Ziekten-Plagen.

 


Stippelmot spint zich in

Boom overdekt met nesten van stippelmot

Stippelmot overdekt in mei sommige bomen of struiken met hun nesten

Aan het begin van de zomer, wanneer alle bomen en struiken weer getooid zijn met fris nieuw blad, valt een kaal gevreten boom of struik des te meer op. Larven van de stippelmot vreten aan zaden en bladeren van appelachtigen (Rosaceae) en spinnen zich helemaal in. Enorme nesten van gesponnen draden geven bomen of struiken een spookachtige gedaante. In deze nesten verpoppen de larven zich eerst tot rups en later tot vlinder.

De stippelmot of spinselmot (Hyponomeuta padellus (syn. Yponomeuta padellus) is een ware plaag. In korte tijd worden o.a kers, sierkers, appel, meidoorn, kardinaalsmuts of peer van hun groene bladeren ontdaan door de vraatzucht van de larven en rupsen. Ook de olijf kan door een stippelmot (Prays oleellus) worden aangetast, al komt dat in Nederland zelden voor. Gelukkig brengt stippelmot maar één generatie per jaar voort. Volwassen exemplaren van de vlinder zetten een reeks eitjes in groepen van twintig tot vijftig stuks af. De eieren worden dakpansgewijs op de takken van de boom afgezet. De uitkomende larven bevrijden zich in eerste instantie niet uit het ei, maar doorboren op een punt de schaal.

 
Nesten met Stippelmot Volwassen rupsen

Stippelmot leeft in het stadium van jonge rups in een dicht spinsel

Hyponomeuta padellus, in het stadium van rups, leven in kolonies

 
Met de beschutting van de schaal en wat spinsel daaromheen, brengen ze de winter door. In mei verlaten de larven de beschutting van de eischaal. In deze gedaante omgeven ze zich met een wirwar aan spinseldraden en beginnen te vreten aan alles, wat van hun gading is. In de volgende cyclus veranderen ze van gedaante en worden rups. Wat dan nog groen is, vindt geen genade bij deze onverzadigbare rupsenkolonie. Ze hebben dekking tegen vogels binnen het dichte spinselnet.

 
Stippelmot op meidoorn
Ook op de meidoorn (Crataegus) komen nesten van stippelmot voor

De stippelmot of spinselmot ontwikkelt zich in later stadium (juni) tot een onaanzienlijk klein vlindertje. De hoofdkleur van de vlinder is wit met zwarte spikkels op de vleugels. De stippelmot richt grote schade aan. Sierheesters herstellen zich meestal in de loop van de zomer en krijgen opnieuw blad. Wie toch van het leed door stippelmot wil worden verschoond, zal een bestrijdingsmiddel moeten gebruiken. De bestrijding moet plaatsvinden, voordat de spinselwebben met rupsen worden gevormd.

Bestrijdingsmiddelen:
Bromofos, een weinig giftig middel, dat niet giftig is voor bijen. Merk: Asepta Nexion.
Deltamethrin, een giftig middel tegen tal van insecten. Giftig voor bijen en vissen. Merk: Denka Decis.

 

De Paardenstaart.

Paardenstaart hoort niet in de tuin. Vaak zie je dit lastige (on)kruid bij nieuwbouwhuizen. Op zandige grond, op akkers, langs wegen en soms in het gazon kan het een ware plaag zijn. Vandaar dat dit kruid ook bekend is als akkerpest.

Paardenstaarten zijn verwant aan varens; ze dragen sporen aan het uiteinde van de stengels. Ze behoren tot de groep van de hogere sporenplanten, waarvan het kenmerk is dat de sporendoosjes (sporangiën) in een aarvorm onder aan gesteelde schildjes zitten.
Bovengrondse delen van paardenstaart zijn gemakkelijk uit elkaar te trekken. Stengels zijn geleed en op elke knoop bevindt zich een krans met schubben, waaruit de bladen groeien. Merkwaardig genoeg is de bouw van bladen, zijstengels en schubben overal gelijk. Bladen zijn min of meer aan elkaar gegroeid; ze vormen een schede om de stengel.

 
Equisetum arvense
Een paardenstaartgroep lijkt wel
op een bos mini-dennenbomen
Akkerpest of heermoes (Equisetum arvense) komt het meeste voor. Het is een (on)kruid waar je niet één, twee, drie vanaf raakt. De plant overwintert met merkwaardig gevormde knolletjes aan de wortelstokken. Vanaf de poolcirkel tot ver in Zuid-Afrika komt paardenstaart van nature voor. Soorten paardenstaart zijn onder meer: bospaardenstaart, ruwe paardenstaart, reuzenpaardenstaart, bonte paardenstaart.

Omdat paardenstaart een sporenplant is, worden rijpe sporen door wind en water verplaatst. Uit de rijpe sporen ontstaan weer nieuwe planten. Met dit gegeven zijn we de bestrijding van dit (on)kruid op het spoor: het loof moet systematisch worden afgesneden om rijpen van sporen tegen te gaan en om zo verdere verspreiding van de plant te voorkomen.

Wortelaaltjes

Afrikaantjes tegen wortelaaltjes

3 aaltjes

Aaltjes zijn meercellige diertjes. Ze komen niet alleen voor in de bodem, maar ook in planten, mensen, dieren en water. De wetenschappelijke verzamelnaam is Nematoden. De meeste soorten die in de grond leven, zijn niet groter dan 1-2 millimeter. Met het blote oog zijn aaltjes niet waarneembaar.

Aantasting door aaltjes verzwakt de plant of doet die zelfs afsterven. Maar er is geen reden voor paniek, want Afrikaantjes, Tagetes, bezitten een werkzame stof die door wortelaaltjes besmette grond kunnen ontsmetten.

Meer aaltjes dan mensen
Onder de microscoop blijken ze niet dikker te zijn dan 1/20 millimeter. In een gezonde bodem leven naar schatting 20-50 aaltjes per kubieke centimeter; dit betekent dat er per vierkante meter bouwgrond toch al gauw zo'n 4 tot 10 miljoen van die beestjes aanwezig zijn!
Aaltjes leven van organisch materiaal, schimmels, bacteriën, bodeminsecten en parasieten. Ze bewegen zich in de grond voort in het hangwater van de poriën rond een aardkorrel. Dauw en regen zijn gunstige factoren voor aaltjes om zich snel te verplaatsen. In het water zijn het langgerekte buisvormige beestjes die zich door samentrekkende bewegingen van het lichaam verplaatsen. Aaltje is een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende soorten meercellige dieren met elk hun specifieke eigenschappen.

2 aaltjes Grote verschillen in aaltjessoorten zijn bijna recht evenredig met de wijze waarop zij schade veroorzaken aan planten. Planten worden onder meer gebruikt als 'kraamkamer'. De ontwikkeling van ei tot volwassen aaltje duurt slechts 10- 13 dagen (afhankelijk van de soort). Ieder vrouwelijk dier kan wel 25-30 eieren leggen. Er groeien verscheidene generaties per jaar. De groep aaltjes die planten schade toebrengen, hebben allemaal als kenmerk dat ze een stekel voor op het lichaam hebben, waarmee ze plantencellen kunnen aanprikken. Sommige aaltjessoorten dringen in de cel en leven daar endoparasitisch, anderen daarentegen prikken alleen de cel aan en blijven aan de buitenkant en leven dus ectoparasitisch.

Schade
Dat hangt af van de soort/groep aaaltjes. Beelden die samenhangen met aantastingen zijn onder andere: rotten van de plant, woekeringen aan het blad of de wortel, gallen op bladeren, knollen en wortels, een slechte toestand van een of meer planten en dikwijls verkleuringen in het blad van planten door weefselaantasting.

Bladaaltjes (Aphelenchoides-soorten) tasten vooral bladeren aan. Daarnaast veroorzaken zij ook afwijkingen aan bloemen, stengels, bollen en knollen. De aantastingen beginnen meestal aan de onderste bladeren. In het blad ontstaan verkleuringen die vanuit de bladvoet uitstralen naar de rest van het blad. Tussen het nog gezonde bladdeel en het bruin verkleurde deel in vindt de sterkste vermenigvuldiging van aaltjes plaats. Vochtig weer is er de oorzaak van dat bladaaltjes zich vanuit de grond of vanaf plant verder omhoog over de plant kunnen verplaatsen. In droge perioden is aantasting door aaltjes veel minder. Planten die last hebben van bladaaltjes zijn onder meer: chrysanth, Anemone, aardbei en voorjaarszonnebloem.

Stengelaaltjes (Ditylenchus-soorten) veroorzaken gekromde stengels met verkleuring en verkroezing van blad. Uiteindelijk kan verrotting van de plant het gevolg zijn. Onder vaste planten komt deze aantasting nogal eens voor. Gevoelige soorten zijn bijvoorbeeld: vuurpijl, Liatris, Phlox, Anemone, anjer-soorten en wederik.

Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne-soorten) dringen in de wortels en veroorzaken galvormige of knobbelvormige aantastingen. Als reactie hierop vormt de plant merkwaardig genoeg veel meer zijwortels dan normaal. Soms ontstaat hieruit wortelrot maar op z'n minst blijft de groei van de bovengrondse delen van de plant sterk achter. De aantasting is zeer besmettelijk voor veel andere planten. Aantastingen komen nogal eens voor op: Pyrethrum, Anemone, koeienoog, chrysanth, phlox, scharnierplant, schurftkruid, maagdepalm, viooltje, zenegroen, pioen, ridderspoor en duifkruid.

Vrij levende wortelaaltjes (Pratylenchus- en Rotylenchus-soorten) zijn het meest voorkomend onder vaste planten. Door aantasting ontstaan bruine vlekjes aan wortels, die zich snel kunnen uitbreiden, zodat de hele wortel bruin wordt en afsterft. Doorgaans vormt ook hierbij de plant veel meer wortels dan normaal. Die hebben bij nadere beschouwing veel weg van een warrige pruik. Een afdoende bestrijding is nog niet goed mogelijk. Een extra gift stalmest heeft weleens een gunstig effect op de groei van de plant.
Een buitengewoon opvallende aantasting van dit type aaltje is dat de groei sterk terugloopt. Bij de teelt van bollen vermindert de opbrengst en de omvang van de bloembollen. Ook blijft de opbrengst bij de oogst van aardappelen achter en wordt de (bewaar)kwaliteit minder, wanneer de grond door dit type aaltje is aangetast.
Vaste planten die gevoelig zijn voor deze aaltjessoorten zijn onder andere: anjer, Pyrethrum, scheefbloem, trollenbloem, korenbloem, lelietje der dalen, voorjaarszonnebloem, kerstroos, schurftkruid, scharnierbloem en naald van Cleopatra. Voor aaltjes gevoelige bolgewassen zijn: narcis, ranonkel, lelie, tulp, gladiool, hyacint, crocus, crocosmia en amaryllis. Den en levensboom zijn coniferen die er ook door aangetast kunnen worden.

 
Afrikaantje Afrikaantjes helpen
Spanjaarden voerden het afrikaantje vanuit Mexico in. Binnen Europa is vanuit Tunesië en Spanje de plant verder verspreid ten tijde van keizer Karel V. Van de afrikaan zijn in Nederland twee soorten van het geslacht Tagetes van belang: Tagetes patula en Tagetes erecta. In de tuin worden afrikaantjes als eenjarige aangeplant. De plant bloeit zeer rijk en is verkrijgbaar in vele kleuren: geel, oranje, bruinrood of mengingen daarvan. Afrikaantjes worden door zaaien verkregen of in pot gekocht.
schema
De dodende werking van afrikaantjes op wortelaaltjes (Pratylenchus-soorten) berust op de reactie van wortelcellen in de endodermis. In deze endodermis komen zwavelverbindingen (thiofenen) voor. Als een aaltje deze cel binnendringt vormt de plant peroxidase. De combinatie van peroxidase en de zwavelverbinding zorgt ervoor dat er ozon (O3) wordt gevormd. Deze agressieve vorm van zuurstof leidt tot 'verbranding' van het aaltje.

Het planten van afrikaantjes blijkt dus een veilig en natuurlijk middel om ingezet te worden in de strijd tegen wortelaaltjes. Vooral plaatsen in de tuin waar ieder jaar bloembollen worden geplant, zijn gebaat bij het in de zomer houden van afrikaantjes.

Wortel- of plantenextracten van afrikaantjes hebben overigens geen enkel effect op het doden van aaltjes.

 

Slakken

Over buikbewegers
Slakkeninvasie is ongelijk aan slakkengang

Op het veld, in de tuin en ook in hun blootje: slakken kunnen een ware plaag zijn. Door aangevreten bladeren en stengels verraden ze hun aanwezigheid. Een enkele soort laat een zilvergrijs spoor na op tegels en andere verhardingen. Hun dagelijks leven lijkt een mysterie? Een tipje daarvan lichten we hier op. Aan de hand van de bekendste slakken: de tuin-, de veld- en de naaktslak. En mocht u last hebben van een invasie - door natte zomers voelen ze zich héééérlijk: we eindigen met een remedie.

Een beetje anatomie
Van alle in Nederland voorkomende slakken is de tuinslak wel de bekendste. De tuinslak, veldslak en naaktslak behoren alle tot de familie van de Gastropoda, dat zoveel betekent als 'over de buik bewegend' (gaster = buik,maag; poda = voet). Ze behoren tot de orde van de Stylommatophora of landlongslakken. De tuinslak, de wijngaardslak, de veldslak en de naaktslak behoren op hun beurt weer tot de onderfamilie van de Pulmonata en dat verklaart het woord long (pulmon = long).

Anatomie slak
1. Mantel 2. Anale opening 3. Afgescheiden schelp in de mantel
4. Sluitspier 5. Voet (voor voortbeweging)
6. Darm 7. Mond 8. Voelhorens

Van alle slakkensoorten leeft maar een beperkt deel op het land; de meeste leven in het water. Ook niet alle slakken hebben een typische spiraalvormige schelp. Wanneer een schelp het omhulsel vormt van deze weekdieren, dan kan die heel verschillend van tekening en kleur zijn. Soms ook heeft de schelp scherpe stekels of vertoont ronde bobbels. Ook niet alle schelpen hebben dezelfde vorm: er zijn torenvormige, grof kegelvormige, afgeplatte en ronde schelpen. De schelp is - populair gezien - het huisje, waarin het dier leeft. Het heeft als doel om het weke en weerloze dier te beschermen tegen vijanden en al te felle zonneschijn.
De schelp is opgebouwd uit drie lagen: de buitenste laag (periostractum) bestaat uit een chitineachtige stof die afgedekt is met parelmoer, de tweede laag is opgebouwd uit kleine kalkprisma's die loodrecht op het oppervlak staan. De derde laag bestaat uit een afwisselende reeks van kalkprisma's en chitine. De opening in de schelp, waardoor het lichaam van de slak naar buiten steekt, heet de mondrand (peristoom) (peri = buiten; stoma = opening). De slak kan deze opening afsluiten met een slijmerige stof (epifragma), die behoorlijk hard kan worden.

Slakken kenmerken zich door een goed ontwikkelde voet en de kop. In de voet bevindt zich een huidplooi, de mond, die in verbinding staat met de buitenwereld. De mond staat ook in verbinding met de darm en die eindigt uiteindelijk in de anale opening. Achter de mond zit een soort rasptong (radula), die uit een reeks hoornen tandjes bestaat. De tandjes staan in drie rijen naast elkaar. Het eerste deel van de slokdarm is verwijd en wordt krop genoemd. In de maag is een grote, dikke klier (hepato-pancreas) aanwezig, die een stof afscheidt om het voedsel te verteren.

De voet is een langgerekte spiermassa en voorzien van een voetzool. De voetzool sleept over de grond. De voortbeweging vindt plaats door een afwisselend samentrekken en ontspannen van de spiermassa in de voet, waarbij het middendeel (mesopodium) het leeuwenaandeel verzorgt. Op de kop van een slak staan de twee typerende 'voelhorens'. De ogen liggen aan het buiteneinde van die voelhorens. In de mantelholte van de schelp bevindt zich het hart, de ingewandszak, het ademhalingsorgaan, het reukorgaan, het voortplantings- en uitscheidingsorgaan.

Frisse en schaduwrijke plaatsen
Bijna alle slakken leven vrij en een klein aantal parasitair. In volwassen stadium kleven de landslakken zich aan de bodem vast door een stof die ze afscheiden van hun schelp. Slakken ontvluchten altijd de felle zonnestralen en zoeken frisse, koele plaatsen op. Het schelpvormige omhulsel helpt ze te beschermen tegen uitdroging. Vochtige plaatsen zijn dan ook favoriet als schuilplaats. Na een regenbui is het opvallend dat ze de beschutte plaatsen snel verlaten; immers, alles is vochtig geworden. Tegen de winter, wanneer het kouder wordt, zoeken de slakken een geschikt plaatsje onder bladeren of in de grond om te kunnen overwinteren. Ze sluiten de schelpopening af met het epifragma. In feite kunnen slakken een heel lange tijd koude weerstaan zonder daar te nadelige schade van te ondervinden.

Tuin- en naaktslakken
De lekkerste slak is ongetwijfeld de wijngaardslak (Helix pomiata), de vervelendste zijn de tuinslak (Helix aspersa) en de veldslak (Helix nemoralis) en de vraatzuchtigste is de akkeraardslak (Limax agrestis), die bovendien ook nog eens naakt is.

Tuinslak
De tuinslak: een veel geziene, maar ongenode gast

De tuinslak is overwegend bruin met gele of crème strepen of spikkels op de schelp. Beide soorten leven of op de grond of op planten. Hun hoofdvoedsel bestaat uit verkauwde gronddeeltjes die worden aangevuld met sappen van planten.
Veldslak
De veldslak: een weinig opvallende scharrelaar

Naaktslak
De naaktslak: de vraatzuchtigste

De naaktslak heeft geen schelp maar soms een verhoornd middendeel op de rug. Echt vraatzuchtig wordt grote schade toegebracht aan allerlei groeiende gewassen.
De veldslak is de meest voorkomende slak in Nederland. De schelp is niet groter dan 3 cm, gedraaid en met gele, roze en bruine lengtestrepen getooid.

 
Remedie
Hoeveel slakken u in uw tuin hebt of krijgt, kan nog wel eens van jaar tot jaar verschillen. Dit heeft te maken met temperatuur en vocht en vooral de combinatie van die twee op een voor de slak gunstig moment. In droge zomers is het aantal slakken beduidend minder dan in vochtige en warme zomers. Bij het optreden van grote aantallen speelt de beschikbaarheid van voedsel een grote rol: planten moeten het dan extra ontgelden. Desondanks zijn er planten in de tuin waarop slakken zich so-wie-so graag ophouden om zich er te goed aan te doen. Onder andere Hosta, Ligularia, Iberis, sla enzovoort worden steevast bezocht.

Bestrijding
De bestrijding van slakken is geen eenvoudige zaak. Denk je de plaag onder de knie te hebben, dan kunnen ze plotseling weer, en in grote aantallen, verschijnen. Voortdurende waakzaamheid is zonder meer geboden. Natuurlijke vijanden hebben slakken ook wel zoals de egel, kraaien en eksters. Waar die beesten zich echter ophouden en wanneer het hun behaagt om de tuin eens te ontdoen van die lastige slakken, is een vraag die zoveel tijd vergt om een antwoord op te bedenken, dat het aantal slakken zich in die tijd wel verdrievoudigd heeft.
Een huis-, tuin- en keukenmiddeltje is letterlijk 'zout op slakken leggen'. Maar dat is alleen van toepassing op naaktslakken en... het werkt. Het is geen aantrekkelijk gezicht om een slak zo te zien verschrompelen. Oppakken en via de vuilnisemmer afvoeren kan natuurlijk ook nog. De tuin- en veldslak kunnen worden geraapt of met een middeltje worden bestreden. Tegenwoordig zijn er goede (biologische) bestrijdingsmiddelen te koop. Het bijeenrapen kan wat versneld worden door een schotel of ondiepe pot met wat bier te vullen. Het gist in het bier lokt slakken naar 'de val' toe. Zolang het bier niet verslagen of verdund is door regenwater, werkt het redelijk goed. Eenvoudiger is het om een middel te strooien: dan heb je er geen omkijken meer naar en de slakken verdwijnen vanzelf. Die middelen zijn onschadelijk voor kat, hond en mens.

Middelen

- Naaktslakken
Te bestrijden met behulp van Nematoden (Phasmarhabditis). Middel onder de merknaam 'Nemaslug' van Brimex (postbus 4784, 4803 ET Breda). Het is werkzaam bij een bodemtemperatuur van tussen 5 - 20° Celcius. De aaltjes worden in een kleisubstantie geleverd. De klei moet in water worden opgelost. De verpakking is goed voor 40 m². Gebruik 1 liter per m².
Strooimiddelen: Slakvrij van ECOstyle, Escar-Go van ECOstyle of Slakkendood van ASEF.
Het middel Escar-Go bevat als werkzame stof ferrifosfaat. Het middel is onschadelijk voor kinderen, huisdieren, egels, padden en vogels. Na toepassing blijven er geen resten van de slak of slijmsporen over. In de natuur komt de verbinding vrij voor in de bodem; het wordt in de bodem omgezet tot voedingsmiddel voor gewassen.

- Tuin- en veldslakken

Mollen

 

De eigenaar van de grote tuin sprak verzuchtend: 'Die mol moet dood'. Had het laatste uur van de mol werkelijk geslagen? Ik praatte nog een tijdje met hem en wandelde over het geteisterde gazon en langs de met heuvels gesierde bloemenborder. De tuin grensde aan een weiland, vanwaar kennelijk al het onheil vandaan kwam. Tenminste, het weiland lag er al even pokdalig en heuvelachtig bij. De vrijwel nieuwe tuin was in de ogen van de trotse tuinbezitter geruïneerd. Een goed verhaal over het nut van de mol kon hem kennelijk niet deren. Hij werd er niet koud of warm van. 't Zal je ook maar gebeuren, je wordt er wanhopig van. Of is er wel iets tegen te doen?

 
Mol
Is hier nog wat eetbaars?
Wat wij als mollenschade ervaren, heeft meer van doen met schade die is toegebracht aan ons netheidssyndroom. Ja, het staat natuurlijk niet mooi al die hopen op onderling keurige afstanden van elkaar. Zo'n beest moet ook leven, maar vooral niet in ons knusse territorium. Helaas staat er geen verwijzingsbord waar de mol wel z'n gangen en hopen kan maken. Het beestje is gewoon op zoek naar een geschikt eigen territorium waar voedsel te over is.
Goed, we vinden het niet mooi wat hij in onze tuin doet. Toch doet de mol wel degelijk goed werk. Dat daarbij gangen en hopen grond ontstaan, is het beestje eigen. 'Hij' heeft er ook niet om gevraagd dat wij juist 'daar' onze tuin wilden hebben. Een beetje bezitterig gedrag vertonen wij wel; van ongevraagde indringers moeten wij niets hebben.

Stel, dat uw planten plotseling omvallen en doodgaan. Wat doet u dan? In paniek raken of  Tuin vragen hoe dat kan en of we even een bestrijdingsmiddel aan de hand kunnen doen? Zeker weten dat u op zoek gaat naar de oorzaak van dat alles met het doel een einde te maken aan die plotselinge verandering in uw territorium. En... misschien komt u er wel achter dat veenmollen de planten mollen of dat engerlingen de boosdoeners zijn van die gele plekken in het gazon. Toch bepaald niet leuk allemaal. In plaats van naar een chemisch of biologisch verantwoord middeltje te verwijzen zou ik u ook het advies kunnen geven om eens een mol aan te schaffen. Jawel, u leest het goed, gewoon een mol. Zo'n lief, zacht, zwart diertje dat onder de grond leeft. Eenmaal losgelaten heb je er geen omkijken meer naar. 'Het' redt zichzelf door wormen, engerlingen, veenmollen, ritnaalden, emelten en wat niet allemaal nog meer voor eng spul te verorberen.
Vreselijk nuttig, toch?

Wat ondergronds levend eng spul:
Veenmol
Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa)
knaagt aan wortels en stengels
Emelt
Emelt (Tipula-soort) is de larve van
de langpootmug. In de nazomer en het
voorjaar vreten de larven aan wortels
Ritnaald
Ritnaalden (Elate'ridae) (koperwormen)
zijn de larven van de kniptor. Ze leven
van vlezige plantendelen
Engerling
Engerling (Scarabae'idae) is de larve
van de mei- en junikever. Ze vreten
aan ondergrondse plantendelen

 
Echte graversuitrusting
Een mol scharrelt per dag een hoeveelheid voedsel bij elkaar, die gelijk is aan wel drie keer z'n eigen lichaamsgewicht. In de kaken van de mol staan scherpe tanden, waarmee met z'n prooi direct korte metten wordt gemaakt. Kikkers, slakken en muizen staan ook op het menu, mochten die onverhoopt in het gangenstelsel ronddolen. Een volwassen mol is ongeveer veertien cm lang en weegt tussen de tachtig en honderdveertig gram. Z'n zachte pels bestaat uit een dichte zwarte vacht, die op z'n buik grijs is. Van vocht of kou heeft de mol geen last, daar zorgt z'n (water- en zand)dichte jas wel voor. Alleen de vier poten zijn aan de onderkant onbehaard. De bleekroze huid ziet eruit als het velletje van een pasgeboren baby. De vijf tenen aan de vier schopvormige voeten zijn uitgerust met elk een scherpe, platte nagel waarmee al het onheil, zoals het graven van tunnels en het opwerpen van molshopen, wordt uitgevoerd. Twee miniscuul kleine ogen, zo groot als een flinke speldenknop, heeft de mol wel, maar geen oren. 'Horen' doet-ie met z'n tast- en snorharen, die ingeplant staan boven de spitse snuit.

 

Molshopen
Een spoor van 'vernieling': molshopen zijn ervoor de
beluchting van het gangenstelsel

Grotendeels solitair
In de paartijd en als er jongen zijn, leeft de mol samen met z'n vrouwtje. In mei - juni worden drie tot vier jongen geboren. Zolang de jongen nog niet hun eigen kostje bij elkaar kunnen scharrelen, genieten ze gastvrij onderdak. Daarna is het afgelopen en leeft elke mol strikt solitair. De jongen worden grootgebracht in een kogelronde ruimte, die aan een apart gemaakte zijgang ligt. De gang wordt door vader mol goed bewaakt tegen ongewenste indringers.
Om voedsel te verzamelen is een uitgebreid gangenstelsel nodig. Graven wordt dus gedaan om voedsel te verzamelen. De verblijfsgangen en holtes waar voedselvoorraden worden aangelegd, waar wordt geslapen en waar het nest wordt gemaakt beslaan een lengte van om en nabij honderdvijftig meter. Ondergronds heeft de mol maar één vijand en dat zijn zijn soortgenoten. Het eigen territorium wordt fel verdedigd tegen andere voedselzoekende mollen. Iedere dag worden de gangen geïnspecteerd op aanwezig voedsel en op indringers. Zo nodig wordt een ingestorte gang gerepareerd. Bij het graven van het gangenstelsel wordt regelmatig grond omhoog geduwd. Dat zijn de voor ons mensen nare molshopen, die geheel onverwacht her en der opduiken. Voor de mol betekent zo'n molshoop letterlijk een adempauze: de hoop luchtige aarde dient als luchttoevoer voor de gangen.

De mol leidt een geregeld leven: vier uur werken en eten worden gevolgd door vier uur rusten. Boven de grond waagt de mol zich zelden. Alleen wanneer een onoverkomelijke barrière op z'n gangpad ligt, moet hij wel eens boven over. Natuurlijke vijanden (predatoren) heeft hij ook: de vos, buizerd, kiekendief, uil en reiger lusten graag een molletje.

 

Molshoop
Het enige nare van een       mol is dat
het gazon naar de bliksem gaat
door flinke
hopen grond

Het leven zuur maken
Behalve dat je gazon moeilijker te maaien valt door de verspreid liggende bulten grond of omdat je meent nu net in die ene mollengang je been te moeten breken, valt de schade die een mol veroorzaakt reuze mee. Overigens: de grond die een mol opwerpt in de vorm van een heuvel is prima potgrond.

Een mol met geavanceerde techniek verjagen
Wie een permanente bewaking wil instellen tegen overlast van de mol/mollen, zonder zelf in het geweer te moeten komen, kan een anti-mollenapparaat aanschaffen. De voeding van de mollenverdrijver ("moller"...) gebeurt met behulp van een zonnepaneel (doorsnede 15 cm).

Mollenvanger
Aandrijving via zonnepaneel
Mollenvanger
Schematische weergave
De mollenverdrijver heeft een effectieve werking voor 800 m2 oppervlakte. Elke dertig seconden wordt ondergronds een irritante hoge toon voortgebracht. Het apparaat is te koop voor ƒ 100,00 (incl. btw).
Leverancier: Olman Handelsmaatschappij BV, postbus 84, 2400 AB Alphen aan den Rijn, tel. 0172 - 424100.

Hieronder nog wat andere manieren (?) om mollen te verjagen, opgetekend uit de monden van door mollen geplaagde tuiniers.

Een mol vriendelijk verjagen:
- Graaf een fles in de mollengang. De open fles brengt een fluittoon voort.
- Zoek een mollenvanger.
- Laat de gangen vollopen met water; zet de tuinslang de hele dag erop.
- Strooi visafval in de mollengang.
- Strooi uiensnippers.
- Leg mottenballen in de gangen.
- Mollen houden niet van hoge tonen. Koop een mollenverdrijver.
- Plant keizerskronen (Fritillaria imperialis).
- Graaf 'dubbeltjesgaas' in rondom je tuin.
- Strooi glasscherven in de mollengang.
- Trap elke dag de gang(en) dicht.
- Steek zoveel mogelijk stokken in de gangen.
- Drum de hele dag op een ijzeren staaf, die in de mollengang is geslagen.

Helpt dit allemaal niet - meer - en u bent ten einde raad?
- Laat de mollenvanger 'hem' nu eindelijk eens vangen.
- Breng 'Mollenschrik'-geurstaafjes aan (ECOstyle).
- Gebruik Luxan-mollenpatronen.
- Gebruik een mollenklem.

Bladluizen

BLADLUIZEN zijn vervelende zuigers

Wie wordt er niet geconfronteerd met bladluizen? In huis en tuin. Het zijn vraatzuchtige, gele, groene of zwarte nauwelijks zichtbare individuën. Ze komen in grote grote groepen voor op vooral jonge delen van planten. Hun enige natuurlijke vijand is het lieveheersbeestje.
Bladluizen
Bladluizen zuigen voedingsstoffen uit de plant of - nog erger - brengen virussen over
Omvangrijke familie
Bladluizen behoren tot de familie van de Aphididae. Daarvan zijn enkele andere welbekende plaaggeesten ook lid: bloedluis, druivenluis, rozenluis en zwarte perzikluis. Ze behoren allemaal tot de onderorde van de Homoptera en de orde van de snavelinsecten (Hemiptera). Ze zijn goed georganiseerd, althans op papier. Aan hun eigen verdediging doen ze weinig. Dat wordt overgelaten aan hun gastheren, de mieren. Bladluizen zijn een halve tot zeven millimeter lang. Hun mondapparaat is uitgerust met een snavel (rostrum), waarmee ze kunnen prikken en zuigen.

 

Bladluis
Bladluis sterk vergroot. De poten, voelsprieten en ogen zijn goed te zien. De twee buisjes op het achterlijf scheiden een wasachtige stof uit

Luizen worden aan de hand van hun ingewikkelde mondorgaan gedetermineerd. De onderlip is langer dan dan de bovenlip. In de onderlip zit een gleuf, waarin steekborstels zitten. Met deze steekborstels kunnen weefsels, zelfs zeer harde, worden doorboord. Elk van de twee kaken heeft een holte, die niet met elkaar verbonden zijn.

Het ene kanaal dient om lymfe uit de weefsels te zuigen en als adempomp. Het andere kanaal om speeksel in het weefsel te brengen. De snavelinsecten zijn eierleggend, eierlevendbarend of levendbarend. De jonggeborene ondergaan verscheidene gedaanteverwisselingen. In het eerste stadium (als neanide) vinden 2 à 3 verwisselingen plaats. Hierna komen ze in het nymfestadium met nog eens 3 tot 7 verwisselingen.
Als volwassen luis doen ze niets anders dan eten en zich vermenigvuldigen. Voor hun eigen verdediging kunnen ze niets anders dan hun wasafscheiding inzetten. Een glibberige en plakkerige suikerafscheiding via de twee buizen aan het achterlijf.

Hoe kom je eraan?
Sommige mensen denken dat tocht de oorzaak is. Dat is niet helemaal waar. Bladluizen hebben door hun metamorfose soms vleugels. Je ziet die generaties dan ook door elkaar bestaan. In de lente brengen vleugelloze vrouwtjes, de stichtsters, andere vrouwtjes voort. Ze hebben wel of geen vleugels al naargelang de hoeveelheid voedsel die er beschikbaar is èn de weersomstandigheden. De bladluizen die kunnen vliegen, gebruiken luchtstroming om van de ene naar de andere plant te verhuizen. Daar worden dan weer nieuwe kolonies gesticht. Al die kolonies ontstaan zonder dat de vrouwtjes zijn bevrucht. Ook mieren verhuizen bladluizen naar andere planten.

Hoe kom je ervanaf?
Bladluizen kunnen grote schade toebrengen aan planten. Die schade ontstaat vrij snel door de grote massa's, waarin ze opereren. Het beeld van de aantasting van blad bestaat hoofdzakelijk uit:
- glimmend en plakkerig worden
- verwelken
- verkleuringen of verminkingen
Een plant kan hierdoor zelfs afsterven.

Mieren gebruiken luizen als 'koeien'; ze zuigen de zoete uitscheiding van de luis op. Die uitscheiding wordt honingdauw genoemd. Mieren prikkelen bladluizen door ze over het achterlijf te strelen. Omdat ze de uitscheiding door de suiker zo lekker vinden, verdedigen ze hun bladluizenkolonie tegen ongewenste indringers van dezelfde soort. Soms ook worden bladluizen door de mieren van hun vleugels beroofd en meegenomen in de mierenhoop om daar een kolonie bladluizen te stichten. Blijft er toch nog honingdauw over op bijvoorbeeld blad, dan ontfermen schimmels zich erover. De bladeren krijgen hierdoor een zwart, roetachtig uiterlijk. Deze fase heet roetdauw.

 
Lieveheersbeestje
Lieveheersbeestje, de natuurlijke vijand
Bestrijdingsmiddelen
Een natuurlijke vijand van luizen is het lieveheersbeestje. Die heb je in de vrije natuur niet zomaar bij de hand. In kas of woning kunnen ze wel worden uitgezet om luizen te verslinden. Buiten ben je meer aangewezen op een bestrijdingsmiddel.

Eenvoudige middelen:
* Bladluizen houden niet van kou. Een stevige waterstraal doet ze verkleumen. Soms helpt het als de aantasting niet al te groot is.
* Een mengsel van 1 eetlepel groene zeep plus een eetlepel spiritus en in water opgeloste nicotine kan over de luizen verneveld worden. Herhaal deze bespuiting om de 3 - 5 dagen.

Biologische middelen:
Buiten:
* Vloeistofconcentraat van Alsem of vlier helpt ook redelijk goed.
* Kook pijptabak of shag in water. Spuit het concentraat op de bladluizen. Herhaal de bespuiting een week lang om de dag.
* Plantschoon Rozen (voor rozen), Plantschoon Fuchsia (voor Fuchsia's), Pomanal (tegen wolluis, schildluis, dopluis en spint), ECO Luisspray en Spruzit zijn allemaal middelen van ECOstyle, die tegen bladluiswerken. Het zijn biologisch afbreekbare middelen.
* Brimex Insectenspray (voor planten, rozen of Fuchsia)

In huis:
* Nuttige Insecten (van ECOstyle). Wordt geleverd als strips.
* Biobest Insectenspray (voor planten) van Brimex.

Chemische middelen:
* Bromofos, Primicarb, VBC (voor fruitgewassen), Diazinon (voor groentegewassen) en Pyrethrine (voor groente- en fruitgewassen).

Pissebedden

Pissebedden (Oniscus asellus L.) zijn tamelijk platte, grijze, veelpotige dieren. Hun rug bestaat uit over elkaar liggende schubben, die een pantser vormen. Aan iedere kant van de onderbuik bevinden zich zeven poten. Toch bewegen deze beestjes zich wat sloom. Bij aanraking hebben ze zelfs de
neiging zich als een balletje op te rollen.
Dat is geen probleem, want met de maaibeweging van hun poten kunnen ze zich laten kantelen, zodat ze weer op hun pootjes terechtkomen. Het rugpantser is in het algemeen grijs-zwart of bruin. De onderbuik (ook geleed met schubben) is meestal grijs of licht-bruin. De over elkaar liggende schubben hebben een functie in de verdediging tegen vijanden. Bij aanraking of aantikken van het pantser schuiven de schubben razendsnel over elkaar; het volume wordt teruggebracht tot een bolvorm. In normale toestand is de pissebed langgerekt van vorm.
Aan de voorzijde, bij de kop, bevinden zich tussen de ogen twee lange voelsprieten. Zowel voelsprieten als poten zijn de meest kwetsbare delen. Ze zijn echter niet van belang in het voortbestaan van de pissebed. Uiteraard kunnen niet alle poten worden gemist, essentieel als ze toch wel zijn om voedselbron en schuilplaats te bereiken...

Voortplanting
Pissebedden planten zich voort door middel van eieren. Zelden kun je deze met het blote oog waarnemen. Uit de eieren komen de larven voort. Deze lijken op de oudere dieren, maar zijn aanvankelijk wit van kleur.

Waar en waarvan leven pissebedden?
De beestjes zult u zelden overdag waarnemen. Ze zijn het meest actief bij donker weer en vooral in de nacht. Het is daarom niet zo verwonderlijk dat ze aan te treffen zijn onder gevallen blad, onder puin en onder los geplaatste bloempotten. In ieder geval zijn het bewoners van schemerige situaties, die vooral enigszins vochtig zijn. Kenmerkend is verder dat ze in groepen leven. Overigens is er betrekkelijk weinig bekend over de pissebed, dus veel literatuur is er niet.
De belangrijkste voedingsbron wordt gevormd door het uitkauwen van humeuze grond. De bijna verteerde humeuze resten in de aarde bevatten kennelijk voldoende stoffen voor een goed, maar kort leven. Bij gebrek aan voldoende humeuze aarde wil het voorkomen dat de beestjes vraat veroorzaken aan vooral vlezige plantendelen. Pissebedden leven ongeveer é;én tot anderhalf jaar, mits ze een goede schuilplaats om te overwinteren vinden. Al in het vroege voorjaar wordt gezorgd voor nakomelingen. Ze vermenigvuldigen zich voortdurend, behalve in hete zomers.

Wat doe je ertegen?
Pissebedden veroorzaken weinig schade aan planten in pot of tuinplanten. Is er wel schade, dan kan dit waargenomen worden aan afstervende plantendelen. De schade zal echter nooit groot zijn!
De natuurlijke vijand van pissebedden is de egel. Deze scharrelt ook bij uitstek in de avond en nacht z'n voedsel bij elkaar. Op een balkon zal echter geen egel kunnen komen, zodat bij grote overlast een andere manier van verdelgen nodig is. De meest eenvoudige manier is de beestjes te vangen. Snel een bloempot oplichten en met stoffer en blik de beestjes bijeenvegen. Dit wel later geregeld herhalen! Lukt dit niet voldoende dan kan een chemische bestrijding plaatsvinden met diazinon (merken zijn o.a. AA Fleur, Denka spray, Luxan, Kerex etc.).

10/09/04