Home
Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud
Inleiding
Wie is wie ?
Kalender
Recente artikels
Reisverslagen
Jaarverslagen
Links

 

Artikels

Het Militair Hospitaal
Een groene oase in het hart van de stad Antwerpen


 

Berchem, november 2001

Botanisch onderzoek naar de natuurwaarden
in de restanten van het oude Fortje 4
(fortje van Berchem)


Vooraf

Bij recent onderzoek bleek dat de vermelde Vleugelvaren geen Pteris cretica maar P. multifida is. De rest van het artikel laten we ongewijzigd.


Inleiding

De laatste jaren kent het onderzoek naar wilde planten in de stedelijke omgeving een groeiende belangstelling; meer en meer wordt er in typisch stedelijke biotopen als parken, stations, industrieparken, op braakliggende terreinen en in havengebieden gezocht naar wilde planten. De reden hiervoor is een algemeen toegenomen interesse in de wetenschap van de florakartering alsook het feit dat de stad, ondanks de overheersende invloed van de mens, een groot aantal vertegenwoordigers van onze wilde flora (en fauna) herbergt. Voor een aantal hiervan betekent deze stad zelfs een laatste toevluchtsoord in het moderne landschap. Twee uitzonderlijke vondsten, en talloze groeiplaatsen van Rodelijstsoorten maken het Militair Hospitaal tot een indrukwekkende beschermingswaardige locatie.

Forten vormen binnen het stedelijk biotoop een welomlijnde entiteit, waar een aantal bijzondere abiotische milieufactoren en ecologische regels gelden. Deze zijn op hun beurt van belang voor het voortbestaan van even bijzondere planten en dieren, wat zich vertaalt in de vaak opmerkelijke resultaten van inventarisaties.

De oorsprong van het militair domein is terug te voeren tot 1851, bij de vastlegging van een defensieconcept waarbij de stad Antwerpen als één groot fortificatiesysteem werd opgevat, een voorafspiegeling van wat later het "Nationaal Reduit" zal heten. Net buiten de Spaanse vesten werd hiervoor in de periode 1852-1853 het hulpfortje van Berchem (fortje 4) opgericht, dat evenwel in augustus 1865 in onbruik raakte bij de voltooiing van de verder opgeschoven 19de eeuwse fortengordel (Brialmontomwalling). Het werd ingesloten door de bebouwing, maar ingericht als Constructiearsenaal en Militair Hospitaal tussen 1898 en 1910.

Van op de stafkaart of de luchtfoto gezien ligt het terrein pal tussen het Stadspark en Wolvenberg.

Zeker nu, na een periode van spontane verbossing, zijn een aantal ecologische elementen aanwezig die in een toekomstige groene zone, zeg maar een park, een zeer belangrijke plaats kunnen innemen. Daarom kiezen wij voor een duurzame invulling van de open ruimte, een bestemming die voor alle mensen de moeite waard is. Kortzichtig winstbejag is hier zeker niet op zijn plaats.

Laboratorium en een parkje   Met een wandelgang aneengesloten paviljoenen, ertussen liggen (verwilderende) graslandjes
Het excentrisch gesitueerd laboratorium en een parkje  Met een wandelgang aaneengesloten paviljoenen, ertussen liggen (verwilderende)graslandjes


De methode van onderzoek

Dit onderzoek naar wilde planten kadert in het floristisch onderzoek van stedelijke biotopen in Vlaanderen door de plantenwerkgroep F.O.N. (Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud). Het doel van dit meerjarig project is door het verzamelen en samenbrengen van gegevens te trachten om op termijn een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de wilde flora die in het ecotoop “stad” aanwezig is.

Specifiek voor dit deelonderzoek werd de wilde flora in het IFBL km-hok C4.26.44 extra onder de loep genomen. Ten behoeve van duurzame invulling van de open ruimte, volgt hier een analyse van de inventaris die opgebouwd is aan de hand van de ecologische groepen waarin de evolutie van het terrein naar voren komt. Dit maakt het tevens mogelijk in de toekomst verschuivingen van de soortengroepen te monitoren. Laaggenummerde groepen zijn onrijpe, onstabiele ecotopen, de hoge nummers zijn elementen van de climaxvegetatie, die eigenlijk geen beheer nodig heeft (Bosplanten).


Biotoop voor wilde planten

Zoals in de inleiding gesteld, wordt de biotoop bepaald door een aantal bijzondere milieufactoren, die onder andere betrekking hebben op waterhuishouding, bodemgesteldheid en de bepalende inbreng van de mens. Daarnaast is er het belangrijke gegeven van openheid en stilte, die van deze locatie een oord van rust maken in de jachtige moderne wereld. Naar alle waarschijnlijkheid wordt dit ook zo ervaren door wilde planten en dieren.

De verscheidenheid in de wilde flora van een stedelijk biotoop hangt ook nauw samen met de aard en verscheidenheid in standplaatsen en substraten. Een aantal hiervan zijn binnen de stadsomgeving vrijwel uitsluitend beperkt tot begraafplaatsen en forten; we hoeven hier slechts te denken aan arduinen, of bakstenen oude muren, betonnen paden en schrale graslanden.

Veel bijzondere planten vinden we op de stenige standplaatsen eigen aan het verharde biotoop.

In de eerste plaats onderscheiden we de muren zelf. Vooral op verweerde muren, arduin en beton kunnen we kalkminnende soorten zoals Muurleeuwenbek Cymbalaria muralis, Plat beemdgras Poa compressa, Steenbreekvaren Asplenium trichomanes, Muurpeper Sedum acre, diverse varens en Muursla Mycelis muralis aantreffen. Ook ontmoeten we Tongvaren Asplenium scolopendrium, een soort uit bossen op kalkhellingen overvloedig aan op bepaalde muren en in kelders. Net als elders in Vlaanderen groeien deze planten, die in hun streek of land van oorsprong (veelal Wallonië) rotsbewoners zijn, hier op “surrogaatrotsen”. In de oude bosfragmenten hebben zich een aantal soorten weten ontwikkelen die we enkel in eeuwenoude kasteeltuinen en stabiele bossen kunnen aantreffen.

De beslotenheid geeft kans aan thermofiele species, zoals Bosrank Clematis vitalba, Gouden regen Laburnum anagyroides en Vederesdoorn Acer negundo.

De paviljoenen zijn gescheiden door graslandjes, waarin een groot aantal soorten worden teruggevonden. Door deelse verbossing gaat hun aantal en vitaliteit evenwel achteruit. Op deze plaatsen kan een eenvoudige bosmaaier de soorten veiligstellen in een tweejaarlijks maairegime, waarbij de afvoer van het maaisel na 1 week de sleutel is. Op ruderale plaatsen en verstoringen treedt een grote groep van akkerkruiden op. Deze soorten zullen bij een normaal beheer slechts marginaal blijven verschijnen.


Refugium voor wilde planten

Hoewel binnen het onderzoeksgebied werd vastgesteld dat geen enkele inheemse soort in zijn urbaan voorkomen exclusief beperkt is tot een militair domein, mag het belang van verlaten hectaren als refugium voor planten en dieren niet onderschat worden. Ongestoordheid van de verlaten tuinen, gekoppeld aan de lage milieudynamiek in vergelijking met andere stadsbiotopen, maken het milieu zeer geschikt voor elders in de stad vaak verdrongen en/of bedreigde natuurelementen. De belangrijkste voorwaarde is het aanpassingsvermogen van de potentiële bewoners aan de aparte ecologische wetten, waaronder de lage luchtvochtigheid en de dikwijls hoge temperatuur contrasteren met het omgekeerde in de beschutte kelders en belommerde stukken onder de oude bomen.

Goede voorbeelden van plantensoorten die binnen de stad grotendeels tot het Militair hospitaal zijn beperkt, zijn Scherpe fijnstraal Erigeron acer en Blaasvaren Cystopteris fragilis.

Als refugium voor schraallandplanten is het terrein onder meer van belang voor Muizeoor Hieracium pilosella en Gewone veldbies Luzula campestris. De overbemesting van graslanden en de moderne (over)productietechnieken zijn de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van deze eens zo talrijke soorten op hun natuurlijke groeiplaatsen.

Hieracium pilosella (Muizenoor) Luzula campestris (Gewone veldbies)
Hieracium pilosella Luzula campestris

De Bosplanten vormen een zeer belangrijke groep voor de binnenstad. Van de oude tuinen is simpelweg niets meer overgebleven, en onze parken zijn een onveilige plek voor deze soorten geworden door het oeverloos dumpen van 'ecologische verantwoord' haksel, het open kappen van de struiklaag waardor de luchtvochtigheid zodanig afneemt dat deze lommerliefhebbers er het bijltje bij moeten neerleggen. Bovendien wordt er geen voorrang verleend aan de in de wet aanbevolen inheemse soorten, zodat een onnatuurlijk, vaak giftig strooisel elk voortbestaan van de kruidlaag uitsluit. Speenkruid Ranunculus ficaria, Wijfjesvaren Athyrium filix-femina, Gevlekte aronskelk Arum maculatum, IJle zegge Carex remota, Bosveldkers Cardamine flexuosa, Schaduwgras Poa nemoralis, Bleeksporig bosviooltje Viola riviniana en Gladde iep Ulmus minor zijn in de parken van de binnenstad uiterst zeldzaam geworden. Deze soorten gaan bij een natuuronvriendelijk bestemming onherroepelijk verloren voor onze stad.

Carex remota (IJle zegge)  
Carex remota 

 

Een belangrijke ontdekking is de kelder waarin twee bijzondere en voor Vlaanderen nog niet eerder gemelde soorten konden kiemen en ontwikkelen tot volwassen exemplaren! Het betreft Vleugelvaren Pteris cretica en Venushaar Adiantum capillus-veneris. Het wetenschappelijk belang is zo groot dat nader onderzoek door een overheidsinstituut hier aangewezen is.
Klik voor een fotoreeks

De stookplaats met kelder.

Klik voor een fotoreeks

 

Pteris cretica (Vleugelvaren) Adiantum capillus-veneris (Venushaar)
Pteris creticaAdiantum capillus-veneris

 

Resultaten van het onderzoek in cijfers –
indeling van de soorten in socio-oecologische groepen

In totaal werden 222 taxa van vaatplanten aangetroffen.

In het totale aantal zijn eveneens een aantal spontaan uitzaaiende in- en uitheemse soorten van antropogene oorsprong, alsmede een aantal ingeburgerde exoten (o.a. Vlinderstruik Buddleya davidii en Hemelboom Ailanthus altissimus) inbegrepen.

De bekomen soortenlijst werd opgedeeld in socio-oecologische groepen, naar Stieperaere & Fransen (1982). Hieruit bleek een duidelijk overwicht van soorten uit socio-oecologische groep 1, de planten van sterk antropogeen gestoorde plaatsen (ongeveer 30 % van het totaal). Het zijn dan ook alle opportunistische soorten die we in de hele stad terugvinden.

Met ongeveer 8% van het totale aantal taxa vinden we groep 2, die de pionierplanten van meer natuurlijk gestoorde plaatsen herbergt. Zij vormen als het ware de tegenhanger van de soorten uit groep 1, die onder menselijke invloed staan. Vele vertegenwoordigers van groep 2 zijn op de onderzochte plaatsen terug te vinden in de randzone van gazons met paden en doorgangen, omdat zij hier de kans krijgen om alsnog te kiemen. Enkele opvallende voorbeelden zijn Penningkruid Lysimachia nummularia, Ruwe smele Deschampsia cespitosa, Heelblaadjes Pulicaria dysenterica, Lidrus Equisetum palustre en Vijfvingerkruid Potentilla reptans.

Groep 4, de planten van zoete tot zwak brakke waters en oevers (oever- en waterplanten), is wegens het ontbreken van waterpartijen sterk ondervertegenwoordigd (ca. 10%). Vooral dan wanneer de vochtigheidsgraad van het substraat als gevolg van beschaduwing e.d. voldoende is, zien deze soorten een kans zich te vestigen. Vroeger was hier een vijvertje aanwezig, dat thans geheel verdwenen is.

Van groot belang voor het zijn de graslandplanten uit de socio-oecologische groepen 5 en 6 (ongeveer 20%). In groep 5 (planten van licht bemeste graslanden op matig voedselrijke tot voedselrijke, vochtige tot natte grond) vinden we soorten terug die algemeen bekend zijn uit wegbermen en weilanden.. Voorbeelden van soorten uit groep 5 zijn Madeliefje Bellis perennis, Smalle weegbree Plantago lanceolata, Kleine klaver Trifolium dubium, Margriet Leucanthemum vulgare en Gewoon duizendblad Achillea millefolium.

De planten van (zeer) droge graslanden, muren en rotsen (groep 6) zijn geassocieerd met het zeer schrale karakter van de meeste <?>, het gevolg van de combinatie van een zandig substraat, geen bemesting en kolonisatie van een dun laagje mos en humus op beton. Een groot aantal van de voor deze groep typerende soorten werden op nagenoeg elke onderzochte site aangetroffen en dit doorgaans overvloedig. We denken hierbij aan Gewoon biggekruid Hypochoeris radicata, Veldereprijs Veronica arvensis, Jacobskruiskruid Senecio jacobaea, Gewone veldbies Luzula campestris en Echt bitterkruid Picris hieracioides. De aparte groep planten van muren en rotsen heeft 5 vertegenwoordigers, waaronder Gele helmbloem Corydalis lutea en Blaasvaren Cystopteris fragilis.

Van groep 7, de planten van heiden, venen, schraallanden en kalkmoerassen, werd slechts één soort met name een vijftal vertegenwoordigers teruggevonden (ca. 1% van het totaal), waarvan met name Schermhavikskruid Hieracium umbellatum opgetekend.

Goed vertegenwoordigd waren de soorten uit socio-oecologische groep 8, de planten van kaalslagen, zomen en struwelen (ca. 13 %). Dit zijn in hun natuurlijke biotopen planten van hoofdzakelijk bosranden. Op de onderzochte plaatsen komen zij voor als ondergroei onder aangeplante hagen en boompartijen. Opvallende soorten waren Maarts viooltje Viola odorata, Bosaardbei Fragaria vesca, Look-zonder-look Alliaria petiolata, Gewone bermzegge Carex spicata en niet in het minst Italiaanse aronskelk Arum italicum, een éénmalige vondst in de binnenstad van Antwerpen.

Bij de bosplanten van groep 9 (ca. 15%) tenslotte, vinden we een aantal soorten uit de kruidlaag van bossen, naast een grote groep houtachtige gewassen uit de struik- en boomlaag. Enkele van deze typische vertegenwoordigers stammen oorspronkelijk uit sieraanplantingen. In zoverre zij zich spontaan vermeerderen, werden ze toegevoegd aan de inventaris. Toch is het leeuwendeel spontaan. Voorbeelden zijn Zwarte els Alnus glutinosa, Ruwe berk Betula pendula, Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia, Gewone es Fraxinus excelsior, Gladde iep Ulmus minor, Muursla Mycelis muralis, Speenkruid Ranunculus ficaria, Gevlekte aronskelk Arum maculatum, Brede wespenorchis Epipactis helleborine en Bleeksporig bosviooltje Viola riviniana.


Rode Lijstsoorten

De Rode Lijst van de hogere planten in Vlaanderen (Cosyns et al. 1994) werd voor het eerst officieel gepubliceerd in het Natuurrapport 1999 (IN 1999). Deze Rode lijst omvat alle soorten vaatplanten die in het Vlaamse landsgedeelte meer of minder sterk bedreigd zijn in hun voortbestaan. Wanneer we deze lijst toetsen aan de inventaris van een bepaald biotoop of gebied, dan kunnen we ons aan de hand van de al of niet waargenomen Rode Lijstsoorten, een beeld vormen van het belang van het gebied voor deze zeldzame en/of sterk bedreigde planten. Daarnaast kunnen we die soorten ook in relatie brengen met biotopen die binnen het gebied bezocht werden (en waarin zij gevonden werden) en zo een eerste waardeoordeel over deze biotopen uitspreken; Rode Lijstsoorten zijn dan ook van bijzonder belang in het natuurbehoud.

Rode lijst
Ned. naam
Wet. naam
P
Italiaanse aronskelk Arum italicum
P
Tongvaren Asplenium scolopendrium
B!!
Blaasvaren Cystopteris fragilis
P
Muursla Mycelis muralis

Uitgerekend deze laatste drie soorten zijn muurbewonend aangetroffen in het militair hospitaal. De bescherming van deze vindplaatsen moet in het toekomstig beheer worden opgenomen. Samen met Blaas- en Tongvaren werden er ook de voor Vlaanderen nog onbekende soorten Vleugelvaren Pteris cretica en Venushaar Adiantum capillus-veneris in één site samengroeiend vastgesteld. Blaasvaren is (B!!) sterk bedreigd. De andere Rodelijstsoorten zijn plaatselijk bedreigd.


Aangeplante en spontaan verwilderende soorten

Enige houtachtige soorten die regelmatig opslaan zijn Gewone es Fraxinus excelsior, Ruwe berk Betula pendula, Lijsterbes Sorbus aucuparia en Gewone esdoorn Acer pseudoplatanus. Allen vermeerderen zich ook in de vrije natuur gemakkelijk uit zaad. Exotische soorten die relatief vaak verwilderen zijn Mahonia Mahonia aquifolium, Schijncypres Chamaecyparis pisifera, Goudenregen Laburnum anagyroides, Noorse esdoorn Acer platanoides, Witte paardenkastanje Aesculus hippocastanum, Valse wingerd Parthenocissus inserta, Hemelboom Ailanthus altissimus, en Gewone robinia Robinia pseudacacia.

Aesculus hippocastanum (Witte paardenkastanje)  
Aesculus hippocastanum
(Witte paardenkastanje)
 

Kruidachtige uitheemse soorten worden voornamelijk ingebracht door de mens als tuin- of perkplant. Daarnaast kunnen zij nog worden vervoerd door passerende dieren (vogels) of als zaden in aangevoerde grond. Eens deze planten er door zaadvorming of vegetatieve vermeerdering in slagen om uit hun stenen keurslijf te ontsnappen, veroveren zij doorgaans snel een concurrentiële plaats binnen de reeds aanwezige vegetatie. Voorbeelden van soorten die oorspronkelijk niet in ons land thuishoorden, zijn Vlinderstruik Buddleya davidii, Reuzenbereklauw Heracleum mantegazzianum, Pepermunt Mentha x piperita en Tuinjudaspenning Lunaria annua. Schijnaardbei Potentilla indica, Muurleeuwenbek Cymbalaria muralis.

Buddleya davidii (Vlinderstruik)Buddleya davidii (Vlinderstruik) Buddleya davidii (Vlinderstruik),
jonge plantjes en vruchten
   
Potentilla indica, vegetatiefPotentilla indica, vruchten Potentilla indica (Schijnaardbei),
vegetatief en met vruchten
   

Typische bol- en knolgewassen die regelmatig aangeplant worden en van daaruit verwilderen, zijn Blauwe druifjes Muscari botroides, Gebroken hartjes Dicentra formosa en Lelietje-van-dalen Convallaria majalis.

 

De Kloostertuin en enkele andere plantsoenen

Culturele elementen hierin zijn Gebroken hartjes Dicentra formosa, Lelietjes der dalen Convallaria majalis, Italiaanse aronskelk Arum italica en dies meer. Deze soorten verwilderen naar hartelust, veelal via hun wortelstokken, maar ook via bessen die zeldzaam genoeg door vogels verspreid worden. Symboolstaand voor de eeuwigheid zijn o.a. altijdgroene coniferen, Klimopcultivars, Hulstsoorten, Aucuba- en Taxuscultivars. Hiervan kunnen stellig een aantal soorten worden behouden om de sfeer van de tuinen aan het begin van vorige eeuw op te roepen. Klimopcultivars zijn echter allen een zeer ontolerante soort die snel alle inheemse bosplanten elimineert. De meeste zijn in staat op muren te overleven en deze snel te koloniseren zodat alle muurflora de duim legt. In ons geval moeten deze soorten dan ook sterk teruggedrongen worden.

 


Een duurzaam natuurvriendelijk beheer

Duurzaam parkbeheer en bescherming van muurflora zijn ook weinig intensieve vormen van beheer. Onze indigene flora heeft zich ontwikkeld over duizenden jaren, waarbij een verdraagzaamheid, een evenwicht tussen de soorten onderling en hun parasieten en primaire consumenten anderzijds is ontstaan. Dit speelt zich zowel af in de bosstructuren als in de graslanden. Herbiciden mogen dan ook geschrapt worden als werkinstrument, tenzij ze zeer selectief kunnen aangewend worden op ongewenste soorten. We vermelden hier de Klimopcultivars, Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia, Blauwe regen e.a.

Beter ware het, dit met het oog op een duurzaam beleid, deze agressieve exoten uit het complex te verwijderen. Dit kan in samenwerking met b.v. een sociale werkplaats die gespecialiseerd is natuurbeheer en milieuvriendelijk parkonderhoud. Zowel in Berchem zelf, op het Zuid als bij Natuurreservaten vzw.(thans Natuurpunt) bestaan zulke werkploegen, die met een goed werkschema een jaarrondprogramma kunnen afwerken. De sociale dimensie van zo’n projecten is immers ook duurzaamheid.


Nawoord

Wie ooit door het militair hospitaal heeft gewandeld is hoe dan ook betoverd door de schilderachtige ontwikkeling van spontane natuur. Je hoeft ook geen kenner te zijn om te begrijpen dat dit van uitzonderlijk hoge waarde getuigt in de benauwende en zeer stedelijke omgeving. Nu de laatste open ruimten wegsmelten uit de stad, verlaten ook de meeste mensen de stad, die ze aan de rand opnieuw creëren. Een buitenverblijf, een tweede of derde woning, iedereen die het zich kan veroorloven twijfelt niet. De stadsvlucht wordt niet geremd door de laatste groene elementen te vernietigen, maar door ze te koesteren, en er de waarde dik van in de verf te zetten. Misschien is dit rapport een begin.

Om het met de woorden van Else Demeulenaere en Maurice Hoffmann [1] te zeggen: Natuurrelevant onderzoek mag zich bijgevolg niet beperken tot de natuurreservaten, maar moet ook kijken naar het belang van de natuur in de stad, het landbouwgebied, het industriegebied,... In dit rapport willen we onderzoeken hoe dit nu en in de toekomst verder kan bijdragen tot een kenmerkende duurzamere natuur.

 

[1] LANGE TERMIJNVISIE OPHET GEBIEDSGERICHT NATUURBEHOUD IN VLAANDEREN, DEEL I, pg 35, Else Demeulenaere & Maurice Hoffmann, in samenwerking met onderzoekscel landschapsecologie en natuurbeheer, Instituut voor Natuurbehoud. 23-11-2001



Bijzondere vondsten

Bij een voortgezet onderzoek van de Antwerpse binnenstad werd in een ruime en beschutte kelder een grote populatie bijzondere varens aangetroffen. Naast een groot deel Tongvaren (Asplenium scolopendrium), mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas) en adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), werd ook Blaasvaren (Cystopteris fragilis), Vleugelvaren (Pteris cretica) en Venushaar (Adiantum capillus-veneris) vastgesteld. Deze laatsten zijn mediterrane en subtropische taxa die slechts in zeer beschutte omgeving tot kiemen komen. De populatie wordt verder opgevolgd, maar blijft voorlopig geheim. Onder de begeleidende mossen troffen wij een dominantie aan van slankmos (Leptobryum pyriforme), het welk ook in glasteelt soms massaal optreedt. Nader onderzoek voor bevestiging en ecologie van de varens volgt.

Floristisch onderzoek in de stookplaats De koepel in het dak, met deels gebroken glas, zorgt voor licht en vocht. De koepel in het dak, met deels gebroken glas, zorgt voor licht en vocht.
Floristisch onderzoek in de stookplaats  

Laatste aanpassing op 2005-11-05| HOME | contact | Sitemap |