzetten (1272). Bij gebrek aan hulp en voldoende proviandering werden zij er evenwel toe genoopt, terug in te schepen en de laatste versterkte plaatsen van de vroegere kruisvaarders, met name Acco, Tyr, Sidon en Beyroet, aan hun droevig lot over te laten. Zij zullen tot 1291 standhouden : dit jaar betekende, op politiek vlak, het einde van de christelijke aanwezigheid in de Levant. Op religieus vlak zal het proces van islamisering of herislamisering vanzelfsprekend op gang gebracht worden. Al wat de achtste kruistocht dus bekomen had, was een uitstel van een twintigtal jaren alvorens vaste voet in Palestina te verliezen.
 
Deze achtste kruistocht wordt beschouwd als "de laatste", maar er zijn er nog andere, minder bekende, geweest zoals deze van Keizer Karel in de zestiende eeuw. Hij had zich ook op Noord-Afrika gericht en heeft er sporen van zijn tocht achtergelaten. Vóór hem waren er nog enkele andere geweest, zoals de "kinderkruistocht" van 1212. De Franse groep had als bezieler Étienne, een jonge herder van twaalf jaar, die beweerde in het bezit te zijn van een brief van Jezus, in de hemel geschreven. Toen zij dus te Marseille waren aangekomen, dachten deze kinderen dat de zee zich vóór hen zou opensplijten zoals weleer vóór Mozes. De aandacht van twee kooplieden, Hugo het Yzer en Willem het Varken, werd getrokken door deze lichtgelovigheid. Zij beloofden aan de kinderen ze naar Palestina te verschepen in zeven boten. In feite werden deze jonge "kruisvaarderpelgrims" verkocht op de markten van Alexandrië, die slaven en eunuchen voor de harems bezorgden. Meer dan 700 onder hen werden bevrijd in het jaar 1229, hetzij zeventien jaar later, door keizer Frederik II van Hohenstaufen bij het einde van de zesde kruistocht. De Duitse groep jonge "kruisvaarders" was afkomstig uit het Rijnland en begeesterd door het zogezegd "hemels" bericht vanuit Frankrijk verspreid. Zij staken de Alpen over, en de kinderen die Rome bereikten, werden door Innocentius III ontvangen. De paus achtte dit "apparitionisme" van verdachte oorsprong. Hij ontbond de jonge pelgrims van hun gelofte en zette ze aan, rustig naar huis terug te keren. Meteen blijkt dat het epos van de kruistochten wel degelijk in de middeleeuwen zelf, en door de paus dan nog, goed waargenomen werd als een aanloop die een hele reeks ondernemingen had voortgebracht waarin het kaf naast het koren zat en dit laatste dreigde te versmachten.
 
Men moet zich overigens niet inbeelden dat de "grote" kruistochten met de achtste tot een einde kwamen wegens gebrek aan wil tot zelfverdediging in het Westen, wegens vermoeienis, wegens ontmoediging, of nog omdat de Muzelmannen plots hun invasieplannen in Europa zouden opgegeven hebben. Dromen past niet !
 
In feite was de van oudsher constante dreiging voor onze streken afgezwakt. Reden hiervoor was het onverbiddelijk naderen van de Mongolen van Gengis Khan (1167-1227). Na eerst Europa bedreigd te hebben door de inname van Kiev in 1240, gevolgd door de invasie van Polen en Hongarije, kwamen zij tot een oponthoud nabij Wenen in Oostenrijk bij het overlijden van Oegoedei Khan (1241) alvorens op te rukken in de richting van de Kaspische zee, zich te hergroeperen aan de Iranese einder en aldus de islamitische wereld in de rug, dus vanuit het Verre Oosten, langs de landwegen, te benaderen. Zodoende viel in 1258 Bagdad in hun greep en kwam het oude kalifaat van de dynastie der Abbasieden (750-1258) tot een einde. Weldra zal Syrië moeten ervaren dat de Mongolen binnenvallen en Aleppo bemachtigen (1260). Deze toestand had een tweede front geopend en de Muzelmannen er voorlopig van afgebracht, nog invallen in Europa te beramen. Het vervolg is gekend. De militie van de Egyptische mammelukken zal de Mongolen verdrijven. Met het nieuwe sultanaat zal heel de middellandse zee vanuit Egypte aan controle onderworpen zijn tot in 1517 : vervolgens zullen de ottomaanse Turken, die zich geleidelijk aan geëmancipeerd hadden van het mongoolse protectoraat dat in de loop van de XIVde eeuw het sultanaat van Roum nog onder druk wist te zetten, er in slagen Kaïro in te nemen, zooals zij voordien al Constantinopel hadden ingenomen (1453).
 
Europa was opnieuw bedreigd. Wenen in Oostenrijk werd zelfs belegerd door Soliman II in 1529. De heilige paus Pius V zette dus de Christenheid aan tot een nieuwe kruistocht, thans op zee, tegen het oprukken van de Turken die reeds heel het oostelijk deel van het middellandse zeebekken tot aan de Adriatische zee onder controle hadden, terwijl de Muzelmannen van Noord-Afrika opnieuw uitkeken naar het iberische schiereiland en de grote eilanden. Men moest zeer waakzaam zijn en met versterking patrouilleren indien men het andermaal ontschepen in Europa wenste te verhinderen. Tijdens de zeeslag op de hoogte van de stad Lepanto geleverd op 7 oktober 1571, verpletterde de christelijke vloot bemand door Spanje, Venetië en de H.Stoel onder het opperbevel van Don Juan van Oostenrijk, de Turkse vloot van Ali Pacha, en zette tevens een punt achter de islamitische uitbreiding. Alle latere pogingen om nog Europa binnen te dringen, mislukten. Aldus bijvoorbeeld tijdens de belegering van Wenen door de grootvizier Kara Moustafa (1683). De coalitie van de oostenrijks-poolse strijdkrachten onder het bevel van de poolse koning Jan Sobieski en van de (politiek oostenrijkse) hertog Karel van Lorreinen behaalde op de Turken een beslissende zege bij de Kahlenberg. Men kan ook als een kruistocht beschouwen, het door Oostenrijk ondernomen tegenoffensief om het onderdrukte Hongarije en Transylvanië te herwinnen (1699), alsook om een deel van Serbië en Roemenië van het islamitische juk te bevrijden (1718).
 
Het verdient aanbeveling te weten dat gedurende al die tijd Frankrijk, dat kennelijk de zin voor de Christenheid had verloren, afzijdig gebleven was en zelfs met de Turken een niet-aanvalsovereenkomst had afgesloten sinds de tijd van koning Frans I (XVIde eeuw) !...  Maar dat belette Frankrijk niet, omwille van de overwinningen, waarin het nochtans geen deel had, feest te vieren, alsof het de zijne waren geweest !  Het ziet er zelfs naar uit dat het, van alle europese landen, de grootste ijver toonde bij het invoeren van de croissant als broodje dat men met de morgenkoffie nuttigt als symbool voor de overwinning op de Muzelmannen, waar het hoegenaamd geen deel aan had !
 
 
Bij wijze van besluit
 
Tussen 1099 en 1291 had de Voorzienigheid aan de Christenheid 192 jaar (bijna twee eeuwen !) tijd gegeven om het Christendom in het Heilig Land terug in te planten. Waarom is men daarin niet geslaagd ?
 
De grote, officiële kruistochten waren nochtans, als dusdanig, christelijke ondernemingen van bevrijding en preventie. Bij de ontleding van de oorzaken van het uiteindelijke falen van dit epos, kan men niet vermijden onder de indruk te komen van hetgeen mank liep, namelijk het naar waarde inschatten en de beleving van bepaalde fundamentele hoedanigheden zonder dewelke een katholiek beschavingsproject een begoocheling is. Welnu, alleen reeds door hun onderlinge gevechten, hun onophoudelijke ruzies en hun herhaalde conflicten, kan het ontbreken van deze hoedanigheden bij veel te veel kruisvaarders enkel maar worden vastgesteld : de onthechting van de ongeregelde zielsaandoeningen, het verzaken aan zichzelf en de nederige ontplooiing van de door God toevertrouwde talenten ten dienste stellen van de naaste, dat alles werd te vaak in de schaduw gesteld door de dorst naar vermaak, naar rijkdommen en naar eer, deze ijdele glorie die alles verpest. In feite, vanuit het oogpunt van het relatieve welslagen, kan men van de acht "grote" kruistochten slechts de eerste, de derde en de zesde overhouden. Om het in schoolse termen uit te drukken, zou ik zeggen dat drie op acht als resultaat slechts 37,5 % oplevert. Het is dus geen nul, maar het is toch duidelijk onvoldoende.
 
Denkt U vooral niet dat dit een persoonlijke mening is. Raadpleegt U eens de akten van de concilies die in de middeleeuwen gehouden werden !
 
Schilderen zij ons hun respectieve tijdperken in hemelse taferelen af ? Gaan zij er prat over dat het Christendom nu alle menselijke activiteiten bevrucht en eindelijk inspireert ? Worden zij ertoe genoopt, vast te stellen dat hun tijdgenoten uitsluitend het rijk van Christus zoeken en er al het overige op afstemmen ? Beweren zij dat de prachtige eenheid, op politiek en cultureel evenzeer als op religieus vlak, kenmerkend voor heel de samenleving tijdens de middeleeuwen, geen gebreken van omvang, geen erge leemten, en geen afschuwelijke, sociaal ingewortelde ondeugden vertoonde ?
 
Het moge volstaan deze oecumenische concilies van de middeleewen te vermelden en de aandacht te vestigen op hun aantal en hun regelmaat, alsook op de verbazingwekkende herhaling van zeer ernstige problemen op het vlak van de leer, de spiritualiteit en de zeden, die dan ook uitdrukkelijk met de vinger worden gewezen bij leden van de clerus van hoog tot laag, evenals bij gelovigen van elke stand. De data van deze concilies kunnen met deze van de kruistochten in parallel worden gezet :
 
- de eerste kruistocht (1095-1099)
- Concilie van Lateranen I (1123)
- Concilie van Lateranen II (1139)
- de tweede kruistocht (1146-1149)
- Concilie van Lateranen III (1179)
- de derde kruistocht (1187-1192)
- de vierde kruistocht (1199-1204)
- Concilie van Lateranen IV (1215)
- de vijfde kruistocht (1215-1221)
- de zesde kruistocht (1227-1229)
- Concilie van Lyon I (1245)
- de zevende kruistocht (1245-1254)
- de achtste kruistocht (1270-1272)
- Concilie van Lyon II (1274)
- Concilie van Vienne (1311-1312)
- Concilie van Konstanz (1414-1418)
- Concilie van Firenze (1431-1445)
 
Dat zijn dus negen oecumenische concilies in een periode van 322 jaar (van 1123 tot 1445), hetzij gemiddeld een oecumenisch concilie om de 36 jaar ongeveer. Indien alles opperbest ging in de middeleeuwen, waarom dan zo'n veelvuldige topvergaderingen ? De akten van deze concilies, die tegelijkertijd normatieve en beschrijvende teksten zijn, lichten ons voldoende in. Tenzij men ze opzij wil schuiven om zich vast te klampen aan een middeleeuwse droomwereld, zijn deze documenten onafwendbaar indien men de werkelijkheid van het middeleeuwse verleden integraal wil staven en dan ook zijn eigen geest eerlijk wil afstemmen op de waarheid van de vaststaande feiten. Dit geldt trouwens voor het epos van de kruistochten zoals voor gelijk welke andere historische werkelijkheid.
 
De geschiedenis is het geheel aan gebeurtenissen uit het verleden. Zij is ook, maar dan wel met een zekere afstandsname, de kennis die men er van verwerven kan. Haar nut herleidt zich evenwel niet daartoe, want zij omvat eveneens de morele les(sen) die men er kan uit halen. Het verleden vergeten, dat betekent zich blootstellen aan de herhaling van de vergissingen die het heeft gekenmerkt. Daarentegen is de ontleding van de geschiedenis een vorm van omzichtige meditatie die afstand neemt ten opzichte van de feiten op grond van liefde voor de waarheid en met het oog op haar fundering, wat ertoe bijdraagt de scherpzinnigheid te verfijnen en de wijsheid te verstevigen.
 
De kruistochten waren christelijke ondernemingen, ongetwijfeld, Europa heeft er nut uit gehaald voor haar culturele en zelfs economische ontwikkeling, beslist, maar de zuiverheid van de bedoelingen, die er officieel aan de grond van lagen, werd bezoedeld door het kwaad dat ermee gepaard ging, zodat er spijtig genoeg geen volharding in het goede was, en dat deze ondernemingen uiteindelijk met hun opzet van een christelijk beheer in de Levant faalden. De morele les die daaruit te trekken valt, is duidelijk : de zuiverheid van de aangekondigde bedoelingen is nooit in staat het kwaad van de handelingen, die ze de facto verraden, recht te trekken. Opdat de kruistochten helemaal geschikt wezen en conform hetgeen pausen en oecumenische concilies uit de middeleeuwen voorhielden, ware het vereist geweest dat alle tussenbeidekomenden blijken van hun goede wil gaven, en dat zij dan ook hun persoonlijke begeerten ten gunste van het gemeenschappelijk werk verstierven.
 
 
+
 
Bibliografie