Londerzeel

 

tijdens De eerste maanden van

 

Wereldoorlog I

 

 

Begeleidende tekst bij de uiteenzetting, gegeven op 5 mei 2007, aan de leden van The Western Front Association, België.

 

 

24 augustus 1914 – De Slag van Imde

*

4 september 1914 – De 1ste slag van Londerzeel-Breendonk

*

29 september 1914 – De 2de slag van Londerzeel-Breendonk

*

Het “Liefdadigheidswerk van juffer Orianne van Londerzeel”

 

 

 

 

Voordrachten en bezoek aan de slagvelden van Imde en Londerzeel, gerealiseerd met de logistieke en materiële medewerking van de Nationale Strijdersbond Groot-Londerzeel en van de Gemeente Londerzeel

 

 

20 augustus 1914 - LONDERZEEL IN NIEMANDSLAND

 

Op 20 augustus werd het niet verdedigde Brussel door de Duitsers bezet en nog dezelfde dag werden er door Ulanen verkenningen uitgevoerd. Onder meer in Nieuwenrode en Londerzeel werd daarbij op Belgische troepen gestoten. Verder naar Antwerpen trekken werd niet opportuun en overbodig geacht. Als gevolg hiervan ontstond een frontlijn (en aanvoercorridor voor de Duitse troepen die verder naar Frankrijk oprukten) van Aarschot, over Leuven (Pellenberg), Vilvoorde, Wolvertem en zo verder naar het zuiden, richting Bergen.

Vanaf 20 augustus lag Londerzeel in het niemandsland. Een klein aantal kilometers naar het zuiden (Grimbergen, Meise, Wolvertem, Asse) lag bezet gebied. 7 kilometers naar het noorden, in en voorbij de forten van Liezele en Breendonk bevond zich het voltallige Belgische leger.

Telkens wanneer eenheden van deze legers zich te ver in dat niemandsland waagden werd er slag geleverd. Zo leden de Belgen zware verliezen tijdens de slag van Imde (tussen Londerzeel en Wolvertem) (24 augustus) en werden de Duitsers bloedig verrast toen een grote verkenning tussen Londerzeel en Breendonk hen op 4 september in het schutsveld van de forten bracht.

 

 

24 augustus 1914 – SLAG VAN IMDE

BEGIN VAN DE EERSTE UITVAL UIT ANTWERPEN.

 

Terwijl het Belgische leger (vruchteloos) wachtte op de Engelsen om de bres tussen Antwerpen en Noord-Frankrijk op te vullen moest het zijn ambities beperken tot het ontregelen van de bevoorradingslijnen van de Duitse troepen die richting Marne trokken.

Een eerste keer gebeurde dat door een massale uitval op 24, 25 en 26 augustus. Daarbij kwam het tot (hoofdzakelijk voor de Belgen) bloedige gevechten in onder meer Imde (24 augustus), Zemst, Weerde, Elewijt, Vilvoorde, Wespelaar (25 augustus) en Beigem (26 augustus).

 

Verkenningen op 23 augustus (waarbij het op de grens van Londerzeel en Wolvertem tot een treffen kwam en een paar Ulanen werden gedood) hadden aangetoond dat de eenheden van het 24 RIR vanuit bezet gebied verder naar het noorden waren opgeschoven. Tussen het kanaal en Wolvertem werd de aanwezigheid van ca 1600 Duitsers vermoed en in Wolvertem zelf bevond zich het 2de Bataljon van het 24ste RIR onder bevel van Majoor von Paulin.

De generale staf besloot om deze niet te talrijke eenheden terug naar het zuiden te drijven.

In de ochtend van 24 augustus vertrokken met dit doel vanuit de buitenste fortengordel (Liezele en Breendonk) 4 Belgische legercolonnes, voorafgegaan door diverse verkenningen..

Het eerste doel was de spoorlijn Mechelen-Dendermonde. Die ligt op een afstand van 7 km. van de forten en dat is de maximale afstand die legereenheden zich zonder speciale instructies mochten verwijderen. In het station van Londerzeel zou generaal de Stein d’Altenstein, die de algemene leiding van de operatie had, de telegrammen van de verschillende verkenningen analyseren en op basis daarvan beslissen of er verder kon worden opgerukt.

 

 

De colonnes waren als volgt samengesteld (zie vorige kaart):

-         De westelijke colonne, die de rechterflank moest afschermen, werd aangevoerd door kolonel Jaminé en bestond uit het 2de regiment Jagers te paard en 2 compagnies cyclisten. Ze moest uitzoeken of er een Duitse aanwezigheid was op de rechterflank, halt houden in Steenhuffel en daar op verdere bevelen wachten.

-         De oostelijke colonne werd aangevoerd door kolonel Van Grasdorf en moest in essentie de 1600 Duitsers, die in de buurt van Grimbergen (tussen het kanaal en Wolvertem lagen) terugdringen of minstens beletten de centrale colonne aan te vallen. Ze bestond uit het 2de regiment jagers te voet, 1 compagnie cyclisten en een afdeling artillerie en machinegeweren.

-         De centrale colonne die, als de omstandigheden gunstig zouden blijken, het bataljon van majoor von Paulin uit Wolvertem moest verdrijven, werd aangevoerd door kolonel Ruquoi en splitste zich al vlug in twee. De hoofdgroep bestond uit het 3de regiment jagers te voet, een compagnie cyclisten, een afdeling artillerie, een afdeling machinegeweren, en de generale staf met opperbevelhebber de Stein d’Altenstein. Het eerste doel van deze colonne was dus het station van Londerzeel.

-         Ongeveer 1 km rechts van hen marcheerde het rechterdeel van de centrale colonne die bestond uit de 2de compagnie van het 2de bataljon 3de jagers te voet en een aantal cyclisten om verbinding te houden met het 2de regiment jagers te paard van kolonel Jaminé (nog 1 km verder aan de rechterkant).

 

Toen de Generale Staf kort voor de middag het station van Londerzeel bereikte lagen daar geen telegrammen te wachten maar eigen verkenningen hadden aangetoond dat er geen Duitse dreiging in het westen en het oosten was en dus werd besloten om de geplande operatie uit te voeren.

-         Kolonel Jaminé en de rechtercolonne kregen de opdracht om verder op te rukken richting Rossem (dat ligt ten noordwesten van Wolvertem en ten westen van Imde).

-         Het rechterdeel van de centrale colonne werd opgedragen om een positie in te nemen bij een windmolen op de grens van Steenhuffel, Rossem en Imde en vandaar onmiddellijk verder te trekken naar de Imdekouter (ten noordwesten van het dorp van Imde).

-         De linkercolonne van kolonel Van Grasdorf moest het gebied tussen het kanaal en Wolvertem van eventueel patrouillerende Duitsers zuiveren en daarna, indien nodig, bij de verwachte gevechten voor Wolvertem assisteren.

-         De centrale colonne tenslotte trok door het dorp van Londerzeel en langs de provinciale baan verder richting Slozen en Imde.

 

Van dan af is alles serieus in het honderd gelopen.

-         Verkenners van de westelijke colonne kwamen Jaminé vertellen dat ze in het westen (richting Buggenhout) weliswaar geen Duitsers hadden gezien maar wel duizenden burgers die op de vlucht waren om zich in het bos van Buggenhout of binnen de fortengordel te gaan verstoppen voor een groot Duits leger dat hen achternazat en alle mannen gevangen nam omdat in de buurt van Asse een burger op hen zou hebben geschoten. Deze – overigens niet op feiten gebaseerde opschudding – is in de streek van Asse en Buggenhout als de paniek van de  “Vliegende Maandag” bekend gebleven. Ze was voldoende om Jaminé te doen besluiten om NIET naar Rossem te gaan maar in Malderen (ten noorden van de spoorlijn) te blijven.

-         De oostelijke colonne deed wat haar gevraagd was, kwam in contact met Duitse verkenners en wist die in een gevecht te verdrijven (het gevecht van Nerom). Dan nam ze een positie in 1 km. ten oosten van het dorp van Imde om verdere instructies af te wachten.

-         Om 12u30 installeerde de Stein d’Altenstein van de generale staf zijn hoofdkwartier in een café langs de baan te Slozen. Intussen hadden de eerste verkenners van de centrale colonne Imde bereikt. Van dorpelingen vernamen ze dat er geen Duitsers in het dorp van Imde waren maar dat er wel waren gezien een kilometer verder in het zuidoosten. Hierop kreeg de voorhoede van de centrale colonne (bestaande uit 1/II, 3/II en later ook 4/II van het 3de regiment jagers te voet) groen licht om Imde binnen te trekken. Toen ze dat deden werden ze vanuit het zuidoosten onder vuur genomen.

 

Getuigenis van Paul Dutrieux (uit Casteau), sergeant bij de 4de compagnie van het 2de bataljon.

“Toen ik, even voorbij het huis, opnieuw de gracht wou ingaan, begon de schietpartij. De Duitsers waren nog maar een vijftigtal meters van ons verwijderd. De andere soldaten uit ons groepje maakten onmiddellijk rechtsomkeer, richting Imde. De luitenant (Ghesquière) wou echter ter plekke blijven. Na enig heen en weer gepraat kon ik hem er van overtuigen dat we zonder twijfel en, vermits de Duitse posities reeds door ons regiment gekend waren, ook onnodig zouden gedood worden. Wij besloten dus eveneens terug te keren.

Bij een kleine brug aangekomen, kwam ik uit de gracht. De Duitsers kwamen nu dwars door de wei op ons af. Ik liet me op de hoek van de brug onmiddellijk op de knieën vallen en begon te schieten. De luitenant bevond zich intussen achter het muurtje van de brug. Ik had hoogstens acht of tien schoten afgevuurd, toen een kogel rakelings langs mijn buik vloog, de kolf van mijn geweer brak en mijn rechterbovenarm verbrijzelde. Ik moet het waarschijnlijk uitgeschreeuwd hebben, want de luitenant keek van achter het muurtje op om te zien wat er gaande was. Ik herinner me nog dat hij zei: ‘Ik heb al vele kogels rond mijn oren horen fluiten’. Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken of hij kreeg een kogel door het hoofd, die hem zeer ernstig verwondde. Twee soldaten sleepten de luitenant mee, twee andere ondersteunden mij om me te helpen wegkomen.

Bij het kruispunt Imde-Londerzeel aangekomen, zag ik een jonge arts die zich over mij ontfermde. Eigenlijk had deze willen doorgaan tot Londerzeel, doch daar had ik de kracht niet meer toe. De luitenant, ondersteund door de twee soldaten, trok wel verder, richting Londerzeel. Midden op de weg werd hij uiteindelijk toch door de Duitsers doodgeschoten.”

De arts en ik besloten ons te verbergen in een huis, doch hiervan bleken alle deuren en ramen gesloten. Wij verstopten ons dan maar in een schuurtje van één der laatste boerderijen van Imde en bedekten ons met stro.”

 

De Duitse schoten klonken zodanig dichtbij dat men even geloofde dat ze vanuit Imde zelf werden afgevuurd. Later onderzoek toonde echter aan dat ze wel degelijk vanuit het zuidoosten kwamen maar het feit dat Duitse kogels op een later moment dan de Belgische de geluidsmuur doorbreken, zorgde voor dit misverstand. In ieder geval droeg dit natuurkundig effect bij tot de “legende van het verraad van Imde”. Tot kort voor de 2de wereldoorlog werd in militaire tijdschriften namelijk beweerd dat de Belgen in Imde door de dorpelingen – die hen hadden verteld dat er zich geen Duitsers in het dorp bevonden - verraden werden.

-         Het hierboven beschreven vuurgevecht kostte, tussen 13u10 en 13u50, het leven aan ongeveer 30 Belgische soldaten die allen vielen in de omgeving waar later door juffer Orianne een klein monument werd geplaatst. Wie zich kon redden vluchtte via de gracht, de doorsteek onder de provinciale baan en opnieuw de gracht richting Slozen.

-         De Duitsers, die de vluchtende Belgen achterna zaten drongen nu wel het dorp van Imde binnen. Generaal de Stein d’Altenstein stuurde vanuit Slozen een boodschapper naar de oostelijke colonne van kolonel van Grasdorf, maar de cyclist in kwestie reed verloren en zou Van Grasdorf pas 2 uur later bereiken. Van Grasdorf, die intussen het vuurgevecht aan zijn rechterkant zelf had opgemerkt, liet hierop wel zijn artillerie in positie brengen, maar omdat men zelfs van op een “geschutsladder” niet kon zien waar vriend of vijand lag, besloot hij om zonder preciezere informatie niet tussenbeide te komen.

-         Ten noorden van Imde, tussen Rossem en de Imdecouter, had zich toen een sterk aaneengesloten Belgisch front moeten bevinden.

-         In Rossem het 2de regiment jagers te paard van Jaminé (maar dat was er niet omdat het door de paniek van de Vliegende Maandag terug naar Malderen was getrokken.

-         Tussen Rossem en de Imdecouter de mannen van de rechtse centrale colonne (2/II van het 3de jagers te voet), maar die waren op de Kaaskantmolen blijven “hangen”.

Daarom was Ruquoi verplicht om dat deel van de centrale colonne dat nog niet bij de gevechten in Imde-dorp betrokken waren over een grotere breedte te spreiden.

-         Over de baan van Slozen naar Rossem stuurde hij:

o       2/I en 2/II naar en voorbij Rossem-dorp.

o       3/I en de artillerie tot halverwege deze baan

-         3/III liet hij positie kiezen op de provinciale baan tussen Slozen en Imde.

-         Op de Imdecouter zelf bevonden zich 2 compagnies, namelijk 4/III en het deel van 4/II dat het na het gevecht in Imde niet op een lopen had gezet maar zich had gehergroepeerd. Het was de bedoeling dat ze snel versterking zouden krijgen van de 1ste en de 2de compagnie van het 3de bataljon, maar die hadden het contact met de voorhoede verloren en zijn nooit tot in Imde geraakt.

 

 

Om 14u05 vertoonden er zich Duitsers, die het kasteel Goethals en het er erbij horende park en bos bezet hadden, ten westen van Imde-dorp en werden ze door de Belgen in de Imdekouter, die dus spoedig versterking verwachtten, onder vuur genomen.

Ook 3/III (op de provinciale baan tussen Slozen en Imde) en 1/I (bij Rossem-Dorp) begonnen te schieten. Vooral de tussenkomst van 1/I was daarbij zeer effectief. Door een bodemverhevenheid tussen Rossem, de Imdekouter en de bossen waarin de Duitsers zich schuil hielden, zag men echter de doelen niet. De eerste die onder hun kogels viel was Arthur Gerard, de commandant van de compagnie in de Imdekouter.

Beschoten vanuit het zuidooosten en het zuidwesten door de Duitsers, maar vooral vanuit het westen door het 1ste bataljon van het eigen 3de jagers te voet, viel er niet aan te denken om boodschappers te sturen om de vergissing te melden. Daarom werd de klaroenen bevolen om het signaal “staakt het vuren” te blazen. Binnen een paar minuten waren alle klaroenen uitgeschakeld. De commandant van de compagnie langs de provinciale baan zou later toegeven dat hij het signaal wel had gehoord maar dat het zodanig slecht geblazen werd dat hij dacht dat het een list van de Duitsers was en er geen rekening mee heeft gehouden.

 

Deze beschieting duurde tot 14u30. Maar net toen de overlevenden in de Imdekouter opgelucht adem haalden nam de artillerie op de baan van Slozen naar Rossem het vuren over. In Imde dorp werd de kerk geraakt en werden een aantal huizen in brand geschoten. Maar een groot deel van de obussen kwam alweer op de eigen mensen in de Imdekouter terecht.

 

Getuigenis van luitenant Kuborn: “Ik riep tot de soldaten ‘Moed, onze artillerie is aan ‘t geven!’ Maar wat een ontgoocheling toen we beseften dat ze haar schoten op ons had gericht! Toen hebben we de mooie verbetenheid van onze schutters van de 4/III ineen zien schrompelen. Majoor Sweerts was de vroegere commandant van deze compagnie en ikzelf had als onderluitenant onder hem gediend. We kenden veel van de soldaten persoonlijk en velen kenden ons. Alleen daaraan is het volgens mij te danken dat er geen paniek ontstond. Het is bij hun oude commandant dat de soldaten vertroosting zochten. Overal was er geschreeuw te horen: ‘Majoor! Ik ben het, Doyen, ik heb een kogel in de rug gekregen! Majoor, majoor! Een ambulance! Ik ben gekwetst!’. Daarna kwamen er kreten van woede, en zelfs gevloek. Ze vermengden zich met het huiveringwekkend gekerm van de gewonden. Commandant Gerard mompelde stilletjes: ‘Moed, vrienden! Ik ben blij dat ze mij het eerst geraakt hebben!’.

Majoor Sweerts riep: ‘Niet bewegen!’ En rechts en links, van man tot man, liet hij doorvertellen dat onze troepen zich vergisten.

Het enerverend gefluit van de projectielen en, meer nog, het inslaan ervan, het exploderen van de schrapnells, dat alles vermengde zich met het gehuil van de mannen. Plots hoorden we iemand bijna wenend roepen: ‘En zeggen dat we ons door de Belgen laten afmaken!’

De majoor wilde een einde maken aan deze situatie en riep ‘opstaan!’ Hij hoopte aldus dat de artillerie ons zou herkennen. Allemaal richtten we ons gelijktijdig op en de soldaten volgden ons voorbeeld. Onmiddellijk werden we van voor en van opzij door snelvuur onder vuur genomen. En onze artillerie bleef ons haar lawines sturen.

 

De commandant van 3/III tegen te provinciale baan had toen moeten merken wat er aan de hand was maar interpreteerde het rechtstaan van de mannen in de Imdekouter evenals hun handengezwaai als een sein tot terugtrekken. Bovendien begon men ook daar door verdwaalde Belgische splinterobussen verliezen te lijden. De helft van de compagnie vluchtte langs de provinciale baan richting Slozen en werd daar door kolonel Ruqoy in eigen persoon gewapender hand teruggejaagd, 50 anderen bereikten door het veld de Kaaskantmolen. In de Imdekouter bleven de doden en gewonden liggen.

 

Tot 15u30 lieten de Duitsers van majoor von Paulin de Belgische batterijen hun gang gaan. Toen er, met uitzondering van de dode of stervende anderhalve compagnie in de Imdekouter, geen Belgen meer overbleven gingen ze tot de tegenbeschieting over. De Belgische artillerie trok zich chaotisch in chaos terug, hierbij drie kanonnen achterlatend. Voor dit misdrijf werden een paar dagen later vier kanonniers door de krijgsraad tot 15 jaar dwangarbeid veroordeeld. Ook de generale staf in Slozen besloot nu de algehele terugtocht te gelasten. Die aftocht werd gedekt door de afdeling artillerie die zich eveneens op de baan van Slozen naar Rossem bevond en nu ook onder zwaar Duits vuur kwam te liggen.

Om 17 uur was bijna iedereen die nog fysiek toe in staat was, terug in Londerzeel of op de Kaaskantmolen. De gewonden van de provinciale baan en de Slozenbaan werden naar het lazaret in het klooster van Londerzeel gebracht. Toen ook de Duitse kanonnen om 16 uur zwegen, lukte het inwoners van Rossem om een aantal gekwetsten van de Imdekouter naar de gemeenteschool van Rossem te evacueren. Ze moesten daar echter snel mee ophouden toen ze door de door de Duitsers onder vuur werden genomen.

Kort daarna verlieten de Duitsers het kasteelpark. In het dorp van Imde werden burgers en karren opgevorderd om de achtergebleven gekwetsten op te halen en naar het klooster van Imde te brengen. Wie zich nog kon verplaatsen werd echter krijgsgevangen genomen en via het ziekenhuis van Strombeek-Bever en Leuven naar Duitsland afgevoerd. Dat waren 30 soldaten, 1 korporaal en 3 onderofficieren van het 3de regiment jagers te voet, 3 militairen van andere eenheden en 8 burgers uit Imde en Rossem. Op het slagveld van Imde lieten die dag 5 officieren en 80 soldaten het leven; ruim honderd anderen werden ernstig gewond. Hoeveel er nadien nog aan hun verwondingen bezweken zijn, is niet precies geweten. In het lazaret van te Londerzeel waren er dat minstens 17. De achtergelaten doden werden voorlopig in 2 massagraven op de Imdekouter begraven. Later zouden ze ontgraven, geïdentificeerd en herbegraven worden door het werk van juffer Orianne.

 

Deze samenvatting, die een uiterst vereenvoudigde weergave van de feiten is, is gebaseerd op de verslagen van 2 militaire onderzoekscommissies. Het eerste onderzoek had een paar dagen na de gebeurtenissen plaats en het tweede volgde een paar maanden na de wapenstilstand, in 1919.

Ofschoon de ware toedracht dus al eind augustus 1914 bekend was, heeft de Belgische legeroverheid er echter voor geopteerd om het eigen falen achter een verzonnen verhaal over het verraad van de inwoners van Imde weg te steken.

 

4 September 1914 - DE VERGISSING VAN VON BESELER.

 

Op 4 september bevonden zich 2 Duitse reservekorpsen ten noorden van Brussel. Het 9de reservekorps van von Boehm lag op de as Zellik-Wemmel. Het 3de reservekorps van von Beseler bivakkeerde in de buurt van Grimbergen.

De talrijke verkenningen van de afgelopen dagen hadden de Duitsers geleerd dat de Belgische aanwezigheid langs de spoorlijn Mechelen-Dendermonde zeer aanzienlijk was. Bovendien werden de geruchten dat de Engelsen aan de Belgische kust geland waren steeds sterker.

Alles wees er op dat de Belgen – om het Engelse en het Belgische leger de kans te geven om achter de Schelde een aaneengesloten front tussen Antwerpen en Noord-Frankrijk te vormen – op 4 september een nieuwe uitval uit de buitenste fortengordel zouden ondernemen. Deze keer in de richting van Dendermonde en Aalst.

 

Om die Belgische uitval te onderscheppen vertrokken al om 1u30 3 colonnes naar het noorden.

-         1 Grote colonne (het hele 9de reservekorps) trok naar de Dendermonde en de Schelde.

-         Een 2de grote colonne (20.000 man volgens niet helemaal neutrale waarnemers, het gros van het 3de reservekorps volgens officiële documenten) trok eveneens naar het noordwesten om de Belgische uitval al tussen de forten en de Schelde te onderscheppen.

-         Een derde, kleine colonne trok naar het noordoosten om in Kapelle-op-den-Bos en Tisselt de bruggen over het zeekanaal Brussel-Rupel op te blazen en de door de 2de colonne op de vlucht te jagen Belgen te verhinderen om langs daar te ontkomen.

Het was een maanloze, zeer donkere en bovendien uitzonderlijk mistige nacht.

 

Wat de westelijke colonne naar Dendermonde vervolgens uitvoerde is stof voor een ander verhaal. In ieder geval weten we dat de Duitsers in Dendermonde geen reguliere Belgische troepen aantroffen, integendeel “door burgers beschoten” werden en de stad dan maar in brand hebben gestoken.

 

 

De centrale colonne trok over Wolvertem. In de gehuchten Imde, Meuzegem en Rossem werden pastoor en dorpelingen uit de vroegmis van 5 uur gehaald en als gijzelaars meegenomen.

Om 5u30 hield deze colonne, die 3 à 4 km. lang was, halt in Steenhuffel. Dat gebeurde om op nieuws van vooruitgestuurde verkenners te wachten maar vooral om de in de duisternis verdwaalde trein met voorraden en munitie de kans te geven om weer aansluiting te vinden.

Rond 8 uur gebeurden er echter twee dingen waar men geen rekening mee had gehouden.

1)     Aan de rechterkant was de kleine Duitse colonne in de mist onverwacht gebotst op een Grote Wacht van het 3de Jagers de voet die – anders dan gewoonlijk  – de vorige avond niet naar de forten was teruggekeerd, maar tussen Ramsdonk en Kapelle-op-den-Bos de spoorweg Mechelen-Dendermonde en het kanaal bewaakte. De generale staf had namelijk besloten om op 4 september de vlakte tussen het kanaal en het fort van Walem onder water te zetten en daarom moesten de sluizen op het kanaal worden bewaakt.

Tussen 6u30 (toen de mist optrok) en 8 uur leden de Duitse verkenners evenals hun voorhoede al aanzienlijke verliezen door geweer- en mitrailleurvuur vanaf de spoorwegberm, maar vanaf 8u50 begon ook het zwaar geschut aan het gevecht deel te nemen. Dat krijgslawaai werd door de centrale colonne in Steenhuffel gehoord.

2)     Om 8u50 werd ook de achterhoede van de centrale colonne (in het zuidoosten van Steenhuffel) door de pas ter plaatse gekomen artillerie van de spoorwegbewaking in Londerzeel onder vuur genomen.

Deze feiten deden de staf van de centrale colonne tot het besluit komen dat de Belgische uitval, die richting Dendermonde en de Schelde was verwacht, richting Kapelle-op-den-Bos aan het gebeuren was en daarom werden de plannen veranderd.

-         Het zuidelijke deel (de achterhoede) van de colonne boog af naar het westen om in Londerzeel de Belgen te verdrijven en daarna de rechtse colonne ten zuiden van de spoorlijn te Kapelle-op-den-Bos te gaan ontzetten.

-         Het middelste deel van de colonne boog eveneens af naar het noordoosten om de Belgen, die van uit Kapelle-op-den-Bos terug naar de forten zouden vluchten, voor het fort van Liezele de pas af te snijden.

-         Het voorste deel van de colonne deed hetzelfde om de vluchtweg naar het fort van Breendonk af te sluiten.

 

Toen de meest zuidelijke colonne in Steenhuffel (wijk over de Beek) door de Belgen vanuit Londerzeel beschoten werd, lieten de Duitsers hun gijzelaars uit Wolvertem vrij. In Londerzeel zou echter door burgers op de Duitsers geschoten worden (in werkelijkheid waren de schoten die men hoorde echter afkomstig van Duitsers die hun wapens op een paard van veearts de Meulenaere uitprobeerden). Er werden nieuwe gijzelaars gemaakt en omdat men die als levend schild gebruikte trokken de verdedigers van Londerzeel zich terug. Daarna werd de spoorwegbewaking in Kapelle-op-den-Bos, die al uren vruchteloos op versterking vanuit de forten wachtte en bovendien zonder munitie was komen te zitten, onder vuur genomen. Ook in Kapelle trokken de Belgen zich nu richting forten terug. Daarbij werden ze door het fort van Breendonk beschoten. De Duitsers achtervolgden de Belgen niet maar namen Kapelle-op-den-Bos in bezit en die namiddag werd het hele dorp, inclusief de kerk – naar men zegt uit wraak om de geleden verliezen - in de as gelegd. Eerlijkheidshalve moeten we daar aan toevoegen dat al tijdens de voorafgaande gevechten heel wat huizen in brand waren geschoten.

De andere twee colonnes waren zo onvoorzichtig om niet uit het schietbereik van de forten te blijven. Opeens en totaal onverwacht stonden ze in de bietenvelden voor de draadversperring. Ze werden daar door het geschut van de forten hevig onder vuur genomen en ze leden daar – ook en vooral naar eigen zeggen – zeer zware verliezen. Het was dan al 3 uur in de namiddag.

 

Getuigenis van aalmoezenier Hénusse van de 84ste batterij artillerie.

“De 16de gemengde brigade begaf zich op de smalle weg die uitgaf op de fortenlinie. Om 12u30 maakte ze zich gereed om een verzamelpositie in te nemen toen opeens 4 ontploffingen weerklonken en schrapnells neerkwamen op de voorhoede van de artillerie; ze sloegen in rondom de commandant van de groep die zijn cyclist vermorzeld zag neervallen, mannen verwond worden en paarden neertuimelen of weghollen. De ontsteltenis was groot. De verklaring kwam snel; de vijand deed een onverhoedse aanval op het dubbele interval Breendonk-Letterheide-Liezele. De artillerie kreeg het bevel om snel de ingerichte defensieve stellingen in de intervallen te gaan bezetten…

… Terwijl de batterijen snel hun posities opzochten, begaven de commandanten zich niet minder snel naar hun observatieposten. Deze van de commandant van de 83ste batterij was ideaal. Op 9 meter hoogte was tussen 2 populieren een platform gemaakt dat door een borstwering beschermd was; het kon via een enorme ladder bereikt worden. Het was ruim en stevig zoals het paste voor de imposante man die er gebruik moest van maken. Toen deze er aankwam floten de kogels reeds van alle kanten en ontploften grote schrapnells boven op de forten. Vanaf dat moment was het duidelijk dat de Duitsers massaal de aanval forceerden zonder voorafgaandelijke voorbereiding door hun artillerie.

De commandant klom snel in zijn rek en begon de horizon met zijn verrekijker af te speuren. In de richting van Breendonk was het schutveld, voor de fortenlijn, over een diepte van ongeveer 800 meter ontruimd; alle huizen, behalve 1, waren afgebroken. Verderop, op het achterplan, geïsoleerde boerderijen, de toegangswegen tot het Dorp, mijten en bosjes bomen; op het voorplan, immense velden vol 1 meter hoge asperges.

Plotseling kwam er beweging op de weg naar het dorp: een vijandelijke colonne naderde vanaf die kant... Ze splitste zich in kleine groepjes die de potentiële schuilplaatsen opzochten... Dit was het moment om de telefoon te grijpen en de batterij die zich ginder, 1700 meter verderop, bevond te bevelen om het vuur te openen... Maar helaas! De telefoon was ontmanteld vanwege de voorziene verkenning van deze morgen..

De ogen van de commandant bewogen zich van de naderende vijand naar de vlakte waar de telefonisten met de ontrolde draad moesten verschijnen... Maar hij zag alleen maar het groene gras en de verzengende zon... Tenslotte kon hij het niet meer uithouden. Hij klauterde van zijn observatiepost, hierbij begroet door een vlucht kogels die alleen maar wat boomtakken beschadigde, holde naar zijn paard dat in het bosje achteraan verscholen was en ging op zoek naar de telefonisten. Daar waren ze. De kogels floten en ketsten af op de sporten van de brede ladder... En opnieuw stond de waarnemer op zijn post. Maar deze keer lag hij plat op de buik op het platform en nerveus speurde zijn verrekijker de reeds vertrouwde horizon af. Achter de geïsoleerde boerderijen, achter de mijten naderden dicht aaneengesloten vijandelijke colonnes; op de voorgrond kropen schutters sluipend naar de aspergevelden. Voorzeker zaten ze daar al met honderden te krioelen, men voelde dat aan...

Zouden die telefonisten dan nooit komen? Arme duivels, als ze maar niet zelf geraakt waren!... Nee, daar waren ze. Op 500 meter afstand staken ze de spoorweg over...

De minuten duurden oneindig lang... Eindelijk stonden de telefonisten aan de voet van de ladder; de verbinding werd gelegd en het eerste order werd als de bliksem gegeven... Er verstreken enkele seconden en daar kwam het antwoord; 4 grommende schrapnells ontploften boven de asperges, op de goede hoogte. De stortbuien volgden elkander op, besproeiden en doorboorden de velden waarin de Moffen krioelden. Doorheen zijn verrekijker zag de commandant afgrijselijke dingen in de lucht vliegen... armen, benen en gehelmde hoofden...

Na de aspergeplanten was het de beurt aan de boerderijen. Splinterobussen kwamen er als de bliksem op neer en deden branden ontstaan. Desondanks bleven de kogels rondom de observatiepost fluiten. Blijkbaar lagen er nog ergens schutters in hinderlaag en werden ze verbitterder. De commandant zocht hen en vond hun waarschijnlijke positie; het was het enige huis, langs de baan van Breendonk naar Lippelo, dat de genie niet vernietigd had en waarin, twee uur geleden, plotseling gaten verschenen waren. Wat te doen?

…. Minder dan 10 minuten later opende het fort het vuur op het huis en, bij de derde inslag, brandde het als een toorts waarna het in een immense ruiker vonken instortte... De commandant zocht terug zijn luchtpost op, maar het feest was afgelopen; de wegen waren leeg, de aspergeplanten, waarheen zijn verrekijker steeds opnieuw getrokken werd, bewogen niet meer; in de verte voltooiden de in brand gestoken hoeven hun rokende doodstrijd; het kanon bulderde nog slechts als een zich verwijderend en uitstervend onweer. Ginder, achter het dorp van Breendonk, kon men de ongeordende aftocht vermoeden van de Moffen, die hun kanonnen redden, hun gekwetsten meesleepten, en die renden om hun schaamte te verbergen...

 

De Duitse regimenten sloegen inderdaad in paniek en totale wanorde op de vlucht om zich in Londerzeel opnieuw te gaan formeren.

Een Duitser van het 26e RIR (bij Liezele) schreef in zijn dagboek: “Dat het regiment nog verhoudingsgewijs ongeschonden kon terugkeren, hebben we in de eerste plaats aan de laksheid van de Belgen, die ons niet achterna zaten, te danken.”

En een verslaggever van het 35ste RIR (bij Breendonk) noteerde: “Door het vuur van het vijandelijke afweergeschut, van talrijke machinegeweren en van uitgezette verdedigingslijnen, leed het regiment grote verliezen.”

 

Cijfers over de Duitse verliezen van die dag variëren sterk al naargelang van de bron.

In ieder geval werden in het lazaret en de school te Londerzeel die avond en nacht honderden gewonden verzorgd. We denken aan de voorzichtige kant te blijven door te stellen dat 2000 Duitsers voor Kapelle-op-den-Bos, Breendonk en Liezele het leven lieten en dat 3000 à 4000 militairen werden gekwetst. De verliezen van het Belgisch leger waren verhoudingsgewijs bijzonder klein.

 

Van de late namiddag tot in de vroege ochtend van de volgende dag kwamen de Duitsers in kleine verspreide groepjes en met hun talrijke gewonden in Londerzeel aan. “Voor elke afzonderlijke man die zich terug aandiende, heerste er grote vreugde”, schreef dokter Arnoldi van het 35ste RIR.

 

Terwijl de forten zonder ophouden bleven schieten – meer om te laten horen dat ze er nog waren dan om werkelijk iets te raken – verbleven 7 volledige Duitse regimenten tussen Londerzeel-dorp en Slozen. Natuurlijk werd alles geplunderd wat er te plunderen viel. Vooral de Mariniers divisie was daarbij zeer actief. De voorraad gijzelaars van de voormiddag, die sterk was uitgedund omdat velen waren kunnen ontsnappen, werd met 80 andere Londerzeelse mannen aangevuld. Dikwijls werd ermee gedreigd om gijzelaars te executeren en het dorp in brand te steken. Het eerste dreigement werd gelukkig niet uigevoerd en het tweede slechts in zeer beperkte mate. De bedenking dat hun gewonden in het dorp verpleegd werden zal de Duitsers ongetwijfeld wel tegengehouden hebben. Om vier uur ’s morgens werden de meeste burgergevangenen vrij gelaten... Met uitzondering van 13 mannen uit Londerzeel en 4 uit Breendonk, die de volgende dag naar het kamp van Soltau werden gevoerd, waar ze pas in de lente van 1915 uit terugkeerden.

 

De volgende dag trokken de Duitsers naar het westen. In Londerzeel was voorlopig het grootste leed geleden. Elders niet. Omdat het fort van Breendonk, dat al voor de oorlog een vrij schutsveld had gekregen, na deze eerste test betere resultaten – meer Duitse naamplaatjes – kon voorleggen dan dat van Liezele, werd die dag heel Liezele door het Belgisch leger plat gebrand. De bewoners die nog thuis waren kregen zelfs de kans niet om hun goederen in veiligheid te brengen.

 

28 en 29 september – MISLUKTE DERDE UITVAL

EN DUITSE TEGENOFFENSIEF

 

Op 26 september wilde het Belgische leger een 3de grote uitval uit Antwerpen (ditmaal richting Dendermonde en Aalst) ondernemen. Het was een misrekening want men werd met een intussen aanzienlijk versterkte Duitse legermacht geconfronteerd.

De gevechten die op 26 en 27 september plaats hadden in Lebbeke, Opwijk, Buggenhout en Buggenhout-Opstal eindigden met de terugtrekking van de Belgische eenheden die hierop stellingen achter de verhoogde berm van de spoorlijn Mechelen-Dendermonde in gingen nemen

Op 27 en 28 september "veroverden" de Duitsers het niemandsland ten zuiden van de spoorlijn, inclusief het intussen quasi lege Steenhuffel. Aanvallen op de spoorlijn zelf konden voorlopig worden afgeslagen. Dat gebeurde door - vanaf het zeekanaal Brussel-Rupel en van oost naar west -  cyclisten, speciale compagnies van de 3de legerafdeling (vooral het 2de regiment Lansiers), een Engelse gepantserde trein (op de aftakking van de spoorlijn naar Boom en Antwerpen-Zuid), de voorposten van het pas in de sector aangekomen 12de Linieregiment, de Carabiniers, en nog verder naar het westen, in Buggenhout en Baasrode, de Grenadiers.

De twee regimenten Jagers te voet (het 3de en het 4de), die tot dan dit gebied bewaakt hadden, waren de vorige dag naar het westen opgeschoven.

Een detail: de verdedigers van de spoorwegberm werden door het geschut van de forten van Liezele en Breendonk ondersteund. Daarbij zijn vele huizen in Londerzeel (zoals het klooster), Malderen en Steenhuffel (zoals de brouwerij) tegen de vlakte gegaan.

 

In de loop van de avond van de 28ste september werd verdediging van de spoorlijn - zowel ten westen als ten oosten van het station van Londerzeel - op last van de Generale Staf - zonder slag of stoot opgegeven. De commandanten van de troepen in kwestie, die wellicht onterecht van oordeel waren dat de berm een verdedigbare positie was, begrepen dat niet en waren niet op de hoogte van het feit dat er ondertussen besloten was om Antwerpen niet te verdedigen maar om het veldleger naar de IJzer te laten ontsnappen om aansluiting bij de geallieerden te zoeken. De forten werden in staat geacht om lang genoeg stand te kunnen houden om dit plan te laten lukken.

De eerste Belgische verdedigingslinie werd nu gevormd door de "Grote Wachten" die bemand werden door de pelotons van de Carabiniers en van het 12de Linieregiment die zich ten noorden van de spoorlijn in het veld hadden ingegraven... De Duitsers hielden zich vooralsnog schuil ten zuiden van de spoorlijn: de 13de Ersatz Infanterie Brigade ter hoogte van Buggenhout en het station van Malderen, De 33ste Ersatz Infanterie Brigade ter hoogte van Steenhuffel, Londerzeel en Ramsdonk. Bij Kapelle-op-den-Bos, langs het kanaal Brussel-Willebroek lag het 1ste Matrozen Artillerie Regiment. Al deze troepen waren voorzien van zwaar geschut.

 

6de Legerafdeling

3de Legerafdeling

Grenad

Carabiniers

12de Linieregiment

11e L

13e Ersatz Infanterie Brigade

33e Ersatz Infanterie Brigade

1e Matroz. Artil. Reg.

4e Ersatz Divisie

Marine Div.

 

De volgende ochtend – 29 september - vielen de Duitsers de Grote Wachten ten noorden van de spoorlijn in alle hevigheid aan. Rond 7 uur kwam de artillerie in actie. En om 8 uur begon de aanval van de infanterie over 4 verschillende fronten:

1.      Malderen en Opdorp.

2.      Sneppelaar (grens Malderen-Londerzeel).

Hoewel zowel de Duitsers als de Grenadiers en Carabiniers daarbij een aantal mensen verloren, gaan we hier vandaag niet verder op in. (meer hierover is te vinden in de brochure “De Slag van Londerzeel”, eveneens op deze website te vinden

3.      Londerzeel - Blauwenhoek, Provinciale baan.

Via het Drietorendomein, Ursene en het station trok een deel van de Duitse 33de Ersatz Brigade richting Blauwenhoek. Daar kwam de loopgracht van de Grote Wacht 4 van het 12de Linieregiment onder vuur te liggen. De boerderij waarop een deel van de 4de compagnie van het 2de bataljon zich had verschanst werd eveneens door obussen getroffen en schoot in brand.

Kort na 9 uur gaf commandant Grossmann zijn mannen het bevel om zich via de Provinciale Baan in kleine groepjes naar Sint-Jozef terug te trekken. Onderweg werden ze tot hun verbazing geconfronteerd met de mariniers van het 1ste Matrozen Artillerie Regiment die in het veld tussen Neeravert en de Pikstraat (op een afstand van 400 m., in 3 rangen en gevolgd door hun officieren te paard) in hun richting oprukten. Er volgde een vuurgevecht...

Langs de Provinciale Baan, waar slechts een ondiepe gracht de vluchtende soldaten enige beschutting bood, vielen aan Belgische kant 8 doden. Een van hen was commandant Bernard Grossmann, die volgens de verklaring van één van zijn soldaten te struis gebouwd was om in de gracht dekking te kunnen vinden en van op de kassei het terugtrekken coördineerde.

 

 

4.      Neeravert - Kanaal

Terwijl de Duitsers van de 13de en 33ste Ersatz Infanterie Brigades de Grote Wachten van de Carabiniers op Sneppelaar voor hun rekening namen en de Grote Wacht van het 12de Linieregiment op de Blauwenhoek bedreigden, bestookte een ander deel van de 33ste Ersatz Infanteriebrigade vanuit het park van het kasteel van Ramsdonk de Grote Wachten aan het Vinneken, de Molenhoek en Neeravert. Omdat die daarom hun aandacht hoofdzakelijk naar het zuiden (de spoorlijn) richtten werden ze totaal verrast door de snelle opmars van de mariniers van 1ste Matrozen Artillerie Regiment die langs de oever van het kanaal van Willebroek de linkerflank van het 12de Linie aanvielen.

Vanaf 7u40 lag de grote wacht in Tisselt onder vuur en om 8u10 trok deze zich terug. Even later werd de grote wacht op het Vinneken door een voltreffer van bevriende artillerie tot de aftocht gedwongen. Om 8u30 moest ook de grote wacht van de Molenhoek zich terugtrekken (Duitse bronnen suggereren echter dat deze zich in zijn geheel aan de Duitsers heeft overgegeven).

Aldus waren de 2 pelotons op Neeravert in de linkerflank niet meer gedekt. Vele getuigenissen tonen aan dat ze, niet wetend wat er op de Molenhoek was gebeurd, kort na 9 uur volledig werden overrompeld.

Toen de mariniers om 9u45 de mannen van commandant Grossmann aan de Blauwenhoek onder vuur namen hadden ze, op Neeravert alleen, al 47 gesneuvelde of dodelijk gewonde Belgische soldaten achtergelaten. In de sector Kanaal-Blauwenhoek sneuvelden die dag 128 soldaten en officieren van het 12de Linieregiment.

 

Omdat weinigen het verhaal konden navertellen zijn echte ooggetuigenverhalen over de gevechten op Neeravert schaars. Hieronder volgen er toch een paar.

“Des morgens om 4 à 5 uur waren de Duitsers aan het schieten met de kanons; maar rond 7 à 8 uur was het volle slag. De Duitsers kwamen af. Iedereen die uit de loopgracht stapte sneuvelde. Onze compagnie was verwoest. Commandant Grossmann en de Luitenant waren dood. Ik en alle andere mannen lagen daar om te sterven.” Jozef Van den Haute, soldaat bij het 12de Linieregiment, gewond te Neeravert en krijgsgevangen weggevoerd naar Duitsland.

“Bij het gloren van de ochtend komt mijn kameraad, estafette Laruelle, ons helemaal buiten adem,smeken om onze kompanen ter hulp te snellen. Te laat helaas. Al mijn vrienden waren op het slagveld gebleven.

Beide pelotons waren gedecimeerd. Wat een verschrikkelijke slachting! De volgende dag werd er appel gehouden voor wat er nog overschoot van mijn compagnie. Het was een complete ramp. Ik durf het getal van hen die achtergebleven zijn haast niet te noemen. Allemaal kameraden. Al mijn vrienden van de klas van 1913...Dat was in Londerzeel Sint-Jozef.” Michel Monteyne, korporaal-klaroen 12de Linie 1ste bataljon, 2e compagnie.

“Nooit, zelfs niet tijdens de slag aan de IJzer,hoorden we nog zoveel kogels om onze oren fluiten.” Kapitein-commandant Labeau, 12de Linie, 1ste Bataljon, 3de compagnie

 

's Middags rustten de veroveraars uit in het dorp van Sint-Jozef. De Duitse infanterie besloot - om niet te dicht onder het geschut van de forten te komen - de verslagen en zich terugtrekkende Belgen niet verder te achtervolgen. Maar hun artillerie zweeg niet. In Breendonk, voor de draadversperring die het fort van de ervoor liggende zone afschermde, en waarin slechts een smalle doorgang was gemaakt, kwamen nog vele Belgen door obus-scherven om het leven.

 

Op 29 september werd Londerzeel bezet gebied. Het slagveld van Neeravert werd bewaakt door het Duitse Rode Kruis dat eerst de eigen doden en gekwetsten (want die waren er ook) afvoerde. De volgende dag werden ook Belgische zwaargewonden opgepakt en naar het hospitaal te Brussel gevoerd. Drie andere Belgische gekwetsten slaagden er in om zich op de nabijgelegen boerderij Verhoeven te verschuilen. Op 2 oktober werden ze ontdekt en via het Duitse Lazaret van Merchtem naar Duitsland gevoerd. Een andere gewonde, korporaal Jacques Masson uit Luik, werd door achtergebleven bewoners van Sint-Jozef gevonden en verzorgd.

De Belgische doden bleven een paar dagen op het slagveld liggen. Op 1 en 2 oktober begroeven drie niet gevluchte Londerzelenaars, die samen met vele anderen door de Duitsers waren opgepakt, de lijken langs de Provinciale Baan en op Neeravert.

 

Het Belgisch leger trok zich terug binnen de fortengordel. Antwerpen viel uiteindelijk op 10 oktober. Intussen was het ons veldleger wel gelukt om de Schelde over te steken en de IJzer te bereiken.

 

JUFFER ORIANNE VAN LONDERZEEL

 

Het volk van Londerzeel en Londerzeel Sint-Jozef, dat tijdens de aanval van 29 september grotendeels zijn toevlucht binnen de fortengordel had gezocht, keerde na de val van de forten geleidelijk terug naar huis. Zo ook Jeanne Caroline Charlotte ORIANNE, de ongetrouwde dochter van een rijkswachtofficier, die na de dood van haar ouders in Londerzeel op het buitengoed "Villa Cara" was blijven wonen. Toen ze midden oktober het slagveld passeerde besloot ze om al die slecht begraven en anonieme doden een naam en een waardig soldatengraf te geven.

Met de hulp van haar buurvrouw en de broers Broothaers (allemaal schrijnwerkers) en onder toezicht van de Duitse autoriteiten werd vanaf 5 november het slagveld van Neeravert systematisch onderzocht, werden de lichamen opgegraven, gewassen, wanneer mogelijk geïdentificeerd, in een houten kist gelegd en overgebracht naar de tuin van de pastorij van Londerzeel Sint-Jozef, waar ze herbegraven werden. Daarna werd dit werk op vele andere slagvelden verder gezet… In Breendonk, Willebroek, Tisselt, Kapelle-op-den-Bos, Zemst, Zemst-Laar, Wolvertem, Westrode, Imde, Campelare, Schiplaken, Puurs, Heffen, Peisegem, Merchtem, Eppegem, Weerde ... Op 18 maanden tijd werden door de ploeg van Orianne bijna 3000 Belgische soldaten herbegraven; meer dan de helft ervan werd ook geïdentificeerd.

Op 6 maart 1916 werd Orianne door de Duitsers gearresteerd. De reden is onduidelijk. Kwam ze te veel in betrekking met het Belgische Leger? Smokkelde ze brieven uit Frankrijk naar bezet gebied? Of had ze Belgen 'die door de draad gekropen waren' geholpen. Het officiële verslag spreekt van hoogverraad. Ze verbleef een jaar in Brusselse gevangenissen en werd dan naar Duitsland gestuurd. Begin 1918 werd ze vrijgelaten en keerde ze naar Londerzeel weer.

Nog voor 1914 ten einde was had Orianne al voor een monument in Neeravert gezorgd. Tijdens haar gevangenschap regelde ze per briefwisseling en met de hulp van haar buren Marie Moens, en steenkapper Praille de oprichting van monumenten in Imde, Breendonk, Tisselt, Mariekerke, Sint-Amands, Puurs, Eppegem en Elewijt

Na haar vrijlating verzamelde ze - onder meer door de verkoop van postkaarten en met bedelbrieven in kranten - verdere fondsen voor kleine en grote monumenten in Londerzeel (Blauwenhoek), Beigem, Ruisbroek (1919), Imde, Leest, Oppuurs, Kapelle-op-den-Bos, Wolvertem, Peisegem (1920), Steenhuffel, Puurs, Mariekerke (1921), Tisselt, Zemst (1922), Beringen, Paal, Koersel, Houtem (1923), Weerde (1924), Liezele (1928), Eppegem (1934). Deze lijst is niet volledig.

(Meer over juffer Orianne is te vinden op http://users.telenet.be/Londerzeelvroeger/orianne.htm

 

Copyright: Louis De Bondt, Francis Hallemans en Louis De Boeck, Londerzeel 2007.

Veel meer informatie in het boek “De grote oorlog in de regio Londerzeel”, Louis De Bondt en Francis Hallemans, 1999.

 

 

Terug naar het begin van de website van de N.S.B.

 

 

 

 

.