Dialect


Okegem
 

Startpagina Heemkring Tijdschrift Boeken Lid worden Nieuws Foto's



 

Amaaiiii ! Het Okegems DIALECT


Al vele jaren noteert Jozef Van Der Speeten zorgvuldig Okegemse dialectwoorden en gezegden. Met de accuraatheid en het sierlijke handschrift van de onderwijzer houdt hij alles bij op duizenden steekkaarten, vaak met op de achterzijde nog extra informatie over het bewuste trefwoord. Samen met Patrick Praet goot hij deze gegevens in een dialectwoordenboek over Okegem (Azzoeë gezeid, 2006).

Azzoeé gezeid Bibliografische gegevens:

P. Praet en J. Van der Speeten,
Azzoeë gezeid.
Een inleiding tot het Okegemse dialect. Ninove, (2006), 235 blz.



De woordenlijst telt meer dan 3000 woorden en zal wellicht niet volledig zijn. Lezers uit andere gemeenten kunnen zeggen dat woorden en uitdrukkingen het zelfde zijn als, of sterk lijken op, hun eigen dialect. Ook dit is niet zo verwonderlijk. Zoals er geen specifieke Oost-Vlaamse woordenschat bestaat, moeten we ook niet gaan zoeken naar een Okegems vocabularium. De voornaamste verschillen tussen de Vlaamse dialecten zijn klankvarianten. Overigens is Okegem nooit een afgesloten taaleiland geweest. Samen met de meeste dialecten in de Denderstreek kan men het Okegems tot een dialectvariant rekenen die weinig verschilt met het dialect in West-Brabant.

Taaldeskundigen en historici schrijven deze overeenkomsten meestal toe aan de aantrekkingskracht van Brussel en omgeving op de dorpen ten westen van de Dender. Vooral tussen Aalst en Ninove waar de Dender minder breed was, zou dit onderlinge contacten hebben bevorderd.

Het is in elk geval overduidelijk dat het Okegems grote overeenkomsten heeft met het dialect in Liedekerke of Pamel. De verwantschap met het Liedekerks zou kunnen bewezen worden doordat Impegem ( gehucht van Liedekerke ) tijdens het 'ancien régime' tot de Okegemse parochie behoorde en de twee woonkernen nog tot 1940 via een brug verbonden waren. Ook met Pamel, waarvan de dorpskern tot het begin van de 20ste eeuw net over de Dender lag, zijn er steeds nauwe contacten geweest.

De vaststelling dat er geen specifiek Okegems dialect zou bestaan, maakt dit boek niet minder overbodig. Integendeel, met uitzondering van enkele gemeenten ( Aalst, Lebbeke, Haaltert, Ninove, Gooik...) zijn er tot vandaag ( anno 1996 ) in de Denderstreek nog geen uitvoerige dialectstudies verschenen. En een grondige vergelijking met deze schaarse voorbeelden leert overigens dat tussen het Okegems en deze gemeenten heel wat meer (klank)verschillen zijn dan men eerst zou vermoeden.


Citaten van het Okegems dialect


Drinken en (h)ém ammeseren. ( Uitdrukkingen over drinken en zich amuseren ).

e èèt ze weer aun
- hij heeft ze weer aan = hij is weer goed bedronken

wau dat den braver és moet den bakker nie zoiën
- waar de brouwer is moet de bakker niet zijn = gezegd van iemand die veel drinkt en weinig eet

Een glaasje op 'k bén bastaut
- ik ben bastaard = gezegd wanneer men zichzelf vergeet bij het geven van een traktatie

e éét gieël de baun vandoen
- hij heeft heel de baan nodig = gezegd van een dronkaard die langs de straat voort waggelt

met 't bisjten zitten
- met het beestje zitten = 1. een kater hebben - 2. jicht hebben

op gank gaun (zoiën)
- op gang gaan = op zwier gaan

e es goed gelooën
- hij is goed geladen = hij heeft veel gedronken

ne kermis és en gieëseling wèèt
- een kermis is een geseling waard = na een feestje mag men 's anderendaags ziek zijn

nen (h)aten kop émmen
- een houten kop hebben = met een kater zitten

op zénnen kop naar (h)ooës gaun
- op zijn kop naar huis gaan = stomdronken naar huis gaan

zoeë zat as ne patat
- zo zat als een patat = stomdronken

Stomdronken e wist nie mieë van wa proche dat 'n was
- hij wist niet meer van welke parochie hij was = hij was stomdronken

tegen de baus zén profoiët
- tegen de baas zijn profijt = een traktement afslaan

woiën op bier geeft plzier, bier op woiën és venoiën
- wijn op bier geeft plezier, bier op wijn is venijn = waarschuwing tegen de combinatie van wijn en bier

den bèèr ooëtangen
- de beer uithangen = zich wild en woest amuseren

op zwadder zoiën
- op zwadder zijn = aan de zwier gaan

en pèèr op émmen
- bedronken zijn

'k ém gieën (h)aten bakkes, zélle !
- ik heb geen houten bakkes, hoor! = gezegd als men niets te drinken krijgt

va wauter kroiëgen de pooëten nog gieën (h)aur op elen booëk
- van water krijgen de puiten nog geen haar op hun buik = gezegd van iemand die een watertje drinkt


Bedronken en we goan nog nie naur hooës, belange nie, belange nie.....




Gèren zien. ( Uitdrukkingen over graag zien, liefde en verkering ).

't és af
- het is af = de verkering is verbroken

't és weer goed aun
- het is weer goed aan = ze hebben terug goede betrekkingen

Kennis hebben zoitj a een bérreken
- gezegd tegen iemand die bv. snel van lief verandert

in gank gerauken
- in gang geraken = bevriend raken met iemand

(h)annen van de koesj of 't bérre ooët
- handen van de koets of het bed uit = gezegd tegen iemand die een gehuwde vrouw niet ongemoeid wil laten

kaa (h)annen és wérme liefde
- koude handen is warme liefde = opmerking wanneer iemand koude handen heeft

z'és in alle (h)annen goed
- ze is in alle handen goed = gezegd van een meisje of vrouw die regelmatig van partner wisselt

ieënen aan n'(h)auk geslegen
- iemand aan de haak geslagen = een vrijer opgedaan

in 't koeëpen en in't vroiën meegde nimmand moiën
- in het kopen en het vrijen mag je niemand mijden = gezegd wanneer men iemand aanraadt om niet te terughoudend te zijn in geld- en liefdeszaken

e èèt ém dau ne scheir gedaun
- hij heeft daar een 'schar' gedaan = hij heeft daar een liefje opgeraapt

'k sal moeten solfer stroeën
- ik zal moeten zwavel strooien = gezegd als men jonge vrijers aan de deur krijgt

Getrouwd opgaun vee toepzaut
- opgaan zoals klaver = niet getrouwd geraken

e és van de prékstoel gevallen
- hij is van de preekstoel gevallen = hij gaat trouwen




Riezze mauken. ( Uitdrukkingen over ruzie maken en slagen geven ).

da nie benaad és, kroiëgd oeëk slaugen
- wie niet 'benauwd' is, krijgt ook slagen = iemand die niet angstig is, gaat soms ook op zijn bek

e èèt zén eiten g'at
- hij heeft zijn erwten gekregen = hij heeft op zijn donder gekregen

Ruzie ne mond gelék van gézze gedrooëd
- een mond gelijk van gras gedraaid = iemand die met gemak en vaardigheid praat om anderen te beschimpen

immand graat en blaat verwoiëten
- iemand grauw en blauw verwijten = iemand de huid volschelden

e èèt zén (h)auver gekregen
- hij heeft zijn haver gekregen = hij heeft een pak slaag gekregen

't és pikapik
- het is 'pikapik' = zij leven op gespannen voet

't zal aun eer mooël niet gelegen zoiën
- het zal aan haar muil niet gelegen zijn = zij heeft een vranke mond

e kan nogal mé zén bakkes rieren
- hij kan nogal met zijn bakkes roeren = hij is niet op zijn mond gevallen

ieënen zén zauligét geven
- enen zijn zaligheid geven = iemand zijn gedacht zeggen

Ruzie in het huishouden

klinket niet, tein bosjket
- klinkt het niet dan botst het = men moet er de blutsen met de builen bijnemen

e was zén mooël nie mieëster
- hij was zijn muil niet meester = hij kon zijn mond niet houden

ge kroiëgt er allieën en abbe én snabbe ooët
- je krijgt er alleen een 'abbe en een snabbe' uit = je krijgt uit zijn mond enkel snauwende woorden

va zén bakkes ( késse, nees, ték, toot, oeëren ) mauken
- van zijn bakkes ( kers, neus, tak, toot, oren ) maken = zich luidruchtig boos maken




Aurebéd. ( Uitdrukkingen over arbeid en luiheid ).

zén knoppen ( of pénsjen ) afdrooën
- zijn knoppen (pensen) afdraaien = een grote hoeveelheid werk verrichten

bézze geven, pellong geven, gaas geven
- hard doorwerken

Hard werk aun de keir daven
- aan de kar duwen = een handje helpen

wérken dat a gat mé en toot staut
- werken dat je gat met een toot staat = hard werken

pakt aaën gedong van onder
- pak je stuur maar onderaan = zet je maar schrap

zén (h)annen ston auverécht
- zijn handen staan averecht = hij is onhandig ( of doet alsof ), hij heeft geen zin om te werken

in alle (h)annen goed zén
- in alle handen goed zijn = tot elk werk geschikt zijn

'k kan nie looën én in de prosésse gaun
- ik kan niet luiden én in de processie gaan = ik kan geen twee zaken terzelfdertijd doen

'k zin der mé gieëne maan over
- ik zie er mij geen man over = ik kan dat werk niet afkrijgen

Even rust zén tieënen ooëtkooësken
- zijn tenen uitkuisen = zijn best doen, maken dat men wegkomt

e èètvnog gieën stroeë verleid
- hij heeft nog geen stro verlegd = hij heeft nog niets gedaan

e zan zén zieël nie aftrékken
- hij zal zijn zeel niet aftrekken = hij zal zich niet uitsloven

't avvesseert gelék as boeënen knieëpen
- het gaat vooruit zoals bonen knopen = het gaat helemaal niet vooruit

gau je apprénsje mauken ?
- ga je apparentie maken ? = ga je je klaar maken om te beginnen ?

Jawadde 't és meiren vrig dag
- het is morgen vroeg dag = we moeten vroeg opstaan om te werken

in daggieren schoiëten
- in daguren schijten = tijdens de werkuren overdreven lang op de WC zitten

nen ezel zwitj van schoiëten
- een ezel zweet van schijten = gezegd tegen iemand die klaagt dat hij hard moet werken

ge moetj da van aa gat nie schirren
- je moet dat niet van je gat schudden = je moet niet op een lepe manier het werk ontlopen

de loecht zie nog blaat(of zwét) van de daugen
- de lucht ziet nog blauw van de dagen = je moet me niet opjagen

'k ém dau ménne pere gezien
- ik heb daar mijn 'pere' gezien = ik heb afgezien

doiënen èèt gieën poeëten aan zén loiëf
- die heeft geen poten aan zijn lijf = die is onhandig, weet van geen aanpakken

da was op ne sakker en ne vloek geflikt
- dat was heel vlug in orde gebracht

aa op aa verrooët zétten
- je op je vooruit zetten = werk op voorhand doen

da leit nie in 't vier
- dat ligt niet in het vuur = daar is geen haast bij

doet a gieëne zieër
- doe je geen pijn = gezegd tegen iemand die tegen zijn zin werkt en het ook duidelijk toont

iet (h)alfgat lauten staun
- iets halfgat laten staan = iets onafgewerkt laten

Efkes pauze zén kloeëten schieren
- zijn kloten schuren = niets doen

mé zén tieënen spelen tot vermauk van zén (h)ielen
- met zijn tenen spelen tot vermaak van zijn hielen = niets uitvoeren

auverécht gelék as de Waulepjeiren
- averecht zoals de Waalse paarden = zeer averecht bij het werk

de bieënen van onder zé gat loeëpen
- de benen van onder zijn gat lopen = zich terdege inspannen

e èèt gieën zittend gat
- hij heeft geen zittend gat = hij is rusteloos

't és osta spoedda gedaun
- het is haast je spoed je gedaan = er is veel te haastig gewerkt

zén schip afkooësken
- zijn schop afkuisen = er onderuit trekken

ge meegt aa schip afkooësken
- je mag je schop afkuisen = je bent afgedankt

schroiëven en vroiëven
- schrijven en vrijven = druk bezig zijn

zén pees afdrooën
- zijn pees afdraaien = hard werken




Mane(n)praut. ( Uitdrukkingen uit de mond van mannen ).

en aa kapélle moet oeëk versierd wérren
- een oude kapel moet ook versierd worden = als een vrouw ouder word moet ze meer aandacht besteden aan haar uiterlijk

e ziet deer gieën ander oeëgen as doië van zén vraa
- hij ziet door geen andere ogen dan die van zijn vrouw = hij volgt in alles de mening van zijn vrouw

z' és goe verzien van oeëren en poeëten
- ze is goed voorzien van oren en poten = gezegd van een welgevormde vrouw

e begintj al om te zien
- hij begint al om te zien = gezegd van een jongere die al eens naar iemand van het andere geslacht kijkt

ze trékt portrétten
- ze trekt portretten = die vrouw zit met haar benen open

Oude 'kapel' z'èèt ne graveléken vaveren
- ze heeft een gruwelijke van voren = ze heeft zware borsten

z' és eer blommeke kwoiët
- ze is haar bloempje kwijt = ze is ontmaagd

zén flooët gaut altoiëd
- zijn fluit gaat altijd = hij moet regelmatig naar het WC

inkel van boven mau brieëd van onder
- smal van boven, maar breed van onder = gezegd van een vrouw met kleine borsten en brede heupen

schoeën ma(r)sjandies
- mooie marchandise = gezegd van een welgevormde vrouw

zén bistjen és doeëd
- zijn beestje is dood = hij is niet meer in staat tot geslachtsbetrekkingen




NOG EEN PAAR VERGELIJKINGEN.

zoeë zwét as (h)oeilje - zo zwart als kolen

zoeë doeëf as ne kwakkel - zo doof als een kwakkel

zoeë zot as en (h)oenjer (mis) - zo zot als een kip (mus)

zoeë zat as ne petat (kanong) - zo dronken als een patat (kanon)

zoeë simpel as bonzjour zéggen - zo eenvoudig als goedendag zeggen

zoeë dom as 't pjeid van Kristus (en't was nen ezel) - zo dom als het paard van Christus (en het was een ezel)

zoe flaa as't groeët és - zo flauw als het groot is

'k bén 't zoeë mieg as kaa pap - ik ben het zo moe als koude pap

e schrieën 'n gelk as e vérken - hij schreeuwde zoals een varken

z'és zoeë koppig as nen ezel - ze is zo koppig als een ezel

e was gelooën gelék ne mooëlezel - hij was geladen zoals een muilezel Roken als een Turk'

zoeë plésj as en bloeit gat - zo kaal als een bloot gat

géldj verdienen gelék as moor - geld verdienen zoals modder

smoeëren gelék nen Tirk - roken zoals een Turk

't avvesseert gelék boeënen knieëpen - het gaat heel traag

zoeë sloensj as en vodde - zo futloos als een vod

e kan loeëpen gelék nen (h)auzewindj) - hij kan lopen zoals een hazewind

zoeë doeëd as en looës op ne kam - zo dood als een luis op een kam

zoeë donker as in d' (h)élle - zo donker als in de hel

ze zag zoeë wit as e lauken - ze zag zo wit als een laken

ze zag zoeë wit as de doeëd - ze zag zo wit als de dood

e zwitj gelék nen os - hij zweet zoals een os

zoeë lieërek as e spoeëk - zo lelijk als een spook

zoeë mauger als een schar - zo mager als een schar (platvis)

blèzen gelék a en kat - blazen zoals een kat

e kan bier drinken as en koei wauter - hij kan bier drinken zoals een koe water

Zwemmen zoals een baksteen' ze kan zwémmen gelék as nen bakstieën - ze kan zwemmen zoals een baksteen

zoeë gléssig an ne pauling - zo glad als een paling

zoeë groesj as en kat - zo trots als een kat

zoeë stérk as nen os - zo sterk als een os

da létj rond gelék as a virken - dat gaat rond zoals een vuurtje


NOG EEN PAAR SCHELDWOORDEN.

- dwaze, domme man
(hannen, assjel, bézze,(h)énnen, éssjel, jéppen, karten, koben, kemel, kwat, kwispel, métten, mooëlezel, (h)ooëben, ooël, sim(men), simmeken, sissepee, sjalen, soeë(ken), stieënezel, téppen, tist, tonen, troeten,wizjen, wooëten, zjilleken.

- mislukkeling, iemand die tot weinig in staat is
achterwésover, brosselèèr, dés(j)terèèr, do, halve gebakkenen, jan mén voeten, krabber, krémper, krocher, krotter, téppen.

- merkwaardige man
nimmeroo, pateken, pee, peken, postier, stik

- gierige man
bieëst, bistj'n, géljdond, krébbenboiëter, smachtals, potter

- deugniet, durver
galjaar, (h)ardieën, kastaar, krawat, doeljvel, fernét, kaddee, strop, schavooët, snotter, vitj'n, wiljewauter, gars, kannailje, vénjel

- plaaggeest
toeker, treiter, treitstok, treitzak.

- onbetrouwbaar persoon, bedrieger
faffoel(jeken), fedok, filloe, foenje, (h)aurzak, krapil, linkaut, linkadoor, loeter, looës(zak), pajakroet, platten, schérftegen, (h)ond, sjanfoeter, sjarlatang, stinker(d), trasser, viggen, zjudas.

- schijnheilig, onbetrouwbaar persoon
(gés)dooëker, kazakdrooëer, lérre, mooëlentrékker, totentrékker.

- lawaaimaker, druktemaker
baggozzjemauker, bawaamauker, beslagmauker, groeëtekloeët, rotelèèr, schrammoesjemauker, tauterèèr.

- lichtzinnig, zorgeloos persoon
ammezant, bollooët, fliereflooëter, pikaar, pitjegemak, vadder, vagger, vliegewauter.

- slordige man
afdoenjer, appasj, bohemer, klodderond, klabatermaan, klédden, kloddemaan, lérre, pallak, voddemaan, voddevént.

- luie, trage man
jan gemak, janus, lezegaut, looëszak.

- vrijpostige man
képper, vooëlbakkes, mooël (en franke.., state.., lieëleke..).

- lafaard, beunhaas
broekschoiëter, mossel, schrikkepooët, voiëg.

- lelijke man
lieëlekaut, métteko.

- kroegloper, nachtbraker
nachtooël, pénsj, pottepee, toeëgzwèèr, toeterèèr, wallebak, zattebézze, zwalpoië.

- kniesoor
azzoiënzieëker, drémmer, geèèf, kréft, pezewever, pileirenboiëter, zaugemaan, zeventieën, ziertoot.

- dikke man
blèès, blomzak, bokis, brédden, kloesj, lébben, papzak, pattapoef, zjoeben,

- man die onzin verkoopt
zieëverbakkes, zieëverèèr, zieëverkont, zjilleken

- kleine, ziekelijke man
blieëkschoiëter, kèzemieës, pagadder, pieëverken, pimpelmieës, pisseménneken, schérre, spierink, sprink(h)aun.

- dwaze vouw
blaur (en zoote blaur, en wilje blaur), goele, goiët, jénne, jénnemie, kalle, en zotte kit, en zotte moesj, schoiëtgat, schoiëtkont, siska, sjit(teken), tekala, treze, triene, trit, trut, tooët, zotgat, zottekont, zottemoesj.

- zeurende vrouw
kween, pretelkont, trint, trunt, zjandarm.

- babbelzieke vrouw
en vooël blad, ékster, gazét, lammeer, plékploster, snébbe, viswoiëf.

- gemene, venijnige vrouw
proië, tang, vél, visj, vizzje, vooëlblad.

- dikke vrouw
dragonder, kloek, machoechel, moef, mot, parre, wanne, zoeg.

- iemand die zijn werk niet nauwkeurig verricht
brosselèèr, désjterèèr, doeberèèr, schoefelèèr.

- ruziemaker
ambrasmauker.

- nieuwsgierig persoon
kerieuzemosterdpot.

- koppigaard
(h)éttekop

- plantrekker
karottentrékker.







Zang

't es ermee gedaun

Tot ziens