BEHENDIGHEID.

1ste graad.

1.Behendigheid duikelen.

(Duikelen is voorover of/en achterover draaien rond breedteas met behulp van toestellen zoals touwen, ringen, rekstok, balk, trapezoïde, trapeze...)

Aan rekstang of trapezoïde:

Voorover over stang draaien 1.

Lln draaien rond stang op buikhoogte, handen vast met duim bovenaan.

Voorover draaien 2.

Idem als hierboven, na draaien voeten zachtjes neerzetten.

Voorover draaien 3.

Na draaien voeten op krijtstreep op mat plaatsen.

Achterover draaien

(Achterover draaien aan stang is altijd met de benen onder de stang, tussen de armen door)

Leerling houdt handen vast aan stang met duim onderaan, dan hurkzit, brengt één voet onderdoor stang, haakt knie aan, dan 2de knie, draait achterwaarts tussen de armen door. (Lk helpt)

Achterover draaien met voetsteun.

Aan trapezoïde hangen, steun voeten bv. op bank, voeten en benen door de handen en achterover draaien.

Achterover zonder voetsteun op bank.

Idem als 5, zonder steun op verhoging.

Voorover en achterover.

Stang op Borsthoogte, springen tot streksteun, vw duikelen tot standhang; afzet Vn + aw onderdoor stang.

Achterover en terug.

Vanuit standhang aw duikelen, Vn plaatsen maar Hn vasthouden; door lichte afstoot onderdoor stang terugdraaien.

Voorover over, achterover onder, voorover onder

Combinaties van vorige oefeningen.

Enkele spelvormen.

a.-Klas ingedeeld in groepen met diernamen (eekhoorns, aapjes, papegaaien,...)

de naam die genoemd wordt mag aan de stangen gaan draaien.

b.-Omgekeerde wereld: de lln die genoemd worden gaan aan de knieën hangen.

c.-Ll per ll draaien met zangbegeleiding (Hummeltje het Tummeltje. ..)

d.-Toepassing in bewegingsbaan, tussen andere opdrachten.

2.Behendigheid evenwicht.

Zangspel.

'En mijn één been staat en mijn ander moet marcheren': de ll staat op één been, terwijl hij met het ander de kadans aangeeft.

Voetje-van-de-grond.

Wandel-,loop-,huppel- of hinkelspel waarbij de ll op een teken van de lk op één voet moet blijven staan.

Tikspel-overlopertje.

Eén ll is vanger en staat met zijn rug naar de anderen aan de overzijde; de lln trachten de overzijde te bereiken, maar wanneer de vanger zich omdraait moeten ze op één voet blijven staan, zoniet moeten ze terug naar hun vertrekplaats.

Tikspel-verlossertje.

Eén (of meerdere) ll is tikker, een geraakte ll moet op één voet blijven staan, andere voet met een hand vast; de vrije lln mogen verlossen.

Muzikale standbeelden.

Met begeleiding door zang,muziek,...wandelen,lopen,...de lln vrij rond; stopt de begeleiding moeten ze in een bepaalde evenwichts-houding blijven staan.

Nabootsing dieren.

Nabootsing dieren: reiger, kangoeroe, eend...

Hinkelen.

Hinkelspelen in hinkelperk zonder hinkelblok; idem met hinkelbord.

Op één voet 1.

-Staan op één voet.

-Staan op één voet, verschillende armhoudingen.

-Staan op één voet, verschillende armbewegingen.

Op één voet 2.

-Staan op één voet, verschillende beenhoudingen.

-Staan op één voet, diverse beenbewegingen.

Op één voet 3 .

-Staan op één voet, combinatie van arm- en beenhoudingen of bewegingen.

-Staan op één voet, ogen sluiten en trachten evenwicht te bewaren.

Op één voet 4.

Ter plaatse huppen op één voet, gecombineerd met draaibewegingen, en op teken stilstaan op één voet.

Richting bewaren.

-Over een streep stappen, lopen, hinkelen.(voorw/achterw)

-Over een streep stappen op handen en voeten.

-Achterwaarts over een streep stappen op handen en voeten.

Spelvormen.

--In evenwicht op één voet gympie uit- en aantrekken.

-'De naald draden': vingers in elkaar gevlochten,staan op één been en de andere voet door de handen trachten te krijgen zonder te vallen;

-Idem daarna met 2de voet, zodat de ineengevlochten handen na uitvoering achteraan zijn. Terug kan ook.

Over loopvlak bank 1.

-Over banken stappen.(brede zijde)

-Over banken lopen.(brede zijde)

-Met grote passen, kleine passen a. en b.

Over loopvlak bank 2.

-Op tenen over banken.

-Op hielen over banken.

-Zijwaarts stappen over banken met bijtrekpassen.

-Zijwaarts over banken met kruispassen.

3.Behendigheid klauteren.

(Bewegingsvorm die, of in werkhoeken of in een grote bewegingsbaan -hindernisbaan, reis rond de wereld- wordt toegepast waarbij het hoofdaccent ligt op het plezier van ontdekkend ervaren van eigen mogelijkheden, het leren door te zien, door te experimenteren, door te doen met vele kansen op herhaling en aanpassing.

Organisatie en efficiënt werken, gekoppeld aan de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen primeren hier.)

Belangrijk:

Nooit een wedstrijdvorm toepassen gedurende deze oefenvorm, daar dit zou kunnen leiden tot gevaarlijk gedrag.

Voorzie eveneens verschillende mogelijkheden om een moeilijkere hindernis te nemen (reeds geleerde oefenstof), zodat kindjes die nog niet zeker zijn een uitwijkingsweg vinden.

Klauteren 1:

= Het maken van een hindernisgegeven dat door alle kinderen achtereenvolgens wordt uitgevoerd, vrij.

Klauteren 2:

= Het organiseren van een uitdagende 'speeltuin', waarin de kinderen vrij allerlei experimenten inzake klimmen en klauteren

kunnen uitvoeren; na eerste geoefend te hebben met afzonderlijke toestellen ( zie klauteren)

1) kan overgeschakeld worden naar opeenvolgende combinaties, telkens met een open stuk ertussen.

2) ook kan gezorgd worden voor differentiatiemogelijkheden door hetzelfde toestel op een verschillende hoogte aan te bieden.

Klauteren 3:

= Het leren overschrijden van moeilijkere hindernissen, bv de trapezoïde, 3 delen van de springkast, een boombalk, een

apebrug,...

Daarna komt het verbinden van 2 of meer eenheden door middel van een bank, kastdelen, ladder, plank,...

Klauteren 4:

= Het organiseren van meerdere hindernissen in een gesloten omloop waarbij men niet meer op de grond mag komen, vrij.

(wel afspraken maken ivm veiligheid !)

= ook het ervaren van diverse mogelijkheden in het nemen van een bepaalde hindernis door gezamenlijk te onderzoeken en te experimenteren, bv.banken schuin/opwaarts vastgehaakt aan klimraam, wandrek,...: hoe kan je daar veilig over?

1.Over bank kruipen, gaan, huppelen, lopen, hinkelen, ...

2.Idem over meerder banken met wisselende opdracht.

3.Over bank geplaatst tussen 2 springkasten;

4.Idem over 2 naast elkaar geplaatste banken;

5.Aan wandrek van X naar Y;

6.Bank schuin-opwaarts aan wandrek; opwaarts klauteren op Hn en Vn;

7.Idem, langs andere bank naar beneden klauteren.

4.Behendigheid springen.

(Zie ook:Loopspringen.)

Nabootsing dieren.

Nabootsingsspelen op handen en voeten springen(konijn), enkel met voeten, benen diepgebogen (kikker), met benen half gebogen, (kangoeroe,...)

Nabootsing bal.

Nabootsing botsende bal(voetbal, basketbal, tennisbal,...) (Met vb van bal)

Harlekijntje.

Ter plaatse springen voeten samen, spreiden en sluiten, met draaien,... (Harlekijntje danst)

Over draaiend touw.

Vrij springen over draaiend touw.

(Kring, leerkracht in het midden, deze draait touw rond waaraan pittenzak, oude pantoffel).

Variaties:

-na sprong met 1 H, met 2 Hn grond aantikken;

-na sprong 1/1 draai rond eigen as maken;

-na sprong even zitten;

-na sprong even Bkliggen;

-na sprong even Rg liggen,...

Haas of konijn spelen.

Hazesprong op de vloer, vrij.

Idem van X naar Y.

Idem in slingerbaan.

Idem over lijn van l naar r.

Idem door hoepel(s).

Haas in het bos.

Hazesprong over loopvlak bank.

Idem handen op, voeten gespreid naast.

Idem handen op bank, voeten op en af.

Idem handen op, voeten van l op naar r af en terug.

Idem handen op, voeten van l naar r.

Variaties haas.

Baby-haas en vader-haas,haas met een zere poot.

Hazesprong over partner in buiklig, over een bal, over een elastiek, op springkast,...

Op loopvlak bank.

-Hn op bank, Bn gespr vorderen met grote sprongen, met kleine sprongen.

-Idem waarbij op de bank krijtstrepen waar de handen telkens over moeten.

-Hazesprongetjes op de vloer, naar een bank die dwars staat, handen erop, voeten gespreid erop.

-Idem maar op de dwarsbank een leerling op handen en knieën, volledig gebogen: zelfde als vorige oefening, maar de uitvoerder zet de handen op de rug van de andere ll.

Haas gaat zitten.

2 Kastdelen, hazesprongetjes vloer tot spreidzit met vluchtige handensteun op kast.

Variaties op handen en voeten.

Tussen 2 banken, handen erop, voeten ertussen.

Idem met op banken enkele stokken: handen er voorbij, voeten erover.

Op-en-af.

-Banken in dwarsstand, hazesprongetjes vloer, op de bank ophurken, andere kant eraf.

-Idem op 2 delen kast. (Invoeren van afstootplank, springplank.)

Wendspringen 1.

-Over een lijn wendspringen van l naar r.

-Van hoepel naar hoepel in visgraatformatie.

-Over loopvlak bank van l naar r.

Wendspringen 2.

-Wendspringen over een bank met tussenhup.

-Over een balk op kniehoogte, hnstn, van l naar r met tussenhup.

-Idem maar balk wordt schuin/opwaarts geplaatst.

5.Behendigheid touwspringen.

Alle oefeningen veronderstellen individueel leertempo en vorderen naar volgende oefeningen.

Sprgtw 1 : Leerlingen laten experimenteren met springtouw:

-Languit en dubbel leggen, vierdubbel leggen, vierdubbel vastnemen en 'helicopter' spelen, idem dubbel touw.

-Stappen met het touw vast in één hand, en trachten op het uiteinde van een andere leerling te trappen.

-Touw doen bochtjes maken (slang).

-Twee uiteinden aan elkaar knopen, met gesloten touw allerlei fig leggen.

-Door het gesloten touw kruipen(vast met twee handen).

Sprgtw 2 : basisvereisten springen aanleren.

-Touwtje leren afmeten mbt de juiste lengte.

(=onder de beide voeten, touwlengte is tussen heup en oksel, rest van het touw uit de weg door knopen)

-Aanleren van 'de grote zwaai' = touw vast in beide handen, armen gestrekt omlaag naast het lichaam, armen gelijktijdig langs zw opwaarts en voorwaarts brengen. (Nog altijd zonder springen).

-Als vorige oef., zwaaien van voor naar achter.

Pas wanneer deze beweging verworven is een eerste sprong laten uitvoeren.

Sprgtw 3 : oefenen.

-X aantal sprongen vrij laten uitvoeren.

-Als oef. 9 met een tussenhup.

6. Behendigheid tuimelen.

Om de lengte-as 1: (rollen)

Banken op heuphoogte gehaakt aan wandrekken, klimrek,...met daarop matten:

langs wandrek omhoog klauteren, gaan liggen op de matten, armen opwaarts heffen,(verlengde lichaam) naar beneden laten rollen.

Om de lengte-as 2:

Op matten linksom en rechtsom op plat vlak rollen.

Om de lengte-as 3:

Over plat vlak met voorwerp in handen, tussen knieën, tussen voeten.

Om de lengte-as 4:

Zijwaarts rollen over opengevouwen krant: niet beschadigen.

Om de lengte-as 5:

Zijwaarts rollen per twee,(in elkaars verlengde) handen vast.

Om de breedte-as 1:

Banken vastgehaakt aan wandrek(kniehoogte), daarop matten, ll. klautert omhoog, gaat op de knieën zitten, laat zich vw tuimelen met Hnsteun.

Idem vanuit hurkstand.

Idem vanuit gebogen dwarsstand.(uitval voorwaarts)

Om de breedte-as 2:

Bovenstaande oef. met softbal onder kin geklemd.

Om de breedte-as 3:

Vanuit spreidzit op einde bank, plat vlak.

Idem vanuit kniestand op einde bank, plat vlak.

Idem vanuit hurkstand op einde bank, plat vlak.

Ook: 3 bovenstaande oef. met softbal onder kin geklemd.

Zonder hulpmateriaal:

Vanuit grote dwarsstand, achterste been geheven, kijken naar de hoogst geheven voet.

Vanuit grote spreidstand.

Vanuit hurkstand met handen op het hoofd.

Met bijkomende opdracht:

Vanuit spreidstand tuimelen tot:

-strekzit,

-buigzit,

-spreidzit,

-ruglig.

Idem vanuit dwarsstand;

Idem vanuit hurkstand.

Tot hurkstd.

Tuimelen tot hurkzit vanuit dwarsstand, hurkstand ern spreidstand.

In beweging.

Stappen naar mat, na laatste pas vw tuimelen.

Met kleine aanloop naar mat, stoppen in spreidstand, dwarsstand, of hurkstand en tuimelen tot hurkzit.

Van...tot...

-Van kniestand tot zit.

-Van spreidstand tot zit.

-Van hurkstand tot zit, tot hurkstand.

-Van spreidstand tot hurkstand.

-Van hurkstand tot spreidstand.

-Van spreidstand tot spreidstand.

Dubbeltuimelen.

Dubbelrol waarbij na de eerste rol wordt rechtgekomen zonder afduwen van de handen.

7.Behendigheid zwaaien/schommelen.

Aan ringen, touwen, trapeze, boombalk: hangen, zwaaien, schommelen.

(Veiligheidsvoorzieningen zijn prioritair!)

Zwaaien 1:

Op schommel of lage trapeze:

De leerling zit, kan met voeten aan de grond. (De leerkracht geeft een duwtje, lln houden zich goed vast)

Idem, lln leren met voeten afzetten.

Zwaaien 2:

Op schommel, lage trapeze:

de leerlingen leren achteruit lopend opspringen tot zit, schommelen.

Leren 'opzetten' om hoogte te winnen.

(Bij voorwaartse beweging benen vooruit steken en lichaamsgewicht achteruit brengen, bij achterwaartse beweging de benen buigen en lichaamsgewicht naar voor brengen)

Zwaaien 3:

Tijdens schommelen komen van zit tot stand, en weer tot zit.

Zwaaien 4:

Verhoogd vertrekken in standzit met voeten op bank, kastkop.

Zwaaien 5:

Handen vast aan boombalk, trapezoÆde, rekstok, stang, trapeze,... de benen optrekken en schommelen.

(Altijd kans geven om voeten op grond te kunnen plaatsen)

Zwaaien 6:

Met touw van mat naar mat zwaaien. (Over de beek)

(Tracht de leerlingen actief te doen hangen tijdens de beweging, d.i. met gebogen armen; echter niet verplichten, zeker zwaardere kinderen niet.)

Kan ook met 1 of 2 voeten steunen.(looppatroon)


2de graad.

1.Duikelen.

Met aanhaken Kn .(rekstang, trapezoïde,...)

Achterover onderdoor draaien, zonder doordraaien Kn aanhaken, even boven rekstang komen kijken, dan Hfd achterover en doordraaien tot std.

Met aanhaken Kn en Hn loslaten.

Idem als hierboven, bij Knnhang Hn loslaten, opnieuw vastnemen, doordraaien;

Opzwaaien door 1 Kn aanhaken.

Vanuit standhang aw duikelen, 1 Kn buitenom vasthaken; door zwaaien en trekken komen tot voorlangszit op stang; aw af;

Van voorlangszit tot Knhang.

Vanuit vorige oef. vw draaien tot Knhang.

Borstwaarts omtrekken.

Vanuit standhang en steun 1 voet op deel springkast Borstwaarts omtrekken tot Bklig op stang.

Tot streksteun.

Idem tot streksteun.

Combinaties.

Combinaties van vorige oef. naar eigen vermogen en inzicht.

Noot: zelfde oefeningen kunnen ook aan trapezoïde, brug met ongelijke leggers, gefixeerde trapeze.

2.Duikelen aan touwen:

Achterover 1.

Std tussen 2 touwen, Hn vast op Kinhoogte, helper houdt één voet gesteund/ aw duikelen tussen 2 touwen tot std.

Achterover 2.

Idem zonder helper.

Achterover en voorover.

Idem als oef 1(of 2),+ vw duikelen, helper heft voetje; ook toepassen in bewegingsbaan.

2.Evenwicht.

Over loopvlak bank met houding.

Over banken stappen met bepaalde armhouding: handen heupen, schouders, hoofd,...

Met hindernis op bank. (Over blokje(s), kegel, doos, onder elastiek, balk, door hoepel,...)

Met pittenzak op hoofd.

Met bal.

Bal over bank rollen, leerling volgt op bank.

Met bal stuit op bank, naast bank, leerling volgt op bank.

Van std door beweging tot std 1.

Per twee voor streep (+5 cm breed), één ll houdt stok op 10 cm hoogte horizontaal voor de streep terwijl zijn partner er over springt en tracht stil te staan met beide Vn op de streep.

Idem maar stilstaan op één voet.

Van std door beweging tot std 2.

Van hoepel naar hoepel springen met variërende opdrachten en waarbij telkens een moment wordt stilgestaan:

-hinkelpas;

-met beide voeten samen;

-afwisselend hinkelpas links/beide voeten/hinkelpas rechts,enz.

Spelvorm met blokjes.

Met behulp van blokjes van X naar y geraken zonder te vloer te raken.

Hetzelfde, maar de leerling heeft slechts 3 blokjes.

Over evwbalk bank 1.

Over omgekeerde bank met hulp:(medell gaat naast, en geeft zo nodig een hand als steun).Idem zonder hulp.

-Met grote passen, telkens even stilstaan.

-Met grote passen zonder stilstaan.

Over evwbalk bank 2.

Over omgekeerde bank in de helft even de balk met de hand aanraken.

Bij iedere pas met de hand raken.

Op handen en voeten over de balk.

Over evwbalk bank 3.

Twee banken naast elkaar, twee ll, hand vast, overstappen.

Idem maar achterwaarts.

Per twee voorwaarts, in de helft 1/2 draai, achterwaarts.

Per twee voorwaarts, 1/1 draai, verder.

Met ogen gesloten.

Punt vooraf bepalen waar men wil aankomen, met ogen gesloten trachten uit te voeren.

Idem met na aankomst richtingsverandering naar 2de, 3de punt.

Over lijn stappen met gesloten ogen, met kleine passen, met grote passen, vw, aw, zijw.

Over streep hinkelen.

Combinaties 1.

Tussendoor kegelrij hinkelen.

Op lijn omhoogspr. en landen in voorl. dwarsstd.

Over loopvlak zw. bank hinkelen.

Met gesloten ogen over loopvlak zw. bank vw. stappen.

Met gesloten ogen over loopvalk zw. bank zijw., aw. stappen.

Combinaties 2.

Over loopvlak zw. bank stappen met diepgebogen benen.

Over omgekeerde zw. bank zijw. stappen.

Over omgekeerde zw. bank aw. stappen.

Idem met gebogen benen.

Combinaties 3.

In evenwicht op 1 Vt op omgek. zw. bank blijven staan.

Idem met armbewegingen.

Idem met beenbew. vrij been.

Opsprong en landen.

Combinaties 4.

Herhaling oef. op schuin geplaatste zw. bank.

Over omgek. zw. bank stappen met draaien rond eigen as.

Combinaties 5.

Op handen en voeten over streep vorderen.

Idem over loopvlak zw. bank.

Idem over omgek. zw. bank.

Herh.op 2 handen en één voet.

Combinaties 6.

Combinaties van stappen, hurken en kruipen door bijplaatsen hindernis, bv.

-over omgek. zw. bank stappen, gevolgd door

-onderdoor dwars geplaatste elastiek kruipen, dan

-voorbij kegel(s),

-over, door hoepel,

-over loopvlak bank met bal opw. werpen en vangen,

-idem met balstuiten naast bank en opvangen,

-van lijn naar lijn over blokjes stappen,

-idem met 3 blokjes, zelf verplaatsen.

Zelf ontwerpen.

Ontwerpen van eigen eenvoudige evw. oef. op omgek. zw. bank.

Labiel evenwicht.

Spelvorm 'haangevecht': 2 lln hinkelen op 1 Vt, Hn op de Rg vast en trachten elkaar om te duwen met de Sch.;(matten)

Ll op loopvlak bank, 2 helpers heffen langs 1 zijde bank op;

Ll op evw.balk, andere ll gooit hem een bal toe;

Uiteinde bank op geknoopte touwen, overstappen en afspringen;

Loopvlak bank, 'kussengevecht'.

3.Klauteren.

Klauteren 1:

Circuit op toestellen, maar inlassing van bijkomende opdrachten;

(de plaats van een specifieke opdracht kan gemerkt worden door bv. een verkeerskegel, een krijttekening, een speelgoedbeestje,...)

bv.: Bij de eerste kegel maken we een voorwaartse rol, bij de vis spring je over de beek,...

Klauteren 2:

Klas in 2 groepen verdeeld: iedere ll van de eerste groep neemt plaats bij een onderdeel van de hindernisbaan als opzichter, zijn partner (van de tweede groep) vertrekt op signaal en werkt de baan af waarbij de opzichters naki jken of alle lln veilig werken; omwisselen bij aankomst. Vb.:

1.Over horizontale ladder tussen 2 springkasten.

2.In commandolig over boombalk;

3.Op-en-af schuin geplaatste bank/wandrek, bij het naar beneden klauteren echter met Hfd eerst.

4.Aan klimraam op-en-af klauteren;

5.Idem over merkteken; (halsdoek, sjaal,...)

6.Idem over merk, onderdoor volgende merkpunt, opnieuw over en af;

7.Horizontaal over strak gespannen touw in commandolig;

8.Idem onderaan touw aan handen en voeten;

9.Touw vast aan bovenkant wandrek, met steun op sporten naar boven, beneden klauteren.

4.Springen.

Op vloer.

-Hazesprongen vrij;

-idem slalom door kegelrij;

-hazesprongen over loopvlak bank;

-idem met gespreide benen;

-idem op-en-af;

Wendspringen 1.

-Wendsprong over dubbele zw bank;

-wendsprong over boombalk met handenwissel en tussensprong;

-idem zonder tussensprong;

-wendsprong over boombalk met steun ÆÆn hand;

Wendspringen 2.

-Wendsprong over schuin verhoogde bank;

-idem, Benen echter over hogere deel bank;

-idem met slechts één handsteun.

Wendspringen 3.

Springkast 3/4 delen breedte.

Met korte aanloop en afstoot 2 Vn, Hn plaatsen op bovendeel en met wendsprong l/r over kast springen.

Voorbereiden bokspringen 1.

-boksprong over ll in kortlig;

-boksprong over ll in kortlig op dwarse bank;

-boksprong over ll in spreidstand;

-reeksen per 2 lln;

-spelvormen bokje-springen over andere ll;

Voorbereiden bokspringen 2.

Springkast, 3/4 dln lengte.

Met korte aanloop en 2 Vnafstoot springen tot -rijzit op springkast;

-Knnstd op begin kast; zijw. af;

-bgstd op begin kast; zijw af;

-bgstd, achteraan afspr., landen in bgstd Hn grond.

-tot bgstand, dan tot rijzit achterzijde kast;

-tot bgstd, maar met steunspreidsprong achteraan afspringen;

Voorbereiden bokspringen 3.

Springkast, 2 dln breedte.

Met korte aanloop en 2 Vnafstoot spreidsprong over ll in kortlig op kast.

Bokspringen.

-Per 2 bokje springen over elkaar met wisselen;

-Idem met wisselen en verplaatsen;

-Idem met meerdere lln;

-Spelvorm: 'Ezeltje staan';

Bokspreidsprong.

-Spreidspringen over bok met kleine aanloop en afstootplank;

-Idem met tuimel vw na landing;

-Idem met 1/4 draai l of r na steun tot hurkstand;

-Idem met tuimel vw na 1/4 draai.

-Invoeren springplank, minitramp.

5.Touwspringen.

Basistechniek.

Herhaling techniek springen met tussenhup in het korte touw. (Zie 1ste graad)

Reeksspringen.

Met tussenhup in reeksen: 5 X zonder fout, 10 X, ...(Vanaf nu wordt de uithoudingsverbetering mogelijk.)

Achterwaarts draaien.

-Techniek aw draaien en springen met tussenhup aanleren;

-inoefenen in reeksen zonder fout: 5 X, 10 X,..

Met lang springtouw.

-Springen over liggend lang touw.

-Springen over heen-en-weer zwaaiend lang touw.

-Idem maar per 2, 3, 4,...

-Naast touw staan, aangezicht naar lk: deze zwaait het touw eerst naar buiten, dan naar binnen toe; bij het naar binnen zwaaien springen .

-Idem maar per 2, 3, 4,...

-Met rondzwaai: het touw gaat nu : buiten, binnen,(niet springen), en dan buiten volledig rond. Dan pas springen.

Lang touw in-en-uit.

-In lang touw leren inlopen, X keer springen, uitlopen.

-Idem per 2, 3,...

Recordspringen.

Recordspringen per 2,3,4,5,... in lang touw met in- en uitlopen.

6.Tuimelen.

Kunstjes tuimelen.

-Met één hand gesteund.(l en r).

-Met handen in nek.(op landingsmat).

-Met armen gekruist voor de borst.(op landingsmat).

-Met handen aan de knieÆn.(op landingsmat).

-Met handen naast lichaam.(op landingsmat).

Tuimelen op verhoging.

-Banken waarop matten: aanloopje, hazesprong op bank, rol.

-Idem op springkastkop.

-Idem + eraf stappen gevolgd van een 2de rol.

Vw tuimelen op mat 1.

-Door wandelen en vw tuimelen zonder stoppen;(afstoot 1 Vt);

-Wandelen, spr op 2 Vn, tuimeling.

(Telkens tot std zonder afduw Hn.)

Vw tuimelen op mat 2.

-Dubbeltuimel zonder Hnsteun recht;

-voorbereiding verte-tuimeling door tuimel vanaf lijn over lijn op 20 cm afstand.

Tuimel aw.

-Vanuit zit van hellend vlak (hoofdbescherming) tot Knnstd;

-vanuit zit op mat tot Knnstd; (Vanuit spreidzit aanleren kan voordelen hebben)

-Hn leren plaatsen voor afduw;

-tuimel aw vanuit sprzit met Hn plaatsten tot Knnstd.

7.Behendigheid zwaaien.

Dubbeltouw.

Aan twee touwen tegelijk vanop mat naar mat; ook heen en terug.

Van hoog naar laag.

-Met touw van bank naar mat.

-Idem met 2 touwen.

Op doel landen.

Met 1, 2 touwen landen in krijtcirkel op mat. (Ook aan ringen, aan trapeze.)

Tussenzwaaien.

Leerling zwaait meerdere malen heen en weer aan één touw.

Noot: bij zwaai- en landingsoefeningen de afstand geleidelijk vergroten, met eventueel mogelijke keuze door lln van

verschillende mogelijkheden.

Hangzwaaien.

-Aan boombalk, rekstok, stang,... (bsthgte) handen vast, zover mogelijk met de voeten voorwaarts stappen.

-Idem met dan Armen buigen.

-Idem ipv stappen met sprong.

-Idem in standhang greep wisselen.

-In standhang kn hef.

Hangschommelen.

Dwarshang aan handen en knieën, schommelen.

Hangzwaaien aan ladder. (horizontaal klimrek)

Aan horizontale ladder verplaatsen door hangzwaaien met voeten telkens gesteund op onderstaande bank, mat.

Touteren.

Aan dubbeltouw, ringen, trapeze,...touteren met voetafstoot.

Zwaaien van bank naar bank.

-2 Zw.bnkn op 3 m van elkaar, touw in het midden, door actieve hang in één beurt overzwaaien;

-idem in 3 beurten met opsprong bij afzet.


3de graad.

1.Duikelen:

Achterover en voorover 1.

Vanuit stand tussen dubbeltouw, Hn op Hfdhoogte vast, 2 sprongen, 3de sprong = afzet.

-achterover draaien doorheen buighang tot stand, Rmp vw gebgn, An aw-opw.

-Terugdraaien vanuit vorige eindstand.

Achterover en voorover 2.

Aw en vw duikelen tussen dubbeltouw zonder tussensprongen.

Met bijkomende moeilijkheid. aw en vw duikelen tussen twee touwen.

Idem als vorige oef., Vn zachtjes plaatsen;( met bv. blokje tussen voeten)

Met tussenopdracht 1.

Aw duikelen tussen dubbeltouw met 1/2 omgekeerde strekhang, voeten gesteund tegen touwen.

Met tussenopdracht 2.

Idem alms vorige oef. zonder steun tegen touwen.

In hang keren.

Aw draaien tussen dubbeltouw en terug zonder steun voeten op mat.

Tot vouwhang en keren.

Aw draaien tot 1/2 omgekeerde strekhang, vouwen, terug tot strekhang, vw af.

Noot: Zelfde oefeningen kunnen ook aan ringen.

Ook toepassen in bewegingsbaan.

2.Evenwicht.

Gaan in stabiel evw . (balk, bank,...)

-Leren opklimmen tot std;

-vw, zijw, aw stappen op 1 m hoogte met An als evwbalans;

-idem, An echter zwieren en zwaaien;

-idem, van vw naar aw gaan met 1/2 draai;

-idem, vw, zijw, aw gaan over kleine hindernissen;

-per 2, vertrekken naar elkaar toe, elkaar passeren;

-op de tenen gaan,zowel vw, zijw als aw;

-op handen en voeten: vlak, schuin omhoog, schuin omlaag;

-over omgekeerde zw.banken opgesteld in cirkel met 1 einde telkens op andere bank.

Zich verplaatsen in labiel evw.

-Over verhoogd zw. bank gaan met balstuit grond bij ieder pas;

-per 2 tegenover elkaar op verhoogde bank, zich verplaatsen met elkaar bal toespelen;

-over 'apebrug' gaan;(3 touwen, 1 als voetsteun, 2 als handsteun)

-over wiebelbank op trapeze;(of stok tussen ringen);

-over wiebelbank tussen 2 touwladders, touwen;

-over opgerolde wiebelende lange mat;

-over verhoogde bank hinkelen;

-per 2 op balk, kussengevecht;

-in zwemdok op drijfmat springen en blijven staan.

Zelf een oefening ontwerpen en uitvoeren op evwbalk.

Uit geleerde oefeningen + eigen creatieve benadering zelf een evenwichtsoefening ontwerpen, oefenen bestaande uit bv. 5 diverse onderdelen.

3.Klauteren.

Kleine omloop.

Circuit waarbij de partner naast de uitvoerder meegaat om desgevallend hulp te bieden.(Afspraken ivm praatlawaai !)

In bewegingshoeken.

= Materiaal verdeeld in verschillende delen, per deel één groep lln; men kan hier laten werken in open, halfopen of gesloten

opdrachtsvorm, of combinaties.

Wel goede afspraken maken.

1.Onderaan boombalk in hang aan Hn en Vn;

2.In hang onderaan ladder.

3.Klimraam schuin plaatsen, opklimmen, door en langs andere kant af;

4.Idem, onderaan klimraam valmat, nadat ll doorgeklommen is laat hij zich hangen en vallen;

5.Langs onderkant klimraam opwaarts klauteren over merk, af;

6.Idem, doorklimmen, langs andere kant af;

7.Op schuin geplaatste ladder klimmen en dalen;

8.Idem langs onderkant;

9.'Schroeven' aan klimraam;

10.Bank vastgehaakt aan trapeze, naar boven klauteren en over trapeze afspringen.

11.Touw vast bovenaan klimraam, klimmen en dalen;

12.Touw vast bovenaan klimraam, ll op valmat touw vast, andere lln trekken; (Valscherm vliegen)

13.Over 'apebrug'.

Voorbeelden:

a.-Met banken.

-Gaan over eerste bank (vrij of op x wijze), onderdoor tweede bank. (vrij of op X wijze)

-Over meerdere banken klauteren.

-Idem zonder ergens op de grond te komen.

-Over bank, over trapezoÆde, af bank.(van gemakkelijk naar moeilijk)

-Over bank naar delen springkast.

-Bank gehaakt aan wandrek, op en af klauteren op diverse manieren.

-Idem maar met twee (of meer) banken waarbij langs het wandrek verder dient geklauterd.

-Idem aan klimraam.

-'Trappen maken': door middel van banken een trappenconstructie maken om bv.naar het wandrek te klimmen, naar het klimraam:bank parallel aan wandek, twee banken op elkaar erachter, drie banken daar achter,..

-Idem maar tussen de trappen blijft een opening van 30 cm.

b.-Aan klimraam.

-Op onderste sport van links naar rechts verplaatsen.

-Doorheen onderste vakken 'weven'.

-Van onderste sport op tweede,naar links, dalen, links, klimmen ,...

Opm. :de ll zijn geneigd om van het klimraam te springen bij het dalen; tip:laat ze vooraleer af te stappen met één hand de onderste sport aanraken.

c.-Aan balken.

-Tussendoor 'apebrug' klauteren. (2 balken op ongeveer 1 m boven elkaar)

-Idem in schuine stand: van onder naar boven, van boven naar onder.

-Idem, maar bovenste balk is vervangen door stevig vastgemaakt touw. (lang trektouw)

-Hangen aan één balk en kleine zijwaartse verplaatsing maken. (zwaardere lln helpen !)

-Eén balk op heuphoogte: hoe kan je daarover?

-Tussendoor twee parallelbalken kruipen, handen boven vast, voeten onder gesteund.

-Idem, balken schuin geplaatst.

-Idem, maar de bovenste balk is vervangen door een stevig touw. Schuin klauteren.

d.-touwklimmen:

1.Lln experimenteren in touwklimmen tot op maximum 2 m.

2.Goede klimstijl(en) worden bekeken; (hoogstwaarschijnlijk zullen er verschillende manieren van been-en voetklem aan bod kunnen komen-differentiatie)

3.Er wordt in zit op de bank geoefend met kleine springtouwen om de juiste beenklem onder de knie te krijgen;

proef: ll trekt zelf aan zijn touwtje.

4.Met klimtouw wordt in zit (min. 1 m hoog) de been-en voetklem uitgevoerd.

5.Ll probeert dan in het touw te gaan staan met gebogen Bn.

6.Bij goede manier: Bn strekken tot hangstand, Hn opwaarts verpakken, Bn opnieuw intrekken en been-voetklem opnieuw uitvoeren.

7.Verschillende verpakkingen na elkaar uitvoeren.

Noot: benadruk dat bij het dalen dezelfde beenklem en handverplaatsing worden uitgevoerd !

4.Springen.

Wendsprong.

1.Wendsprong over dubbele zw bank;

2.wendsprong over boombalk met handenwissel en tussensprong;

3.idem zonder tussensprong;

4.wendsprong over boombalk met steun één hand;

5.wendsprong over schuin verhoogde bank;

6.idem, Benen echter over hogere deel bank;

7.wendsprong over springkast in de breedte;(op-en-af)

8.idem over springkast met tussensprong;

9.idem met slechts één hand gesteund.

Spreidsprong.

1.Per 2 bokje springen met wisselen;

2.idem met wisselen en verplaatsen;

3.idem met meerdere lln;

4.spelvorm: 'Ezeltje staan';

Bokspreidsprong.

1.Spreidspringen over bok met kleine aanloop en afstootplank;

2.idem met tuimel vw na landing;

3.idem met 1/4 draai l of r na steun tot hurkstand;

4.idem met tuimel vw na 1/4 draai.

5.invoeren springplank, minitramp, hoogte bok.

Breedte-spreidsprong.

1.Spreidsprong over ll in zit op bank;(Rg naar springer)

2.idem, ll in zit op 2 banken;

3.idem over ll in hurklig op 2 banken;

4.spreidsprong over 5 dln springkast(breedte).

Lengtespreidsprong.

1.Van midden springkast spreidsprong over bok achteraan;

2.idem op einde sprinkast;(bok weg)

3.idem na hurkopsprong met kleine tussenpauze;

4.idem zonder tussenpauze.(katjessprong)

Minitrampoline .

1.Met kleine aanloop en 2 Voetenafstoot streksprong uitvoeren;

2.idem, hurksprong uitvoeren;(+ verhogen over elastiek)

3.idem, spreidsprong uitvoeren;

4.idem, gespreide beenhoeksprong uitvoeren;

5.streksprong met 1/2 draai uitvoeren, landen in hurkstand;

6.minitramp voor springkast 5 dln lengte, Hn vast uiteinde,meerdere malen springen met heffen bekken;

7.idem, na 3 keer vw tuimelen op springkast;

8.idem zonder tussensprongen.

9.zweefvliegen: minitramp, springkast breedte 5 dln, met aanloop en sprong in zweefvlucht over kast vliegen

( An gespreid), ll wordt opgevangen door Lk.(Durfsprong)

5.Touwspringen.

Vaardigheidsspringen. (korte springtouw)

-Vw en aw draaien in reeksen;

-van vw naar aw draaien met 1/2 draai en terug;

-springtouwlopen;

-touwspringen met gekruiste An;

-combinaties, experimenten, per twee, drie,...

Vaardigheidsspringen .(lang sprintouw)

Zie opwarming: springen in het draaiend touw.

6.Tuimelen/ Tumbling.

Afhankelijk van niveau en vorderingspeil lln.

Beheersen van tuimeling vw.

1.Gewone tuimel vanuit hurkstand 2,3 x na elkaar, rechtkomen in hurkstand, An vw.

2.Verterol vw over elastiek op 20 cm hoogte, Bn dienen gestrekt te zijn tussen afstoot en landing, eindigen in hurkstand.

3.Hoogterol vw over elastiek op 40 cm hoogte, eindigen in hurkstd.

4.Idem door hoepel.

5.Idem over medeleerling in hurklig.

6.Van grote spreidstand tot hurkstand.

7.Van grote spreidstand tot grote spreidstand.

8.Combinaties naar eigen vermogen en inzicht.

9.Tuimeling vw op verhoging met kleine aanloop en dubbelafstoot ( mat op dubbele banken).

10.Idem op 4, 5 delen springkast.

Beheersen van tuimeling achterover.

1.Gewone tuimel aw vanuit hurkstand met Hn Nk, tot kniestd.

2.Idem met Handen plaatsen voor afduw.

3.Idem tot hurkstand.

4.Vanuit hurkstand twee tuimelingen aw telkens tot hurkstd.

5.Vanuit hurkstand tot grote spreidstand.

6.Van spreidstand tot spreidstand.

7.Van spreidstand tot hurkstand.

8.Van strekzit naar 'stut' tot hurkstand.

9.Combinaties naar eigen vermogen en inzicht.

Beheersen van zwaaien tot handenstand. .

1.Vanuit dwarsstand zwaaien tot vluchtige handenstand en terug, Bn nog niet samenbrengen.

(Dikwijls oefenen !)

2.Idem, Benen wel even samenbrengen.

3.Als 1., hoogste voet raakt even wandrek of muur.

4.Idem, blijven staan Vn gesteund tegen wandrek of muur.

5.Zwaaien tot handenstand, tuimeling vw tot hurkstand.

6.Combinaties van tuimelen en handenstand.

Beheersen van verbindingsstukken.

1.Van hurkstand naar hurkstand door streksprong.

2.Van hurkstand naar hurkstand met 1/2 draai.

3.Van tuimel vw door hurksprong met 1/2 draai naar tuimel vw.

4.Idem naar tuimel aw en andersom.

5.Van hurkstand naar hurkstand door spreidstreksprong;

Molentje draaien.

1.Met handensteun op bank overzwaaien vanuit dwarsstand,Bn gespreid.

2.Idem over schuin verhoogde bank.

3.Vanuit dwarsstand op mat tussen 2 evenwijdige lijnen op 50 cm.

4.Idem op 20 cm.

5.Twee of meer molentjes na elkaar maken;

Zweefrollen.

1.Met kleine aanloop en afstoot in minitramp hoogterol op valmat, 2 Hnsteun.

2.Idem, enkel door vuistensteun.

3.Idem, gÆÆn handensteun.(An zijw)

4.Over elastiek met handensteun.

5.Idem met vuistensteun.

6.Zonder handensteun.

Combinaties.

Einde 5de/6de leerjaar stelt iedere ll zelf een combinatie-oefening samen waarin uit ieder onderdeel minstens één oef.

aan bod dient te komen.

(Keuze uit reeks tuimel vw, reeks tuimel aw, verbindingen, handstand, molentje en dit naar eigen vermogen)

7.Behendigheid zwaaien.

Met touw:

1.Van bank naar bank.

2.Idem, afstand vergroten.

3.Idem, zwaaien met 1/2 draai tot stand, terugzwaai.

4.In 3 keer overgeraken.

5.Van bank naar 2 op elkaar geplaatste banken.

6.Van hoepel naar hoepel met 1/2 cirkelzwaai.

7.Idem voorbij hindernis.(verkeerskegel)

8.Van 3,4 delen springkast naar bank.

9.Van 5 delen springkast naar 5 delen springkast.

10.Van 5 delen springkast naar bok.

11.twee elastieken, vertrekken met aanloop, even afstoten over 2de elastiek.

12.Idem, 2 maal.

13.Inspringen in een toegezwaaid touw en zelf touw zwaaien naar volgende ll.

Aan 2 touwen of ringen:

1.Zwaaien vanaf bank in hang aan 2 touwen.

2.Idem van bank naar bank.

3.Idem van springkast naar springkast.

4.Vanop halve reikhoogte met ingetrokken benen zwaaien.

5.Vanop volle reikhoogte met helper die uitvoerder voorwaarts duwt en onderdoor diens gespreide benen na de zwaai uitloopt.

6.Uitvoeren van touterstap in passieve hang aan 2 touwen na duw van helper.

7.Idem zonder helper.

8.Idem aan ringen.

9.Idem met 1/2 draai na voorzwaai.

10.Idem met 1/2 draai bij ieder keerpunt.