Home
Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud
Inleiding
Wie is wie ?
Kalender
Recente artikels
Reisverslagen
Jaarverslagen
Links

 

Jaarverslag FON 1998


 

Top
januari – aprilmeijunijuliaugustusseptemberoktober

 

1 januari 1998: Antwerpen Sint-Andries

Vroeg begonnen is half gewonnen... Vandaar dat een kleine FON-delegatie om 00 u. 45 samenkwam in het Antwerpse St.-Andrieskwartier om de eerste Europese streeplijst van het nieuwe jaar te maken. In het schijnsel der lichten en aangemoedigd door Hollandse en Antwerpse vreugdekreten konden we een vijftigtal soorten noteren, waarvan opvallend veel in bloei. De witte bloempjes van de Virginische kruidkers (Lepidium virginicum) tussen de kasseien langs de Schelde deden ons even twijfelen of het nu al écht winter was.

Meest opmerkelijke vondst was echter de Maretak (Viscum album), doch de aard van de standplaats (bengelend aan een touwtje onder de zoldering van een oud café) doet een intentionele introductie vermoeden. Om die reden werd deze waarneming niet in onze lijst opgenomen.
Naar goede FON-traditie werd onderweg trouwens even verpoosd in een plaatselijke kroeg, waar we de gedane vondsten bespraken en tevens van de gelegenheid gebruik maakten om onze dorst te lessen.

 

Top januari – april – meijunijuliaugustusseptemberoktober

 

4 april 1998: Bever/ Bois de Lessines/ Deux-Acren

Naar goede gewoonte startten wij op 4 april met de inventarisatie van een voorjaarsbos, ditmaal in de omgeving van Bever in de Vlaamse Ardennen. Na een lange winterslaap was het wel even wennen aan de reeds zeer uitbundige pracht van "klassieke" voorjaarsbloeiers als Bosanemoon, Speenkruid, Gele dovenetel, Slanke sleutelbloem etc. Meer bijzonder waren de vondsten van Slanke zegge, Bosereprijs, (vermoedelijk) Bosroos, en een mooi exemplaar van Mispel.

Helaas bezochten wij dit bosgebied in een periode van massale kappingen met zwaar materieel, zodat we vooral getuige waren van ernstige vegetatie- en bodemverstoring.

Tot onze verbazing troffen wij in de namiddag een paar plantages (!) aan van Grote engelwortel, een soort die echter vroeger in de streek wel meer gekweekt werd omwille van haar medicinale eigenschappen.

Gele dovenetelGele dovenetel

 

11 april 1998: Wolvertem

Op 11 april was het de beurt aan twee kilometerhokken te Wolvertem en Brussegem. Nabij de noordelijke randgemeenten van Brussel bevinden zich nog tal van slecht onderzochte hokken (grijze en zelfs zwarte gaten) van voornamelijk grootschalige landbouwzones, evenwel doorspekt met interessante bosrelicten. Zo vonden we in de voormiddag te Wolvertem in een met populier ingeplant Eiken-Haagbeukenbos een keur van voorjaarsbloeiers met als toemaatje o.a. Reuzenpaardenstaart, Dotterbloem en Boszegge.

's Namiddags bezochten we te Brussegem het Vierwindenhof, waar we in een hellend bosperceel ook weer Reuzenpaardenstaart vonden, samen met Bosanemoon, Speenkruid en Muskuskruid.
Onder aan de helling, nabij een bosbeekje, vonden we nog Ruig hertshooi, voor zover bekend op een van zijn meest noordelijke groeiplaatsen voor ons land.

BosanemoonBosanemoon

 

18 april 1998: Bavegem en de Vlaamse Ardennen

Zoals elk jaar vervoegen wij gaarne minstens 1 maal onze vrienden van de WBN; die vond plaats op 18 april. De prachtige Vlaamse Ardennen... waar wij ver van huis de meest onverhoopte species willen leren kennen! Helaas is de Bavegemse omgeving nogal schamel bedeeld, en willen wij persé Paarse schubwortel, Gevlekt longkruid en Daslook zien. Zo stuurt Karel Dewaele ons naar een gekend bos achter Oudenaarde waar al onze wensen in vervulling gaan.

 

25 april 1998: De Donk in Hever

Het stemmige Hever ligt ten zuiden van de Dijle op een boogscheut van de stad Mechelen. Grote delen van het dorp zijn nog erg landelijk gebleven. Wij bezochten het oostelijk deel van het dorpscentrum en de erachter gelegen Donk. Dit gebied wordt gekarakteriseerd door een grote fossiele Dijlemeander, die van het einde van de laatste ijstijd dateert. Hever is aan de rand van deze meander ontstaan. De bodem bestaat er vooral uit lemige zanden. Op de oude muur rond het kerkhof vonden we Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) en Muurleeuwebek (Cymbalaria muralis). Aan de voet van deze muur stond het Kattekruid (Nepeta cataria) in bloei. De depressie van de meander is gedeeltelijk opgevuld met recente alluviale kleien, waarop zich een essenbos heeft ontwikkeld. De kruidlaag bevatte o.a. Boszegge (Carex sylvatica), Muskuskruid (Adoxa moschatelina) en veel Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus). In de struiklaag vielen Echte vogelkers (Prunus padus), Rode kornoelje (Cornus sanguinea) en Wilde kardinaalsmuts (Evonymus europaeus)op. Aan de westelijke rand van de meander kwam ijzerrijk kwelwater aan de oppervlakte en was de bodem erg drassig. Oeverzegge (Carex riparia) en Dotterbloem (Caltha palustris) bepaalden er het aspect. De brandnetels langs de beekoever zaten vol Groot warkruid (Cuscuta europaea).

DotterbloemDotterbloem


Na de middag exploreerden we de meanderkern, die uit zandig materiaal bestaat. Een groot deel ervan werd ingenomen door een park en aanplantingen van naaldhout en Amerikaanse eik. Hier en daar vonden we nog relicten van de ondergroei van de oorspronkelijke zure bossen: Bosanemoon (Anemone nemorosa) en Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis). Het bospad leidde ons langs een verlaten, ondergelopen zandgroeve. In het zure water konden we alleen knolrus (Juncus bulbosus) herkennen. Aan de rand van de plas waren nog een paar open plekken, waar de naakte zandgrond werd gekoloniseerd door Paashaver (Aira praecox), Buntgras (Corynephorus canescens) en Bochtige smele (Deschampsia flexuosa). Daartussen priemden de mooie witte bloempjes van het Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis).
Voor de volledigheid werd ook de spoorwegbedding in het westen van het hok onderzocht. Deze leverde ons fraaie vondsten als Kandelaartje (Saxifraga tridactilites), Ruige klaproos (Papaver argemone) en Akkerklokje (Campanula rapunculoides) op. Door enkele akkers met Klein bronkruid (Montia minor) bereikten we een weg die ons terug naar het dorpscentrum voerde. Onderweg noteerden we nog Vreemde ereprijs (Veronica peregrina) en één bloeiend Muizestaartje (Myosurus minimus), de laatste tussen het grind van een oprit!
Kortom: een rijkgevulde dag in een gevarieerde en ongetwijfeld nog onvoldoende onderzochte streek.

MuizenstaartMuizenstaart

Top januariapril – mei – junijuliaugustusseptemberoktober

 

2 mei 1998: Domein van Borgt / Brussegem

Het eerste weekend van mei bezochten we het domein van Borgt langs de vaart te Grimbergen. Het domein bevindt zich op een helling en bestaat overwegend uit bos, afgewisseld met nattere percelen moeras en elzenbroek. Het gebied is echter grotendeels verkaveld voor huizenbouw sedert de laatste inventarisatie (datum???) en plaatselijk opgehoogd of omgezet in parkgebied. Wij vonden er dan ook vooral resten van voorjaarsflora.
Bijzonder was wel een grote populatie van Pijlkruidkers langs de kanaaldijk, evenals de vondst van Rankende duivenkervel in een afsluiting langs de bosrand.
In de namiddag werd de omgeving van de Steenberg te Brussegem verkend. Het schitterende hellingbos dat we hier aantroffen bood het geschikte tegengif voor al de verkwanselde natuur die we in de voormiddag hadden moeten aanschouwen; massa's Daslook, Muskuskruid en Speenkruid, naast Groot heksenkruid, Reuzenpaardenstaart, Ruig klokje en Heggewikke in de bosrand.

 

4 mei 1998: Kernstad Antwerpen

Op 4 mei startten we met het grootse onderzoek van de kernstad Antwerpen, met dat hok dat de meeste bosflora zou kunnen bevatten. Hierin zijn het Hof Van Leysen en de 'natuurlijk' beheerde spoorwegberm gelegen. Van die dag af gaan we elke maandag, zo'n 25 maal, met een groep de stad in. Verslag van dit geheel geven we misschien in een apart artikel in Streepzaad 'Wilde planten in de oude stad van Antwerpen'. Meer dan 600 soorten werden aangetroffen, sommige nieuw voor België, andere voor het eerst in Antwerpen gezien.
Wat het meest opviel was de achteruitgang van de voorjaarsflora in de parken door het veiligheidsbeleid: uitkappen van de struiklaag voor voldoende zicht, bladeren blazen en paden spuiten met vergif. Positief is o.a. de vondst van Blaasvarentjes, Stalkruid, Bijenorchis en het gevoel opnieuw iets bij te dragen aan het natuurbesef in de Stedelijke sfeer.

 

9 mei 1998: Puurs en Sint-Amands

Te Puurs verkenden we op 9 mei het Tekbroek. Het kilometerhok bevond zich in een zeer afwisselend landschap, met een spoorwegberm, een oude omwalde burcht (midden '97 in pacht gegeven aan De Wielewaal vzw.), Akkers en een beek (de Vliet) met aangrenzend een broekgebied. Onze oogst was dan ook navenant verscheiden met o.a. Citroenmelisse, Fijne waterranonkel, Witte winterpostelein, Gevleugeld helmkruid en Kandelaartje.
In Sint-Amands bezochten we in de namiddag de Scheldedijk met aansluitend een gedeelte van de oude dorpskom. Bijzonderheden waren vooral Kalmoes (!), Spindotter en Ruwe bies in de buitendijkse zones, evenals een verwilderd exemplaar van Vederesdoorn tussen de beschoeiing, daarnaast diverse Wilgensoorten en hun bastaarden.

KandelaartjeKandelaartje

De dag werd afgesloten met een kort bezoek aan de fraaie groeiplaats van Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum) op het fort van Bornem, en aan het Orchisreservaat wat verderop met talrijke bloeiende Breedbladige orchissen (Dactylorhiza fistulosa).

 

16 mei 1998: Het Galgeveld te Stabroek, Kruisberg te Berendrecht

Op de grens van de Scheldevallei te Antwerpen liggen oorspronkelijke zandgronden, zowel in Stabroek, aan het Anti-tankkanaal, als in 'het grensoverschrijdend landschapspark' in Berendrecht. Hoewel de streek een rijk floristisch verleden kent was de zoektocht eerder bedroevend. De bossen zijn zodanig verminkt met exoten dat de meeste kruiden er het loodje bij hadden gelegd.

Het Galgeveld te Stabroek ligt dicht bij de Nederlandse grens en toonde op onze oude stafkaart nog heel wat boeiende landschapselementen. De waterplanten aan de Schans waren echter een grote verrassing. Callitriche platycarpa (Gewoon sterrekroos), Ceratophyllum demersum (Grof hoornblad), Elodea nutalii (Smalle waterpest), Potamogeton berchtoldii (Klein fonteinkruid), Potamogeton natans (Drijvend fonteinkruid), Scirpus fluitans (Vlottende bies) en Utricularia ssp. (Vermoed. Groot blaasjeskruid). stonden overvloedig in het stromende water. Er was nog steeds veel Osmunda regalis (Koningsvaren) en Carex pilulifera (Pilzegge) aan de westkant van de schans. In een verlaten maïsakker vonden we talrijke akkersoorten waaronder Alopecurus myosuroides (Duist), Anagallis arvensis subsp. arv (Rood guichelheil), Fumaria officinalis (Gewone duivenkervel), Lamium amplexicaule (Hoenderbeet), Erophila verna ssp v (Vroegeling), en Filago minima (Dwergviltkruid), de laatste nog steriel en met zo'n enorme afmetingen dat het de moeite loonde het in een bloempot mee te nemen en later in bloei te determineren. Senecio inaequidens (Bezemkruiskruid) en Senecio viscosus (Kleverig kruiskruid) waren een normaal aandeel van deze akkers. Soorten als Korensla hebben we niet meer gevonden...

Aan de rand van de begraafplaats vonden we nog mooie schrale graslandjes met veel Viola tricolor; na afplaggen door de Gemeentedienst groeiden hier slechts twee soorten: Calluna vulgaris en Polytrichum juniperinum.

's Namiddags onderzochten wij de 'dennenbossen' op en over de grens. Alles was er uitermate droog getrokken; van de vennetjes op de kaart geen spoor, tenzij uitgestoven en massaal begroeid met Spergula morisonii (Heidespurrie)... Als we 's avonds nog een koel glas bier gaan drinken ergens aan het antitankkanaal loopt één van ons over het water, niet ziende dat het groen tapijt Populuskatjes en Klein kroos is. Dat komt ervan als men planten alleen door een loep kan herkennen...

 

23 mei 1998: Balenbossen te Voortkapel (Westerlo)

De streek tussen Herentals en Westerlo is nog hoofdzakelijk een landbouwgebied, sterk be´nvloed door vroegere ruilverkavelingen. Tussen de kunstmatige weiden en akkers komen soms kleine bosjes voor, meestal recente aanplantingen van Canada's of Pijnbomen. Hier en daar komen nog restanten van oude bossen voor met een typische flora.

De streek is floristisch gezien erg slecht onderzocht (op de valleien van de beide Netes na); vandaar dat wij besloten om een gebied in de omgeving van de Balebossen te inventariseren.
Zoals verwacht werden weinig spectaculaire vondsten gedaan. Van de 171 aangetroffen soorten waren Melkeppe (Peucedanum palustre), Rankende helmbloem (Ceratocapnos claviculata) en Waterbies (Eleocharis palustris) de grootste uitschieters. Tenzij we de kleine Cannabis-plantage meetellen (2 plantjes, goed verstopt in het struikgewas, maar niet goed genoeg om aan de aandacht van de FON-leden te ontsnappen).

 

23 mei 1998: Oude omheiningsmuur van de abdij van Averbode

In de namiddag besloten we om de oude ringmuur rond de abdij van Averbode te bezoeken. Vooral de oostelijke helft van deze muur (in de gemeente Tessenderlo) is nog goed bewaard. Grote delen ervan waren weliswaar netjes opgekuist en van vegetatie ontdaan, toch waren er nog belangrijke delen overgebleven waarop zich een fraaie muurflora had ontwikkeld. Aan de zuidrand was er bv. een rijke groeiplaats van het Groot glaskruid (Parietaria officinalis). Verderop stond het prachtige Gewoon havikskruid (Hieracium lachenalii) massaal in bloei. Maar vooral de varens vielen op: naast de algemene Muurvaren vonden we veel Steenbreekvaren en Tongvaren (Asplenium ruta-muraria, A. trichomanes en A. scolopendrium). Ook Muursla (Mycelis muralis) was aanwezig.

 

30 mei 1998: Hoëgnevallei

Een eerste snoepreisje voor 1998 werd die zaterdag georganiseerd in de Hoge Venen, langs de rivier de Hoëgne. In een schitterend landschap met een afwisseling van Veldbies-Beukenbos, pijnboomplantages, hooiweiden en wijdse hoogveenvlakten, deden we vondsten als Kranssalomonszegel, Zevenster (!), Bergvenkel, Trosvlier, Bospaardestaart, Blauwe en Rode bosbes en Rijsbes.

Het hoogveen leverde ons pareltjes op als Liggende vleugeltjesbloem, Beenbreek, Veenpluis, Eénarig wollegras. Onze weg langs de Hoëgne leidde ons ook naar een kwelzone met daarin een klein blauwgraslandje met o.a. Waterdrieblad, Blauwe, Ster- en Snavelzegge, Blauwe knoop en Moerasviooltje. Het werd een ronduit overweldigende dag.

Top januariaprilmei – juni – juliaugustusseptemberoktober

 

6 juni 1998: Hobokense polder

Nadat in het verleden zowat alle kwartierhokken in Antwerpen-Zuid onder de loep zijn genomen, bezoeken we ten laatste twee km² van de Hobokense polder.

's Morgens doorkruisten we in de Scheldevallei de opgehoogde polder, de dijken, en het verlaten industrieterrein dat hierbij aansluit. In het opkomende wilgenbos troffen we Dactylorhiza fuchsii (Bosorchis) verspreid aan; diverse intermediaire vormen met Gevlekte orchis en een aantasting met verbruinde bloeiwijze is opvallend. Ze was talrijk aanwezig op open en licht beschaduwde plaatsen. In de depressies domineren ruige oevervegetaties. Scirpus tabernaemontani (Ruwe bies) was frekwent aanwezig in plassen, tezamen met Zannichellia pal. ssp. palust (Zittende Zannichellia) talrijk bloeiend in een ondiepe plas, met zaadzettende Callitriche truncata (Doorschijnend sterrekroos) in massa en Callitriche hamulata (Haaksterrekroos), Callitriche platycarpa, (Gewoon sterrekroos), Myriophyllum spicatum (Aarvederkruid), Potamogeton trichoides (Haarfonteinkruid) en Ranunculus trichophyllus (Kleine waterranonkel). Langs het wandelpad troffen we planten van kalkhoudende zomen aan: Agrimonia repens (Welriekende agrimonie) - mondelinge mededeling Wim Mertens - en Orchis militaris (Soldaatje) 1 ex. in onafgevoerd strooisel tussen Akkerdistel en Duinriet, uitgebloemd. Merkwaardige verwilderde soorten: Sorbus intermedia, en Marokaanse munt, zoals wij die aantreffen in de marktkramen van Noord-afrikaanse handelaars te Antwerpen. De bastaard Carex spicata x cuprina met loze urntjes baarde ons een tijd kopzorgen.

Gevleugeld helmkruidGevleugeld helmkruid

's Namiddags onderzochten wij de Scheldevallei verder: de dijken, de vijver en de Bospolder, een mislukt aanplantproject op scheldeklei, tot driemaal toe heraangeplant en thans verwilderd met exoten en spontaan wilgenbos. De kruidlaag is plaatselijk goed ontwikkeld. We vinden dit toch een hoopgevende evolutie van het aandeel natuurlijk bos: 10 m² Scrophularia umbrosa (Gevleugeld helmkruid) bloeiend, tesamen met Solanum dulcamara (Bitterzoet), Mentha aquatica (Watermunt) en Phragmites australis (Riet). Verderop groeiden ook enkele verspreid voorkomende exx. Gevleugeld helmkruid en Dactylorhiza fuchsii (Bosorchis). Op de Scheldedijk viel opnieuw de explosieve ontwikkeling van Japanse duizendknoop op. De dijkflora was zogoed als verdrongen. Scirpus tabernaemontani (Ruwe bies) groeide in de (vis)vijver, tezamen met bloeiende Myriophyllum (Aarvederkruid), Ranunculus trichophyllus (Kleine waterranonkel), Azolla filiculoides (Grote kroosvaren), Ceratophyllum demersum (Grof hoornblad), Lemna minor (Klein kroos) en Ranunculus circinatus (Stijve waterranonkel) en Crassula helmsii (Watercrassula) deels op de oever. Van deze laatste heeft prof. Lambinon ons gevraagd materiaal in te zamelen voor een uitgebreid onderzoek dat Juul zinnens is te verslaan voor Dumortiera. Trifolium micranthum (Draadklaver) was algemeen in een kortgemaaide pick-nickweide. Op de zeer schrale klei groeiden o.a Grijs kronkelsteeltje en Paashaver.

Merkwaardige verwilderde soorten: Hemerocallis sp. (een Daglelie) en Juglans regia (Okkernoot).

 

13 juni 1998: Hoge Zandvelden te Reet en Niels Broek te Niel

Zwarte gaten zijn een verplichte materie voor de doorwinterde strepers, wier moreel in zulks reeds gehard is. We kregen het gezelschap van de natuurwachter Frank Buysse en doorzochten dit verruigd landschap, haar maisakkers, haar verarmde bermen en de leeggeruimde bosjes.

Toch vonden we in een elzenbroekbosje talrijk Prunus padus (Echte vogelkers) en massaal Polygonum bistorta (Adderwortel). In de wegkant vonden we 5 exx Anthoxanthum aristatum (Slofhak). Langs de oude spoorweg groeide Coincya cheiranthos abundant.

Na een stevig middagmaal onderzoeken we het dijklandschap langs de Rupel: het Niels Broek. In buitendijks opgehoogd schor strepen we Sonchus palustris (Moerasmelkdistel) die met 20-30 exx onder aan de dijk langs de rietgordel aanwezig was. Potamogeton natans (Drijvend fonteinkruid) werd bloeiend aangetroffen in de aanspoelingsgordel; het betrof bijna zeker een aangespoelde plant. Op het slik groeiden in het Wilgenbos eveneens Apium graveolens (Selderij) en Callitriche stagnalis (Moerassterrekroos). Op de dijk werd nog Medicago x varia (Bonte luzerne) genoteerd naast een groepje Medicago sativa (Luzerne).

 

20 juni 1998: Molenbeekvallei te Meerbeek

Tussen Brussel en Leuven bevinden zich een aantal erg interessante beekvalleitjes met een rijke flora. De Molenbeekvallei is er daar één van. Op verschillende plaatsen komt hier kalkrijk kwelwater aan de oppervlakte, afkomstig uit diepergelegen Brusseliaanzanden. In het verleden hebben we al meermaals een bezoek aan dit valleitje gebracht. Nu inventariseerden we het gebiet ten noordoosten van de Meerbeekse dorpskom.

In het bos langs de beek richting Schoonaarde vonden we overgangen van het Alnopadion naar het Alnion. Tussen de dominante soorten als Heksenkruid (Circaea lutetiana), Gele dovenentel (Lamium galeobdolon) en Brandnetel (Urtica dioica) kwam de Eénbes (Paris quadrifolia) en de Slanke sleutelbloem (Primula elatior) overvloedig voor.

Slanke sleutelbloemSlanke sleutelbloem

Ter hoogte van het Plantsoen had zich een oud trilveen in de kwelzone ontwikkeld, bijna volledig begroeid met een oud Wilgenbroekbos. Op lichtrijke plekken kwam de Grote boterbloem (Ranunculus lingua) voor, samen met het Moerasstreepzaad (Crepis paludosus). De canada's zaten vol Maretakken (Viscum album), die door het dichte gebladerte moeilijk te ontdekken waren.

Moerasstreepzaad

Ten slotte dienen we nog de aanwezigheid van Liggend hertshooi en Fraai duizendguldenkruid (Hypericum humifusum en Centaurium pulchellum) te vermelden in een open grasland aan de rand van het hok (tegen het Meerbeekse dorpscentrum).

 

20 juni 1998: Kiekendel/Vijfwegen te Meerbeek

Ten zuiden van de Meerbeekse dorpskern strekt zich een fraai landbouwlandschap uit met akkers (vooral triticale, tarwe, gerst, haver en aardappelen) en weiden, waarin nog heel wat holle wegen en graften voorkomen. De wegbermen van de niet-verharde veldwegen droegen meestal een stikstofminnende vegetatie, doch hier en daar waren er nog relictpopulaties van Beemdkroon (Knautia arvensis), Echt walstro (Galium verum), Akkerhoornbloem (Cerastium arvense) en Korenbloem (Centaurea cyanus).

In een triticale-veld vonden we een populatie van de Stinkende kamille (Anthemis cotula).
Dat deze omgeving niet alleen floristisch interessant is bewijzen de waarnemingen van Koninginnepage, Kleine karekiet, Geelgors, Spotvogel en een ontsluiting in de zanden van Diest met talrijke fossielen.

 

Vrijdag 26 juni - maandag 29 juni 1998: weekeind in de Boullonais
(zie ook 25 juli 1998)

Vanuit ons basiskamp in de Manoir de Senlecques te Pernes-lez-Boulogne maakte de FON-groep gedurende 4 dagen het noordwesten van Frankrijk onveilig. Op basis van de stafkaart en onze bevindingen van vorig jaar hadden we een aantal excursiepunten geselecteerd. Ondanks de tegenslagen (ruim twee uur geblokkeerd op de snelweg door een gekantelde vrachtwagen, de weergoden waren ons soms wel érg slecht gezind) was het een geslaagd weekeinde. De gezellige sfeer te Pernes zat daar zeker voor iets tussen. De nachtelijke boomkikkerconcerten waren wel minder intens dan vorig jaar, doch dit jaar werden we "getrakteerd" op een broedend koppel boerenzwaluwen in een bijgebouwtje van de Manoir. Het waren zelf zeer beleefde boerenzwaluwen, want wanneer de kampeerders in het bijgebouwtje hun afwas gingen doen, bleef vader of moeder zwaluw rustig op het deurtje zitten tot ze weg waren, alvorens naar binnen te vliegen.

Elke avond werd er in een gezellige groepssfeer en bij een lekker glaasje wijn nagepraat over de voorbije dag.

 

26 juni (11.45 u - 13 u) en 29 juni 1998: strand en duinen van Les Hemmes de Marck

Tussen de Hooverhaven van Calais en het kleine dorpje Les Hemmes de Marck ligt een fraaie duingordel van ongeveer 4 km lang en 0,5 km breed. Dit complex wordt ten zuiden van het erachterliggende polderlandschap gescheiden door de Digue Taaf, die eerder het uitzicht heeft van een lange duinrug dan van een dijk. De polders, Les Anciennes Salines genoemd, worden doorsneden door de Digue Royale, een oude zeewering, en in het zuiden begrensd door het beboste duinmassief van Le Fort Vert. Deze ontkalkte duinen zijn de resten van een vroegere strandgordel, vergelijkbaar met die van Adinkerke - De Panne bij ons.

Langs de zeekant gaan de jonge duinen van Les Hemmes de Marck geleidelijk over in een zeer vlak en breed strand (tot 2 km breed ter hoogte van de Avenue de la Mer!). In de brede contactzone tussen strand en duin, waar van nature een slikke- en schorregordel zou voorkomen, werden tientallen plassen uitgegraven ten behoeve van de jacht. De meeste van die plassen waren via kleine kreekjes verbonden met het strand. Ze hadden dan ook een zilte flora, waarin o.a. zeekraal (Salicornia spec.) en verschillende kweldergrassen (Puccinelia div. spec.) opvielen. De uitgegraven grond tussen de plassen vertoonde gradiÉnten van droog/zoet naar nat/zout. Op de droogste delen ontwikkelde zich een duinflora met jonge liguster, duindoorn, echt walstro (Galium verum) en kruipend stalkruid (Ononis repens). Iets vochtigere plaatsen werden ingenomen door een open grazige vegetatie waarin overvloedig ratelaar (Rhinantus spec.) voorkomt. Opvallend was het groot aantal klaversoorten, waaronder draad-, liggende- en ruwe klaver (Trifolium micranthum en T. scabrum) goed vertegenwoordigd waren. Bochtige klaver (T. media, !), Aardbeiklaver (T. fragiferum) en Gestreepte klaver (T. striatum) waren wat minder algemeen. Op open zandige plekken was de Blauwe zeedistel (Eryngium maritimum) goed vertegenwoordigd, alsook de zeewinde (Calystegia soldanella), de zeeraket (Cakile maritima), het stijf hardgras (Catapodium rigidum) en de Lathyruswikke (Vicia lathyrus). Op de nattere delen langs de slenken bestond de vegetatie o.a. uit kweldergras (Puccinelia div. spec.), zeebies (Scirpus maritimus), zilte rus (Juncus gerardii), kwelder- en zilte zegge (Carex extensa en C. distans). Op kale plekken waren kromstaart en dunstaart (Parapholis incurva en P. strigosa) massaal aan het bloeien tussen het alom aanwezige melkkruid (Glaux maritima). Zilte en Gerande schijnspurrie (Spergularia salina en S. maritima), Obione (Halimione portulacoides), Gewoon en Fraai duizendguldenkruid (Centaurium erythraea en C. pulchellum), Zeevetmuur (Sagina maritima), Deens lepelblad (Cochlearia danica) en Zeepostelein (Honckenya peploides) werden eveneens opgetekend. Van Zeeweegbree (Plantago maritima) en Lamsoor (Limonium vulgare) werden slechts enkele exemplaren aangetroffen. In het vloedmerk vonden we nog Strandbiet (Beta maritima), Strandkamille (Matricaria inodora ssp. maritima), Schorrekruid (Suaeda maritima) en Loogkruid (Salsola kali).

De duinen zijn grotendeels door een jong duindoorn/ligusterstruweel bedekt, waartussen grote en kleine open plekken liggen. De begroeiing van die open plekken bestaat o. a. uit Zandzegge (Carex arenaria), Echt walstro (Galium verum), Kruipend stalkruid (Ononis repens), Klein- en Zanddoddegras (Phleum bertolonii en Phleum arenarium), Duindravik (Bromus thominei) Kruisdistel (Eryngium campestre), Kalkbedstro (Asperula cyanchica), Fijne kervel (Anthriscus caucalis), Walstrobremraap (Orobanche caryophyllea) en Kandelaartje (Saxifraga tridactylites).

Tegen de Digue Taaf liggen een aantal depressies, waarvan de oostelijke wordt ingenomen door een zilt grasland met o.a. Carex extensa. Meer naar het westen zijn de duinen wat breder en hoger, waardoor het water in de depressies tegen de dijk zoeter is. Eén van de uitgegraven plassen aan de dijk werd onderzocht. We vonden er een oevervegetatie van o.a. Waterbies (Eleocharis palustris), Oeverkruid (Litorella uniflora), Strandduizendguldenkruid (Centaurium littorale), Melkkruid (Glaux maritima) en Zeebies (Scirpus maritimus). De laatste twee wijzen erop dat het water van deze plas toch nog (zwak) brak is. In het water werden o.a. Waterranonkel (Ranunculus spec.) en Zanichellia palustris gevonden. Ter hoogte van deze plas werden op de Digue Taaf nog enkele prachtige bloeiende exemplaren van de Wegdistel (Onopordon acanthium) en de Knikkende distel (Carduus nutans) gezien.

 

26 juni 1998 (14.30 u. - 18. u.): kalkgraslanden en akkers te Escalles

Onze excursie vertrok op de parking van de Cran d'Escalles, het bekende droogdal tussen de Petit Blanc Nez en de Cap Blanc Nez. Cap Blanc Nez bestaat uit een massieve krijtformatie met steile hellingen, omgeven door lemige akkers en langs de zeekant abrupt eindigend in een steile klif, die tot 100 m boven de zeespiegel uitsteekt. Waar het krijt dagzoomt bestaat de vegetatie hoofdzakelijk uit kalkgraslanden, die meestal sterk verruigd zijn met Gevinde kortsteel. Het natuurlijk reliÉf en uitzicht van de kaap werd sterk gewijzigd in de tweede wereldoorlog, toen de heuvel werd omgebouwd tot een steunpunt van de Atlantikwal. Bunkers, sleuven en bomkraters accentueren er thans het landschap. Een grote parking met obelisk op de top ontsluit het geheel voor de dagjestoerist die massaal naar deze plaats komt afgezakt. Ondanks het drukke toerisme en de verruiging van het terrein is er floristisch nog heel wat te beleven. Vooral aan de randen van de paadjes, die blijkbaar af en toe worden gemaaid, komen heel wat kalkgraslandsoorten voor. Opvallend talrijk zijn bv. Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea) en Esparcette (Onobrichis viciifolia), terwijl ook Bitterling (Blackstonia perfoliata), Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca), Jeneverbes (Juniperus communis) en Bijenorchis (Ophrys apifera) gemakkelijk te vinden zijn. Een lijst van alle interessante soorten zou ons te ver leiden...

Bijzondere aandacht werd gespendeerd aan de akkers die het krijtmassief omgeven. Langs de rand ervan vonden we o.a. Spiesleeuwenbek (Kickxia elatine), Stijfharige klaproos (Papaver hybridum), Kleine wolfsmelk (Euphorbia exigua) en zelfs een kleine maar rijke groeiplaats van Ruw parelzaad (Lithospermum arvense).

Via de Mont D'Hubert (waar de kalkgraslanden begraasd worden) bereikten we het hoogste punt van de omgeving, de Noires Mottes. De top van de heuvel bestaat uit ijzerzandsteen en is waarschijnlijk even oud als de Diestiaanafzettingen van de Vlaamse Ardennen en het Hageland. Hier vinden we een zure vegetatie, grotendeels ingenomen door uitgestrekte gaspeldoornstruwelen (Ulex europaeus). Enkelen van ons daalden van daar af naar de grote waterplas tussen de Mont Roty en de Mont Fouret die ons weinig spectaculaire vondsten opleverde. Onderweg zagen we wel veel Keverorchis (Listera ovata) tussen het struikgewas. Vanaf de Noires Mottes daalden we vervolgens langs een veldweg af naar Haute-Escalles, en vonden er onderweg in de bermen enkele bloeiende Graslathyrussen (Lathyrus nissolia). Haute-Escalles bestaat uit enkele grote, oude boerderijen, die meestal opgetrokken zijn in natuursteenblokken (kalksteen uit de omgeving van Ferques of plaatselijke vuursteen), gemetst met leem. Een bouwwijze die in de streek rond Wissant trouwens veel voorkomt. In één van de voegen van zo'n bouwwerk vonden we Tongvaren (Asplenium scolopendrium). Rode spoorbloem (Centranthus ruber) stond er eveneens. Van daaruit belandden we weer op ons vertrekpunt in Escalles.

 

27 juni 1998: kustlandschap tussen Wissant en Tardinghen

Een daguitstap die de topper had moeten worden van ons Boullonais-weekeinde...
Maar de weergoden hadden er anders over beslist. Een groot deel van de tocht werd afgelegd onder een striemende regen en een ijskoude wind. Toch hebben we nog heel wat gezien. Het is dan ook een erg interessant gebied.

We vinden er nog mooie overgangen tussen het strand en de jonge duinen, waarin hier en daar kleine pannen uitgewaaid zijn, tussen de jonge duinen en het erachterliggende kustmoeras (deels ingenomen door grote vijvers, deels "wilde" weilanden en rietvelden), tussen het kustmoeras en de oude, ontkalkte duinen en de hoger gelegen, oude gronden. Een mooi uitzicht op dat alles heeft men vanaf het kerkje van Tardinghen en vanaf de Motte du Bourg.

We vertrokken vanaf de dijk in het centrum van Wissant, waar op het strand een turfbank dagzoomt. Deze turfblokken zijn niets anders dan de resten van een oud kustmoeras, dat door de zee overspoeld werd. Hier en daar zijn in de turflaag diepe gaten gespoeld, die krioelen van leven. Naast kleine visjes, zoals Zeenaald, jonge Platvis, Grondeltjes enz. werd onze aandacht vooral getrokken door de grote zeewieren, die hier in alle vormen en kleuren voorkomen. Je zou je voor minder tot de algologie bekeren!

Dan trokken we de Dunes d'Aval in, een jong duingebied met veel Zeewolfsmelk (Euphorbia paralias) en Fijne kervel (Anthriscus caucalis). Een belangrijk deel van dit duingebied wordt met de aanpalende verlaten grindgroeve beheerd als natuurreservaat door de gemeente Wissant. Een begrazingsproject was nog niet zo lang geleden opgestart. Wegens tijdsgebrek en de zware regenval konden we het uitgestrekte begraasde gebied slechts aan de rand bekijken. We vonden er vrij veel Watergras (Catabrosa aquatica) in de door dieren opengetrapte plekken. Op de oude, verzuurde duinen wisselden gaspeldoornstruwelen en struisgrasweiden (Met Eekhoorngras (Vulpia bromoides)) mekaar af. Een kleine sloot nabij de grindgroeve stond vol Dichtbladig fonteinkruid (Groenlandia densa). De waterplassen in de grindgroeve waren omzoomd met een brede gordel van Holpijp (Equisetum fluviatile) en Zwanebloem (Butomus umbellatus).

Normaal was het de bedoeling om door het duin- en moerasgebied richting Tardinghen te trekken, doch de moeilijke toegankelijkheid van het gebied en het tijdschema verplichtten ons om die afstand langs de grote baan af te leggen. Onderweg deden we dé vondst van de dag: een 20-tal ex. Bitterkruidbremraap (Orobanche picridis), die hier parasiteerde op Dubbelkelk (Picris echioides).

In de kalkrijke Dune du Châtelet te Tardinghen aangekomen vonden we veel Walstrobremraap (Orobanche caryophyllea), Liggende ereprijs (Veronica prostrata) en Wollige distel (Cirsium eriophorum). Het gebied is spijtig genoeg sterk aangetast door weekeindverblijven. Tamarisk staat er overal. Tegen het strand zagen we een klein duinpannetje met Greppelrus (Juncus bufonius ssp. ambiguus), Gewoon en Fraai duizendguldenkruid (Centaurium erythraea en C. pulchellum), Waterpunge (Samolus valerandii) en Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteo-album).

We bezochten ook nog enkele van de vele vijvers in het moerasgebied, waar we de prachtig bloeiende Zwanebloem massaal aantroffen, alsook een hele reeks andere soorten, zoals Watergras (Catabrosa aquatica), Zilte waterranonkel (Ranunculus baudotii), Kleine waterweegbree (Baldellia ranunculoides) en Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum); beide laatsten zowel in bloei als vruchtdragend. Landinwaarts gingen deze vijvers over in een Veldrusvegetatie met overvloedig Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa): een zee van witte bloemen!

De wandeling werd afgesloten met een tochtje over het keienstrand tot aan de beekmonding bij de Baraque Fricot. Daar stond de Gele hoornpapaver (Glaucium flavum) in volle bloei, en toen begon warempel even de zon te schijnen!

Als toemaatje reden we nog even naar de Cran aux oeufs te Audinghen, waar we bijna van de kliffen geblazen werden. In het bronbeekje, dat een prachtig "bronamfitheater" had uitgespoeld in de juragesteenten, vonden we een mooie groeiplaats van Lepelblad (Cochlearia officinalis), Wilde selder (Apium graveolens) en Witte waterkers (Nasturtium microphyllum). Het Engels gras (Armeria maritima) stond er in volle bloei.

 

28 juni 1998: Bois de Guines te Guines

Het Bois de Guines is één van de grote domaniale bossen in de Boullonais. Het bestaat zowel uit loofhout- als naaldhoutbestanden, die van mekaar gescheiden zijn door brandgangen en bospaden. Grote delen van het bos zijn oppervlakkig licht verzuurd, maar op sommige plaatsen bestaat de ondergroei uit kalkminnende soorten.

Nabij de parking achter de TGV-spoorwegsleuf vonden we meteen een bestand met veel Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Lievevrouwbedstro (Asperula odorata), Heelkruid (Sanicula europaea) en de tere Franse aardkastanje (Conopodium majus).

Langs de bospaden was natuurlijk ook van alles te zien: Ruig- en Kluwenklokje (Campanula trachelium en C. glomerata), Boslathyrus (Lathyrus sylvestris), Spekwortel (Tamus communis), Ruig en Fraai hertshooi (Hypericum hirsutum en H. pulchellum), Wollige distel (Cirsium eriophorum),... De talrijke Boshyacinten (Endymion non-scripta) bewezen het atlantische karakter van het bos. Orchideeën waren ook aanwezig, zij het niet overvloedig: naast een prachtige Bijenorchis (Ophrys apifera) bij de spoorweginsnijding, noteerden we nog Grote keverorchis (Listera ovata), Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii), Bergnachtorchis (Platanthera chlorantha), Bruine orchis (Orchis purpurea).

Op de terugweg in de late middag stopten we even aan de rand van een dolomietgroeve in de streek van Ferques-Marquise, een van de vele in de streek. Sommige van de verlaten winningen zouden ook floristisch erg interessant zijn, doch tijd voor een exploratie was er niet.

 

28 juni 1998: Pré Communal te Ambleteuse

Voor ons geen onbekend terrein, want we brachten vorig jaar reeds een blitzbezoek aan dit prachtige natuurgebied. De verwachtingen waren hoog gespannen en werden voor de ingang van het reservaat reeds gedeeltelijk ingelost door een Blauwe bremraap (Orobanche purpurea) in volle bloei, parasiterend op Duizendblad.

Het reservaat zelf bestaat vooral uit gedeeltelijk ontkalkte duinen, vooral begroeid met een Gaspeldoornstruweel (Ulex europaeus). In het zuidwestelijke deel zijn de duinen nog niet verzuurd, en komen een paar vochtige depressies voor die een klein duinbeekje voeden. Het gebied wordt sinds eeuwen begraasd, waardoor zich fraaie zeldzame vegetaties konden ontwikkelen. Door de microtopografie, het begrazingsbeheer en de specifieke geologische situatie wordt het gebied gekenmerkt door een opeenvolging van allerhande gradiënten van zeer droog naar zeer nat, van kalkrijk tot zeer zuur, van pioniersituatie tot struikgewas, van zonnig tot sterk beschaduwd, van begraasd tot onaangeroerd, van zeer voedselarm tot tamelijk voedselrijk... Onmogelijk op te noemen wat we er allemaal te zien kregen!

Toch kunnen we niet nalaten om het kleine duinbeekje te vermelden, waarin de Klimopwaterranonkel (Ranunculus hederaceus), het Groot bronkruid (Montia fontana), het Watergras (Catabrosa aquatica) en vele andere soorten te vinden zijn. Of de zeer kort begraasde duindepressies vol minuscule plantjes zoals Draadklaver (Trifolium micranthum) en Dwergbies (Scirpus setaceus). Of de kale duinhellingen met Kegelsilene (Silene conica) en Dwergviooltje (Viola kitaebeliana). Of de vochtige tredplaatsen met Teer guichelheil (Anagallis tenella). En natuurlijk mogen we het Bergvlas (Thesium humifusum) en de Stijve ogentroost (Euphrasia stricta) niet vergeten!

Kortom, een gebied dat een bezoek meer dan waard is.

 

Top januariaprilmeijuni – juli – augustusseptemberoktober

 

4 juli 1998: De Sneppelbeek en de Eesterbeek te Sint-Lenaarts.

Na de botanische overvloed in Frans-Vlaanderen was de belangstelling voor de Sneppelbeek en de Eesterbeek in St.-Lenaarts nogal laag. Met 5 man bezochten wij deze zwarte gaten in de geruilverkavelde en overbemeste zandstreek en ontdekten toch enkele restanten van vroegere nattere omstandigheden.

De uitspoeling van mest in de beken was overduidelijk. De bermen onder de eikendreef waren zelfs met herbiciden bewerkt. Tussen de mais troffen we nog restant aan van een elzenbroekje met een cultuurvorm van Ribes rubrum (Aalbes), grenzend aan een plasje met Nuphar lutea (Plomp). Eindelijk ontdekten we nog een plukje Teucrium scorodonia (Valse salie) en Sarothamnus scoparium (Brem): op een zandrug hoogte 22 m op het grondgebied Loenhout.

s' Namiddags, in het volgende zwarte hok, bezochten we een kasteeldomein waarin we nog Polygonum mite (Zachte duizendkoop) en Asplenium trichomanes (Steenbreekvaren) konden noteren. Op de oever van de vijver groeide Peplis portula (Waterpostelein) en Bidens tripartita (Veerdelig tandzaad). Alles was omgezet in maisakker, zo doods en triest dat de vondst van Lemna minor (Klein kroos) en Callitriche hamulata (Haaksterrekroos) in de eutrofe Eesterbeek nog een verrassing was. Hypericum hummifusum (Liggend hertshooi) vonden we op een inkuiling en ook op de slootkant...

 

11 juli 1998: Demervallei en Schaluin te Aarschot

Het landschap rond de stad Aarschot is de laatste jaren ingrijpend veranderd. Ten westen van de stad werd de prachtige Demervallei opgeofferd voor industrie. In het zuidoosten werd een grote parking en een aantal openbare gebouwen opgericht, terwijl in het noordoosten momenteel een grote woonwijk wordt uitgebouwd in de alluviale vallei.

Ons onderzoeksgebied strekte zich uit tussen de Demer in het zuiden, het Schaluin in het westen en de Dorenberg in het noordoosten. We startten onze excursie op het Schaluin, een stadswijk die reeds in de dertiende eeuw bestond.
De "stadsflora" was echter niet rijk bedeeld: we vonden slechts één muur met Muurvaren, en die bleek dan nog recent met herbiciden bewerkt te zijn. Tussen de straatstenen van een steegje vonden we Linze (Vicia lens) in bloei. Ook Vlas (Linum usitatissimum) en Aleppogierst (Sorghum halepense) werden genoteerd.

Na het Schaluin bezochten we de verkaveling van Bekaf, waar we tussen de nieuwe huizen nog enkele relicten van de vroegere beemden ontdekten. In de verruigde graslanden groeiden nog Melkeppe (Peucedanum palustre), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata) en Scherpe zegge (Carex acuta).

Op drogere zandgronden aan de voet van de Dorenberg vonden we Eekhoorngras (Vulpia bromoides), die in een schapenwei zelfs massaal aanwezig was. Ook Dreps (Bromus secalinus) kwam er veel voor op braakliggende akkers.
Een kleiige akker ten zuiden van de Dorenberg stond vol Oot, Evene (Avena fatua en A. strigosa), Stinkende kamille (Anthemis cotula) en Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum).

De Demerdijk leverde ons soorten als Marjolijn (Origanum vulgare), Gevlekte scheerling (Conium maculatum) en Groot warkruid (Cuscuta europaea).
In een vijvertje aan de Demer was Krabbescheer duidelijk opzettelijk geïntroduceerd. Verder noteerden we Okkernoot (Juglans regia) in het "vloedmerk" van de Demer en een fraaie groeiplaats van Rijstgras (Leersia oryzoides) in de monding van de Schoonhovenbeek. Deze groeiplaats was vorig jaar tijdens een Demerafvaart ondekt.

 

11 juli 1998: Haterbeek te Aarschot

Haterbeek is een oud Aarschots gehucht bij de grens met Rillaar. Het wordt omgeven door een kleinschalig landbouwcomplex met akkers, onverharde veldwegen, bosjes, boomgaarden, braaklanden en graften. De afwatering van het gebied gebeurt langs de Vliet, welke een sterk verval heeft en spijtig genoeg ook heel wat ongezuiverd rioolwater te slikken krijgt. De bodem bestaat vooral uit Diestiaanverweringszanden en zandleem.

De akkers in het zuiden van het hok dragen nog een interessante onkruidflora met veel Eénjarige hardbloem (Scleranthus anuus) en Dreps (Bromus secalinus). Een braakliggend perceel nabij de Vliet droeg een voor de streek typische struisgrasvegetatie, gekruid met o.a. Bosdroogbloem (Gnaphalium sylvaticum) en Eekhoorngras (Vulpia bromoides). Het deed ons plezier om hier ook nog Mannetjesereprijs (Veronica officinalis) te vinden, een soort die de laatste 20 jaar erg achteruitgegaan is in de westelijke Kempen en de aangrenzende gebieden. De kleine bosjes tussen de akkers waren niet erg soortenrijk, maar leverden toch nog Gele dovenetel (Lamium galeobdolon ssp. montanum) en Kleine maagdenpalm (Vinca minor) op. Onderweg deden we een interessante archeologische ontdekking, nl. de resten van een primitieve (middeleeuwse of oudere) ijzersmeltoven. Ook viel het ons op hoe sterk de hellingen hier aan erosie onderhevig zijn: op sommige plaatsen waren er erosiegeulen tot 50 cm diep in de velden uitgespoeld!

Rond het kasteeltje van Speelhoven (een middeleeuws leengoed) vonden we nog een aantal stinzeplanten zoals Geranium phaeum. Ten noorden van dit landgoed bestaat de bodem vooral uit droge, stenige zanden. De vegetatie wordt er vooral bepaald door uitgestrekte Vogelkersbosjes, die zich op voormalig akkerland hebben ontwikkeld. Op een braakliggend akkertje vonden we nog Boekweit (Fagopyrum esculentum) en zeer veel Bosdroogbloem (Gnaphalium sylvaticum). Dé verrassing was echter de vondst van Geel vingerhoedskruid (Digitalis lutea) in een kleine wijngaard aan de rand van het hok!

 

18 juli 1998: Messelbroek en Langdorp: Demervallei / Beemde

In het noordwesten van Messelbroek (thans een deelgemeente van Scherpenheuvel-Zichem) wordt het landschap bepaald door de Demervallei, die naar het zuiden toe geleidelijk overgaat in een zandige Diestiaanheuvelrug. Ons onderzoeksgebied lag bijna volledig in de Demervallei, waar de alluviale klei grotendeels als populierenplantage of akker in gebruik is. Op de drogere zandgronden ten zuiden van de vallei liggen enkele wegen met een ijle bewoning. Tussen de huizen komen kleinere akkers voor, die afgewisseld worden met braakland.

Eén van die akkertjes werd bezocht en leverde een rijke oogst aan akkeronkruiden: Akkerleeuwenbek (Antirrhinum orontium), Dreps (Bromus secalinus), Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum) en vele andere. Op een mesthoop groeiden naast enkele ganzevoetsoorten (Chenopodium ficifolium, C. polyspermum,...) ook nog een exemplaar van het Gingelikkruid (Guizotia abysinica).
Waar de wegbermen bestonden uit open, los zand werd de vegetatie gedomineerd door Hanepoot (Echinochloa crus-gali) en vooral door Harig en Glad vingergras (Digitaria sanguinalis en D. ischaemum). Hiertussen stond soms Straatliefdegras (Eragrostis poaoides).

In de Demervallei aangekomen, volgden we de Laarbeek enkele honderden meter stroomopwaarts. Deze beek is een echte open riool, welke het afvalwater van heel wat woonkernen naar de Demer voert. Er werden dan ook weinig vondsten gedaan.
Wat verder lag er een klein graanakkertje tussen de populieren, aangelegd ten behoeve van de jacht. De ingezaaide tarwe was op sommige plaatsen geheel overwoekerd door oot (Avena fatua) en vooral Dreps (Bromus secalinus).
Een drooggevallen zijtak van de Laarbeek werd over een afstand van enkele honderden meter onderzocht, samen met een tweetal sloten die erin uitmondden. Op de oevers vonden we Scherpe zegge (Carex acuta) en op twee plaatsen in de bedding zelfs rijstgras (Leersia oryzoides)! Twee soorten Sterrekroos (Callitriche hamulata en C. platycarpa) werden aan de hand van hun vruchtjes gedetermineerd, terwijl ook nog een kleine groeiplaats van Waterpostelein (Peplis portula) kon worden ontdekt. Spijtig dat het grootste deel van deze sloten in de schaduw van de populierenaanplantingen lag en dat hun bedding bijna volledig bedekt was met een vrij dikke sliblaag.
Hoe dan ook, de enkele vondsten die we er deden bewijzen de potentiële waarde van het gebied. Wanneer de Laarbeek ooit afgekoppeld wordt van het rioleringsnet, kan ze qua natuurwaarde misschien gaan wedijveren met de nabijgelegen Weerderlaak...

Na de middag werd de overzijde van de Demer op Langdorps grondgebied geprospecteerd. Aan de noordrand van het kilometerhok lag een zandige donk, die grotendeels werd ingenomen door weekeindverblijven.
Aan de rand van één van deze vijvertjes werd het zeldzame Dwalend kruiskruid (Senecio aquaticus var. pennatifidus) gevonden. Het betrof hier slechts één plant van ongeveer 70 cm hoog; door zijn rijkelijke bloei konden we er niet naast kijken. Ook Oeverzegge (Carex riparia) was aanwezig.

De Demerdijk werd over een afstand van ong. één km gevolgd. Een interessant fenomeen zijn de jonge oeverwalletjes, die de rivier aan het opwerpen is (waarschijnlijk als protest tegen het strakke keurslijf van steenblokken en hoge dijken dat haar enkele jaren geleden door het SIGMA-plan werd aangetrokken). Boven op deze oeverwalletjes ontwikkelt zich een vegetatie waarin vooral Gevlekte scheerling (Conium maculatum) en Kaardebol (Dipsacus fullonum) opvallen. Spijtig genoeg waren de dijken pas gemaaid. Toch konden we tussen het maaisel nog een groot exemplaar van het Vijfdelig kaasjeskruid (Malva alcaea) ontdekken.

Tot slot werd de onkruidflora van enkele graanvelden onderzocht, die op Dreps (Bromus secalinus) na weinig bijzonderheden bleek te bevatten. Toch was er nog een perceel waarin we naast gewone haver (Avena sativa) een grote hoeveelheid Oot (Avena fatua) en Evene (Avena strigosa) konden determineren. Evene viel tussen de Oot vooral op door de latere bloei (Evene begon pas te bloeien, terwijl Oot reeds rijpende vruchten droeg) en door de veel fijnere bouw van de aartjes.

Op de terugweg naar de wagens vonden we in een aangrenzend hok nog Franse boekweit (Fagopyrum tataricum) in een boekweitveldje. Op verschillende plaatsen troffen we trouwens niet-commerciële teelten aan van tarwe, boekweit, zonnebloemen enz. ten behoeve van de jacht. Meestal gaat het om kleine stroken tussen de bomen. Met deze teelten worden ongetwijfeld ook vreemde, voor de Demervallei nieuwe soorten ingebracht. Een te volgen evolutie!

Ons middagmaal hadden we verorberd in een cafeetje in het stemmige Testelt, waar we door de waardin vergast werden op een pak chocoladewafeltjes. In het centrum van het dorp werden een paar oude muren bekeken, en niet zonder succes: Muurvaren en Steenbreekvaren (Asplenium ruta-muraria en A. trichomanes) werden opgemerkt, alsook een zeldzame ondersoort van de Eikvaren (Popypodium vulgare subsp. prionodes).

 

25 juli 1998: Boullonais – (zie ook 26 juni-29 juni 1998)

Op algemeen verzoek werd de geplande excursie naar Noorderwijk en Tongerlo uitgesteld. In plaats daarvan werd nog een extra bezoek aan de streek rond Wissant in Noord-Frankrijk gebracht.
Zo bezochten we nogmaals het kustlandschap in Les Hemmes de Marck, waar we met enkele naslagwerken in de hand de determinatiekenmerken van Parapholis incurva en P. strigosa in het veld trachten te bestuderen. Daarbij bleek al snel dat beide soorten niet zo gemakkelijk uit mekaar te houden zijn! Het merendeel van de gecontroleerde planten op deze groeiplaats behoren alleszins tot Parapholis incurva.

Het middagmaal werd genuttigd in de Cran aux oeufs te Audinghen. In tegenstelling tot ons vorig bezoek was het prachtig weer. We vleiden ons neer in het gras tussen de bloeiende Aarddistel (Cirsium acaulon), het Engels gras (Armeria maritima) en een ondersoort van de Wilde peen (Daucus carota subsp. gummifer). Een steile afdaling langs het beekje bracht ons naar de onderkant van het klif, waar we veel Zeevenkel (Crithmum maritimum) vonden. Het kostte ons weinig moeite om de bekende groeiplaats van Kliflamsoor (Limonium binervosum) terug te vinden. In tegenstelling tot wat we lazen in enkele excursieverslagen, vonden we deze soort niet alleen onder overhangende rotsblokken bovenaan de klif, maar overal waar de jurazanden en -zandstenen dagzomen.

Na de middag werd een bezoek gebracht aan de krijtkust tussen Cap-Blanc-Nez en Sangatte. Onze excursie startte aan de grote parking op de top van Blanc Nez. We exploreerden de kalkgraslanden langs de noordzijde van de top en vonden er heel wat mooie dingen. Vergeleken met ons bezoek van enkele weken geleden waren vele soorten al uitgebloeid. Eén van de opmerkelijkste vondsten was wellicht die van de Duitse gentiaan (Gentianella germanica), welke spijtig genoeg nog niet in bloei stond.

Net als vorige keer hadden we een bijzondere aandacht voor de akkers die het krijtmassief omgaven. En terecht, want na enkele honderden meters stootten we op een rijke groeiplaats (meer dan 100 ex.) van Naaldekervel (Scandix pecten-veneris), een soort die bij ons nagenoeg verdwenen is. Wat verderop ontdekten we het Klein spiegelklokje (Legousia hybrida), Spiesleeuwenbek en Eironde Leeuwenbek (Kickxia elatine en K. spuria), netjes bij mekaar op een groeiplaats van 0,5m² ! Op een braakliggende akker stond de Klavervreter (Orobanche minor) nog precies op dezelfde plaats als waar we hem vorig jaar al hadden gevonden. Enkele honderden meter meer naar het noorden ontdekten we nog een rijkere groeiplaats van deze soort aan de klifrand.

Via het dorpscentrum van Sangatte bereikten we het strand, dat we volgden tot aan Cap-Blanc-Nez. In Sangatte bestaan de kliffen uit losse sedimenten (grind, zand, leem), welke oude strandafzettingen zouden zijn. Tussen de rolkeien aan de voet ervan stond de Zeekool (Crambe maritima) te pronken. Na ongeveer één kilometer gaan deze strandafzettingen bruusk over in een krijtformatie. Het is een oude, fossiele klif die hier in doorsnede te zien is. Op de krijtpuinhellingen groeide de Wilde kool (Brassica oleracea ssp. oleracea) overvloedig. Ons gesnuffel op het strand werd aandachtig gadegeslagen door talrijke meeuwen die hier broeden op de steile rotsen.

 

Top januariaprilmeijunijuli – augustus – septemberoktober

 

1 augustus 1998: Vegetatiezones in de Demervallei te Betekom

De Demervallei tussen Betekom en Aarschot werd reeds herhaaldelijk door FON bezocht. Doel van de dag was niet het maken van een streeplijst, doch een rudimentaire beschrijving van de vegetatiezones te maken die we tegenkwamen op een strook van een paar honderd meter lang ter hoogte van het Kasteel van Nieuwland.
Het transect was zo uitgekozen, dat zowel de oude Demerdijk (voor 1980), een oude meander (idem), de Nieuwe dijken en de Nieuwe Demer konden worden onderzocht.

Het gebied heeft een grote natuurwaarde, doch het ziet er naar uit dat belangrijke vegetaties zonder beheer op relatief korte termijn dreigen te verdwijnen.
Dit is o.a. het geval voor de smalle oeverstrook met wisselende waterstand in de oude meander. De fraaie groeiplaatsen van Rijstgras (Leersia oryzoides), Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis) en Bruin cypergras (Cyperus fuscus) zijn thans reeds tot kleine relictpopulaties herleid door de oprukkende verbossing van de oeverzone met Zwarte els. Bruin cypergras, dat hier nooit algemeen aanwezig was, hebben we zelfs niet meer teruggevonden.
Ook de warmte- en kalkminnende dijkflora met veel Marjolein (Origanum vulgare) en Mottenkruid (Verbascum blattaria) komt slechts op één plaats op de oude dijk goed ontwikkeld voor.
Opmerkelijk was ook de verarming van de flora van de Nieuwe Demer, een vaststelling die we vorig jaar reeds deden. Vier jaar geleden stond de rivier vol Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), Kleine egelskop (Sparganium emersum) en Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans); net als vorig jaar hebben we die soorten hier niet meer gevonden. Een evolutie die zeker in de gaten gehouden moet worden!

 

8 augustus 1998: Oostereinde, de Bollekens en Leembeek te Meerle

Deze dag onderzochten we opnieuw zwarte gaten, nu op de Nederlandse grens. Juul was de klos. We waren die dag maar met driëen en ontdekken de omgeving in drie km².

In Meerle-Leembeek gingen we langs akkers naar een bos waar we noteerden dat Populus x euram-, Picea-, Laricio- en Pinus nigraplantages enkel bramen en storingen bevatten. Fagus verwilderde uit oud bestand laanaanplant. De sloten stonden droog op -1.75 m. We troffen nog een dode Robinia-(locusta?) plantage aan op voormalige Quercus rubra-plantage. Spijts aandachtig zoeken werd in deze km² zelfs geen Teucrium scorodonia aangetroffen. Op een taludje (NL) staan schraallandplanten met o.a. Scleranthus annuus.

In Meerle-Oosteneinde is de grensbeek zeer diep uitgegraven. Als enige freatofyten zien we Phragmites (Riet) en Salix cinerea (Grauwe wilg) standhouden. De depressie op de kaart was enkel een droog soortenarm weiland. Net buiten het hok vonden we een 10-tal planten Sanguisorba officinalis (Grote pimpernel), waarvan herbariummateriaal en foto's te vinden zijn bij Kris Symons.

Daarna bezochten we in Meerle de 'Bollekens', een voorheen natte streek, ontwaterd met sloten tot 1.70 m diep. Alle freatofyten staan in relictsituatie, plaatselijk sterven de stekelvarens Dryopteris dilatata en carthusiana zelfs af. Het bos bestaat uit Pinus sylvestris met opslag van Betula, door ontwatering sterk verbraamd. Carex acutiformis (Scherpe zegge) staat als relict in sloten en pijnbos. Lemna minor vinden we samen met een Groene kikker in een betonnen waterput met waterpeil -1.50 m. In de gescheurde graslanden ligt een depressie met Chenopodium glaucum en Amaranthus retroflexus. Meer valt er over deze zwarte gaten niet te vertellen.

 

14 augustus 1998: Petroleum-Zuid te Antwerpen

Aangezet door een brandend verlangen Corrigiola litoralis (laatst 1993) terug te vinden doorzochten we het Vormingsstation Kiel tot in alle hoeken. maar Riempjes zijn er niet meer te zien. Teneinde het vermoeden van Sagina maritima (Zeevetmuur), ons bekend uit Frans-Vlaanderen, op de Scheldedijken en kaaien uit te sluiten gingen we op zoek naar vers materiaal voor de Plantentuin. Helaas werden de planten die in de vroege zomer zo typisch leken niet meer gevonden. Wel troffen we de aandachtssoorten Apium graveolens (Selderij) en Herniaria hirsuta (Behaard breukkruid) frekwent aan, benevens merkwaardigheden als juveniele Pyrus communis (Gekweekte peer) in braamopslag, en Parthenocissus inserta (Valse wingerd) op vele plaatsen, Sorbus intermedia zoals in heel de haven en verwilderde Klaproosplanten Papaver somniferum.

 

15 augustus 1998: De Langdonken in Herselt

De Langdonken liggen in een uitgestrekt vlak gebied, dat in het zuiden begrensd wordt door de duingordel van Langdorp-Gijmel, en in het oosten, noorden en westen door de Diestiaanheuvels van Herselt en Ramsel. Een belangrijk deel van deze vlakte watert af via de Herseltse Loop, die meteen ook de zuidgrens van de Langdonken vormt.

Een groot deel van de Langdonken wordt ingenomen door weekeindverblijven, die vooral sinds enkele jaren meer en meer voor permanente bewoning worden benut. Naast problemen op vlak van ruimtelijke ordening zorgt deze situatie voor heel wat bijkomende milieuoverlast (lawaaihinder, watervervuiling, massale introductie van exotische planten). Een knap staaltje van floraintroductie vonden we in een sloot naast een huis-annex-vijvertje, waarin reeds Slangenwortel (Calla palustris) en Groot waterlepeltje (Ludwigia grandiflora) verwilderd waren. Veel meer plezier beleefden we aan vondsten van Donkergroene basterdwederik (Epilobium ) in een grachtkant, Waterbies (Eleocharis palustris) in de Herseltse Loop en enkele exemplaren Blauwe knoop (Sucissa pratensis) in de bermen van de Albertdreef. Via die dreef bereikten we het westelijke deel van de Langdonken, dat veel minder sterk geschonden is en grotendeels als natuurreservaat wordt beheerd.

Op een terrein dat vorig jaar geplagd was vonden we bv. Trekrus (Juncus squarrosus), Dopheide (Erica tetralix), de samengetrokken vorm van Veelbloemige veldbies (Luzula multiflora congesta) en Liggende vleugeltjesbloem (Polygala serpylifolia). Een aangrenzend perceel was dit jaar machinaal geplagd. De naakte bodem werd er gekoloniseerd door Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia), die er vaak aspectbepalend is. Minder talrijk waren o.a. Ronde en Kleine zonnedauw (Drosera rotundifolia en D. intermedia) en Klein glidkruid (Scutellaria minor). In het zuidoosten van het reservaat bezochten we een riet/zeggemoeras, dat sterk aan het dichtgroeien was met wilgen. Op de open plekken vonden we nog Draad- en Stijve zegge (Carex lasiocarpa en C. hudsonii), Wateraardbei (Comarum palustre) en Poelruit (Talictrum flavum). Wat verderop lag er een open heideveldje dat ook gedeeltelijk geplagd was. We hadden de indruk dat hier veel te snel op dezelfde plaats wordt geplagd en ook veel te diep, want van de vele (erg) zeldzame soorten die we hier in het midden van de jaren vonden (zoals Dwergvlas, Teer guichelheil, Klokjesgentiaan, Pilvaren, Kruipende moerasweegbree) was niets meer te bespeuren. Wél zagen we Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), een soort die we toen niet aantroffen.

De resterende tijd was te kort om nog een nieuw gebied te gaan inventariseren. Daarom besloten we om een aantal andere beheerde terreinen in de Langdonken te gaan bekijken. We waren aangenaam verrast om de kleine groeiplaats van de Grote watereppe (Sium latifolium) in een gemaaid rietland terug te vinden. Het vennetje in het noorden van het reservaat herbergde nog steeds een populatie Blaasjeskruid (Utricularia australis), terwijl de Spaanse ruiter en de Klokjesgentiaan het eveneens nog uitstekend doen in het piepkleine gemaaide blauwgraslandje. Ook Galigaan (Cladium mariscus) en Kleinste egelskop (Sparganium minimum) waren nog aanwezig, doch ook hier waren heel wat zeldzaamheden verdwenen (Pilvaren, Ondergedoken moerasscherm, Kleine en Kruipende waterweegbree, Moerassmele, Teer guichelheil, Moerashertshooi,...). Al bij al lijkt het ons nuttig (en zelfs nodig!) om de invloed van de beheerswerken op de flora eens grondig onder de loupe te nemen en na te gaan wat er kan gedaan worden om de "verdwenen" soorten weer terug te krijgen en de resterende zeldzaamheden voor verdwijning te behoeden.

 

22 augustus 1998: De Schrieken te Vlimmeren

Het was weerom een lange rit naar de Kempen te Vlimmeren, waar Juul met ons de terreinen van de AMINAL Afdeling Natuur bezocht, in navolging van de Nederlandse onderzoeken uitgevoerd in 1997.

De Schrieken zijn een oud hooilandencomplex, thans met opkomend wilgen- en berkenbroek, ruige rietlanden, natte gemaaide graslanden. Het was al laat in het jaar voor dit onderzoek.
We vermeldden alleszins Osmunda regalis (Koningsvaren) in Carex acutiformisrijk berkenbroek, Rhinanthus angustifolium ssp grandiflorus (Grote ratelaar) en het vrij frekwente Melampyrum pratense (Hengel). Voorts was Saponaria officinalis (Zeepkruid) aanwezig met gevulde bloemen.
In het tweede km-hok troffen wij een jong biotoop na uitgebreide plag aan, benevens bemeste graslanden onder begrazing met paarden.
Apart vermeldden we Malva moschata var. alba (Muskuskaasjeskruid), Tanacetum parthenium (Moederkruid), Borago officinalis (Bernagie), allen sporadisch aangetroffen op een zandweg op enige afstand van elkaar.

 

29 augustus 1998: Neteafvaart te Oosterlo

Wegens het slechte weer en de hoge waterstand uitgesteld tot een volgend jaar.

 

Top januariaprilmeijunijuliaugustus – september – oktober

 

5 september 1998: Willebroek - omgeving vroegere cokesfabrieken

Tijdens onze eerste uitstap van de maand september, bezochten we het kilometerhok met daarin de (sterk vervuilde) terreinen van de vroegere Willebroekse cokesfabriek, gelegen langsheen de A12.
Reeds tijdens het wachten 's morgens op de deelnemers aan de kerk van Willebroek, deden enkelen onder ons dé ontdekking van misschien wel het hele seizoen, nl. een groeiplaats van Zwartsteel op de oude kaaimuur van het Kanaal Brussel-Willebroek.

Het hok zelf bleek een zeer uitgebreid aantal biotopen te bevatten, met o.a. weiland en akkers, een spoorweg, straten, een opgehoogd "natuurlijk" gedeelte, een vijver en oude fabrieksterreinen. Besloten werd dan ook om in de namiddag hier verder te strepen, teneinde zeker niets te missen.
Bijzonderheden waren o.a. Gevlekte scheerling, Kruidvlier en Kransnaaldaar langs het trottoir en Liggend hertshooi op het spoorwegemplacement van het station van Willebroek. Het oude spoor langs de A12, zijde Ruisbroek herbergde één exemplaar van Grote Leeuwenbek.
's Namiddags bezochten we de zwaar verontreinigde terreinen van de vroegere cokesfabriek.
We vonden de "klassieke" Chenopodiaceae van zulke verlaten gronden, de Mel-, Stippel-, Rode, Zeegroene en Welriekende Ganzevoet en de twee Meldes. Daarnaast een exemplaar van de Bleekgele droogbloem.

Het minst verwacht was echter de mooi ontwikkelde varenflora die we aantroffen op de beschaduwde en verregende muren van de werkplaatsen: Mannetjes- en Wijfjesvaren, Steenbreekvaren en zelfs Tongvaren en een mooi ontwikkeld exemplaar van Gewone eikvaren vielen ons ten deel.

De dag werd afgesloten met een kort bezoek aan een adventiefterreintje van Voeders Mariman aan het Kanaal te Willebroek. Ook hiervan werd een beknopte lijst opgemaakt met o.a. Veldwarkruid, Sofiekruid, Pluimgierst en Esdoornganzevoet.

 

12 september 1998: bezoek aan het Wik en de Maten te Genk.

De plaatselijke gids nam ons die morgen mee naar het Wik, gekend van de talloze oever- en waterplanten die er in het oude vijvercomplex voorkomen. Er werden losse nota's gemaakt van al het moois, zoals Eivormige en Naald waterbies, Moerasbasterdwederik, Matten- en Vlottende bies, Pilvaren en Loos blaasjeskruid, de overvloed aan Ondergedoken moerasscherm, maar er werd vergeefs gezocht naar Baldellia.
De vijvers zeker waren aan een ontslijking toe, gezien de zeldzaamheden in dit reservaat gebonden zijn aan minerale waterbodems. Drietalllig en Gesteeld glaskroos werden nog terug gevonden in een dikke sliblaag. Ook stelden wij het afbranden van (beschermd Veenmos onder) nutteloze Zwarte els-bosjes langs de weg vast, terwijl meerdere verlande vijvers nog vol Els stonden.
Aan de oevers groeiden Rijstgras en merkwaardige vormen van Wijfjesvaren, Stijve zegge en Pluimzegge. Er waren alleszins reeds grootschalige werken aan de gang: op de kale oevers verscheen opnieuw Waterscheerling.
In de bosjes rond de vijvers was een omvormingsbeheer gestart na het bestrijden van Amerikaanse vogelkers: aanplantingen van andere exoten waaronder Linde en Beuk. Bezemkruiskruid is ook hier een algemene verschijning tussen Valse salie, Lijsterbeszaailingen en Schapezuring. Er groeide heel wat Eikvaren in de wegkant, een beeld dat zeldzaam is geworden.

's Namiddags trokken we de Maten in: voor ons één van de mooiste heiden aan die kant van het land. In de begraasde percelen troffen we Klokjesgentiaan, Moeras- en Liggend hertshooi, Moeraswolfsklauw, Borstelbies en Blauwe knoop aan. Ook het Honds- en het Moerasviooltje handhaafden zich. Veel van zulke zaken hadden zich teruggetrokken onder de bescherming van doornstruweeltjes of verschenen in trapgaten en piepkleine geplagde stukjes.
Langs de vijvers, waar ook her en der was geplagd verscheen Waterscheerling, maar ook Draadrus, Kleine en Ronde zonnedauw, Geelgroene en Blauwe zegge. Rijstgras en Stijve zegge, Gesteeld glaskroos, Mattenbies en Heen: het stond er allemaal. In 1999 willen we zeker een gedetailleerde lijst maken in het begraasde deel. De evolutie is er schitterend.

 

19 september 1998: Antwerpse Haven

Die zaterdag vulden wij het 'stadonderzoek te Antwerpen' verder aan met een excursie aan de Royerssluis en omgeving.

Zoals in bijna elk hok van de kernstad, bood een oude kade hier wéér een groeiplaats van Asplenium scolopendrium.
Storingssoorten op een vaag terrein waren Rorippa sylvestris (Akkerkers), Bidens tripartita (Veerdelig tandzaad), Chenopodium rubrum (Rode ganzenvoet), Rumex palustris (Moeraszuring) en Gnaphalium luteoalbum (Bleekgele droogbloem).
Zeeduinplanten hadden zich goed ontwikkeld, zoals Atriplex littoralis (Strandmelde) en Salsola kali subsp. kali (Stekend loogkruid) boven het vloedmerk. In dezelfde zonaties zagen we Aster tripolium (Zulte) benevens de kwelderplanten Plantago coronopus (Hertshoornweegbree), Scirpus maritimus (Heen) en de waterplanten Ceratophyllum demersum (Grof hoornblad), Elodea nutalii (Smalle waterpest), Lemna gibba (Bultkroos), Lemna minor (Klein kroos), Lemna trisulca (Puntkroos), Potamogeton pectinatus (Schedefonteinkruid). Ongetwijfeld heeft de recente overstroming heel wat waterplanten meegevoerd tot in de hier toch al wat brakke Schelde.
Naast de Rietkraag met Phragmites australis (Riet) en Scirpus tabernaemontani (Ruwe bies) ontdekten we nog Apium nodiflorum (Groot moerasscherm), Phalaris arundinacea (Rietgras), Sagittaria sagittifolia (Pijlkruid), bloeiende Veronica anagallis-aquatica ssp aquat (Rode waterereprijs) en Stachys palustris (Moerasandoorn).
Ruwe stookolie had vele planten bedekt. Naast een hele reeks planten van bemeste graslanden troffen we ook soorten van schrale zuurdere graslanden aan.

In de grasperkjes rond de sluizen en op de dijken van de Schelde noteerden we o.a. Cynodon dactylon (Handjesgras), Erodium cicutarium ssp cic (Gewone reigersbek), Hieracium pilosella (Muizeoor), Sedum acre (Muurpeper), en de eerder kalkgerichte soorten Picris hieracioides (Echt bitterkruid) en Poa compressa (Plat beemdgras).

MuizenoorMuizenoor

Op de kaaien vonden we een overvloed aan merkwaardigheden, waarvan het merendeel goed ontwikkeld. Amaranthus albus (Witte amarant), Ammi majus (Groot akkerscherm), Bassia scoparia (Zoutkruid), Borago officinalis (Bernagie), Cichorium endivia (Andijvie), Eleusine indica (Plat handjesgras), Guizotia abyssinica (Gingellikruid), Helianthus annuus var. macrocarpus (Gewone zonnebloem), maar ook Malva pusilla (Rond kaasjeskruid), Medicago x varia (Bonte luzerne), Melilotus indica (Kleine honingklaver).
Betrekkelijk nieuw voor ons was Ornithopus sativus (Serradelle) en Pisum sativum ssp. arvense (Velderwt), maar ook prachtig bloeiende Salvia reflexa en Sisymbrium orientale (Oosterse raket). Mycelis muralis (Muursla) is ook hier een algemene verschijning op droge substraten, evenals Herniaria hirsuta (Behaard breukkruid).

Door de adventiefmicrobe gebeten bezoeken we nog Sobelgra waar we vooral de enorme verschijning van Chenopodium muralis (Muurganzevoet) onthouden - 1 blad is al een herbariumpagina gevuld-, maar ook Artemisia biennis, Senecio squalidus, (Glanzend kruiskruid), Galium spurrium (Akkerwalstro), Bromus carinatus en een afschuwelijke stank ondanks de aanhoudende stortvlagen.

 

26 september 1998: stadskernonderzoek te Lier

Onder een stralende hemel trok de FON-ploeg het noordoostelijke deel van de Lierse stadskern in. Eerst werden de boorden van de omleiding van de Kleine Nete onderzocht, wat enkele grote exemplaren van het Groot akkerscherm (Ammi majus) opleverde. Ook enkele Naaldaar- en Sorghosoorten werden genoteerd (Setaria pumila, S. viridis, S. italica, Sorghum bicolor en Sorghum halepense).
De grote overstromingen van de voorbije dagen en de hoge waterstand bemoeilijkten het onderzoek naar waterplanten. Toch konden we nog Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrrhiza), Gedoornd hoornblad (Ceratophyllum demersum) en Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus) herkennen.
Enkele oude muren stonden vol Muurvarentje (Asplenium ruta-muraria), terwijl tegen een paar oude huizen Muurhavikskruid (Hieracium murorum) werd gevonden.

Bij de Kleine Nete aangekomen, bleek onze stafkaart niet meer up to date te zijn: de rivier was sinds 1970 meer naar het oosten verlegd. We volgden de oude, afgesneden arm tot voorbij het Spuihuis, en vonden onderweg op een natte muur (!) 1 bloeiend exemplaar van de Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteo-album). Tussen de Netedijk en de stadsmagazijnen bemerkten we een aantal adventieven, zoals Kransnaaldaar (Setaria verticillata), Welriekende ganzevoet (Chenopodium ambrosiodes) en Kale gierst (Panicum dichotomiflorum). Op de muren van de magazijnen had een kleine Tongvaren (Asplenium scolopendrium) zich verstopt tussen de andere varens. Een wandeling tussen de stadsmagazijnen en het belfort leverde weinig opmerkelijke soorten op. Wel waren er vrij veel groeiplaatsen van Muurvarentje. Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) werd niet gevonden, wat op zich merkwaardig is.

Na de middag werd het noordwestelijke deel van de stad bezocht. Het spoorwegstation leverde enkele typische spoorwegplanten op, die alle moeite hadden om te overleven in deze vijandige omgeving waar erg kwistig met herbiciden wordt omgesprongen. Langs de omleiding van de Kleine Nete bereikten we de zuidkant van Lier, waar we in de buurt van het beroemde Begijnhof dé vondst van de dag deden: een mooie groeiplaats van de Rechte driehoeksvaren (Gymnocarpium robertianum) tussen de kalkvoegen van een negentiende-eeuwse constructie! Deze soort is uiterst zeldzaam in het Vlaamse land; het was alleszins de eerste keer dat we ze in onze contreien tegenkwamen.

Nog te noteren viel dat we onderweg in de rivier vrij veel vis zagen zwemmen. Van de Bot (die stroomopwaarts zou voorkomen tot bij Grobbendonk) werden 2 dode en één levend exemplaar gezien.

 

Top januariaprilmeijunijuliaugustusseptember – oktober

 

3 oktober 1998: Stadsonderzoek Mechelen

Als waardige afsluiter van het officiële F.O.N.-seizoen werd een bezoek gebracht aan de stad Mechelen. Net als een week eerder te Lier, werden ook hier mooie vondsten gedaan; de kaaien langs de Dijle, die zich door de oude binnenstad kronkelt, waren begroeid met tal van moeras- en oeversoorten en een groot aantal varens. De belangrijkste hiervan waren wel de Zwartsteel (een populatie van een 5-tal planten) - die we dit jaar reeds voor de derde keer mochten ontmoeten - alsmede één exemplaar van de prachtige Schubvaren.

Dat de waterkwaliteit van de Dijle er sinds begin van dit decennium op vooruitgegaan is, mochten we onder vinden aan soorten als Grote Kroosvaren, Kikkerbeet, Gedoornd hoornblad en Gewoon Sterrekroos.

In de namiddag snuffelden we nog rond in de stedelijke Kruidtuin, via de spoorbruggen tot aan het goederenstation. Hier vonden we o.a. Rechte en Viltganzerik, Kaal en Behaard breukkruid.

 

10 oktober 1998: Havenonderzoek Antwerpen met Wielewaal

In een ochtend streepten wij met de Wielwaalgroep in Berendrecht, waar we het omstreden 'wachtdok voor lichters', de spoorwegemplacementen en polderrestanten onderzochten. Wij laafden ons 'onder den toren' naast de kerk waarop Asplenium ruta-muraria ten leste werd opgemerkt.

's Middags bezochten wij de graanoverslag Cargill, waar wij als vanzelfsprekend Filip Verloove troffen, te midden van de meest ongewone adventieven die deze fabriek had gemorst op haar kade. Dankzij Filip waren we zeker van Galium spurrium, Bidens pilosa, Eleusine indica, Euphorbia heterophyllum, Cardiospermum halicacabum en het ons meer vertrouwde Diplotaxis muralis en Senecio inaequidens.

 

17 oktober 1998: Aanvullend onderzoek Stadskern Lier

In de namiddag waren we afgesproken om nog een hok van Lier-stad te doen, en tevens een mogelijke zeldzame Asplenium uit te sluiten op een oude poort door middel van een telescoop. Geen Noordse streepvaren, dat stond vast, maar zeker bleek tevens dat wij de vorige keer Parietaria judaica (Klein glaskruid) over het hoofd hadden gezien.

Het hok van de Molse brug leverde nog meer dan 200 soorten op. Apart noteerden wij Setaria pumila (Geelrode naaldaar) en Solanum nitidobaccatum (Glansbesnachtschade) op opgehoogde grond en Parietaria judaica (Klein glaskruid) op oude muren langs de Netearmen in de binnenstad ten zuiden van de Zimmertoren. Hoewel we dit jaar niet persé de Wielwaal-kwis wilden winnen moesten we ons toch nog haasten om voor 20h de kwiszaal te bereiken.

 

Bijdragen van zowel Erik Molenaar, Nico Wysmantel en Geert Andries


Top januariaprilmeijunijuliaugustusseptemberoktober


Laatste aanpassing op 2003-01-23 13:23 | HOME | contact | Sitemap |