Alfred DENOYELLE,
Doctor in de Geschiedenis

De woekeraar en de hel

L'auteur présente ici une critique serrée d'un thème abordé par Jacques LE GOFF, à savoir l'usure au Moyen âge.
Il est démontré que des sources primaires de l'époque précédente n'ont pas été prises en compte,
alors même qu'elles étaient pourtant regardées comme des autorités au Moyen âge.
Pareille omission se rencontre à plusieurs reprises dans la production du groupe des "Annales".

In dit artikel bezorg ik enkele kritische aanmerkingen op het boek van Jacques LE GOFF, La bourse et la vie. Économie et religion au Moyen âge. Na publicatie (1986) werd het vertaald door L. Knippenberg onder de titel De woekeraar en de hel. Economie en religie in de middeleeuwen.

Een eerste kritiek betreft de notie van woeker, die de auteur in het vage laat. Hij erkent weliswaar terloops "niet elke rente was woeker" (p.22). Maar dit wezenlijk onderscheid komt slechts vluchtig aan bod. Op de vraag (die in de geest van elke aandachtige lezer rijst) hoeveel percent interest toen als woeker werd aanzien, geeft LE GOFF geen antwoord.

In feite krijgt de lezer van zijn boek de indruk dat men gedurende de middeleeuwen op grond van de christelijke leer doorgaans geen rente mocht vragen voor uitgeleend kapitaal. Dat kreeg ik trouwens te horen van geschoolde historici die naar LE GOFF verwezen. Deze algemene conclusie wordt in de hand gewerkt door de indrukwekkende reeks verbodsbepalingen op woeker die de auteur aanhaalt en waarin ook geen percentage vermeld staat als terminus post quem de rente woeker wordt.

Bovendien slaan de bijbelse verwijzingen die LE GOFF citeert als basis voor de ontwikkeling van de middeleeuwse houding allemaal op woeker en hebzucht. Deze die betrekking hebben op rente heeft hij niet aangehaald. Aldus wordt onder meer de evangelische parabel van de talenten helemaal buiten beschouwing gelaten. Daar leest men nochtans het verwijt dat de dienaar verzuimd heeft zijn geld te plaatsen in een bank ten einde interest te bekomen (Lukas XIX, 12-27). Dus is rente eigenlijk niet uit den boze, integendeel. Men mag er zich dan ook over verwonderen dat LE GOFF zo'n eersterangsverwijzing over het hoofd ziet en er met geen woord over rept, alhoewel zij uiteraard niet weg te denken is uit het gekozen onderwerp.

Ook heeft hij blijkbaar geen aandacht gehad voor hetgeen het eerste oecumenisch concilie van Nicea (325) heel precies over woeker had gedefinieerd, namelijk dat de percentages interest (centesimas) die bij een overeenkomst (negotium) worden geëist, dienen beschouwd als woekerrentes (usuras) indien men "anderhalf maal zoveel" (sescupla) terugvordert als het uitgeleende kapitaal. (1)

Eigenaardig genoeg staat het verzamelwerk met de uitgave van de concilieteksten wel vermeld in de bibliografie van LE GOFF, maar voor het overige heeft hij geen rekening gehouden met die precisering. Hij stelt in het algemeen dat het, onder meer volgens het concilie van Nicea, aan de geestelijken verboden was zich in te laten met woeker (p.31). Zijn verwijzing is ongetwijfeld lacunair en heeft trouwens hoegenaamd geen enkele nuancerende weerslag op zijn betoog.

De faam van de auteur ten spijte dient hier dus vastgesteld dat er ongetwijfeld een methodologische fout werd begaan door naar een primaire bron te verwijzen, maar desondanks met haar precieze inhoud geen rekening te houden.

Onthouden wij voor het overige, naar de draagwijdte, dat de terugvordering van minder dan "anderhalf maal zoveel" als het uitgeleende kapitaal dus impliciet beschouwd werd als de eis tot betaling van een lening bezwaard met een rechtmatige rente.

Op grond van de eerbied voor auctoritates werd het eerste oecumenisch concilie in de middeleeuwen zeker niet van de hand gewezen als primaire en leerstellig gezaghebbende bron.

Een tweede kritiek betreft de soort verhandelingen die als woeker golden in de middeleeuwen. LE GOFF stelt dat men toen eveneens woeker bedreef als men interest berekende "bij transacties waarbij dit niet geoorloofd was" (ibidem, p.22). Volgens hem zouden er dus transacties geweest zijn waarvoor men toen geen interest mocht berekenen en andere waarvoor dit wel mocht, naargelang hun aard.

Dat is aanvechtbaar, omwille van de hoger aangehaalde reden. Wanneer er immers slechts sprake kan zijn van woeker vanaf een terugvordering van het uitgeleende kapitaal met een rente die de lening tot "anderhalf maal zoveel" opvoert, dan zijn enkel die transacties ongeoorloofd die met dit verbod van het eerste concilie van Nicea geen rekening houden.

Daarbij komt evenwel geen enkel onderscheid tot uiting tussen transacties waarbij interest mag en andere waarbij interest niet mag worden berekend. Het is overduidelijk dat de definitie en het verbod niet slaan op de soort verhandelingen, maar enkel en alleen op het hoge percentage rente waardoor in feite "anderhalf maal zoveel" als het uitgeleende kapitaal (hetzij dus 150 %) teruggevorderd wordt.

In het licht van die primaire bron moeten de secundaire worden uitgelegd. Niet omgekeerd. Zeker niet voor wat bronnen uit de middeleeuwen betreft, want de auteurs - zij het nu leken of monniken - lieten zich toen expliciet of impliciet inspireren door auctoritates. Daaraan dient dus opnieuw herinnerd.

Een derde kritiek is eveneens methodologisch met weerslag op de inhoud. Het betreft de bepaling van en het verbod op woeker door Nicea uitgevaardigd, dat alleen de geestelijken treft.

Volgens LE GOFF werd dit ook tot de leken uitgebreid, namelijk in 626 door het concilie van Clichy en vervolgens nog door Karel de Grote in zijn Admonitio generalis van 789 (p.31). Maar zelfs dan dient opgemerkt dat er te Clichy geen oecumenisch concilie werd gehouden en dat dus onmogelijk de katholieke Kerk in haar geheel was betroffen. Karel de Grote vertegenwoordigde weliswaar het grootste wereldlijk gezag binnen de toenmalige Christenheid, althans in het Westen, maar hij was niet het enige gezag en zeker niet het kerkelijk leergezag of magisterium. De aangehaalde bronnen kunnen derhalve niet als bindend worden beschouwd in heel de gekende wereld.

Men kan er dan ook niet met volstrekte zekerheid uit besluiten dat iedereen, gedurende de middeleeuwen, zich sindsdien op die - en soortgelijke - secundaire bronnen steunde. Normatieve bronnen wijzen ten andere enkel op "hoe het hoort" in de samenleving volgens de gezagdragers van het ogenblik. Zij zijn niet noodzakelijk een spiegel van hetgeen zich overal afspeelt in de samenleving, laat staan gedurende honderden jaren.

Ik denk dat een andere verklaring voor de hand ligt voor de strengere beoordeling van woeker en van rente bij geldlening die, zoals LE GOFF hier terecht heeft opgemerkt, zelfs radicaal werd afgewezen bij sommige auteurs van de 12de en 13de eeuw.

De ontwikkeling van de handel bezorgde gaandeweg meer geldmiddelen en dus macht. Daarvoor waren zowel wereldlijke als geestelijke gezagdragers beducht. Toen deze inzagen dat zij er niet in geslaagd waren de rente bij geldlening te diaboliseren, hebben zij tenslotte zelf geldbanken opgericht.

De overgang tussen het leerstellig zwartmaken van rente bij geldlening en het goedkeuren ervan gebeurde dan ook vrij snel. Te veel interesten stonden letterlijk en figuurlijk op het spel. De nieuwe geesteshouding wordt trouwens reeds afgemeten aan de benaming die bedacht werd voor één van de eerste door clerici gecontroleerde banken : Banco di Santo Spiritu.

Spijtig genoeg heeft LE GOFF deze belangrijke cultuurhistorische verandering - die zowel economie als mentaliteit betreft - niet tegenover zijn citaten gesteld om "economie en religie in de middeleeuwen" te belichten. Zoals het geschreven werd, biedt zijn boek geen verklaring, noch voor de vrij late diabolisering van interest bij geldlening, noch voor de verandering waarbij gehoonde praktijken plots een aureool van wierook toebedeeld kregen met het evoceren van de Heilige Geest.

En bovenal, men kan enkel maar betreuren dat een verwarring tussen woeker en het vragen van interest in de hand gewerkt wordt door de grove nalatigheid sommige auctoritates, nochtans eersterangsbronnen voor de mediëvistiek, niet te betrekken in een onderzoek over middeleeuwse toestanden.

Er bestaat geen wetenschappelijke reden om methodologisch foutieve werkwijzen en verkeerde meningen te verspreiden, ook niet op grond van het gezag van Jacques LE GOFF. We zijn niet meer in de middeleeuwen. Nu worden auctoritates getoetst.

Een vierde kritiek betreft eveneens primaire bronnen die buiten beschouwing werden gelaten door LE GOFF. Hij heeft het over een zogenaamde "fundamentele verandering van de biechtpraktijk". Hij beweert : « Tot dan toe was de biecht een collectieve, openbare en zeldzame gebeurtenis en werden alleen de allerzwaarste zonden gebiecht. Nu kreeg de biecht een individueel, universeel, besloten en tamelijk frequent karakter : de zogeheten oorbiecht. » (pp.13-14)

Ik ga hierover geen tractaat schrijven ter weerlegging. Om te bewijzen dat de oorbiecht geen uitvinding is van de dertiende eeuw, moge het volstaan paus Leo I (440-461) te citeren : "Illam etiam contra apostolicam regulam praesumptionem, quam nuper agnovi a quibusdam illicita usurpatione committi, modis omnibus constituo submoveri. De paenitentia scilicet, quae a fidelibus postulatur, ne de singulorum peccatorum genere libello scripta professio publice recitetur, cum reatus conscientiarum sufficiat solis sacerdotibus indicari confessione secreta. Quamvis enim plenitudo fidei videatur esse laudabilis, quae propter Dei timorem apud homines erubescere non veretur, tamen quia non omnium huiusmodi sunt peccata, ut ea, qui paenitentiam poscunt, non timeant publicare, removeatur tam improbablis consuetudo, ne multi a paenitentiae remediis arceantur, dum aut erubescunt aut metuunt inimicis suis facta reserari, quibus possint legum consuetudine percelli. Sufficit enim illa confessio, quae primum Deo offertur, tum etiam sacerdoti, qui pro delictis paenitentium precator accedat. Tunc enim demum plures ad paenitentiam poterunt provocari si populi auribus non publicetur conscientia confitentis."

Dit schrijven is gedateerd van 6 maart 459 en was gericht tot alle bisschoppen van Campanië en andere streken. Het stelt duidelijk dat precies de oorbiecht de reeds toen traditionele biechtwijze was, conform "de apostolische regel". Bovendien laakt het de publieke biechtwijze wanneer zij private fouten blootlegt. Net andersom dan door LE GOFF voorgesteld. (2)

Tenslotte wens ik te laten opmerken dat LE GOFF die ongegronde en verkeerde mening zelf niet heeft uitgevonden, alhoewel hij ze heeft "bijgewerkt". Men treft ze immers reeds aan bij Marc BLOCH. (3)

Deze auteur ziet de oorbiecht evenwel als een praktijk die tot dusver enkel onder monniken gangbaar was en in de loop van de 12de eeuw onder de leken zou zijn verspreid. Dus was het alleszins geen uitvinding van de dertiende eeuw. Maar ook BLOCH haalt de primaire bron uit het jaar 459 niet aan : zij betreft precies gewone gelovigen en spreekt zijn thesis op dit punt fundamenteel tegen. Ik weet niet of BLOCH daarvan bewust was, maar hij bezorgt hoe dan ook geen enkele verwijzing om zijn eigen mening te staven. LE GOFF daarentegen verwijst buiten context naar het vierde concilie van Lateranen (1215), die op het gebied van de oorbiecht geen nieuwigheid invoerde, maar in dit verband slechts de verplichting van de jaarlijkse biecht rond Pasen instelde.

Er bestaat geen wetenschappelijke reden om methodologisch foutieve werkwijzen en verkeerde meningen te verspreiden, ook niet op grond van het gezag van BLOCH of van LE GOFF. Ik herhaal het nogmaals : we zijn niet meer in de middeleeuwen. Nu worden auctoritates getoetst. Gelukkig maar. Want in het tegenovergesteld geval zou men - bij gebrek aan primaire bronnen en juiste verwijzingen - met de teerling moeten smijten om te kiezen tussen de zienswijze van BLOCH en de "bijgewerkte" van LE GOFF, in het aangehaalde voorbeeld. Maar dat zou uiteraard geen wetenschappelijke methode zijn.

NOTA'S

(1) J.ALBERIGO, P.P.JOANNOU, C.LEONARDI en P.PRODI (ed.), Conciliorum oecumenicorum decreta, Freiburg im Breisgau, 1962, p.13 (canon 17 van het eerste oecumenisch concilie van Nicea).

(2) H. DENZINGER e.a. (ed.), Enchiridion symbolorum, definitionum et declarationum de rebus fidei et morum, Barcelona / Freiburg im Breisgau / Rome / New York, 1965³³, p.115 (nr. 323) onder de titel "De confessione secreta".

(3) Marc BLOCH, La société féodale, Parijs, 1939-1940, p.161. - Mocht iemand interesse hebben voor het boek van BLOCH : ik heb daarover een kleine, kritische scriptie gemaakt in het kader van het seminarie Vraagstukken uit de historiografie en de geschiedfilosofie van Prof. Dr. Reginald DE SCHRYVER over de "Annales"-school (K.U.Leuven, 1992). Misschien kan ik die later publiceren. Inmiddels kan men mij hierover aanspreken, want het boek La société féodale krioelt van foute inzichten en historisch verkeerde beweringen, zoals al vele recensenten hebben opgemerkt. Mijn onderzoek heeft ze op een rijtje gezet. Het is nogal indrukwekkend. Maar de verantwoordelijken van de "Annales" hebben die kritiek blijkbaar naast zich neergelegd. Er komt al ruim vijftig jaar (sinds 1940) geen reactie op. Nochtans behoort het tot de deontologie van alle historici rechtzettingen van ongegronde meningen of inzichten te publiceren : zij moeten immers met de waarheid begaan zijn en niet met klanten.

=====================
Dit is de tweede uitgave van
een artikel verschenen in 1997.
=====================