Uittreksel uit de inleiding tot 'Het Woordenboek van het Asses'

Onze vele kleurrijke dialecten gaan er in twee opzichten bijzonder snel op achteruit: ze worden door steeds minder mensen in steeds minder omstandigheden gebruikt (= functieverlies) en ze vlakken zienderogen uit onder invloed van en in de richting van de cultuurtaal (= verlies van kenmerken). Dit spectaculaire dialectverlies is op de eerste plaats toe te schrijven aan een aantal objectieve, maar helaas onomkeerbare maatschappelijke factoren. De enorm toegenomen mobiliteit van de mensen, de schaalvergroting van contacten en communicatie en een steeds hogere scholingsgraad staan als het ware haaks op de kleinschaligheid van onze dialecten. In minstens even sterke mate worden onze lokale tongvallen echter ook ondermijnd door een fatale subjectieve factor: de sociale onderwaardering van het dialect. Men zal het niet gauw met zoveel woorden zeggen, maar dialectgebruik staat niet meer ‘netjes’: het wordt steeds automatischer geassocieerd met een lage sociale status en met een onverzorgde opvoeding. Vlamingen nemen eigenlijk een erg gespleten houding aan tegenover hun meest eigen taalvariëteiten: enerzijds blijkt uit enquêtes dat zij het jammer zouden vinden dat onze dialecten verdwijnen, maar anderzijds willen/ durven ze de volkstaal niet meer doorgeven aan hun (klein)kinderen, met als gevolg de zich steeds duidelijker aftekenende dictatuur van een alles samen veel armere tussentaal.

De eerstgenoemde, objectieve oorzaken van dialectachteruitgang zijn internationaal en helaas ook onvermijdelijk en onomkeerbaar. De onterechte degradatie van onze dialecten tot schaamtaaltjes hebben we echter louter aan onszelf te ‘danken’. Aan die taaltjes ontbreekt immers niets waardoor ze niet perfect zouden kunnen functioneren als het informele, huiselijke communicatiemiddel. In hun bouw en samenstelling missen ze niets wat een cultuurtaal wel zou hebben. Bovendien bieden ze door hun spontane, onbeschoolmeesterde groei een veel dieper inzicht in wat er zoal aan ingrediënten in natuurlijke talen voorkomt. Dat en hun veel hogere pedigree (die in Vlaanderen ongeveer vijftien eeuwen teruggaat) maakt dialecten sedert enige tijd populairder bij taalonderzoekers dan bij (de meeste) taalgebruikers. Ook het excuus ‘dat een dialectopvoeding een goede beheersing van de cultuurtaal in de weg zou staan’, snijdt geen hout. De beste AN-gebruikers in Vlaanderen zijn meestal in het dialect opgevoed. De auteur van dit mooie dialectmonument staat daar model voor. Waarom deze lange aanloop in de inleiding tot dit boek? In eerste instantie wou ik hiermee alsnog pleiten voor een gezondere en positievere houding tegenover onze dialecten. Op de tweede plaats geeft het mede kans om op de enorme rijkdom en de waarde van onze lokale ‘taaltjes’ te wijzen...

De 19de-eeuwse schrijver Prudens Van Duyse heeft het ons al heel kernachtig voorgezegd : ‘De taal is gans het volk’. Inderdaad : de volkstaal is hét middel waarmee wij onze culturele identiteit uitdrukken. In het dialect vinden we bij uitstek de neerslag van eeuwenoud gedachtengoed en maatschappelijke omgang.

Johan Taeldeman, Hoogleraar Nederlands, Universiteit Gent.