Kasper en Luna
Oom Hendrik sprong als
een gek over de veldweg en speelde mondharmonica. De wind dreef de fluittonen
in de richting van het Wielewalenbos dat in de verte zichtbaar was.
Kasper
had moeite om oom Hendrik en zijn zusje Luna bij te benen. Op momenten als deze
was hij boos op Luna omdat die al elf was en langere benen had dan hij. Kasper
was acht en een echt opdondertje.
'Wacht!' riep hij boos.
Oom Hendrik
bleef staan en keek vrolijk om. Het zonlicht speelde door zijn rode krullen die
vlamden als vuur. Zijn hemd, zijn broek en zijn ogen waren zo groen als het
gras in de weiden rondom.
Rare oom, dacht Kasper.
Kasper en Luna zagen
hun familie niet vaak. Die woonde ver weg, in een uithoek van het land. Oom
Hendrik was de jongste broer van hun vader. Hij was aardig, maar ook
eigenaardig, vond Kasper. Oom Hendrik hield van groen, het was zijn
lievelingskleur. Hij was dol op muziek en speelde tuba, klarinet en
mondharmonica. Hij was al dertig jaar en woonde nog bij oma.
'Waarom rusten
we niet even,' zei oom Hendrik. 'Dan maken we een krans van madeliefjes.'
'Ja, leuk,' zei Luna.
'Stom,' zei Kasper.
'Ik zou het toch maar doen,'
zei oom Hendrik ernstig. 'Een krans van madeliefjes zal je beschermen in het
Wielewalenbos.'
'Hoe kan een krans je beschermen?' vroeg Kasper.
'Beschermen tegen wat?' zei Luna.
'Vandaag is het de eerste mei,' zei oom
Hendrik, 'en op één mei zijn zelfs de bomen niet te vertrouwen.
Op één mei zijn "olmen triest, eiken kwaad. Wilgen gaan lopen
voor wandelaars laat."
'Ik ben niet bang voor bomen,' zei Kasper.
'Blijf toch maar dicht in mijn buurt. Het Wielewalenbos is oud en bijna zo
groot als een woud. Je kunt er verdwalen,' zei oom Hendrik.
Luna maakte
twee kransen van madeliefjes. De ene hing ze om de hals van Kasper, de andere
zette ze als een kroontje op haar lange, blonde haren.
Kasper trok zijn
krans stuk en gooide hem weg. Oom Hendrik raapte hem op en zette hem op zijn
eigen hoofd.
'Zo,' zei hij, 'nu ben ík veilig.'
'Veilig voor
wat?' vroeg Luna nog eens.
Oom Hendrik antwoordde niet want Kasper schoot
in de lach. 'Je lijkt net een engel,' zei hij.
'Die krans zou jou ook goed
staan, ' zei oom Hendrik, 'want je hebt hetzelfde haar en dezelfde sproeten als
ik. Weet je zeker dat je hem niet terug wilt?'
'Heel zeker,' zei
Kasper.
De veldweg liep naar de rand van het Wielewalenbos. Eiken,
beuken en wilde kastanjebomen rezen torenhoog op. De stammen van de bomen waren
groenig, de blaadjes vers.
'Prachtig voer voor meikevers,' zei oom Hendrik
tevreden.
Tussen de boomstammen viel het zonlicht in vlekken en strepen op
de grond. Het zag er geheimzinnig uit.
'Kijk, de lelietjes-van-dalen staan
in bloei,' riep Luna opgetogen. Ze bukte zich, plukte er een en snoof de
heerlijke geur van de roomwitte klokjes op.
'Het mag toch?' vroeg ze aan
oom Hendrik.
'Eigenlijk niet,' zei hij. 'Als iedereen dat doet...'
'Maar er zijn er zo veel,' zei Luna.
'Vooruit, voor één
keer,' zei oom Hendrik. 'Maar geen wortelstokken uitrukken!'
'Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe, wiele-wie-joe!'
'Hoorde je dat?' zei
oom Hendrik. 'Dat is een wielewaal. Hij vlecht zijn nest in de loofbomen die
als wachters aan de rand van het bos staan.'
Kasper en Luna liepen
dieper en dieper het bos in. Luna merkte niet dat een tak langs haar haren
streek. Haar madeliefjeskrans bleef in de grijptak achter.
Zelfs Kasper
raakte betoverd door de zoete geur van de meiklokjes.
'Wauw, net of ik in
een natuurfilm rondloop,' zei hij.
'Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe,
wiele-wie-joe!'
'Heb je dat gehoord?' zei Luna. 'De wielewaal...'
Kasper antwoordde niet. Hij was gestruikeld over een stugge graspol die zich
plots op zijn pad bevond. Hij viel languit en lag op een blauwe heuvel vol
bloemen.
Luna hield haar adem in. 'Boshyacinten,' zei ze verbaasd. 'Waar
komen die plots vandaan? Waar zijn we?'
'Wiele-wie-joe, wiele-wie-joe,
wiele-wie-joe!'
'Daar heb je die wielewaal weer,' zei Luna.
'Dat is
geen wielewaal,' zei Kasper, 'het is de graspol die fluit.' Hij wees naar de
pol die stond te beven en te schudden. Het leek wel of het struikje zichzelf
uit de grond probeerde te trekken.
'Je bent gek,' zei Luna. Maar ze hoorde
het nu ook: de graspol floot en bootste een wielewaal na. Hij richtte zich op
en stond nu op acht hoge wortelpoten. Onder het gras - dat meer op een haardos
leek - verschenen vier venijnige oogjes. En tussen de poten hing iets wat aan
een maag deed denken. De maag bewoog. Er kwam geluid uit, de graspol zong een
liedje.
'Mijn naam is
Tourmentine Toermentijn.
Ik ben
verdwaalkruid, geen rozemarijn.
Wiele-wie-joe,
wiele-wie-joe, wiele-wie-joe!
Mensen laten
verdwalen is het liefste wat ik doe.'
'Wat was dat?' zei Luna
geschrokken.
De graspol antwoordde met een scherp stemmetje:
'Ik ben
Tourmentine Toermentijn.
Ik tel
één, twee en bij drie...
zijn jullie de tijd
en de weg kwijt.'
Kasper keek rond. 'Waar is oom Hendrik?' zei hij
angstig.
Luna keek om zich heen maar zag alleen blauwe heuvels vol
boshyacinten en bomen. 'Oom Hendrik, waar ben je?' riep ze.
De takken van
de hoge bomen bewogen in de wind. Even dacht ze dat ze het gezicht van oom
Hendrik tussen de bladeren kon zien, of was dat verbeelding? 'Ik zie niemand,'
zei ze teleurgesteld, 'maar hij kan niet ver weg zijn. Kom.' Luna pakte haar
broer bij de hand.
Kasper en Luna liepen verder. Het leek wel of ze
uren dwaalden. Het werd frisser, het zonlicht zwakker... Was het soms al avond?
Net toen ze dachten dat ze gedroomd hadden, kwamen ze bij die gekke graspol
uit. Tourmentine krijste en sprong haast uit de grond van plezier. Kasper zag
een dikke regenworm in haar maagmond verdwijnen.
'Monster,' riep hij,
'sprietenkop!'
Tourmentine wiegelde heen en weer en zong:
'Al wat je zegt,
dat ben je zelf.
Maar ik meneer, ik
ben een Elf.'
'Een elf,' riep Kasper, 'zo ziet een elf er niet
uit!'
'Geloof wat je
wil, maar zeg nu zelf,
zag jij ooit al
eens een Elf?'
Kasper stormde op de graspol af. Die Tourmentine
hield hem voor de gek! Hij was woedend. Luna probeerde hem tegen te houden. Te
laat. Tourmentine was razend. Haar haardos stond stijf overeind en Kasper trok
eraan. Zijn handen gloeiden als vuur. Hij jankte van de pijn. 'Au, au, dat haar
steekt als een brandnetel!'
'We moeten hier weg,' zei Luna geschrokken. Ze
trokt Kasper bij de graspol vandaan.
Kasper en Luna dwaalden rond en
zochten oom Hendrik. Ze riepen hem. Het geluid weergalmde tussen de bomen...
Niemand antwoordde. De benen van Luna werden loodzwaar. 'We moeten rusten,' zei
ze.
Kasper keek om zich heen. Ook hij was doodmoe.
'We zijn allebei
uitgeput, zei Luna, 'we kunnen beter wachten tot morgen. Dan zal de politie ons
wel komen zoeken.'
Ze leunden tegen een boomstam die met zijn takken naar
de eerste sterren wees. Kasper was onrustig. Luna zuchtte.
'Heb jij ook
het gevoel dat we in de gaten worden gehouden?' vroeg Kasper.
'Stil maar,'
zei Luna sussend.
Maar ze zat met wijdopen ogen het donker in te
staren.
Tegen de morgen sukkelden Kasper en Luna in slaap. Luna droomde
dat ze een klokje hoorde tingelen. Toen ze wakker werd, tingelde het nog. In
het ochtendlicht zag ze een schittering. Het was een lichtje dat op en neer
bewoog, en heen en weer. Ze gaf Kasper een por. Hij schrok wakker. Het lichtje
danste wild tussen de bomen. Ze zaten er ademloos naar te kijken. Het lichtje
kwam dichterbij, nog dichter. Het was een wezentje, iets groter dan twintig
centimeter. Het droeg een klokbloemrokje, een bloesje van boterbloemen en een
manteltje van vlindervleugels. Het had grasgroen haar en ogen zo blauw als
vergeet-mij-nietjes. Achter haar puntige oren zaten koekoeksbloemen.
'Wie
ben jij?' fluisterde Luna.
'Mijn naam is
Pariset en ik ben koket.'
Kasper keek verbaasd naar het figuurtje
in haar vliegende vlindermanteltje. 'Ben je een fee?' vroeg hij.
'Al wat je zegt
dat ben je zelf.
Maar ik meneer, ik
ben een Elf.'
'Dat zei Tourmentine ook!' zei Luna.
Bij het
horen van die naam werd Parisets bleke gezichtje groen van woede. Ze streek
neer op het blad van een jakobsladder en stampvoette.
'Tourmentine
Toermentijn, stuk venijn!
Dat kreng is al
eeuwen jaloers op mij,
omdat ik mooi ben,
niet lelijk als zij.'
'Tourmentine lijkt op een graspol,' zei
Kasper. 'Ze heeft acht stekkenpoten en eet wormen.'
Pariset stak een
sierlijk voetje uit en wiebelde met haar teentjes waartussen een muurbloempje
zat. Ze trok aan het rechteroor van Kasper en giechelde.
'Ze heeft geen
fraaie beentjes en mooie teentjes.
En... Heeft ze een
lieve jongen zoals jij
laten verdwalen op
de eerste dag van mei?'
'Ja, mij en mijn zusje Luna,' zei
Kasper.
'Een zusje? Al
wat ik zie - zonneklaar -
is een meisje met
prachtig, blond haar.'
Pariset trok met een fijn handje aan het
haar van Luna.
'Aù,' zei Luna. Ze keek een beetje boos naar Pariset
die met een wuft gebaartje haar groene haren over haar schouders gooide.
Pariset knipperde met haar ogen en zei met een vals lachje:
'Meisjes,
meisjes zijn net als Elfen...
Altijd hetzelfde,
altijd jaloers...'
'Luna is niet jaloers. Waarom zeg je zoiets?'
vroeg Kasper.
Pariset werd opeens poeslief.
'De Elfen
krimpen en om het krimpen tegen te gaan
willen Elfenmannen
en Elfenvrouwen met
mensenvrouwen en
mensenmannen trouwen.
Ik kan niet aardig
tegen Luna zijn.
Elfenmeisjes en
meisjes kunnen nooit vriendinnen zijn.'
Pariset zat op de schouder
van Kasper en liet droevig haar vleugels hangen.
'Doe je daarom zo raar
tegen Luna?' zei Kasper.
Pariset knikte. Er liep een piepklein traantje
over haar bleke wang. Ze trilde met haar vleugels en zuchtte:
'De fluitende
graspol is mijn vijand,
die doet niet
liever dan streken uithalen.
Liefst van al laat
ze kinderen verdwalen.
Ik voer al eeuwen
oorlog tegen dat venijn.
Mijn vijand is
Tourmentine Toermentijn.'
Onder haar vlindermantel diepte Pariset
een toverstokje op. Ze stak het stafje recht voor zich uit. Het zag eruit als
de nerf van een beukenblad. Het puntje gloeide.
'Tourmentine,
lelijk ding,
kom
tevoorschijn!.
Alem, aghemm,
ghalwing.'
Door die toverspreuk verscheen Tourmentine. Ze floot
schel en boven haar hing een wolkje, alsof ze stoomde van woede.
Met een
ijselijke kreet vloog Pariset op haar af. Ze begon razend haartjepluk te doen.
Scheldwoorden vlogen over en weer:
'Stuk
brandnetel!'
'Gekrompen
wijf!'
'Jaloers
onkruid!'
'Ik trek die
bloemrok van je lijf!'
Tourmentine verdedigde zich tegen de
duikaanvallen van Pariset door heftig heen en weer te zwiepen, maar ze slaagde
er niet in haar wortelpoten uit de grond te trekken. Ze floot en gilde. Het
leek wel een vogeloorlog, zoveel lawaai maakten ze. Tourmentine prevelde een
toverspreuk en deed Pariset nog een centimeter krimpen. Pariset werd giftig
groen. Ze viel aan. Ze trok een pluk gras uit het hoofd van Tourmentine en
verschroeide een paar sprieten met haar toverstok. Tourmentine - die toch al
geen schoonheid was - zag er in een mum van tijd verschrikkelijk uit. En alsof
dat nog niet genoeg was, veranderde Pariset met haar toverstaf Tourmentine in
een groene, stekelige rups met een akelig gezichtje.
Pariset blies de
gloeiende punt van haar toverstaf uit. Ze veegde haar handen af aan de trui van
Kasper. Haar ogen schitterden als blauwe sterren en haar gezicht had de
lichtgevende kleur terug. Ze ging op de schouder van Kasper zitten en
fluisterde in zijn oor:
'Zo, opgeruimd
staat netjes...
Lieve jongen, maak
me blij.
Lieve
jongen, dans met mij!'
Luna die Pariset verstaan had, schudde
verwoed van neen.
'Het is een valstik,' fluisterde ze tegen Kasper.
'Ik
wil naar huis,' piepte hij.
Pariset - die van stemming kon veranderen
zoals een blad aan een boom omdraait in de wind - legde zich neer bij de
beslissing van Kasper. Ze pakte traag haar toverstafje en zwaaide
ermee:
'Je bent wel
groot, maar toch te klein.
Trek je trui uit:
binnenstebuiten en achterstevoren.
Trek hem aan en
vind de weg die je was verloren.'
Pariset was als een lichtje dat
uitging. Ze verdween.
Kasper en Luna wisten niets beters te verzinnen dan
hun trui binnenstebuiten en achterstevoren aan te trekken. Misschien had
Pariset gelijk en konden ze zo de weg terugvinden.
Kasper en Luna vonden
oom Hendrik slapend onder een boom in het groene namiddaglicht. Hij keek
verbaasd op toen het tweetal plots voor zijn neus stond.
'Heb je ons niet
gezocht? We zijn bijna een dag en een nacht weggeweest en jij zit hier te
dutten!' zei Luna verwijtend.
Oom Hendrik keek op zijn horloge. 'Ik heb
jullie hooguit vijf minuten uit het oog verloren,' zei hij niet-begrijpend.
Kasper en Luna waren stomverbaasd.
Oom Hendrik keek hen doordringend aan.
'Op de eerste mei verloopt de tijd soms anders,' zei hij bedachtzaam, 'vooruit
of achteruit, al naargelang de wind waait. Kasper, je ziet bleek. Je hebt toch
niet op het mos gedanst?'
'Hij heeft niet gedanst,' zei Luna vlug.
'Jullie hebben je trui binnenstebuiten en achterstevoren aan. Dat is heel goed
want een verkeerd gedragen trui kan je in het bos net zo goed beschermen als
een krans van madeliefjes. Kom, dan gaan we naar huis.'
Op de terugweg speelde
oom Hendrik een wild, betoverend melodietje op zijn mondharmonica. De ijle
klanken maakten de slaperige gele en witte vlinders wakker. Ze fladderden boven
de groene weide en om het hoofd van oom Hendrik.
Daarna zong hij een liedje
dat droevig bleef trillen tussen de pinksterbloemen en het fluitekruid.
'Ik ben een
muzikant en een Groene Man
die enkel met Elfen
dansen wil en kan.
Luister naar mij,
want ik kan het weten:
dansen met het
Kleine Volkje is gevaarlijk.
Mensenkind, zul je
dat nooit vergeten?
Geloof wat je wil,
maar zeg nu zelf:
zag jij ooit al
eens een Elf?'
Noëlla
Elpers
(Uit: In het bos, Verhalenbundel voor 7-10j., diverse
auteurs, uitg. Van Goor, Amsterdam, 2003)