![]() |
De Roep De witte geglazuurde toppen van de bergen riepen hem. Die morgen toen hij gebroken uit de tent kroop en zijn hand voor de ogen hield om het felle zonlicht af te weren, hoorde hij iets, iets dat verdacht veel op zijn naam leek. Neen, niet die naam die zijn ouders hem hadden gegeven. Wel die die de zijne was, altijd al geweest was, die die niet in letters neer te pennen was. Het was een vage klank die morgen en hij was het voorval even vlug vergeten als een droom die verdampt van zodra het eerste zonlicht op je huid schijnt. Toen hij later op die dag, zijn weg zoekend langs een wilde bergrivier, opnieuw dezelfde klank hoorde, kwam het voorval van die morgen weer voor de geest, in volle gedaante en geur, zoals een vleugje strogeur je ganse jeugd bovenhaalt. Er was niets te zien dat de klank had kunnen voortbrengen behalve de witte pieken die in de lucht priemden. Ze keken naar beneden, nu niet meer door nevel omhuld, en zagen hem onvermijdelijk staan. Opnieuw zijn naam nu, niet meer aarzelend maar in volle herkenning enthousiast uitgeschreeuwd. Er was geen ontkomen aan, wist hij. Hij moest en zou ook gaan. De naam werd slechts één maal in je leven geroepen en dan had je twee keuzes: of je volgde het waarheen het je ook zou leiden of je negeerde het en zou het nooit meer horen, zou nooit meer de geur der geuren ruiken.Dit was het einde, wist hij, het einde van het bestaan dat hij kende. Dit was het begin, wist hij maar hij wist niet van wat. Hij klom en bleef klimmen. Hij was geroepen en de roep weergalmde in zijn vlees en botten. |