BIOGRAFIE ARTISTIEKE LOOPBAAN :

 

Marc Pannek (1937-2002) genoot zijn artistieke vorming aan Sint-Lucas in Doornik.

Tot einde de Jaren ’50 woonde de familie Pannek te Ieper.

Na zijn studie vestigde hij zich (in 1960) samen met zijn ouders in de Ponchonstraat 2 te Middelkerke, waar een modernistische villa uit 1928 de sleutel aanreikte tot zijn kunstenaarscredo.  Bovendien was de woning van de hand van architect Vereecke die te Middelkerke woonde maar ook afstudeerde aan Sint-Lucas in Doornik.  Tussen beiden ontstond een goed contact en Vereecke zag met bewondering hoe Pannek zijn persoonlijke stempel op het huis drukte : het werd finaal Marc Panneks “atelierwoning”waarin hij gans zijn oeuvre creëerde!

 

De verhuis naar de kust (Middelkerke) bood Pannek een gunstig perspectief.  Veel kunstenaars hadden er zich gevestigd en in Oostende heerste vanaf de jaren ’60 een creatieve boom, er was een intens kunstenaarsleven en er bevonden zich talrijke bloeiende galeries.

 

Reeds in het begin van de ’60 werd Pannek in de “Chèvre Folle” (kunstkroeg en galerie) opgemerkt door de Joods-Duitse dame (Mw. Simon-Wolfkehl) die een sterke belangstelling had voor kunst en literatuur. Deze dame had in de Jaren ’50 ook contact gehad met de jonge Hugo Claus en hem aangemoedigd met zijn scheppend werk door te gaan (haar rol wordt beschreven in het boek : “Een dochter van Duitsland / Eric Defoort / 2007 uitg. Van Halewyck).  Ze had een korte periode in Weimar aan het Bauhaus gestudeerd en dweepte met het modernisme.  Ze bezat zelf werk van Klee, Kandinsky, Magnelli, Schreyer en uit haar vaders verzameling werk van Duitse expressionisten (geschonken aan het Museum voor Schone kunsten in Gent).

In 1962 ontdekte ze Marc Pannek.  Ze zal hem verder tot aan haar dood in 1990 aanmoedigen en steunen door werk van hem te kopen, hem aan te bevelen in kunstkringen en hem in contact te brengen met verzamelaars.

 

Nog in de Jaren ’60 – bijna gelijktijdig – ontstonden er contacten met Frank Edebau  (Conservator van het Stedelijk Museum) en Marcel Friederichs (kunstverzamelaar, mecenas, galeriehouder en manager).

Edebau had een uitgesproken interesse voor eigentijdse kunst en was direct in de ban van Panneks werk.  Door zijn contacten met het beleid wist hij toen reeds twee werken voor het Stedelijk museum aan te kopen.

Friederichs stelde Pannek in zijn eigen galerie tentoon en ontpopte zich tot een echte mecenas (ook voor andere kunstenaars ! ! ).  Het werk van Pannek collectioneerde hij systematisch.  Hij bezorgde Pannek ook tussentijds diverse opdrachten voor kunst in situ (fries voor theater in Andromedacomplex– niet uitgevoerd – en aankleding voor zwembad in het Andromedahotel – wel uitgevoerd).  Hij bleef Pannek tot in 2002 steunen.

 

In de Jaren ’60 startte Marc Pannek snel en liep alles zeer gunstig : interesses van een conservator (Edebau) een mecenas (Friederichs) en een mentor (Mw. Simon-Wolfskehl).

In deze periode had Marc Pannek ook regelmatig contact met andere kunstenaars te  Oostende : Holmens, Snoeck, Dottermans, Boel, De Maeyer, Vanteurenhout, Drybergh, Willaert, Guinotte, Sorel en anderen.

Ook een kunstenaar als Jean Milo  - die vaak te Oostende vertoefde – ontmoette Pannek veelvuldig en met hem kwam het zelfs tot uitwisseling van werken.  Hetzelfde geldt voor Emiel Bergen.

Prins Karel (de Graaf van Vlaanderen) was eveneens een bewonderaar van Panneks kunst.  Ze bezochten elkaar wederzijds ten huize.  Prins Karel bezocht al Panneks tentoonstellingen, kocht werk van hem en er groeide een persoonlijke band.

 

De zeer productieve periode in de Jaren 60-70 werd afgewisseld door een periode van stilte, onder meer door het overlijden van zijn ouders.  Zo zag hij zich genoodzaakt om de familiezaak - die uniformen maakte - tijdelijk tot aan de liquidatie te besturen.  Toch bleef hij aan een lager tempo aan zijn oeuvre doorwerken.

Ook door het feit dat de kunstenaar van nature bescheiden (en timide) was en niet commercieel aangelegd verklaren periodisch zijn minder  publiek naar buiten treden.

 

In 1977 trouwde hij met Roos Devos en brak een nieuw tijdperk aan waardoor hij zich opnieuw 100 % voor zijn scheppend en de realisatie van zijn oeuvre kon inzetten.

In 1980 ontmoet hij Johan Lanssens die vanaf dan een “soulmate” wordt die als “compagnon de route”  instaat voor het inleiden van tentoonstellingen en het becommentariëren van zijn kunstproductie.

Zijn beschrijving (in 2013) van Panneks oeuvre : “Pannek : een proteus maar met een eenduidige identiteit” verwoordt duidelijk en gedifferentieerd de krachtlijnen in het werk van de kunstenaar.

 

De beelden in het volgende hoofdstuk (compilatie uit zijn logboek) illustreren zijn artistieke loopbaan.