Voedselallergie - vaak overschat

Voedselallergie of niet?

Heel wat patiënten menen een voedselallergie te hebben. In Europa wordt de zelf gerapporteerde voedselallergie geschat op 20% à 30%. Studies waarbij ook “orale provocatie” uitgevoerd wordt (dit is de onomstotelijke medische bewijsvoering) tonen echter veel lagere cijfers, namelijk tussen 0,2% en 3,1%! Dit verschil tussen beide cijfers toont het belang aan van de exacte diagnose van een voedselallergie. Abnormale reacties op voedingsmiddelen kunnen immers zowel allergisch als niet-immunologisch zijn. Een voedselallergie wordt gedefinieerd als een abnormale reactie van het lichaam die bij herhaling optreedt bij de blootstelling aan een bepaald voedingsmiddel. Hierbij worden “IgE-antistoffen” aangemaakt tegen een bepaalde stof (eiwit of allergeen). Allergische (“IgE-gemedieerde”) reacties treden meestal snel op na de inname van een bepaald allergeen (enkele minuten tot maximaal twee uur) ze doen zich voor bij elke blootstelling en ze zijn potentieel levensbedreigend (dit heet “anafylaxie”). Om het moeilijk te maken: er zijn ook allergische niet-IgE-gemedieerde reacties op voedingsmiddelen en die hebben een uitgesteld verloop van het ontstaan van de klachten. Een bekend voorbeeld hiervan is glutenovergevoeligheid. Daarnaast bestaan er, naast psychologische reacties (aversie), ook niet-allergische reacties op voedingsmiddelen, dit heet een “voedselintolerantie”. Een voedselintolerantie geeft niet noodzakelijk klachten bij elk contact met een bepaald voedingsmiddel en kan beïnvloed worden door de hoeveelheid of de vorm van het voedingsmiddel dat wordt ingenomen. Voorbeelden: intoleranties voor lactose en cafeïne .

Voedselallergie versus -intolerantie: het klachtenpatroon is cruciaal.

Bepaalde aspecten in het klachtenpatroon kunnen eerder een IgE-gemedieerde voedselallergie dan wel een voedselintolerantie doen vermoeden. Essentieel is het oplijsten van de verschillende voedingsmiddelen waarop men klachten ontwikkelt, het tijdstip van het ontstaan van de klachten na de inname, het type en de duur van de klachten en de reproduceerbaarheid bij een hernieuwde blootstelling. Bijkomende aandacht is nodig voor de specifieke omstandigheden waarin de reactie optrad, zoals inspanning, ziekte, medicatie (ontstekingsremmers, bloeddrukmedicatie, middelen tegen maagpijn of zuur (de “PPI’s”)), maandstonden en alcoholgebruik... Hoewel om het even welk voedingsmiddel een IgE-gemedieerde reactie kan veroorzaken, zijn koemelk, tarwe, kippenei, soja, pinda, boomnoten en schaaldieren verantwoordelijk voor meer dan 90% van de IgE-gemedieerde voedselallergieën. Een onderliggende IgE-gemedieerde voedselallergie voor een hele lijst van voedingsmiddelen is op volwassen leeftijd heel onwaarschijnlijk en pleit voor een intolerantie.

De typische klachten van een IgE- gemedieerde voedselallergie kunnen zich voordoen in verschillende orgaansystemen, zoals de huid (jeuk, netelroos, flushing, gelaatsoedeem), de luchtwegen (piepende kortademigheid, neusloop en -verstopping), het maagdarmkanaal (misselijkheid, braken, diarree), de bloedvaten (bloeddrukval) en de hersenen (flauwvallen). In geval van aantasting van meer dan één orgaansysteem wordt er gesproken over „anafylaxie”.

Een voedselintolerantie daarentegen geeft géén aanleiding tot levensgevaarlijke reacties. IgE-gemedieerde reacties zijn in de regel acuut en treden doorgaans heel snel op na contact met het allergeen, namelijk in minuten tot één uur na de ingestie en soms tot drie uur na de inname. Chronische klachten zoals constipatie, diarree, buikkrampen, opgezette worden in de regel niet veroorzaakt door een voedselallergie.

Diagnose

Huidtesten en bloedanalyses bevestigen enkel de aanwezigheid van specifieke IgE-antistoffen tegen een bepaald allergeen, maar dit betekent daarom niet dat er sprake is van klinische reactiviteit. In mensentaal: een bloedonderzoek heeft slecht een beperkte waarde en is enkel een hulp als het klachtenpatroon suggestief is voor allergie. Een bloedonderzoek op zich geeft meer verwarring dan aanwijzingen! Dit houdt in dat men positieve huid- of bloedtesten kan hebben voor tal van voedingsmiddelen zonder dat er sprake is van echte allergische reacties. Bij mensen met een pollenallergie (boomstuifmeel, grasstuifmeel, bijvoet) bijvoorbeeld, kunnen tal van testen voor plantaardige allergenen verhoogd zijn door kruisreactie zonder dat er sprake is van een onderliggende voedselallergie. Het is dus niet aangewezen om zo maar bloedtesten af te nemen zonder uitgebreide “ondervraging” of om eliminatiediëten in te stellen louter op basis van positieve huidtesten of de aanwezigheid van IgE-antistoffen. Nog al wat artsen of voedingsdeskundigen doen dit jammer genoeg en het kost veel geld en geeft enkel misleiding….

Het mechanisme van een voedselintolerantie is meestal niet of onvoldoende gekend. Er zijn dan ook weinig tot geen diagnostische testen beschikbaar. De uitzondering hierop is een lactose-intolerantie, waarbij men beschikt over een lactoseademtest om dit te objectiveren. Nogmaals, bloedonderzoeken, waarbij soms > 100 inhalatie- en voedselallergenen worden getest, hebben geen plaats in de diagnostiek van voedselintoleranties (noch bij een voedselallergie) en leiden vaak tot misinterpretatie, onnodige eliminatiediëten en foute diagnosen.

Besluit: enkel bij een “verdacht” klachtenpatroon - een acute reactie (binnen het uur) na de inname van voedingsmiddelen met netelroos, gelaats-oedeem, jeuk in mond en keel, keelzwelling, respiratoire klachten, misselijkheid, braken of diarree - is een allergologische evaluatie aangewezen om een onderliggende IgE-gemedieerde en potentieel gevaarlijke voedselallergie uit te sluiten en heeft een bloedonderzoek op antistoffen zin. Bij een vermoeden op glutenovergevoeligheid kan een specifiek bloedonderzoek helpen en bij lactose-intolerantie een “ademtest”.

Indien een co-factor wordt vermoed en de klachten enkel optreden wanneer de inname van een bepaald voedingsmiddel wordt gecombineerd met inspanning, alcohol of medicatie, moet een dagboek bijgehouden worden met uitgebreide documentatie van de omstandigheden (inclusief voeding tot twaalf uur vóór de reactie).

Chronische klachten zoals obstipatie, buikkrampen, opgezette buik met “boeren of winden” of aanslepende diarree passen niet bij een voedselallergie. Vaak speelt stress en drukte hierin een rol. De arts zal minder frequente oorzaken als gluten- of lactose-intolerantie en bvb parasieten als “Giardia Lamblia” uitsluiten.

.