In Poeke, een van de deelgemeenten van Aalter, staat in de bocht van de Poekebeek een mooi kasteel. Vanaf de weg die je van Lotenhulle naar Poeke brengt, ligt achter een hoge smeedijzeren afsluiting het kasteel van Poeke. Vooral de voorgevel met zijn driehoekig fronton, zijn sierlijke vensters en de twee flankerende torens maakt indruk bij de eerste aanblik. Opzij van het hekwerk leidt een eeuwenoude lindendreef naar het kasteel. De rooskleurige gevels en de toegangsbruggen weerspiegelen zich in het heldere water van de slotgracht. Achter hoge muren leven vele eeuwen verleden...

 

De eerste vermeldingen van een kasteel te Poeke

We weten niet wanneer op de oevers van de Poekebeek een nederzetting ontstond. De eerste vermeldingen van Poca dateren uit de 12de eeuw. De oudst gekende heer, Steppo, wordt in een tekst van 1139 baro genoemd. Vermoedelijk hadden de eerste heren van Poeke er een omwalde en met pallisaden omheinde woning. Vlakbij lag allicht het neerhof.

De heren van Poeke blijken trouwe vazallen van de Vlaamse graven geweest te zijn en behoorden tot de belangrijkste edellieden. Allicht is dat de reden waarom zij in Poeke een burcht konden bouwen. Wanneer dat gebeurde kunnen we alleen maar gissen. Wat we wel weten is dat de burcht een rol speelde in het conflict dat in 1382 tussen de stad Gent en graaf Lodewijk van Male uitbrak. De burcht van Poeke werd ingenomen door de Gentenaars. Eulaard II van Poeke sneuvelde dat jaar toen hij aan het hoofd van de grafelijke troepen op het Beverhoutsveld de opmars van de Gentse milities trachtte tegen te houden.

Naar aanleiding van een nieuwe Gentse opstand in 1452 tegen Filips de Goede, hertog van Bourgondië, werd de burcht van Poeke door de Gentenaars ingenomen. Op 5 juli 1453 werd de burcht bestormd en ingenomen door de troepen van de hertog. De Gentenaars die nog in burcht aanwezig waren werden opgeknoopt en de burcht werd verwoest. (1) (2) (3)

Van het beleg van het kasteel van Poeke is een afbeelding bewaard gebleven in Le livre des faits... (dit de Chastellain). (4)

Deze afbeelding toont ons een gevel van het kasteel met twee zijtorens en een centrale toren. In hoeverre dit een getrouwe weergave is van de toenmalige versterking, kan bij gebrek aan andere bronnen niet uitgemaakt.

De burcht werd blijkbaar niet terug opgebouwd. Beschikten de heren van Poeke niet over de nodige financiële middelen, zag men toen al in dat dergelijke versterkingen niet efficient meer waren of wilde men beletten dat de Gentenaars bij een nieuwe opstand weer gebruik zouden maken van deze burcht? De bronnen geven geen enkel uitsluitsel. In het penningkohier van 1577 is er sprake van een vervallen huus ghenaempt tcasteel van te Poucques groot in water ende erve omtrent 60 roeden, wat laat vermoeden dat er in meer dan een eeuw niets gebeurde met de vroegere burcht. Na het overlijden van Jan III van Poeke in 1563, kwam de heerlijkheid in het bezit van de familie de Mastaing, verre verwanten van de heren van Poeke. Jean de Jauche, heer van Mastaing verkocht de heerlijkheid in 1588 aan Philibert Derye. Zijn zoon Christoffel Derye verkocht de heerlijkheid in 1597 aan Jean de Preudhomme uit Rijsel. (5)

 

Een nieuw kasteel in Poeke

Op 31 maart 1597 kwam Jean de Preudhomme in het bezit van de heerlijkheid van Poeke en van het vervallen huus ghenaempt tcasteel te Poucques. Enkele maanden na de aankoop overleed Jean de Preudhomme. Zijn zoon Jean-Baptist werd in 1600 te Atrecht in de ridderstand verheven door Aartshertog Albrecht. Hij was krijgsman in het Spaanse leger. Waarschijnlijk was hij het die begon met het herbouwen van het kasteel. Sommigen stellen dat dit al gebeurde onmiddellijk na het Twaalfjarig Bestand in 1609. De kaart die Loys de Bersaques in 1627 maakte van het grensgebied tussen de Oudburg van Gent en de Kasserij van Kortrijk toont echter op de plaats waar het kasteel van Poeke zich situeert, de ruïnes van een rechthoekig gebouw, wat er zou kunnen op wijzen dat er in 1627 nog altijd niet begonnen was met het bouwen van een nieuw kasteel.

Nochtans toont Antonius Sanderus ons in zijn ‘Flandria Illustrata’ een prachtige afbeelding van het kasteel van Poeke omstreeks 1641. De tekening toont een zeshoekige waterburcht met op vijf hoeken een ronde toren. Op de zesde hoek bevindt zich de toegang die via een ophaalbrug te bereiken is. Op de binnenplaats staat een donjon. Dat Jean-Baptist de Preudhomme d’Hailly in de 17de eeuw nog opteerde voor een dergelijke constructie is allicht te verklaren door zijn militaire carrière. Volledigheidshalve moeten we stellen dat er geen andere bronnen zijn die bevestigen dat het kasteel er in 1641 uitzag zoals Sanderus het tekende. (6)

In de periode 1653-1663 liet Markus-Antonius de Preudhomme d’Hailly werken uitvoeren aan het kasteel. We weten niet of het hier om verbouwingswerken, dan wel om herstellingswerken ging. In hoeverre die werken het uitzicht van het kasteel toen veranderden is uit de bronnen niet af te leiden. Allicht zijn er daarna nog werken uitgevoerd aan het kasteel, doch daarover is, behalve de inrichting van een kapel in 1698, niets gekend. (7)

Over de bouwcampagne van 1743 tot 1752 zijn meer gegevens beschikbaar. Kort nadat
Charles Florent de Preudhomme d’Hailly gehuwd was (1741) vingen de werken aan. Eerst werd het interieur gerenoveerd. In loop van 1748 werden de verbouwingen aan het kasteel zelf aangevat. Tussen 1748 en 1752 werden 300.000 bakstenen aangevoerd. In september 1748 kwam ook een eerste lading van 37.000 schalies te Poeke aan. De rekeningen vermelden ook de regelmatige leveringen van hout, schrijnwerk, natuursteen en ijzer. Toen de werken in 1752 op hun einde liepen was het uitzicht van het kasteel grondig gewijzigd. De kosten voor de werken beliepen zo’n 3000 pond gr. Het waren vooral Gentse ambachtslui die de werken uitvoerden. We vermelden hier meester-metser en architect-aannemer Jan-Baptist Simoens, vermoedelijk ook architect David ‘t Kind, meester-slotenmaker Joannes Coulombier en meester-timmerman Van Hessche. (8)

Hoe het 18de eeuws kasteel er uitzag, tonen ons enkele foto’s die dateren van voor de nieuwe bouwcampagne in 1872-1875.

De voorgevel van het 18de eeuws kasteel was uitgevoerd in Lodewijk XV-stijl. De bepleisterde en beschilderde gevel telde in de breedte elf traveeën en was drie bouwlagen hoog. Daarboven een laag zadeldak. Het hoger opgaand middenrisaliet van drie traveeën was bekroond met een driehoekig fronton, opengewerkt en voorzien van een uurwerk. Het iets vooruitspringend middenrisaliet, geaccentueerd met geblokte hoekbanden, had een rondboogvormige vleugeldeur. Op de eerste verdieping zat er een deurvenster met natuurstenen balkonleuning. Alle vensteropeningen waren licht getoogd. In het middenrisaliet waren het houten kruiskozijnen met grote roedenverdeling, in de andere traveeën hadden de eerste twee bouwlagen kruiskozijnen en de bovenste bouwlaag bolkozijnen, beide met de oorspronkelijke, kleine houten roedenverdeling. Een stenen brug met bogen, afgeboord met een smeedijzeren balustrade, overbrugde de slotgracht.

In de beide zijgevels vormden de vier ronde hoektorens het dominerende volume. Boven de waterspiegel hadden deze torens vier bouwlagen, met onderaan kleine keldervensters en in de andere bouwlagen telkens twee licht getoogde vensters. De zeshoekige torennaalden waren voorzien van houten dakkapellen en bekroond met een peervormige spits en een wimpelvormige windvaan.

De achterkant van het kasteel was aangelegd op een u-vormige plattegrond. De ingang was bereikbaar via een brede stenen brug met smeedijzeren leuning. Op de hoeken vooraan twee sfinksen en achteraan twee leeuwen. In de u-vormige insprong lag een terras. De zijvleugels telden vijf traveeën over drie bouwlagen en een kelderverdieping. Het midden gedeelte van de achtergevel bestond uit twee zijstukken van een travee en drie bouwlagen en uit een centraal, inspringend gedeelte van drie traveeën en twee bouwlagen, met een kroonlijst en een driehoekig fronton. De centrale travee had een rondboogdeur op het gelijkvloers en een boogvormig deurvenster met smeedijzeren balkonleuning op de verdieping.

Het kasteel was omgeven met een een park van ca. 75 ha. De werken aan de tuin en het park vingen waarschijnlijk al in 1750 aan. Het landboek van 1763 geeft ons een vrij gedetailleerd beeld van het park. Voor en achter het kasteel lag een klassieke Franse tuin. Het geheel was omgeven met een brede gracht.

De toegang tot het kasteel liep centraal door de voortuin. Aan beide zijden lagen parterres. Vanaf het terras van het kasteel leidde een centrale weg naar een een dwarsgelegen waterpartij. Opzij en naar achteren toe lagen tuinbedden. Verder op de centrale as die liep van de ingang van het domein naar de achterzijde van het park lag een stervormig knooppunt waar verschillende dreven samen kwamen. Die dreven verschaften uitzicht op de achterzijde van het kasteel en op elementen uit het omliggende landschap (kerken van Poeke, Ruiselede en Lotenhulle; de molen van Akspoele). Dit was niet alleen een architecturale vondst, maar benadrukte ook de macht van de baron over het omliggende landschap, over zijn territorium.

Het was ook Charles de Preudhomme d’Hailly die omstreeks 1749 trachtte om in Poeke de zijdeteelt op gang te brengen. In Frankrijk werden moerbeibomen aangekocht en aangeplant op een perceel van het kasteeldomein. Bedoeling was te Poeke een fabriek op te richten voor het vervaardigen van zijden kousen en linten. De zijdeproductie bleef echter beneden de verwachtingen en van het geplande plaatselijk bedrijf kwam er niets terecht. (10)


De familie Pycke de Peteghem komt in het bezit van het kasteel van Poeke

In de zomer van 1872 kocht baron Victor Pycke de Peteghem het domein van Poeke. De familie Pycke was afkomstig van Oudenaarde. Ignace Pycke moet geboren zijn in de tweede helft van de 17de eeuw. In 1709 en 1710 was hij schepen van de Keure en van 1711 tot 1712 wordt hij vermeld als schepen van de Gedele van Gent. Op 5 september 1712 werd hij raadsheer van de Raad van Vlaanderen. Hij stierf in Gent in 1725. Zijn zoon, Guillaume Pyckewerd geboren op 18 april 1690. In 1717 was hij schepen de Gedele in Gent. In 1739 werd hij secretaris-raadsheer van de Grote Raad van Mechelen, in 1749 raadsheer van de Geheime raad en van de Raad van State. In 1757 werd hij voorzitter van de Grote Raad van Mechelen. Hij bleef dit tot zijn dood in 1773. Zijn oudste zoon Pieter-Franciscus Pycke was ook een geboren bestuursman. Hij was geboren te Gent op 20 december 1721, studeerde te Leuven rechten en bouwde eveneens een loopbaan van functionaris op. Zijn kleinzoon, August Pycke, was officier in het leger van Napoleon. In 1818 huwde hij met Pauline Limnander. Zij was de kleindochter van de oudere broer van de Gentse industrieel Judocus Clemmen en diens bijzonderste erfgename... In 1842 kende de koning aan August Pycke de titel van ‘baron Pycke de Peteghem’ toe. Na zijn overlijden in 1868 werden zijn bezittingen verdeeld over zijn drie kinderen. Met zijn erfdeel kocht Victor Pycke de Peteghem het kasteel van Poeke in 1872.

Al in 1873 starten grote verbouwingswerken. De plannen daarvoor werden getekend door architect de Limbourg. Van het 18de-eeuwse kasteel bleven slechts het grondplan, de vier torens en enkele details authentiek. Volgens de staat opgemaakt door de architect op 26 oktober 1875 beliepen de kosten sinds het begin van de werken in 1873 meer dan 300.000 Fr en er diende nog voor meer dan 70.000 Fr werken uitgevoerd. Opvallend is dat heel wat ambachtslui van Poeke, Lotenhulle, Aalter en Bellem bij de werken betrokken waren. De rekeningen van 1875 vermelden onder andere de gebroeders Jooris, metsers te Aalter; Charel Verstraete, metser te Poeke; Charles Kint, loodgieter en koperslager te Lotenhulle; F. Snoeck, ijzerhandelaar in Aalter; Ch. Slock, schilder te Lotenhulle; Jan De Coster, slotenmaker en smid in Poeke; Adolf De Schryver, slotenmaker en smid in Poeke. Bakstenen, natuurstenen, metselkalk, hout en andere benodigdheden werden per schip of per trein aangevoerd. Mensen van ter plaatse werden ingeschakeld om het vervoer van Bellem of Aalter naar Poeke te verzekeren. (11)

Sinds de verbouwingswerken op het einde van de 19de eeuw hadden geen belangrijke aanpassingen van het kasteel meer plaats.

Na het overlijden van Victor Pycke de Petegem in 1875 kwam het kasteel van Poeke in het bezit van zijn broer Amedée. Na diens overlijden waren het zijn zoon René Pycke de Petegem en later diens dochter Ines Pycke de Petegem die het kasteel van Poeke bezaten en bewoonden.

Bij het overlijden van Ines Pycke de Petegem in 1955 schonk zij het domein aan de Zusters Apostolinen van Wetteren, die er de schoolkolonie ‘Duinen en Heide’ inrichtten.

In 1977 werd het kasteel, samen met het omliggend park van 56 ha, eigendom van de gemeente Aalter. Het kasteel en het park zijn ongetwijfeld het pronkstuk van het kunsthistorisch patrimonium van Aalter.

 

Jan Camerlinckx

 

Bronvermelding

1. STOCKMAN L., De eerste heren van Poeke, Appeltjes van het Meetjesland, 1977,
    pag. 160-172

2. HOSTE I., STOCKMAN L., Geschiedenis van Poeke, Aalter, 1985

3. DE KEYSER P., De slag bij Gavere, De Toerist, 1953, nr. 15

4. BORN R., Les Lalaings, Ed. Arts Associés, 1986

5. AAV, bundel Poeke

6. SANDERUS A., Flandria Illustrata, 1641

7. RAG, archief familie de Preudhomme d’Hailly

8. STROOBANTS A., Enkele gegevens over de bouwgeschiedenis van het kasteel van
    Poeke en over de plaatselijke zijdeteelt in de 18de eeuw, Appeltjes van het
    Meetjesland, 1982, pag. 268-294

9. GAA, Landboek van Poeke, 1763

10. STROOBANTS A., op. cit.

11. SAA, archief familie Pycke de Peteghem

 

Naar begin van deze pagina

Terug

 

 

 

  

 

 

 

Terug

 

Het kasteel van Poeke