Abraham Hans, een vergeten heemkundige?

Paul Servaes

Dat zou men van deze schrijvende duizendpoot gerust kunnen stellen. Zelf medeoprichter van het Abraham Hansgenootschap en medeauteur van het werk “Dit is het boek over de familie Hans”, dacht ik er goed aan te doen om ook zijn heemkundige onderlegdheid in het licht te stellen.

Abraham Hans werd geboren te Sint-Maria-Horebeke uit protestantse ouders. Zijn vader, Bastiaan Hans, was daar onderwijzer. Horebeke was en is een kleine, onbelangrijke plattelandsgemeente in het zuiden van Oost-Vlaanderen, een tiental kilometer ten oosten van Oudenaarde. Sint-Maria-Horebeke maakte deel uit van de baronnie Schorisse.  In deze Rooms-katholieke omgeving leeft een kleine protestantse gemeenschap, die ruim vier eeuwen lang alle vervolgingen heeft getrotseerd. Ze waren de afstammelingen van de ‘bosgeuzen’ die in de 16de eeuw in verzet waren gekomen tegen de godsdienstige onverdraagzaamheid van de Spaanse koning Filips II. “De Olijfberg”, die een zevental parochies telt, beschikt nog over een dominee die de zondagsvieringen leidt. In dit milieu werd Abraham Hans op 12 februari 1882 geboren als zevende kind en na hem kregen zijn ouders nog zes kinderen. De kinderen werden in de strengste protestantse geest opgevoed. Hun vader gaf les in het protestantse schooltje van Horebeke en pleegde regelmatig artikels in protestantse bladen. In 1900 behaalde Abraham het onderwijzersdiploma te Arnhem en in 1901 behaalde hij de Belgische onderwijsakte aan de rijksnormaalschool te Gent. In 1905 verhuisden ze vanuit Roeselare, waar het gezin na de opheffing van het protestantse schooltje te Horebeke een tijdlang woonde, naar Kontich bij Antwerpen. Van 1906 tot het uitbreken van de eerste Wereldoorlog was Abraham Hans onderwijzer te Antwerpen. In 1907 trad hij in het huwelijk met Adriana van der Meulen, een protestantse dame uit Sluis. Hun gezin kreeg vier kinderen: Annie, Helena, Mimi en Willem. Ze zouden alle op hun beurt ook schrijven.

 

In datzelfde 1907 kende Abraham Hans zijn debuut als jeugdschrijver. Zijn eerste werkjes waren snel uitverkocht: “Helden zonder zwaard”, “Een zeemansverhaal” en “Jan van Rijswijck”. Dit laatste was een biografie van de vroegere burgemeester van Antwerpen. Later volgde nog “Egmont en Hoorn”. Toen al trachtte hij de jeugd iets bij te brengen van onze vaderlandse geschiedenis. De meeste werken werden uitgegeven bij Op de Beeck in Antwerpen, later ook bij Julius Hoste te Brussel met wie hij het liberale gedachtengoed deelde.

Abraham Hans schreef zestien werkjes over vooraanstaande Vlamingen. Daarmee trachtte hij de jeugd een Vlaamse reflex bij te brengen, Vlaming die Hans zelf in hart en nieren was.Hij was een graag geziene spreker op tal van Vlaamse bijeenkomsten en was iemand die toen al veel enggeestigheden oversteeg. Vele Antwerpse geschiedenissen waren van zijn hand. “Op en bij onze hoge toren” (1909) speelde zich af rond de O. L. Vrouwetoren en vertoonde vele heem- en geschiedkundige aspecten.“Jan van Speyck” handelde over de Belgische Omwenteling van 1830 in de Scheldestad maar dan vanuit een Vlaamse gezichtshoek.

Steeds trachtte hij de jeugd bewust te maken van ons rijke Vlaamse verleden. In de reeks belangrijke jeugdboeken valt te vermelden: “Uit grootvaders tijd” (1910). Het verhaalt over de volksschool in de negentiende eeuw waar meisjes en jongens op lage banken gezeten waren en met griffel of ganzenpen leerde schrijven.

Abraham Hans

“De blijde jeugd” (1911) omvat een aantal vertellingen die allemaal niet zo ‘blij’ waren als de titel laat vermoeden. Maar alle hadden ze weer hun heemkundige en geschiedkundige inslag. Vooral “Groeninghe” (1910) hernam de geschiedenis van de Vlaamse vrijheidsstrijd tegen de Fransen en de Slag der Gulden Sporen in 1302. Het groeide uit tot een geschiedkundig monument en kende zes herdrukken. Dit werk werd door het A. Hansgenootschap met succes heruitgegeven. In “Cassel” en “Nikolaas Zonnekin” (1913) verweefde Hans de maatschappelijke motieven op meesterlijke wijze. Hij bracht de moed op de heldhaftige nederlaag te beschrijven van de Vlamingen bij de Casselberg in 1338.

In 1922 startte Hans met zijn Kinderbibliotheek. Om de week verscheen een boekje van tweeëndertig bladzijden, klein formaat. De boekjes werden in de volksmond “de hanskes” genoemd. In Vlaanderen kenden ze een enorm succes en werden ook door heel wat ouderen gelezen hoewel ze voor de grotere jeugd bedoeld waren. In 1929 kwam de tegenhanger “De Vlaamsche Filmkens” uit. Men mag niet vergeten dat Hans om zijn protestantse overtuiging uit de katholieke scholen en bibliotheken werd verbannen. Daar over uitweiden zou ons echter te ver leiden en hoort in deze verhandeling niet thuis. In het nummer 135 van de Kinderbibliotheek “De apostelbrokken van Rupelmonde” staat: “Elke Goede Vrijdag gooiden de burgerlijke overheid en de geestelijken vanuit het stadhuis te Rupelmonde brokken brood voor het volk, sommigen geloofden in de genezende kracht van de apostelbrokken.” Er is nummer 171 “Genoveva van Brabant”, één der mooiste sagen uit het Nederlands taalgebied, waaraan ook Stijn Streuvels een verhandeling weidde.  Nummer 199 “De wolf van Gistel” bracht de marteldood van de heilige Godelieve in herinnering. Dichter bij ons: “Jozef van Gansen” en “Pastoor Huveneers” en nummer 389 “Een jongen in de boerenkrijg”. In nummer 169 “De held van Tremelo” was Jozef de Veuster de hoofdpersoon. Pater De Smet uit Dendermonde is in nummer 394 “Een Vlaamse cowboy” de apostel der Indianen. Het nummer 46 “Broederliefde” verhaalt de heldhaftige en tragische dood van de gebroeders van Raemdonck uit Temse in Wereldoorlog Eén. Ook in de nationale geschiedenis van andere landen vond Abraham Hans occasioneel belangwekkende onderwerpen. Zoals in nummer 277 “Robin Hood” en in nummer 288 “Robin Hood en zijn boskerels”. In nummer 192 “Jeanne d’Arc” heeft hij het over de Franse heldin uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. Dichter bij ons was er Gabriëlle Petit” (uitgegeven in 1921). Hans beschrijft haar korte leven als Belgische spionne. Gabriëlle werd te Doornik geboren waar ze op de Grote Markt een standbeeld heeft. Ook te Brussel staat een beeld van haar. Ze was gespecialiseerd in het oversmokkelen van brieven vanuit het bezette Vlaanderen naar het vrije Nederland waar duizenden Vlamingen hun heil hadden gezocht. Gabriëlle Petit werd verraden en aangehouden. Het krijgsgerecht sprak de doodstraf uit en ze werd in 1916 op de nationale schietbaan te Brussel geëxecuteerd. Van de gefusiliierde Gabriëlle Petit leeft nog een afstammelinge, een dame van adel , heet de Doncqver en is kloosterlinge in een convent te Halle. Haar kloosternaam is zuster Gabriëlle als herinnering aan haar familielid Gabriëlle Petit. Regelmatig wordt ze nog door mijn vrouw en mij bezocht. In nummer 719 “De held van Tirol” vertelt Hans over de strijd van de Oostenrijkers tegen de legers van Napoleon. Nummer 748 “De keizerin van Mexico” gaat over keizer Maximiliaan, die gehuwd was met de Belgische prinses Charlotte, dochter van koning Leopold II. In totaal schreef Hans zevenhonderdtachtig nummers voor de Kinderbibliotheek.

Ondertussen trok Wereldoorlog Eén over het land. Op 20 augustus 1914 nam de familie Hans de wijk naar het Nederlandse Sluis waar huisvesting werd gevonden in de Koopstraat 28. Daar verbleef men tot augustus 1915. Nadien verhuisden ze naar Vlissingen, Badhuisstraat 2. Om den brode werd Hans verslaggever van het oorlogsgebeuren voor De Telegraaf. Hij organiseerde ook bijeenkomsten voor uitgeweken landgenoten. Hierbij moet ook vermeld worden dat Abraham Hans door geboorte Belg was uit Nederlandse ouders maar ondat hij nogal ongezouten zijn mening uitte over de bezetter was hij iemand die door de Duitsers werd gezocht. En omdat hij nogal pendelde tussen Nederland en Vlaanderen was dat niet zonder risico. Toen Wereldoorlog Eén naar de archieven werd verwezen keerde eerst de vader in 1918 terug naar Vlaanderen; de rest van de familie volgde in 1919. Toen ook werd de villa “Houthulst” aangekocht aan de Antwerpsesteenweg 55 te Kontich. Later zou nog een villa te Knokke gekocht worden. Het schrijven had de familie geen windeieren gelegd.

Hans was iemand die zeker niet de schone belletrie nastreefde. Zijn volkse verhalen die tussen de twee wereldoorlogen verschenen, zowel burgerlijke romans als zijn verhalen met historische inslag, hadden één ding gemeen: ze waren verstaanbaar voor een groot publiek. Bij de bezittende klasse, bij de clerus en zeker bij de kasteelheren was Hans niet zo geliefd. Hij durfde het aan hen te kapittelen en schreef letterlijk: “Ze zijn onze regeerders en spreken niet eens onze taal”. Zijn werken “De Vlaamse boskerel” en “Gelouterd” zetten veel kwaad bloed. Zo waren er tientallen werken die in het Vlaanderen van kastelen en kerken argwanend werden bekeken; ze zouden hem trouwens op de Index onder de rubriek ‘te mijden’ doen belanden en hem uit de katholieke scholen en bibliotheken houden. Men heeft Hans verweten een veelschrijver te zijn. “Het vooringenomen Boekengids, dat het vooral in parochies en plattelandsbibliotheken voor het zeggen had, heeft hem in de jaren twintig genadeloos gekraakt”, aldus Jan Marchau in Oostvlaamse literaire monografieën, nr 24-1982. Om verder in te gaan op Hans heemkundig werk zou ik vooral “Kerlingaland” met als ondertitel “Geschiedenis, legenden, zeden en gewoonten der kustbewoners” willen vernoemen. Over 267 bladzijden, verdeeld over 23 hoofdstukken, geeft Hans een beschrijving van de kuststreek van Brugge tot De panne. Hier toont hij zich als heemkundige op zijn best. Het boek bevat bovendien tientallen kunstzinnige tekeningen en het is rijkelijk voorzien van voetnota’s. Het hoort zeker thuis in ieder heemkundig archief. Het boek verscheen in 1912 en werd uitgegeven door Lode Opdebeeck Antwerpen. Ook het werk “De Vliegende Hollander” speelt zich af aan de Vlaamse kust op het einde van de negentiende eeuw. Het bevat een schat aan heemkundige gegevens. Zo verhaalt hij over “het tweede gezicht”, hoe nabestaanden van vissers die in een zware storm op zee vertoeven, deze met hun visserssloep zien vergaan en verdrinken. Ook de uibuiting door de reders van schippers die in loondienst vaarden, vaak op slecht onderhouden schepen en zonder enige vorm van verzekering, werd door Hans streng veroordeeld. “De zwarte ridder” werd het lijvigste boek van Hans (1565 bladzijden), uitgegeven in 1929. Het romantische verhaal speelt zich af in Zeeuws-Vlaanderen tijdens de veroveringstochten van Napoleon, toen zoveel jongens werden opgeeist om in de legers van Napoleon te dienen. Het boek bevat verwijzingen naar de opstand in Vlaanderen. Het is een gegeven dat Hans door zijn volksboeken de modale man bewust wilde maken van het sociale onrecht en hij op die manier wou bijdragen tot haar ontvoogding. Dat de volksboeken van Abraham Hans verslonden werden, kan men opmaken uit de gegevens van de Antwerpse bibliotheken. In het jaar 1927 werden zijn werken 647 065 ontleend of beter gezegd 1725 keer per dag (Bron: Jan Marchau, Gedenkboek 1989, blz. 46). Niemand van zijn tijdgenoten-schrijvers kon op dergelijk succes bogen. Ook over Wereldoorlog Eén heeft Hans heel wat geschreven dat heemkundig en militair van groot belang is. Zijn verblijf in Nederland en de oorlogsverslaggeving voor De Telegraaf zorgden voor heel wat gegevens die hij later zou verwerken. Vooral “De Grote oorlog”, uitgegeven in 1919 in twee delen, bevat 1830 bladzijden maar werd ook onder één band uitgegeven. Van bij de inval van de Duitsers vermeldt het de meeste troepenbewegingen in en rond Mechelen (waaronder Klein-Brabant). Een boek dat zijn plaats verdient in iedere heemkring en militaire bibliotheek. Ook “Bloedig Ijzerland”, een uitgave van 1920, is een militair gegeven. Het begint als een romantisch verhaal maar verdrinkt al snel in het oorlogsgebeuren. De strijd, de ontbering en de discriminatie van de Vlaamse soldaten komen uitgebreid aan bod. Daarna volgen nog “De opgeëisten”, “Het woud van Houthulst”, “Een Vlaamse jongen in oorlogstijd”, “Bloedgeld”, “In de strijd”, “Voor de vrijheid” en “Het maagdeken van Meesen”. Deze werken werden geschreven tussen 1915 en 1922, dus onder de eerste indruk van het gebeuren. Ze bevatten details die men niet in geschiedenisboeken aantreft. Vooral in de Westhoek moest men van nul herbeginnen. Dorpen lagen volledig in puin, zelfs de straten waren onherkenbaar verwoest. De akkers waren door granaten in een maanlandschap herschapen. Behuizing werd verkregen door het inderhaast optimmeren van noodbarakken, akker na akker werd bewerkt en ingezaaid. De noodwoningen werden weer boerderijen, de oogsten werdn rijker en de boer ... hij ploegde voort.

Minder gekend is dat Hans lid was van de VTB en een goede vriend van wijlen Jozef van Overstraeten. Voor de VTB gaf Abraham Hans verschillende voordrachten met vaak een heemkundige inslag, wat dan weer resulteerde in de uitgave van heel wat reisverhalen. “Frans en Zeeuwsch Vlaanderen” neemt ons mee naar de door Frankrijk en Nederland ingelijfde Vlaamse gebieden. Hans gaat op zoek naar raakpunten met het vroegere Nederland. Die raakpunten blijken nog springlevend aanwezig te zijn. Taal, familie, namen, gebruiken, geaardheid, benamingen van cafés en gebouwen hebben veelal een Vlaams karakter. Ook hier laat Hans ons een schat aan heem- en geschiedkundige gegevens na. Hetzelfde in “Zeeuwsch Vlaanderen”, een toeristische trip door deze  provincie, verrast door haar Vlaams karakter en in schril contrast met de taal en gebruiken boven de Moerdijk. Heemkunde en geschiedenis vormen weer de hoofdbrok in “Op reis door België” (1910-1911), een uitgave in drie delen. Koopman Francken, wel koopman van beroep maar met de allures van een onderwijzer, onderneemt met zijn twee zonen een leerzame reis door België. Koopman Francken wordt in het verhaal door Hans zelf belichaamd. Met hem ontdekt de lezer de schilderachtige steden, de agrarische dorpen en de imposante gebouwen. Ook Klein-Brabant komt aan bod met afbeeldingen van kasteel de Marnix en een zicht op Temse en Rupelmonde. Voor iedere plaats is er een gedegen uitleg. Het grootste gedeelte is geschiedenis, heemkunde, nijverheid en wetenswaardigheden. Weer een werk dat op zijn plaats is bij elke boekenliefhebber. Het werd ook in het Frans vertaald en uitgegeven.

Een apart gegeven in het oeuvre van de schrijver zijn de ‘bende’boeken. In “Bakelandt en zijn grote roversbende uit het Vrijbos” (1910) heeft hij het over deze uitgebreide bende die zou geprofiteerd hebben van het machtsvacuüm tijdens de Franse periode toen alle weerbare mannen vochten aan verre fronten. Hun werkterrein was vooral West-Vlaanderen en bescherming vonden ze in ondergrondse schuilplaatsen in het uitgestrekte Vrijbos. Geen mens waagde zich in dit woud dat alleen bewoond werd door bendeleden en andere louche figuren. Van daaruit werden de overvallen op boerderijen en welgestelde burgers gepland, vaak met moord en doodslag tot gevolg. Processtukken daarover bevinden zich in het stadsarchief van Gent. Eenmaal men door de terugkeer van een deel van de reguliere troepen bij machte was de boeven achterna te zitten, werden ze snel opgepakt. Na hun proces werden ze op de Markt te Brugge met de guillotine onthoofd. Een ander roversverhaal, “naar waarheid verteld”, is “Abel Pollet en de bende van Hazebroeck”. Dit was een bende die deels in Frankrijk en België opereerde. Op beperkter schaal was ze zeker zo moordzuchtig als de bende van Baeckelandt. Deze bende pleegde haar misdrijven tussen 1898 en 1905 en werd omstreeks 1906 gevat. De kopstukken werden op 11 januari 1909 te Bethune (Frankrijk) onthoofd. Dan is er nog het verhaal van “De bende van Jan de Lichte”, bende die vanaf 1744 tot 1748 in Oost-Vlaanderen opereerde. Op 13 november 1748 werden de criminelen te Aalst armen en benen gebroken op het rad waarna hun borstkas werd ingeslagen en op het rad tentoon werden gesteld. Deze bendeboeken verhalen een schat aan wetenswaardigheden over hoe men zich, vooral op het platteland, trachtte te beveiligen tegen deze roversbenden. Ze vertellen vooral over de leefgewoonten van onze boeren en de rol van justitie toen we achtereenvolgend een wingewest waren van Spanje, Oostenrijk en Frankrijk.

Op gebied van heemkunde en geschiedenis en vooral van godsdienstige tegenstellingen tussen roomsen en protestanten (bosgeuzen) zou ik vooral “De gek van de Molenberg” willen vernoemen. Het verhaal speelt zich af te Horebeke-Schorisse-Mater en nog een zestal andere Zuid-Vlaamse dorpen die men de “Vlaamse olijfberg” noemt. Hier toont Hans al zijn liefde voor zijn geboortestreek. Beschrijvingen van landschappen en mensen tonen weer een heemkundig geëngageerd schrijver. De godsdienstige tegenstellingen worden belicht in een liefdesgeschiedenis tussen een roomskatholieke jongen en een protestants meisje. Twee werelden, één liefde, die tenslotte de tegenstellingen niet kan overbruggen. Maar met welk een brio geschreven, met welke ‘heimat’genegenheid, getuigend van een grondige kennis van de protestantse en katholieke gemeenschappen die er woonden en verplicht waren er samen te leven. Al zijn de scherpe kanten er af en werkt men nu samen toch zijn er nog altijd merkbare verschillen. Het Abraham Hansgenootschap geeft het boek “De gek van de Molenberg” terug uit in het voorjaar van 2010. Een boek, formaat 240-170, van 688 bladzijden in linnen band, waarin honderdveertig postkaarten van Maria-Horebeke, waar het verhaal zich afspeelt, en nog eens veertig afbeeldingen die in het origineel ook voorkomen. Een aanrader voor elke heemkundige en bestellen kan bij ondergetekende Karel Michiels op 038890506.

Hiermee werd zeker aangetoond dat Abraham Hans een veelzijdig iemand was die ook op heemkundig gebied zijn sporen meer dan verdiend heeft. Openbare hulde werd Abraham Hans gebracht op zondag 29 april 1934 in een nokvolle Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel. Aanleiding was het verschijnen van het vijfhonderdste Hanske uit zijn Kinderbibliotheek. Een schare prominenten woonde de viering bij: Ernest Claes, Julien Kuypers, prof. Maurits sabbe, Omer Wattez, de afgevaardigde van het Willemsfonds, en de Vlaamse Toeristenbond vertegenwoordigd door Jozef van Overstraeten. Nu  nog wordt de herinnering aan Hans levendig gehouden door het in 1982 opgerichte comité en het in 1989 geopende Abraham Hansmuseum te Maria-Horebeke. In 1989 werd ook het Abraham Hansgenootschap opgericht. Tenlotte wil ik nog enkele werken vernoemen die aantonen wat een veelzijdig schrijver Hans was. “Scheldevrij” en de talloze “Hanskes” bevatten, naast een verhaal, de volledige geschiedenis van België. “Meester Hubert Goffin” handelt over het mijnwerkersmilieu, “De dood in Vlaanderen” over Wereldoorlog Eén, “Over berg en dal” over de geschiedenis van de wielersport. Ook verscheidene van zijn kinderverhalen bevatten geschiedenis, onder andere “De toren van Zierikzee”, “De Oosterschelde” over de vissers van Blankenberge, “De weg naar Amerika” over de emigratie naar Amerika, “Heldenstrijd” over de geschiedenis van het protestantisme in Vlaanderen en “Het leven van Hendrik Conscience”. Toen Abraham Hans op 9 juli 1939 te Knokke overleed was hij 57 jaar. Hij werd volgens de protestantse ritus op de gemeentelijke begraafplaats van Kontich begraven. Nu, zeventig jaar na zijn overlijden, verdient deze overtuigende Vlaming, geschied- en heemkundige schrijver voor het gewone volk, zeker een eresaluut en waardering voor zijn werk.