ZWEMMEN.


Water, ijs, sneeuw.

Te onderscheiden:

1.Zwembad:

Afhankelijk van de beschikbaarheid van zwemgelegenheid (overdekt, open, vijver, bosklassen, zee,...) en de bezoekfrequentie alsmede het aantal lln zal men dienen te opteren voor een aangepaste begeleiding.

Primair staat de veiligheid van de kinderen voorop, daar water nog altijd een vreemd element is en blijft, zelfs voor geoefende zwemmers. (Cfr. publicaties overlevingszwemmen)

De eerste opdracht voor de begeleiding hier is dan ook een correcte houding ten overstaan van wat kan en wat niet kan tijdens kontakten met en in het water.

Wat het 'Leren zwemmen' betreft bestaan er diverse uitgangspunten.

Er zijn leerkrachten die opteren voor een snel aanleren van de zogenaamklassieke schoolslag (streek), anderen die de voorkeur geven aan het verwerven van een natuurlijke zwemwijze die niet direct de correcte zwemstijl beoogd dan wel het kunnen vorderen op een persoonlijke wijze met een lange initiatie-periode.

Ervaring heeft me geleerd dat, welke optie men ook vooropstelt, een degelijke en eerder langdurige watergewenning een conditio sine qua non is om op langere termijn kinderen een evenwichtige en veilige houding ten overstaan van zwemmen en waterplezier mee te geven.

Daarom is het belangrijk van kinderen reeds vroeg in kontakt te brengen met water, en dit hoeft niet noodzakelijk in een zwembad te gebeuren. Thuis al kan men peuters en kleuters leren gewennen aan waterspelletjes, bv. onder de douche, in het ligbad, in de tuin met een speelbad, met de tuinslang, enz.

Ook het peuter- en kleuterzwemmen dient te behoren tot de opdracht binnen de kleuterschool.

Eens in een zwembad moeten enkele gewoonten bijgebracht worden zoals vooraf douchen, toiletbezoek, huishoudelijke regels kennen en toepassen, douchen achteraf, stevig afdrogen van boven naar onder, kleden volgens seizoen en weersomstandigheden,...)

Bestaat de zwemgroep uit een groot aantal lln (+ 20) moet beroep kunnen gedaan worden op bijkomende hulp; (collega's, zwemmoeders/vaders,...) daar op korte termijn zich onvermijdelijk een niveauverschil zal manifesteren.

Hiertoe worden dan ook niveaugroepen gevormd, die dank zij hun begeleiding aangepaste spelletjes/oefeningen krijgen.

Een veelheid van hulp- en speelmateriaal kan deze watergewenning enorm stimuleren; hierbij kan gebruik gemaakt worden van emmertjes, ballen, ballons, zwemplankjes, luchtmatrassen, drijfbandjes, binnenbanden van auto's, (ventiel wegzakken !) zwemmaskers, snorkels,...

In het voorstel Eindtermen/zwemmen opteert men er momenteel voor dat het merendeel van de lln minstens één zwemstijl beheerst.

Ervaring heeft geleerd dat op het einde van de lagere school, mits een regelmatig zwemonderricht minimaal 99% van de lln een 25 m brevet halen, 80% een 50 m brevet, 60% een 100 m A brevet en 40 % 100 m B. (Brevetten van de KBZRB)

De kinderen die uitvallen zijn of lln met medische problemen, of lln die om bepaalde redenen de zwemlessen niet regelmatig kunnen bijwonen, uitzonderlijk lln die lijden aan 'waterfobie'.

Daarnaast kan men de lln de vrijheid geven om zelf lange-afstandsbrevetten te halen, kunnen ze op diverse manieren te water gaan,(springen, duiken, vallen, achterover tuimelen,...) en krijgen ze gelegenheid om aan snorkelen te doen, beginselen van waterpolo uit te proberen, eenvoudige overlevingstechnieken toe te passen, simpele maar effectieve reddingsopdrachten te ervaren, EHBO toe te passen.

Het geheel hiervan wordt wel gespreid over de ganse lagereschooltijd.

Op het gebied van zwemmen en zwemonderricht bestaan er op de Vlaamse boekenmarkt voldoende uitstekende uitgaven waaruitmen een degelijke selectieopbouw kan maken.

2.Ijs/sneeuw.

De laatste jaren heeft de Minister van Onderwijs naast de klassieke jaarlijkse schoolsportdag een extra-sportdag ter beschikking gesteld van de scholen.

Tevens is er een verruiming ten aanzien van mogelijkheden, waarbij scholen kunnen gebruik maken van sportinfrastructuur en sporten die vroeger niet zo direct in het te hanteren pakket voorradig/mogelijk waren, bv ski-initiatie op

kunstmatige banen, ijsschaatsen.

En daar onze winters niet altijd ijs-en/of sneeuwvast zijn is deze uitwijkmogelijkheid voor de hand liggend.

We moeten niemand overtuigen van het feit de jonge kinderen deze glijtechnieken vlot onder de knie krijgen, hetgeen weer uitnodigt tot zelfstandige beoefening ervan wat op lange termijn de bedoeling is.

De school is hier eens te meer die demokratische instelling waar alle kinderen deze opties kunnen meemaken, hetgeen binnen de familiekring niet onmiddellijk evident is.

Tevens bestaat hier weer de gelegenheid om, naast de leerkrachten, ouders en/of helpers in het begeleidingsproces in te schakelen.

Hebben we een serieuze winter met sneeuw en ijs, grijp dan de kans om met de lln meermaals in openlucht een gezond bewegingsevenement mee te maken, dat kan gaan van een sneeuwman maken, een sneeuwfort bouwen, een sneeuwgevecht aangaan tot slidderen, ijsstoel rijden, mini-ijshockey spelen.