Uw opmerkingen ivm de site zijn welkom !  

Test oezelf en sprekt dees woorde iniens oât zonder te doddele (*) :

Omdat ook wij niet alles kunnen weten en de ons doorgezonden woorden/gezegdes niet allen kunnen controleren,
kunnen de omschrijvingen soms afwijken.
Mocht U tegenstrijdigheden vaststellen/opmerken, laat ze ons weten en we zullen ze aanpassen.

(woorden met verwijzing "..." behoeven, indien correct uitgeproken, "geen verdere verklaring")

aa moeder =

- uw moeder
- verwijzing naar een oude, zagenkunnende, vrouw

aa peeke =

oude man

aântoek =

handdoek

aânvraege (het) =

vragen aan een meisje of ze verkering met je wil

aâpejoeng =

jong, lastig kind

aârdeg =

vreemd, raar

aârzak speele =

vals spelen

abbabbel (een)
akketaat (een)
= draai om de oren, oorvijg
abbajoer (nen) = lampekap absjaar / apsjaar =

vreemd, rare kerel

abumeere = beschadigen 'n abuus = vergissing
achetmorwet = dat je het weet achterien = binnenkort
achtersteveure = omgekeerd afbieje = afdingen
affeseren = vooruit gaan, vorderen affroungt = belediging
afdankerke = afgedragen kledij afslaâge = van richting veranderen
afspeele = masturberen aftrekker = flesopener, vloertrekker
afzing = pijn hebben afzwaaje = militaire dienst volbracht hebbende
agaa = snel, vlug, rap den allee  = overloop
aketaat  = een oorveeg allefsegat  = iets half afwerken
alle vijf zen botte  = voortdurend nen allumeur = een aansteker
den almenak  = kalender alkool'konfree = kamferspiritus
van altereuze = opwinding ambetaant = lastig
ambetaanterik =

vervelend persoontje

ambeteire

=

lastigvallen

ambras (nen) = gordijnkoord ambras (make)  = ruzie (maken)
den amigo = cel in een politiegebouw nen anorak = een overjas
annekesnest (nen) = rommelboel Antwerps alternatief voor 'Scilt en frient' : = Twaalfmaandenstraat (Twelfmeungdestraat)
artches en peekes = erwtjes en worteltjes appelblaa'zeegreung =

blauwe kleur, turkoois

een appelkok = een perzik arbitter = scheidsrechter
aremoeij = armoede as =

als

assenseur =

lift

asseranse =

verzekering

astemblief =

aub

't Astridplaain = Astridplein
attakske  = hartaanval azijnpisser / azijnzeiker  = zuurpruim
           
Baarechoem = Berchem bagatel = futiliteit
bakkes = aangezicht bal poppuleir = het licht brandt overal
balk(h)oas = een kat banen = straatvechten
bareel = slagboom de barrebitjes = gevangenis
basj = dekzeil basketsloefkes = typisch basketbalschoeisel
baskuul = weegschaal bassen = blaffen van een hond, zwaar hoesten
nen basseng = een (zinken) bad (den hele) battaklan = (de hele) rotzooi
batteren = vechten een bavet = een slabbetje
bebbel = mond beddenbak of vloeienbak =

bed

bedot spele =

verstoppertje

befkonijn = iem. geobsedeerd door seks
bél'dél =

telefoniste van een callcenter die (ongevraagd) 's avonds opbelt met een verkoopsgesprek of enquête

bekan

= bijna

béleke

= prentje

besteldoês

= eskortdame
Beurger'aut = Borgerhout beursten en bille = borsten en billen
beuzelen, beuzelèr = liegen, leugenaar

bibbergeld

= premie bij gevaarlijk werk

bibie

= ikke

bietekwiet

= dom iemand
bi'joeke =

- juweel(tje)
- lief meisje

bik - bikken = - balpen(nen)
- eten (ww)

binnedoeng

= iversieren, neuken

binnedraaien

= tongzoenen
binnekeurt = - een van de dagen
- binnenkort
     

bitsje

= beetje bitskoemer = iemand die het strand/vuilbakken af zoekt; kwajongen
blaffetuur of blôakes = vensterluiken 't blaffon = het plafond, zoldering

bleite

= huilen, wenen bleitmasjing =

iemand die snel weent

bloâre = bladeren bloaskoak = dikke nek
bloemekee = einde van een vuurwerk blotte = kaalkop (ook kletskop)
nen boazepoepper = - door kruiperijen in gunst van de werkgever trachten te komen
- gatlikker
Bobkes = anti parkeerpaaltjes op de Meir genoemd naar de toenmalige uitvinders (Bob Cools en Bob Van Reeth)
bobonneke = grootmoeder, oma, bomma nen boebel - nen boebelèr = knobbel - snottebel
boekwijf = vrouw van lichte zeden (met carnet medical) boel = ruzie
boeffen
boeffer
= overdadig eten beroepsmilitair boeleke = baby
boemerskonten = ver weg, afgelegen dorp boerenbuiten = platteland, alles vanaf linkeroever
boot = boete boem (van een maske, vraa) = mooi meisje, mooie vrouw
bois
Peubois
Plusbois
= hout - Minderhout - Meerhout bokes

=

boterhammen
bollekes = snoepjes bomma = - grootmoeder, oma
- ook als scheldwoord gebruikt, verwijzende naar een oude vrouw
      botte = bottines, hogen schoenen
een bougie = een kaars brifke = (bank)biljet, stukje  schrijfpapier
brillekas = verwijzing naar iemand met een bril , ook gebruikt als scheldwoord brikè = aansteker
brizzebiekes = halfhoge gordijntjes zoals die vroeger in cafés aan een koperen rail hingen broebeleir = iemand die onzin of onverstaanbare taal spreekt
broekscheiter = bangerik brol = rommel
brossen / fatsen = spijbelen van school brouss = plaatsen in de Limburg
nen bruggelegger =

emand die iemand anders afzuipt ( bedriegt )

bruien = kuiten
bufstek = biefstuk buis oep poetsjes = dashond
buite'bonjoeren = buitengooien nen buiteslôaper = slecht uitziend persoon
buitewipper = portier aan discotheek of nachtclub buize = zakken voor een examen
buskestamp =

slechte voelbalwedstrijd

bwât = elektrische aansluitdoos
         
e Caberdouchke = linke kroeg, uitzuiperskot cachetring = zegelring
calson = onderbroek camelot = rommel
cervela = - lookworst in frituur
- ook soms verwijzing naar piemel
chànse, chànseur = geluk, gelukzak
châpau spele = poker spelen met dobbelstenen onder hoed chapeluur = paneermeel
't Chingchangsplein = Sint Jansplein cinéma verniet =

(zij) loopt, zit met alles bloot

ne citroenenfreiter =

een zuur mens

cjampieter = champagne
de coernisj =

dakgoot

ne colbejààr (kolbiljar) =

lijkwagen

ba oewe collier schaare = bij de kraag vatten conjée = vakantie
conjéepejée = betaalde vakantie

ne cumelee doen
ne cumelee maken

=
=
 
iets aanvangen
vallen
     
den 100 = - noodnummer politie
- ook wel wc
den 900 = noodnummer ziekenwagen
Dalenstroat = Halenstraat (een) debardeurreke = truitje met V-hals zonder mouwen
nen degoe hemme = hekel aan iets of iemand hebben degoetant = rot, smerig doen tegen iemand
deurgeeftrut = meisje dat regelmatig van partner wisselt destergat = treuzelaar
deurpel = drempel nen doas = steekvlieg
nen doetneiper = een achterblijverke nen dokwareker = havenarbeider
(een) draperie(s) = gordijn(en)      
     
echele = drinken (echt zuipen) nen echeler = dronkaard (echte zuiper)
nen eecheck = mislukkeling 't Eilantchje = gebied tussen Bonapartebrug (Loodswezen) en Kattendijksluis
effen'af = het is zo efforreke = extra inspanning
efkes = eventjes eekenisse   liesstreek
ela lakkere = hé gij daar ellentrik = elektriciteit
engels frakske = condoom engeltjesmokster = illegale vruchtafdrijfster
engs = bal gespeeld met de hand entreneuze'kot = cafe met animeermeisjes
entresolleke = tussenverdieping erreke = een liedje, deuntje
ettalèire   = - uitstallen
-opmaken
     
         
faar = grootlicht op wagens fabrieze = bakkebaarden
faibel = fragiel/mager persoon fak = tof, leuk, fijn
fakteur = postbode fart = dokumentenmap
faschjen = bakkebaarden fatsen / brossen = spijbelen van school
e febbeke, ne febbekak = lievelingsleerling, iemand die altijd wordt bevoordeeld ne feirpààr = huwelijksaankondiging
fiemen = grote handen fikfakken = speels vechten
ne flappentapper = bankcontact flauwe plezaante =

iemand die door zijn opmerkingen of gedrag interessant wil doen

flierefluiter = losbol flosh = kwast op de kindermolen, indien afgetrokken = gratis rit
een floere broek =

fluwelen broek

een floere geroktat =

het op uw zenuwen krijgen

ne foefelèr =

iemand die iets verdoezelt

foefkes oât de zee =

mosselen

foerôap  = onnozelaar een foersj = vork van een fiets
foert  = ik geef het op, trek uw plan forsbolle = biceps

de fraaidagsmart

= Vrijdag-markt ne frak = een jas
frang (iene .., twie .., ....) = geld ne freitzak = gulzigaard
in frennen'hange = - oude kledij
- dronken zijn
frikadelle = gehakt
frikadellebolle = gehaktballen ne froefroe = haarbles, haarsnit
frut = hoofdvlees, kipkap de Frut = Gazet Van Antwerpen
e pakske frut = pakje frieten      
ne gaffel  = een grote neus gallosjen =

overtrekschoenen, bvb om te kuisen

gardevil = champetter garnot = garnalen
ne gast = een jongen hey gast = dag jongen, dag vriend
gatlaa = niet warm, maar lauw water een gatpralin = zetpil
gattekerèus = over iemands billen wrijven (vooral bij dames) gatlakker = staat steeds aan de kant van de sterksten
- een gazet

- gazettevengt
= - krant
- iemand die alles (verder) vertelt
- iemand die kranten bezorgd
nor 't gemak = naar toilet,   de wc
een genoffel = vrouwelijk geslachtsdeel, bloem geroktat = hersenaandoening
gette = hard (gaan) lopen Geuzenhofkes = Rooseveltplaats
gevelkwijler = hoerenloper gêve trut = mooie vrouw
ne géyesem = gsm-toestel gibberen = giechelen (jonge meisjes)
ne gidon = fietsstuur gilé = vest zonder mouwen
giletmeske = scheermesje gingderachter = ginds
ne glazen boterham = pint bier godverdoemenee = vloek
goesting hebben = zin in, trek in (bvb seks) ne granjaarpetinoble = iemand met veel streken
de Greungpleuts = Groenplaats van oewe groungt goân = neuken
groemmelingeskes = kruimels, kleine stukjes / restjes de Gust = inmiddels overleden berggorilla in de Antwerpse Zoo 
half'segat = iets snel, maar slecht doen halve gare = gek (doend) iemand
halven traaboek = huwelijkspartner halverweige = halfweg
handneukerke, -poeperke = masturbeerder handwaske = beperkte hoeveelheid kleding wassen met de hand
hangdoeoep = - verhangen 
- stop ermee
hannekesnest = rommeltje, heel de hoop
Harley Trapson = fiets heurk = moeilijk iemand
heps, raps, eps of weps =

hesp

hiejte murre =

aantrekkelijke vrouw

hoareke pluk = ruzie onder vrouwen hoeg van den tore bloaze =

opscheppen

nen hoereloeper =

hij die vaak prostituees bezoekt

hoeresjoanse =

veel geluk hebbende

hoeg'water =

dringend moeten gaan plassen

Hotel 'In Den Houtte Lepel' =

gevangenis

huisgerief =

huisraad

     
iekenisse = de liesstreek ie'mer = emmer
ier'neffe = hiernaast iet kwikke = iets wegen met de hand
ieveraans = ergens inderdoud joenge = dat is juist
indoeffele = warm aankleden in'tets = juist op tijd
int staasekwartier = in de stationsbuurt
jaawadde

=

amaai

een jaarr'trut

  dame met veel pretentie
      janet = homo
Janmenklooten = paljas/niksnut jannestreken = nogal een "air" hebben
jap, jappekes = snoep, drop (waren in de regel zwart) ne japneus of pileerenbijter = een katholiek persoon
ne japstok = politieknuppel, matrak jarebeze = aardbeien
jelei = confituur jenoffel = vagina
anjer
joeksel = jeuk joeng = kinderen, kroost
jumenas = turnen juzzelut = flauw meisje (trien)
kaa'meren = afspraak met vrouw in een rendez-vous-hotel e kabardouchke = donkere of weinig verlichte plaats, meestal donker cafeetje in hoerenbuurt
kabas = boodschappentas kabassen = arm in arm lopen
ka'jieten = janken of langdurig hard huilen kakke = grote boodschap doen
kakkebroek = bangerik ne kakkedoor  = nacht- of toiletstoel
de kakkewallek = kermisattractie met bewegende trappen, lopende banden, enz. kakmadam = meestal oudere vrouw met veel streken
de kakschool, de papschool = kleutertuin in jaren 50 en 60 ne kakspaarder = dik, lijvig persoon
kalisjenhout = zoethout kammelot = rommel, prulletjes
kamwiel = tandwiel kankerstokske = sigaret
ne kannonnevogel = kanarie ne ka'poot = motorkap of  condoom
karmenijen = varkensvlees ka'roke = vierkantje, ruitje
ne karottentrekker of karottier = komediant e karowen'em = een geruit hemd
karreke = rolstoel ne kàschijter = iemand die het steeds koud heeft
ne kasjpoo = bloempothouder ne kassei = straatsteen
e kastekingt = flauw persoon katteke spèle = tikkertje
kattekop = elektrische verdeelkop e kattewaske = vluchtige wasbeurt
kauwe pla = koude schotel ne kazak = boekentas
kazakkendrôajer = mensen naar de mond praten keldergordijn = maandverband
keire = vegen, borstelen
't Keuningsplein = De Coninckplein keurte pijpe = korte broek, short
e keusje/keusje broeit = een korstje brood de keuteljacht = kroost
een keef
ajis kevendroager
= houten kist
hij is overleden, dood
kinderkoppen, kasseien =

straatstenen

ne klabbak =

politieagent

kladpapier = vloeipapier
een klak =

pet

klakkebuis =

pvc-pijp om papieren pijltjes mee te schieten

klappe =

met elkaar spreken

klassen   = morsen (van vloeistoffen)
kletskop   = kaalhoofdige ne klikspoân = verklikker
klink = deurknop kloefkapper = dom iemand
klokkenspel   = teelballen (kloten) een maske knippe   = neuken
knoeftenboebbel = brave inborst met 2 linkse handen en loemp knoessels = enkels
knokenbout   = klein maar sterk baasje e knolleke   = radijsje
een knut   = een grote kin ne koe'jon   = plager
een koem =

een kopje, tas

koemmen en talloere = koffieservies 
de koer, een koer = - binnenplaats of toilet          - - een touw ne koerp =

een bocht

koffezjoo =

iemand die veel koffie drinkt

kokernoot =

kokosnoot

kol = lijm
kraag van een kledingstuk
schuim op bier
kolbejar =

lijkwagen

komdegolle =

komen jullie

komissjes (gon doeng) = boodschappen doen
ne kommenisôan =

onderjurk

ne kommies = een douanier
ne kommisseir   = politiecommissaris ne kommisveur = (vrouw met) dikke boezem
komterdanôatee = kom maar af, slaag maar eerst : bij ruzie de Konijnepijp = Imalso- of Waaslandtunnel
konsjuus =

doen alsof

e koof (oep a bakkes) = een mep (in/op uw gezicht)
kop of  let = kruis of munt een kortelet = een ribstuk (cotelette)
't kot = -afzetplaats voor dokwerkers -spotnaam voor het Atheneum van Antwerpen kots = overgeefsel
kramiek = krentenbrood ne krawoât = een zegt men van iemand die iets stoms heeft gedaan
kreim'glaskarreke = ijsroomwagentje kreim'glaske = ijsje
krieke'plukker = verleider van maagden kul in pakskes = flauwe praat
kurieuzeneuzemosterdpot = nieuwsgierig iemand kuttelakkerke = klein hondje
kweik (bakkes) = mond kwikkel bangeske = niet stabiel opstapje
kwistenbiebel = rare gast      
ne lààmpadeir  = een staande lamp làànterfàànter = treuzelaar
labbekak = een laffaard labeure = zwaar werk doen
lageir = ruzie lakkere (mijne) = bijnaam voor echtgenoot
Lakmaense (Lackmans) = wafeltjes met siroop te verkrijgen op de Sinksenfoor ne lammentamme = een luiaard
lampedeir = staanlamp lampette = overdadig drinken
de lantoer = het voetpad lastenbrief = aangifteformulier belastingen
lavabo = wasbekken lawijt = lawaai
lebbere = slurpen lè-dè-vè-de (hebben) = liefdesverdriet
lefke = onderhemdje lègumme = groenten
ne leubbe = goedzak De Leugenbàààreg = wijk Leugenberg (Ekeren)
loemmerte = schaduw me lief = mijn vriendin
Limbabwe = - "de" Limburg link = verdacht
loa'waaiven'éte = - fast food
- vlug iets bij elkaar geflanst voor het avondeten
loa'waaiveknoppe = knop die niet genaaid moest worden, drukknoppen vooral op overall's
loe, loebas, loeke = schat, goedzak, schatteke loekeschuif = sex hebben, vrijen
loemmerte = schaduw loemp = dom
loete, loetewaaf = kuren, vrouw met kuren loe'ze = borsten
loeze vink  = vleesbereiding lolley  = likstok
lullen  = wartaal uitkramen luster = kroonluchter
           
ma'dammeke = mevrouw ma'dol = medaille
ma'kak = scheldwoord ma'let = aktentas
ne maaveeger  = iemand die goed met je wil staan maffen = slapen
makkadam = asfaltweg malleur = ongeluk
mamzelnitouch = lichtgeraakt meisje of vrouw mamzelnitouch = lichtgeraakt meisje of vrouw
de mansarde = de zolder e marcelleke = een onderhemdje
Marksoem = Merksem
ne màrrebol / ne ket = een knikker masjoefel = - arme sloor 
- meisje met  streken en/of kattekwaad
- vagina
maskes van plezier = prostituees mastentop = dennenappel
melkkaarenoungdenaar = zielig kapsel memmaure = geheugen
mengelwaarek =

komt van de middenpagina van de Volksgazet, daar had je in het midden een aflevering van een vervolgroman, aan de zijkanten  kruiswoord-raadsels en onderaan een stripverhaal

meureg, morg = de patatte zen meureg :
- de aardappelen zijn gaar, - klaar, -mals
ook figuurlijk :
- genoeg, voldoende, aan het einde van zijn Latijn
- iemand meureg slaege : iemand hard toetakelen
meurtel = mortelspecie
moaikes = vleeswormpjes moe'barak = kotmadam
moederkeszalf = speeksel moei'doe'ni = bemoei er U niet mee
moembakkes = masker ne moe'r = fluitketel
moojsen  = prutsen, aan iets frunikken  motsje = vriend(je)
motsjiklet = bromfiets motteg, mottegaard = zich niet goed voelen, lelijkaard
moeven = op een andere plaats gaan zitten, verhuizen ne moldener = meikever
mosselbank = plaats waar veel vrouwen bij elkaar zitten een mot (oep a bakkes) = een mep (op uw gezicht)
mugge'tette = kleine borstjes muggepiske = korte regenbui
muggescheet = bagatel, kleinigheid muizestrontjes = hagelslag
naft = benzine ne neep = kneep
e nepke inleggen = versmallen (kledij) ne nestel = veter
ne neurastenieke = een zenuwlijder noakefrak = peingnoir
noavenaant = naargelang, evenredig nobelwitsje = suikerbolletje op kermisrad
noegabolle = mij niet gezien nor de maskes goan =

naar de hoeren gaan

nor de zjenoe = stuk, kapot nortstammeneegon  =

op café gaan

     
oasem = adem  aais van Oemmelegoem =

hij komt uit/woont in Wommelgem

oe kan da na = hoe kan dat nu oeplawaai = oorveeg
oepmarjan = voddepop oeptalloere = opmaken, opkleden

den oerekottee

= het Schipperskwartier nen oereloeper = hij die vaak naar de hoeren gaat
nen ollenkroaper = een flemer een'n'ongdekot = een hondenhok
ongzen aawe = vader onnoezel manneke = onnozelaar
oudmannekesoîjs                      = bejaardentehuis ossegeroekt = filet d'Anvers
ne pagadder = klein kind ne pallepoejterèr = iemand die zit te moojsen
palleere = opmaken, mooimaken ne palto = overjas
ne pardessuu = overjas parfors

=

absoluut
par'eij

=

prei ne passevite  = een apparaat om soepgroeten / aardappelen tot puree te pletten
pastoorsgerief =

ongehuwde vrouw of oude vrijster

     
pataat, pataten =

aardappel, aardappelen

e paungderke  = plastiek vormpje om mee op het strand te spelen 
e pateeke = - gebakje
- deugniet
ne pedal = trapper
betaele me peeschijve

=

geen geld hebbende

e peirdenolleke

=

stekker (vr)

peirdeseuzze = dik deken een peird'oech = spiegelei
't pengsjonaet

=

kostschool

ne pengwaar = een peignoir, avondmantel
perforateur = gaatjesmaker een perruk = pruik
pertang = nochtans ne petotter = klein kind
pezewever = uitpluizer pieddestalleke = verhoog
de piepkas  = televisie ne pi'jema = pyjama
iet pikke = stelen pikkenotje doeng = andere benaming voor vrijen
ne pikkup = platendraaier e pikuurke = inspuiting
ne pileirenbaiter = - een kwezel
- iemand die zich heiliger voordoet dan hij is 
pinnekesmasjien = nietjesmachine
ne Pippo = onhandig iemand e pirrewitsje = steekwagentje met 2 wieltjes
piskous = pasgeborene van het vrouwelijk geslacht, een meisje ne pispael = iemand die het moet ontgelden, waartegen men zijn ergernis uit zonder dat deze er iets mee te maken heeft
pissijn = urinoir ne pittelèr = een slipjas
e pivoke  = een klein schriel manneke   plakbaent = kleefband
ne plastron = een das platte meutte = slijk, cement
platten tuub =

lekke band

e plousjke =

pluisje, wollig bolletje

ne plon =

zekering

de plon general = hoofdzekering
ne poembaksmoel = lelijk gezicht hebben, ook als spottend gebruikt poepgelei = perensiroop
ne poepslag doeng = neuken ne poempsteen, poembak =

lavabo

ne poeterer =

valsspeler

è poeppemie(ke) =

klein mooi uitgedorst meisje (zoals een pop)

polle, pollekes =

handen, handjes

ne portefùl  = brieventas
postisj(ke) of toupet = haarstuk(je) potteusekommekes = set van in elkaar passende potjes
een pousette =

kinderwagen

ne poutrel = stalen i-profiel, ondersteuningsbalk
ne prespot = hogedrukpan een pries  =

een stopcontact

provesoir = voorlopig ne pruttegort = iemand die niet goed gekeken heeft
een punneis = duimspijker ne puttekesschepper = loodgieter
de raaichel = vensterbank raaif = een hark
ne raaistkakker  = een chinees (die vanaf een schip aan wal kwam) rààmpetààmpen = gemeenschap hebben
rakkejakske = gereedschap om schroeven of bouten vast/los te draaien  Jef Reliëf = persoon die fameus last heeft van puistjes
ne remork = aanhangwagen rezzeneire = praten / overleggen
ne reseveur   = een ontvanger ne rijz'af = een glijbaan
ne roestbak  = versleten auto de roet(en) van den tram of trein =

de rails van tram of trein

ne roetmop  = een neger ne rotzàk   = een vlaamse gaai
rue de Vaseline   = Van Schoonhovestraat      
           
sallukes = tot ziens ne sandri'jee =

asbak

ne savajear =

iets enorm

een schaar, scharen =

een kras, krassen

e scha'belleke =

een laag bankje

een schalaar =

een soort platte aquariumvis

ne schammateur = iemand die iets laat verdwijnen, dief e schap = - legplank van een rek
- vrouwenboezem
iene van't schap = bier uit fles niet gekoeld een schel (h)eps of keis =

een snede ham/hesp of kaas

schetse, schaverdeinen = schaatsen e scheel =

een deksel

scheet in een fles = 't is alles voor niets ne schetepakker = een klein ventje
scheireslip =

messen- en scharenslijper

schèurremèurre = laag bij de grond staand iemand
schijtbroek =

bangerik

schijterij =

diaree

schijthuis =

bangerik of wc

ne schoefelèr =

persoon wiens oog groter is dan zijn maag

schoofzak = rugzak (met eten) 't Schoolplak = pleintje aan de Schoolstraat
semmelen,
ne semmelèèr
= treuzelen
treuzelaar, twijfelaar
ne seurre = politieagent
'n seut = naïef meisje shallommekes = goede dag, tot ziens
ne sh'tingk'kort = erger dan een stinkaard de shop  = werklokaal der havenarbeiders
de singse foer  = Sinksenfoor : kermis op de gedempte Zuiderdokken

- grand sjaar, petit nobel    

 

 

=

gewone man/vrouw maar toch door kleding en/of gedrag aanspraak maken op een betere afkomst; bvb. Sofie dat was één van de grand sjaar petit nobel zenne

sjaar

=

in de context van streken hebben; bvb. amai, die heeft nogal wat "sjaar" zenne - die heeft nogal wat streken

sjààwele  = babbelen
een sjààweltje doen   = een babbeltje slaan sjambrangs = deurlijst
de sjofààsj   = verwarming 'n sjakkos = handtas
(deur)sjasse = (door)spoelen sjotte = voetballen
sjochonneke(s) =

gebreide babyslofje(s)

sjokkedeize, sjoekedeizen :
ni me m'n ..... speile !

teelballen (kloten)
figuurlijk : met iemand zijn voeten rammelen of met zijn kloten spelen

ne slag in't water = mislukking
slijkscheppers = Berchemnaren skandiafleks = lamellengordijn
slijpersgrutvlees = zwarte siroop sloef = pantoffel
eure vent is nen echte sloef = doet niets zonder haar goedkeuring een (arm) sloer = een sukkel
sloppel = slaap wel smeerlap = - poetsdoek  
- hij die iemand benadeelt
ne smoel = een gezicht / gelaat ne smoeldweil = een serviet
ne smoelentrekker = een zuurtje, zuur snoepje smossen = - morsen met eten
- vrijen
ne smurf = hulp-agent snelzeiker = vrouwenonderbroek met opening aan de voorkant opdat dames hun benen konden opendoen en mits een beetje door de benen te zakken (op de hun hukken te gaan zitten dus), zonder hun rok op te heffen een plasje konden doen
snotvod = zakdoek soaie frakske = een wollen jas(je)
Soda Koestik = straf middel (voor afwas of om verf te verwijderen 

 

 

soemeltje/sjoemeltje

 

 

= - een klein rond geëmailleerd teiltje om in “af te wassen”
- of om kousen/fijn linnengoed zoals bh in uit te wassen
- of om groenten in te leggen tijdens het versnijden
- of een “soemeltje” is veel kleiner dan een “ baddeke” en t.g.v. het emailleren veel beter schoon te maken
- het woord teiltje komt ermee het best overeen
soepap   = - ventieltje    
- tepel
zé soldateknoppe = vrouw met kleine borsten ne soe'tjein     = bustehouder
de sosse(n) = - politieman(nen)
- socialisten
- (gon) spaare
- z' odden ons gezien en we zen moette gon spaarre
=

- gaan lopen in de zin van weglopen
- ze hadden ons gezien en we zijn moeten gaan lopen

't spel van Adèlle = maandstonden spitsvil = deugniet
spuiter = iemand die veel onzin vertelt, leugenaar  stamenee = café
stekskes = lucifers stoofkarmenaajen, stoofkameraden = stoverij van varkenskarbonades
stoars = gordijnen de stôase = het station
stoemp =

aardappelpuree

ne stoeltjeszetter  = hulp van de koster in de kerk
stoemppot met draad =

hutsepot met boulie

ne stoffrak =

stofjas

ne stokintgat =

een ekster

een stoofbuis =

hoge hoed, dashond (tekkel)

straat- of straandjanet =

verwijfd persoon

straatmadelief =

prostitué

ne strongtsopper  =

een homofiel persoon

strongtscheppers = Hobokenaren
't Stuivenbaregplein = Stuivenbergplein e sup'ooke opsteke =

een zetpil inbrengen

ne sutjein = bustehouder swengst =

terwijl

swijle =

soms

Scheldwoorden van de Antwerpenaar

=

- deurmat
- gemakkeduiker
- groenggraat
- jubileepoal
- kakkerlàk
- lepelenbuik

- lijkepikker
- magere giep
- pekelteef
- pissijnelakker
- scheefgepoeptetramroet
- scheel

- shujelut
- smoel baareg'oep
- stroungtbol
- verkette'nek
- wieltjeszuiger
- zwangeren badsloef

talloere - diepe talloere = borden - diepe borden jatten en talloere = koffieservies
een tang = schoonmoeder werktuig nen taantefeir = iemand die onophoudelijk aan alles is aan het prutsen.
't Astridplaain = Astridplein teintuurdiot of roodsel = ontsmettingsmiddel
tefrengte = verschillende nen tember = postzegel
tetterwaaf = vrouw die veel en lang babbelt tettezot  =

iemand die graag naar borsten kijkt 

teurre = een dutje doen tiekes = kleine borstjes
tiknerveu = zenuwtrek een tirêt

=

ritssluiting
toekken, toekke krijge

=

slagen, slaag krijgen tot tenneuste week =

tot volgende week

Tjoek-Tjoek =

tapijtenverkoper

nen tjoekentrein =

lokomotief

een toebaksdoos =

tabaksdoos

nen toeg =

toog in café

nen toegzeiker =

iemand die alleen de cafébazin wil versieren

nen toernee'zjeneral = geeft iedereen een pint
een toert

een aa toert

=

- taart
- een oude vrouw, of reageren als een oude vrouw

nen torpedoo-frein =

achteruittraprem

nen touter = een schommel in den traant van =

- te vergelijken met
- zoals
- iets gelijkaardig

nen trekzak =

accordeon

treizebeis  =

verwijfd vrouwtje

nen triporteur =

bakfiets

nen trizee  =

een vergiet

trollebus =

trolleybus

trolles =

tralies 

een trottenet =

een step

den trotwaar =

de stoep, voetpad

een truffel = tuinschop truttebees =

zeer beschaamd en/of verlegen meisje of vrouw

truttelakker =

verfborstel met lange steel die in een hoek van 45° staat 

truttelakkerke =

klein hondje 

truttemezuster = onnozele, vervelende vrouw truut in pakskes   =

onzin, nonsens 

nen truuter  =

zagevent

tsjeven of kadoddersutter = katholieken
nen tutter = fopspeen nen tutte(r)frut = kauwgom
een turnavies = schroevendraaier nen twalseree = plastieken tafelkleed
Twaalfmaandenstraat = Twellefmeungdestraot :        de enige straatnaam met drie 'aa's' erin die telkens anders worden uitgesproken

nen twiezak

 
 

-= tweezak, iemand met 2 gezichten = farizeeër

 
uit'ange = lastig zijn, ambetant doen 
vaek = slaap (moe zijn) vanneir - oepternieft = opnieuw
een vàtuur = kinderwagen ne veloo = fiets
verrenneweire = stukmaken verfroemeld = verkreukt
e verket = vork - verweird gezicht


- a ziet'er verweird uit 

= - rode wangen ten gevolge van hevige wind

- hij ziet er uitge-/verwaaid uit

vesseme =

draad door het oog van een naald steken

ne vettigort

=

viezerik

ne vetreneir = dierenarts iemand ne veurt zette

=

iemand een hak zetten
Victoriapleuts = Rooseveltplaats viesenal = buurtspoorwegen, boerentram
ne (voale) jood = iemand die door redelijk veel te spreken iemand in de luren legt voale pitoe = vies ventje
de voale zwarte = scheidsrechter de voalkaar = vuilniswagen
vodtsjeslakker  = dronkaards die de restjes uit de wijnvaten dronken die toen der tijd werden gelost op het eilandje. ne voezen'appel = een onnozel ventje
vollee (spreek uit : vollei) = rolluik ne vorentrekker = een tangaslip
vroem = terug vuugda = voeg je, pas je aan aan de onuitgesproken groepsnormen
         
wa'dis'woar = wat is nu waar wa'ded'de = wat heb je
wa'ded'de'na = wat heb jij nu wa'ded'de dor'naôn = wat heb je daar nu aan
wa'doe'de'ga'na = wat doe jij nu wa'doe'der'on = wat doe je er aan
waffe'riet is danna = wat is dat nu waffe'ren'toere zen dana  = wat zijn dat nu voor streken
wa rie'kek'kik ier = wat ruik ik hier wa godde doeng  = wat ga je doen
ne watman  = trambestuurder wa toetem na wer = wat doet hij nu weer
wette nog wa = weet je nog iets anders wast mor wôar = was het maar zo
wa'sei'tem = wat zegt hij wa'sei'se = wat zegt zij
weust = waardeloos iemand Wil'rak = Wilrijk
de Wil'rakse Plaain = Wilrijkse Plein, velden van GBA-jeugd wôar blefdena = komt ge nog 
ne wout = politieagent
(eind 19de, begin 20ste eeuw) 

werkwoordvervoeging
' hebben '

= -'kem
- g'et
- ajee
- wei'jemme
- gollen'et
- zemme
zakkevuller = iemand die armer maakt zakkenwasser = afzetter, bedrieger
zalt goan jaa = 't is nu wel genoeg 't zal wel zen = het zal wel zijn
zatlap = dronkaard, dronken persoon zeepsmoel = scheldwoord
zeiker    =

- een urineerder
- iemand die op alles negatieve kritiek geeft, op alles kankert en zevert; een kankeraar of zeveraar dus
.

(toog)zeiker  = iemand die aan de toog in een café zit te lullen
zeun = lompe, onbehouwen, een beetje boertige vrouw zeung = zoon
zieptrut = flauwe vrouw zieverer = iemand die zotte praat verkoopt
ziever (in pakskes) = flauwe kul zis riejepesnaaiers, z'is ribbedebie = zij is weg
in de zjaar van,
zjaar emme
= zoals
streken hebben
ne zjap'neus = katholiek (christen-democtaat)
zjap'schaul = katholieke school, vrij onderwijs zjatten en talloere = kopjes en borden
zjoeberen = slurpen zjweinke = dichtingsringetje
ne zoenk = een kuil in de weg of een put in het wegdek  de Zollegie = de dierentuin, de Zoo
't zotteke uithangen = kleine boodschap doen, plassen zukt ambras of wa = zoek je last / ambras
zwàànsde gae nà  = ben je er nu mee aan 't lachen een zweefteef = airhostess
de zwontjes = - wijk in Hoboken palend aan het Kiel, waar men onderscheid maakt tussen 'de grens' en 'den TIR'
- gemotoriseerde politie
     

Kent U nog dergelijke woorden of gezegden ?
mail de webmaster