Nog toe te voegen en te classeren .... wegelink : een smal en meestal onverhard voetpad doorheen een weide of landbouw grond. blek'n, buit'n blek'n : een meewarige blik naar iemand tot hij vanzelf afdruipt. ne piepre : een kus. kalut : gammel toestel of rijtuig. reek'ouwn : in de rij staan. iele : leeg. ziemtote : slijmbal. plotzak'n : ruzie maken. plotzak're : ruziestoker. wuipl'n : een signaal geven, zich kenbaar maken. toespelle : veiligheidsspeld. wiepgooi : zeveraar gestepiet, bloaze : showman. verzet : (fiets)versnelling. wa'del : iets anders. invet'n : insmeren. verkwoin : ontsteken(wonde). gevloat : diepe snijwonden, het vel eraf. stuip'n : zich vooroverbuigen, zich klein maken. klierekot : een klein huisje, een zeer beperkte ruimte. stropke : aars. alle stappe : na iedere stap, voortdurend, om de haverklap. ip doen : iemand versieren om een relatie te starten, een woonhuis(vertrek) opsmukken, zichzelf opsmukken. iptut''n : opmaken, versieren. ipsteek : voorwendsel, drogreden. toavermete : tovenaarster. rotekoot'n : morren. uitleng'n : uitbrengen, openbaar maken, zich verspreken. koperkuis : koperpoets middel. schoenblink : schoensmeer. hutsepetuts : toebehoren. nun droag'n tjokkie : een saai persoon. ne rijke smous, smoutrijke : een steenrijk iemand. smieekle : aangezicht. druug'n piet : (droog)saai persoon. geklappig : zeer spraakzaam. eetinge : een feestmaal. poetie : dwaas. klabet'ren : luid praten, veel lawaai maken. kroatre : vlas kroter. schoerke stoan : zich bukken om iemand te helpen over een hindernis te klauteren via je schouders. schouwe : schoorsteen, schaduw. gepresseerd zijn : onder druk werken, niet veel tijd hebben. drets'n : van hier naar daar gaan. teeg'n kom'n : iets voor hebben, iemand ontmoeten. gruiszop : een oplossing van lauw water en graanzemelen, pijn verzachtend middel bij verstuiking of voet of vingerwonden. stinkre : stinker, deugniet. geabimeerd : toegetakeld. ne sirk : een circus, een drukke situatie. e verla dr'ip weet'n : negatieve commentaar op iets geven. ie zalt nie shief van goan : hij zal er niet armer van worden. ze zitt'n aan de kap : ze zijn aan het vechten. bendig : spaarzaam. pree : weekloon, maandloon. melkezel'n : klagen. ne kirn : een wasbeurt. toeveele : veel. duisdviertig : prima, opperbest. noar de wippe : om zeep, defect. ierste werke : dit moet ik nu eerst doen, niet uitstellen. bendig : spaarzaam. pree : weekloon, maandloon. melkezel'n : morren. piezekatte : poes, kat. d'rin dopp'n : er in steken. wijster : ruimte, bewegingsvrijheid. ne lange zwieble : een persoon met grote gestalte. groatse konte, pretpetiel, pretmadam : hoogmoedige vrouw. errebek'n : ruzie maken. wak : vochtig. Gezegden ... uij'n naok drin sloan (zijn haak er in slaan) : zich ongevraagd bemoeien in een gesprek. ie zal zijnen krok nog krijgen : het ergste moet nog komen. de kofve recht'ouwn : de zaak alleen runnen, beredderen. ie ee nun tap teeg'nen komm'n : hij heeft iets onplezierigs voor gehad. ie dee ze tuupe zulle : hij was zeer bang, hij had schrik. un tukske doen : een dutje doen. tuuppe'stuikt : klein van gestalte, in elkaar gedrongen. ie eet'r zin deun'n in : hij heeft binnenpretjes met de problemen van de andere. téeste griedste : het eerste wat voor de hand lag, het eerst. gien stroeug van d'irde rop'n : niets doen, lui zijn. ze ligt mee n'n toer : zij is niet goed geluimd. nie goe te pooite : moeilijk kunnen stappen. van zin'n tettre mok'n : verbaal opstandig zijn, reclameren. Ie oa un lijm in zin oag'n : hij was dronken. weewe, weewirre : weduwe, weduwnaar. mee al die'nen verla : met al die poes pas. ip schok zin : onderweg zijn, op reis zijn. ip zin'n stok gestekt : op heterdaad betrapt. rekkewijd oop'n : wagenwijd open. ie dee giene klop : hij richtte niets uit. zin vet geev'n : iemand een veeg uit de pan geven. den djuu an doen : iemand pesten. blit'n : wenen. blitkouse : veelvuldig wenen. un motte krijg'n, nen snuk krijg'n : ge-electrocuteerd worden zonder verder erg, een slag krijgen. ie zal an ne lek lig'n : hij zal een zware rekening gepresenteerd krijgen. un brokke omverre : een beetje ongesteld, ziek. ie eet'fits : hij heeft het begrepen, hij heeft het door. grut wiens uuft dat'r ton zier doe : raad wiens hoofd er dan pijn doet, de tijd zal raad geven. ip die goeste : gelijkaardig, van dezelfde soort. goe kommet'uit : zoals het uitkomt, willekeurig. ne verla dr'ip weet'n : negatieve commentaar op iets geven. ie zalt nie shief van goan : hij zal er niet armer van worden. ze zitt'n aan de kap : ze zijn aan het vechten. ie es nie in zin'n ok : hij is niet in zijn haak, hij voelt zich niet lekker. k'zitte mee ne ram : ik voel mij niet fit. ie deeze tuuppe zulle : hij was bang. ie ett fit : hij heeft het begrepen. tèg link van t'zotte : dit lijkt nergens op. den buitenwacht : aan de deur gezet. dop d'achtre : onmiddelijk daarna.