Home Imkeren Brouwen Te koop kalkoenen

De Rode Ardenner kalkoen.

                            Le dindon Rouge des Ardennes (FR), Red Ardenner turkey (GB), Rote Ardenner Truthahn (DE)

0/ Inleiding

Onbekend maakt onbemind.

Wanneer men op zoek gaat naar literaire werk over kalkoenen, kom je al snel tot de ontdekking dat de Nederlandse taal je niet ver gaat helpen. Vind je al iets dan gaat het over de zware Amerikaanse of de hybride rassen. Maar met “Broody turkeys usually make very poor mothers” geraak je niet ver als je met een ras zit dat wel goede moeders heeft. Zeker niet als je, je dieren op een natuurlijke manier wil laten vermenigvuldigen. Het is de bedoeling van dit schrijfsel de lezer, aspirant kweker of kweker een inzicht te geven in de mogelijkheid om met de Rode Ardenner kalkoen te kweken op een wijze die niet of nauwelijks meer kan met het leeuwendeel van de huidige rassen.






Aangezien dit ras nog slechts door een handvol mensen in stand wordt gehouden, wil ik in dit schrijven een lans breken voor het belang van genetisch materiaal. Een kort inzicht in het werk van Darwin, Mendel en Morgan is daarbij volgens mij onontbeerlijk.


1/ Geschiedenis:

De geschiedenis van de kalkoen gaat terug tot in het Mioceen zo'n 50 miljoen jaar geleden en plaatst zich in het zuidelijke deel van Noord - Amerika. Uit deze periode resten ons de oudste fossiele resten. Het oudste skelet dateert van 250 n. Chr. En werd gevonden in Arizona.

De Europese geschiedenis van het dier start bij de ontdekking van het dier bij de Azteken begin 16de eeuw door Spaanse conquistadores. De Azteken noemden het beest uexolotl en hadden het reeds 1500 jaar voor de Spanjaarden aankwamen gedomesticeerd uit de Zuid Mexico kalkoen (Meleagris gallopavo gallopavo). Eens aangekomen op Spaanse bodem verspreide deze kalkoenen in enkele decennia onder initiatief van de adel en kerkelijke organisaties over heel Europa. Op schilderijen uit de 16de  en 17de  eeuw (o.a. van Adriaen van Utrecht) is te zien dat verschillende soorten kalkoenen (o.a. de Ronquiéres) in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden voorkwamen. Binnen één eeuw na aankomst in Europa waren immers vrijwel alle bekende variaties van de wildkleur in Europa spontaan opgetreden. Sommigen in een enkel land, andere vermoedelijk onafhankelijk van elkaar in meerdere landen.

Skelet kalkoen

Al is de juiste oorsprong van onze Rode Ardenner kalkoen moeilijk te achterhalen, toch moet ook hij uit deze tijd stammen. Bewijze zijn gehardheid, kleine vorm en goede reproductiviteit. Twee kenmerken die voor een soort in een tijd zonder broedkas en warmtelamp van vitaal belang waren. Een bron uit de Ardennen meldt dat de Rode Ardenner op het einde van de 16de eeuw de Ardennen bereikte. Dat is de tijd dat Vlaanderen nog onder Spaans gezag stond. Ze zou het resultaat zijn van een kruising tussen een zwarte kalkoenhen met een wilde Mexicaanse kalkoenhaan.

Wanneer begin 17de eeuw de eerste kolonisten zich vestigen op de oost-kust van Noord Amerika brengen ze deze vroege Europese landrassen terug mee naar het nieuwe continent.

Met de ontwikkeling van de moderne grote commerciële kalkoenrassen zoals de Broad Breasted Bronze en Broad Breasted Witte kalkoenen o.a. door inkruising van de grotere Eastern kalkoen (Meleagris gallopavo silvestris) in de jaren 20 en door selectie met de Mammoth Brons  en Cambridgeshire Brons in de jaren 50 van vorige eeuw geraakten de oude landrassen snel in de verdrukking. Maar het doorfokken op almaar grotere borstvolumes heeft ook een nadelige kant. Halfweg vorige eeuw beginnen de eerste vruchtbaarheidsproblemen. De breed borst conformatie brengt een korter borstbeen en kortere schachten naast de omvangrijker spiermassa op de borst. Deze conformatie voorkomt dat de hanen de hennen efficiënt kunnen beklimmen, wat op zich resulteert in lagere vruchtbaarheidscijfers. De kalkoenindustrie countert deze problematiek door kunstmatige inseminatie technieken te perfectioneren. Ook de overgang naar witte kalkoenen dateert van deze tijd. Bij het ontpluimen blijven bij gekleurde kalkoenen donkere veerkiemen achter. Witte veerkiemen vallen minder hard op en laten een properdere indruk bij de consument die het dier beoordeelt in zijn meest naakte verschijningt.

Vandaag heb je dankzij kleine kwekers gelukkig nog de keus tussen een commerciële kalkoen of een lokaal landras. De eerste kies je om efficiënt vlees te produceren tegen de laagst mogelijke kosten. Het is een uitstekende omzetter van diervoeder in borstvlees, maar met het verlies om met succes te paren en bevruchte eieren te produceren zonder tussenkomst. De tweede kies je wanneer er andere factoren van belang zijn, zoals natuurlijke reproductiviteit, het behoud van genetische diversiteit, schoonheid, smaak, gehardheid of voor de vreugde van het hebben.

We spreken van tegenwoordig van een landras als;

De soort wordt verveelvoudigd en genetisch gehandhaafd door natuurlijke dekking, met een verwachte vruchtbaarheidscijfers van 70 tot 80%. Dit betekent dat de soort op de markt gebracht is als gevolg van natuurlijk paring van zowel grootouder als ouderdieren.

De soort een lange productieve levensduur heeft. Kweekhennen zijn vaak productief voor 5 a 7 jaar en fokhanen voor 3 a 5 jaar. Een landras moet ook genetische gewapend zijn om milieu invloeden van buiten een productiesystem te weerstaan.

De soort moet een langzaam tot matig tempo van de groei hebben. Een landras bereikt een verkoopbaar gewicht in ongeveer 28 weken, waardoor de vogels de tijd hebben om een sterk skelet en gezonde organen voorafgaand aan het opbouwen van spiermassa te ontwikkelen. Dit groeipercentage is nog identiek aan die van de commerciële rassen van de eerste helft van de 20e eeuw.

Vandaag wordt de Rode Ardenner kalkoen als landras in Vlaanderen en de Ardennen nog slechts door een handvol mensen gehouden die toezien op bovenstaande kwaliteiten en het gekweekte fenotype regelmatig laten keuren op uitwendige raskenmerken door erkende en geschoolde keurmeesters.

2/ Status:

De Rode Ardenner is langzamerhand een zeer zeldzame verschijning geworden, ook in zijn oorspronkelijk verschijningsgebied de Belgische en Franse Ardennen. Het ras staat bekend als zijnde gehard aan het ruwe klimaat van het Ardense hoogland. Ze worden geacht in staat te zijn om in volledige vrijheid zelf hun kost te zoeken. Ook zijn het dankbare dieren om op een biologische manier brandnetels te bestrijden, waarbij ze voornamelijk de jonge scheuten graag verorberen.

De hen is een zeer goede broedster en een goede moeder.

3/ Kenmerken:

Een eerder kleine landkalkoen. De hen proportioneel nog kleiner dan bij andere rassen. Er is maar één kleurslag erkend, nl. de rode, al dan niet zwart gezoomd. Een onderscheid tussen ongezoomd rood en gezoomd rood (koper) wordt niet gemaakt aangezien zuiver gezoomd vrijwel niet te verkrijgen is bij de hen. Vroeger kwamen ook geel gekleurde dieren voor. Typisch voor de Ardenner kalkoen is dat de witte grondkleur in de slag- en staartpennen steeds doorkomt, alhoewel deze zo rood mogelijk moeten gekleurd zijn. Bij een donkervale Ronquières, waar er eventueel verwarring mee zou kunnen optreden, bevatten de handpennen een zwartgrijze pepering. De kuikens van de Rode Ardenner kalkoen dienen donker- tot lichtrood geboren te worden, bij Ronquières zijn de kuikens bijna wit. We onderscheiden bij de geboorte drie fenotypes; het kuiken met gele bril dat Rode Ardenners opleverd met een aanleg tot zwarte pepering in de bevedering, chocolade bruine kuikens die mooie dieren opleveren, met een fijne eindzoming en gele kuikens die bruine dieren opleveren met witte slagpennen waarvan de rode aanslag ontbreekt. Dit laatse fenotype vererft recessief en is eigenlijk te vermijden, indien men wil scoren op tentoonstellingen.

Kuiken met bril, zwart gepigmenteerd. Kuiken zonder bril, chocolade bruin. Kuiken geel.

4/ Gewicht:

Volwassen haan: 8 kg
Jonge haan: ± 5 kg
Volwassen hen: ± 4 kg
Jonge hen: ± 3 kg

5/ Vormbeschrijving:

Algemeen:


Kampioen Afflichem met hen

Het type van een niet hoog gestelde landkalkoen; eerder klein. Het lichaam van de haan amandelvormig in rust; vrij breed en afgerond vooraan, slechts geleidelijk vernauwend naar achteren; niet geblokt, maar ook niet te smal. Houding slechts iets opgericht, waarbij de staart lichtjes afhelt. Het lichaam van een pronkende haan wordt door een vierkant omschreven, zowel in voor, in zij als in bovenaanzicht. De hen is duidelijk veel kleiner dan de haan; haar lichaam is lang en niet zeer diep, en zowel van opzij als van boven gezien, wordt haar lichaam omvat door een rechthoek, waarvan de lengte twee maal de hoogte bedraagt. De houding van de hen is bijna horizontaal met de staart bijna in het verlengde van het lichaam. Jonge dieren zijn smaller, maar daarom nog niet al te spichtig.


Kop:

De kop is vrij klein en de bovenschedel is met wratjes bezet. Buiten enkele fijne veertjes is ze kaal bij de haan en licht bevederd bij de hen, waarbij de halskraag puntig uitloopt in de bovenschedel. De huid is blauw - rood bij de pronkende haan en roze bij de hen. Bij de laatste kleuren de wratten rood. De neuslel is goed ontwikkeld en met wat haarveertjes aan de top bij de haan. Bij de hen is ze veel kleiner. In rust is ze kegelvormig opgetrokken bij de haan, maar lang en tot aan de grote halsknobbels uitlopend wanneer hij pronkt. De kleur is rood tot roze bij de haan en roze bij de hen. De keellel is goed ontwikkeld en kaal bij de haan. Bij de hen schaars bevederd en rood. De ogen zijn zeer donker door de zwartbruine iris. De snavel is krachtig en niet te lang. Licht gebogen, hoornkleurig, met bleke punt vooraan en blauwzwart aan de basis en de neusvleugels.

Hals:

De hals is vrij lang en slank. Bij de haan is het bovengedeelte kaal en licht wrattig; vooraan, tegen de halsveren, met een drietal grote rode knobbels omrand. Bij de hen is de bovenhals wat sterker bevederd en minder wrattig; vooraan enkele grotere rode wratten tegen de halsbevedering.

Borst en borstkwast:

De borst is vrij goed ontwikkeld. De voorborst is sterk afgerond en vol, vooral bij de haan. De benedenborst is goed bevleesd en voelt door het uitspringende borstbeen nagal scherp aan, zonder dat de borst daarom aan weerszijde invalt. Een enkelvoudige borstkwast geniet de voorkeur. Ze is zwart; lang en vol bij een oude haan en bij jonge hanen dikwijls verborgen. Soms is ze aanwezig bij de hen.

Schouders en rug:

Bij de haan zijn de schouders en rug vrij breed, iets afgerond en lichtjes aflopend naar achter toe. Bij de hen is dit iets smaller, minder afhellend en naar weerszijden afgerond ter hoogte van de schouders. Het geheel nogal afgevlakt over de ganse lengte.

Vleugels:

De vleugels worden goed aangesloten gedragen. Ze dekken de rug af bij de haan in rusttoestand. De polsen springen  iets uit en de top van de vleugels wordt dikwijls iets onder de staart gedragen.

Zadel:

De bevedering van het zadel is goed ontwikkeld en vol. Nogal afgerond bij de haan. De lenden van de hen zijn dorsaal nogal vlak, met de stuit licht afgerond.

Staart:

De staart is vrij lang; goed gesloten en in de as van de ruglijn gedragen. Bij de pronkende haan is ze waaiervormig geopend en over een halve cirkel gespreid. Vrij horizontaal gedragen bij de hen.

Benedenbenen:

Vrij krachtig, goed ontwikkeld benedenbenen die bij jonge dieren te voorschijn treden en bij volwassen dieren vrijwel volledig schuilgaan in het gevederte van de flanken.

Loopbenen en tenen:

pootkleur verloop in 3 jaar

Vrij lange, rechte, kloeke loopbenen en goed gespreide tenen; donkerroze gekleurd. De nagels zijn hoornkleurig. Sporen die goed ontwikkeld en vast ingeplant zijn bij de haan en afwezig bij de hen. Beenstand normaal, d.w.z. noch smal, noch breed; plaatst bij het gaan de ene voet voor de andere.

De roze kleur van de loopbenen intensiveert met de jaren. Vandaar dat oudere dieren hier beter aan voldoen dan jonge. Op de foto hiernaast ziet men de poot van een 6 maand oud geslacht dier (groen), dat van één jaar en zes maanden (blauw) en dat van twee jaar en zes maanden (geel).

6/ Kleurslag:

Dekveren:

Warme roodbruine grondkleur, die zo uniform mogelijk over het ganse lichaam verspreid is. Grondkleur van de haan is iets warmer en met wat meer glans dan bij de hen. Fijne zwartbruine tot zwarte eindzoom op de dekveren is toegestaan, voor zover er geen zwarte pepering optreed in het veerveld.

Staartpennen:

De staartpennen zijn bleker dan de dekveren, maar zo rood mogelijk. De zeer brede subterminale dwarsband is zo uitgebreid mogelijk zodat ze het blekere veerveld overheerst.

Slagpennen:

De grondkleur is in feite wit met een rode aanslag, waarvan het rood overheerst in de kleine binnenste slagpennen en zodanig sterk dat het wit niet meer opvalt bij een opgevouwen vleugel, t.t.z. in de vleugeldriehoek.

Ondergevederte:

Is roodachtig met roodbruine schachten.

7/ De wilde kalkoen:

Er bestaan heden ten dagen twee soorten wilde kalkoenen. De Meleagris gallopavo, met zeven beschreven ondersoorten en de Agriocharis ocellata of pauw kalkoen. Het is heel waarschijnlijk de Meleagris gallopavo gallopavo die aan de wieg stond van de gedomesticeerde kalkoenen. Jammerlijk genoeg wordt hij nu geacht uitgestorven te zijn.

De Australische kalkoen (Alectura lathami) is een vogel die in de verte wel wat weg heeft van een kalkoen maar niet tot deze familie behoort. Het is anders wel een interessante vogel daar het vrouwtje haar eieren niet zelf uitbroed maar in een grote door een mannetjes vogel gemaakte composthoop deponeert. Het mannetje bewaakt en onderhoud gedurende de hele broedperiode het nest. De jongen breken uit hun schelp, graven zich een weg uit de composthoop en krijgen geen broedzorg. Ze zijn onmiddellijk zelfstandig.


Wilde kalkoen Pauw kalkoen Australische kalkoen
Meleagris gallopavo Agriocharis ocellata Alectura lathami

In tegenstelling met zoogdieren, waarbij veel informatie nodig om te kunnen overleven doorgegeven wordt via een leerproces, leren vogels relatief weinig. Ze worden geboren met een ongelooflijk geheel van instinctmatig gedrag. Het is dit uniek instinctmatig gedrag dat een kalkoen maakt wat het is, namelijk een kalkoen.

Zij die reeds Rode Ardenner kalkoenen huisvesten zullen heel wat gedragfacetten die men bij wilde kalkoenen in Noord en Centraal Amerika bestudeerde, herkennen in het gedrag van hun dieren. Kalkoenen staan bekend als rumoerige, lawaaierige dieren. Wie zijn huisvesting echter wil aanpassen aan de noden van zijn dieren zal merken dat dit al bij al goed meevalt. Een kalkoen heeft er immers geen voordeel bij luidruchtig te zijn.

7.1/ Gedrag in het wild:

Wilde kalkoenen zonderen zich af in groepen op basis van sekse en in sommige maten leeftijd. In de zomer is de basis eenheid de familie groep, bestaande uit de hen en haar jongen. Meerdere succesvolle hennen vormen dikwijls in de nazomer en de herfst een gezamenlijke kudde. Hennen die niet succesvol waren vormen hun eigen kuddes. Volwassen mannetjes vormen groepen die zelden verenigen met vrouwtjes buiten het broedseizoen. In de late herfst scheiden de jonge hanen zich af van hun nestgroep en vormen een eigen jeugdgroep. Slechts sporadisch zullen jonge hanen zich mengen met oudere hanen. Binnen een groep zal een pikorde de sociale hiërarchie bepalen. De positie wordt bepaald door te vechten of  door het aannemen van een dreigende lichaamshouding en uitdagend stemgebruik. Normaal zijn oudere vogels dominant over de jongere, en grote exemplaren domineren de kleinere. Mannetjes domineren hierdoor doorgaans de vrouwtjes.

Gevecht Gevecht Gevecht

Een kalkoenengevecht start met het geven van een vijandig vocaal signaal en dreigend lichaamsgebruik. De uitdager zal  zich binnen de persoonlijke ruimte van de uitgedaagde begeven.  Als deze geen gevecht wil aangaan kan hij zich snel wegdraaien om verder oogcontact te vermijden. Zo niet zal hij zich oprichten en de vocale signalen van zijn uitdager beantwoorden. Kalkoenhanen beginnen hun gevecht door tegen elkaar op te vliegen. Hierbij trachten ze elkaar met hun poten uit evenwicht te brengen. Wanneer beide dieren aan elkaar gewaagd zijn, zal het gevecht verder bepaald worden door een soort van worsteling waarbij ze elkaar bij de huid van de kop proberen te grijpen en de opponent naar achter trachten te duwen. Deze uitputtingsslag kan uren duren. Eenmaal de hiërarchie bekend zal de winnaar zijn overwinning bevestigen door de onderworpene te achtervolgen bij zijn aftocht. De dieren blijven echter wel deel uitmaken van dezelfde groep. Het gevecht bij de hennen verloopt enigszins gelijk. Enkel het worstelgedeelte beperkt zich tot wat pikken naar elkaar.

Het valt voor dat verschillende kuddes elkaar bevechten en in sommige gevallen slaan jonge hanen de handen in elkaar om een oudere haan te bekampen. Het wegvallen van één dier kan de gehele hiërarchie ondersteboven halen.

Wilde kalkoenen beschikken over een arsenaal van meer dan 30 verschillende vocale signalen om aan elkaar iets kenbaar te maken. Merendeels gevolgd door een geregistreerd gedrag. Het maakt deze dieren tot een van de meest vocale vogels ter wereld. Bovendien zijn er sekse en leeftijd verschillen in hoogte, toon kwaliteit, volume en stembuiging. Luide signalen voor gevaar of om een partner te vinden, zachte signalen (slechts enkele meters hoorbaar) om niet van elkaar af te dwalen in het struikgewas en geen roofdieren aan te trekken.

Het lengen van de dagen na Kerstmis is verantwoordelijk voor de hormonale reacties in het lichaam van de wilde kalkoenen. Inleidend klokken (roepen) laat februari begin maart luid het naderend paarseizoen in. Het klokken dient om ontvankelijke vrouwtjes voor paring aan te trekken. De hanen paren met meerdere vrouwtjes. Het zijn de oudere dominante hanen die verantwoordelijk zijn voor het grootste aandeel in het paargebeuren.

Het klokken start bij het aanbreken van de dag, wanneer de haan nog op zijn rustplaats vertoeft. Nadat hij hiervan is neer gevlogen begint hij met zijn hofmaking vertoon door te paraderen en te klokken voor de hen. De hoog gecoördineerde parade van de haan begint met het opzetten van de lichaamsveren en het ontvouwen van de staart. Dan trekt hij zijn roodaanlopend kale hoofd tegen zijn opgezette rugveren, laat zijn vleugeltippen tegen de grond zakken, en stapt vier of vijf stappen voorwaarts in een langzame, stijlvolle, stijve manier. Gevolgd door een rillende beweging van de vleugeltoppen over de grond die een brommend geluid veroorzaken. Een stijlvolle pirouette rond deze beweging af die telkenmale herhaald wordt en uren kan duren. Gedurende deze voorstelling varieert de kleur van zijn doorbloede hoofd rond de ogen over verschillende schakeringen rood tot paarsblauw, afhankelijk van zijn opwindingsniveau. Ook neuslel en hals zwellen op en geraken in een mum van tijd helemaal doorbloed rood. Ondanks de visuele imponantie en fysieke dominantie zal het de hen zijn die beslist of de paring zal doorgaan of niet. Indien ze ontvankelijk is zal ze de haan benaderen met haar hoofd naar achteren en haar lichaam horizontaal gepositioneerd. Dan legt ze zich voor de haan in de juiste richting waarna hij haar voor het paren kan bestijgen. Eén enkele paring is voldoende voor de bevruchting van een heel legsel, toch zullen hennen gewoonlijk meerdere malen paren. De dominante haan zal agressief de paringdrang van andere hanen onderdrukken en verstoren. Eens het paarseizoen goed op gang is zullen de hennen één voor één de groep verlaten om een geschikte nestplaats voor hun eieren te zoeken. Overjarige hennen zullen daarbij vaak terugkeren naar hun vorige nestplaats, jonge hennen emigreren vaak buiten hun omgeving op zoek naar een geschikte plek. Het is één van de belangrijkste factoren voor de verspreiding van kalkoenen in nieuwe gebieden Het nest is niet meer dan een kuiltje in de grond, goed verscholen onder een goed ontwikkelde onderbegroeiing tegen een stam of rots. Elke dag legt de hen één ei tot een legsel van 9 à 12 eieren is bereikt. Bij de start van het legsel, zal de hen zich de meeste tijd ver van het nest ophouden, de eieren worden dan wat verborgen onder bladeren en molm. Vanaf dat ze begint met broeden, zal ze slechts eenmaal per dag het nest verlaten om gedurende een uur wat te eten en te drinken. De broedduur is 28 dagen, waarna de kuikens binnen een periode van 24 tot 48 uur uitkomen. Vanaf het aanslaan van de kuikens zal de hen haar nest niet meer verlaten. Afhankelijk van het weer zal de broedse hen en de kuikens het nest 24 uur na het uitkomen van het laatste kuiken verlaten.

Wanneer het eerste nest is vernietigd zullen sommige hennen een tweede maal herproberen. Hennen die opnieuw broeds worden leggen in regel minder eieren. Meestal zijn minder dan de helft van alle broedsels succesvol. Dit is in hoofdzaak te wijten aan het feit dat wilde kalkoenen op de grond nesten en een totaal van zes weken nodig hebben voor het leggen en uitbroeden van hun eieren, wat hun kwetsbaar maakt voor roofdieren en menselijke verstoring. Het sterftecijfer van de kuikens ligt gemiddeld tussen de 70 en 80%, of hoger. Voornamelijk in de eerste twee weken van hun leven, wanneer ze niet kunnen vliegen en onder de hen op de grond overnachten zijn ze zeer kwetsbaar. Gelukkig hebben wilde kalkoenen een hoog reproductief vermogen en één goed broedsel kan een populatie beduidend doen aangroeien.

7.2.1/ Voeding in het wild:

Wilde kalkoenen zijn alleseters. Groots opgezette Amerikaanse studies hebben openbaard dat wilde kalkoenen zich voeden met meer dan honderd verschillende soorten planten en dieren. Ze eten zowat alles, al moet gezegd dat dit voornamelijk slaat op het vegetarisch deel van hun voedsel dat instaat voor 85% van hun voeding. De overige 15% bestaat uit insecten en kleine ongewervelde. Tijdens de lente en zomer kan men ze zien voeden met insecten, bessen, groene bladeren en graszaden. In de herfst en winter zijn eikels hun favoriete voeding, maar ook aan beukennootjes, fruit en de zaden van ceder en pijnbomen doen ze zich tegoed. Graan, tarwe, haver en andere graansoorten uit agrarische velden staan ook op het menu. Om voedsel te vinden in herfst en winter zullen ze de bodem en bladeren omwoelen en zodoende het verteringsproces van de bodem bevorderen.

Kuikens beginnen hun zoektocht naar voedsel nadat de hen haar nest verlaten heeft. Het is belangrijk dat dit niet te lang wordt uitgesteld daar ze slechts voor maximaal drie dagen voedsel uit de dooier hebben meegekregen. In de eerste levensmaand voeden ze zich voornamelijk met insecten. Een proteïnen rijke voedingsbron die ze de mogelijkheid geeft om snel te groeien. In deze eerste vier weken verdubbelen de kuikens hun gewicht iedere week. Na deze maand zullen ze meer en meer overschakelen naar het dieet van een volwassen vogel, dat meer koolhydraten bevat.

Wanneer in de lente en zomer het voedsel er in overvloed is, zijn de vogels voortdurend in beweging. Gedurende één dag kunnen ze zo al zoekend naar geschikt voedsel tot drie kilometer en meer afleggen. Indien echter voldoende eten op één plek aanwezig is zullen ze geen extra energie verspillen op hun zoektocht naar voedsel. Kalkoenen eten soms meerdere malen op een bepaalde plek waarna ze die verlaten om een halve kilometer of meer verder te herbeginnen. Gewoonlijk eten ze in de vroege morgen en de late namiddag waarbij ze gedurende de middag rusten, hun toilet maken en hun veren verzorgen.

7.2.2/ Omgevingsverrijking voor kalkoenen:

Sinds ik enkele jaren geleden mijn dieren 's nachts ben beginnen opsluiten om ze te beschermen tegen de vos, heb ik last van vederpikken bij mijn dieren. Om dit gedrag tegen te gaan ben ik begonnen met het aanbieden van omgevingsverrijking om alzo dit gedrag om te richten naar de bodem en/of objecten. Aangezien ik slecht een klein oppervlakte heb om met deze dieren te kweken gebruik ik zoveel mogelijk materiaal dat in de onmiddellijke omgeving van mijn dieren te vinden is. Tijdens de maanden april tot eind september probeer ik ze zo regelmatig mogelijk het onkruid uit mijn moestuin aan te bieden. Na september geef ik ze eikels en eikenbladeren. Op het moment dat de eikels beginnen te kiemen zijn volwassen kalkoenen er dol op. Ook de bladeren zelf weten ze te waarderen. Een andere methode is graan in een PET-fles met twee gaatjes onderaan van 10 mm. Door er naar te pikken valt er een kleine hoeveelheid graan uit. Hiermee kun je ze lange tijd bezig houden. Ook verhoogde zitstokken in hun loopren weten ze te waarderen. Voornamelijk wanneer ze hun verenkleed onderhouden. In de ruifperiode verwijder ik zoveel mogelijk geruifde veren. Tevens plaats ik in elke loopren een compostsilo zodat niet alle dieren voordurend voor elkaar zichtbaar zijn.

7.3/ Groei:

Jonge vogels ontwikkelen zich snel. Bij hun vijfde levensmaand lijken ze al sterk op hun volwassen soortgenoten. Jeugdige kalkoenen zijn dan nog te herkennen aan hun donkere poten, die nog roos dienen te worden. Ook zijn ze nog in lengte korter en de centrale drie veren in hun staart zijn vervangen door grotere exemplaren. Jonge hanen klokken zwakker en met een hogere toon dan oude hanen.

Wanneer de kuikens in volume stijgen, ontwikkelen ze voortdurend nieuwe veren. Tegen de tijd dat ze vier maanden oud zijn hebben ze hun verenkleed driemaal hernieuwd. Van hun geboortedons over hun jeugdverenkleed tot hun eerste basisbedekking.

De maximale levensverwachting van een kalkoen in gevangenschap bedraagt 12 jaar, in de vrije natuur ligt dit een stuk lager. Een vijf jaar oude kalkoen mag zichzelf al flink feliciteren met zijn overlevingstalent.

8/ Darwin:

Charles Darwin

In 1859 publiceerde enen Charles Darwin zijn evolutie idee in “The Origin of Species”. Daarin stelde hij dat de evolutie een proces was van natuurlijke selectie die door twee zaken worden beïnvloed.

Allereerst stelde hij dat er overal ter wereld een strijd om het bestaan aan de gang is waarbij elke planten en dierensoort elke generatie veel meer nakomelingen produceert dan dat er kunnen overleven om zich voor te planten. Ten tweede is er zoiets als erfelijkheid waardoor nakomelingen meer op hun ouders dan op andere individuen van vorige generaties gelijken. Zulke variatie kan van belang zijn in de strijd om het bestaan. Zo zullen eigenschappen die de ouders bevoordeelde in het overleven vaker voorkomen bij de nakomelingen, dan kenmerken die nadelig waren. Een gevolg hiervan is dat de verdeling van varianten in elke generatie anders zal zijn dan in de vorige.

Competitie en ongunstige omstandigheden zorgen in elke generatie voor een automatisch proces van selectie. Als gevolg hiervan zullen wilde planten en dieren steeds beter tegen dit selectieproces bestand raken. Als dit proces een enorm aantal generaties voortgaat, en als de omgevingsfactoren van tijd tot tijd veranderen, dan zou dat kunnen leiden tot ingrijpende evolutionaire veranderingen. Afstammelingen van een enkele ondersoort die in verschillende gebieden onder verschillende omstandigheden leven, zouden zover uiteen kunnen groeien dat ze verschillende soorten worden.

Darwin schraagde deze theorie met een overvloed aan aanwijzingen die hij opdeed tijdens zijn reis met de Beagle en met analogieën met kunstmatige selectie. Kwekers en fokkers die individuele planten en dieren selecteren om mee verder te werken, kiezen doorgaans voor die individuen die gezegend zijn met eigenschappen die ze het liefst zien. Minder geëquipeerde individuen worden verkocht, opgegeten of geëlimineerd. Door deze functionele aanpak kunnen ze in de loop van vele generaties geleidelijke veranderingen creëren. Zo zullen veel gedomesticeerde vormen er heel anders uitzien en zich anders gedragen dan hun wilde voorouders.

9/Mendel:

Gregor Mendel

Enig idee waarom het nageslacht op zijn ouders lijkt kon Darwin niet bieden. Het was augustijner monnik Gregor Mendel die aan de hand van erwten die hij in de kloostertuin kweekte een belangrijke stap zette in de erfelijkheidsleer. Hij publiceerde zijn werk in 1868, maar werd pas in de daaropvolgende eeuw erkend.

Mendel ontdekte dat bij kruisingen tussen ouders afkomstig uit verscheidene afstammingslijnen met opvallende verschillen, de aantalverhouding van de diverse vormen in volgende generaties vaak voorspelbaar zijn. Zo stelde hij vast dat de kruising van erwten met een lange steel met erwten met een korte steel geen erwten opleverde met een middenlange steel, maar wel erwten met een lange steel. De erwten met een korte steel waren in de eerste generatie volledig verdwenen. De eigenschap lange steel was dominant ten opzichte van de eigenschap korte steel. Van het nageslacht uit kruisingen tussen deze bekomen individuen, bleek dan weer 25 procent de eigenschap korte stelen te bezitten, die in de vorige generatie volledig ontbrak. De eigenschap korte steel was dus recessief. Kruisingen tussen een bastaard uit de eerste generatie en de recessieve oudervorm leveren ongeveer evenveel korte als lang stelige nakomelingen op.

Deze regelmatigheden kunnen worden verklaard met een erfelijkheidstheorie in termen van deeltjeachtige eenheden die volgens strakke regels worden doorgegeven. Die deeltjeachtige eenheden noemen we tegenwoordig genen. Ze zijn deeltjeachtig in de zin dat ze bij de doorgifte van generatie op generatie hun identiteit behouden. Een gen wordt al dan niet vererfd, al dan niet doorgegeven, en is nooit maar gedeeltelijk aanwezig.


10/ Morgan:

Thomas Hunt Morgan

Thomas Hunt Morgan was professor aan de Colombia University in New York. Toen hij op zoek was naar een geschikt onderwerp voor genetica onderzoek koos hij om te werken met de Drosophila melanogaster (fruitvlieg). Het voordeel om te werken met deze fruitvlieg was dat ze erg gemakkelijk te kweken is. Allerlei erfelijke verschillen traden weldra aan het licht, waarvan velen als gevolg van mutatie.

Vrijwel alle nieuwe mutaties gedroegen zich precies volgens de wetten van Mendel. De een waren dominant, de andere recessief. Alleen bij een aantal genetische variaties bleek er iets bijkomends aan de hand te zijn.

In een van zijn kweekflessen verscheen een nieuwe mutatie. Deze veranderde de kleur van de ogen van rood naar wit. Wanneer nu mannelijke fruitvliegen met witte ogen gekruist werden met vrouwelijke fruitvliegen met rode ogen, hadden alle nakomelingen rode ogen. Rode ogen leek dus dominant. Werden echter mannelijke fruitvliegen met rode ogen gekruist met vrouwelijke fruitvliegen met witte ogen, hadden alle vrouwelijke fruitvliegen de rode ogen, toch alle mannelijke fruitvliegen hadden witte ogen.

Morgan zag hierin een belangrijke aanwijzing voor iets waar Mendel zich niet mee had beziggehouden, namelijk de locatie van de genen. Vijftig jaar voor Morgan zijn onderzoek op fruitvliegjes deed, was reeds ontdekt dat iedere cel een aantal staafjesachtige structuren (chromosomen genaamd) bezaten. Deze chromosomen komen in paren voor. De mannelijke en vrouwelijke exemplaren waren bijna gelijk, behalve op één belangrijk verschil na. De mannelijke hadden buiten X-chromosomen ook één kleiner Y-chromosoom. Net zoals Mendels deeltjeachtige eenheden, splitsten ze zich en werden over de nakomelingen van de volgende generatie verdeeld. Wat een aanwijzing was dat chromosomen en genen iets met elkaar te maken hebben.

Morgan ontdekte dat de erfelijke overdracht van de oogkleur verliep via het X-chromosoom. De mannelijke nakomelingen ontvingen hun X-chromosoom van hun moeder en hun Y-chromosoom van hun vader. Het Y-chromosoom leek geen genen voor oogkleur te dragen, met als gevolg dat het gen op het X-chromosoom bepalend was voor de oogkleur. Aangezien de rode oogkleur dominant was ten opzichte van de witte, leverden een roodogige vader en een witogige moeder, roodogige dochters en witogige zoons.

Het is via deze wetenschap dat men bij bepaalde kruisingen van hoenderrassen de kuikens op uiterlijke kenmerken kan seksen. Hierbij dient nog wel opgemerkt te worden dat bij vogels en vlinders juist de mannetjes over de twee identieke X-chromosomen beschikken en het, het vrouwtje is die de afwijkende kopie bezit.

11/ Diversiteit:

Darwin, Mendel en Morgan hebben we gehad maar de lans voor genetische diversiteit is nog niet gebroken.

Waarom steken onze kalkoenen net zoals alle andere diploïde* soorten zoveel energie in het vormen van de twee seksen haan en hen, terwijl de natuur ook haploïde* soorten voortbrengt. Het antwoordt zit vervat in het kleinste onderdeel van het koloniale systeem dat onze kalkoen of eender welk ander organisme vormt. De levende cel. Deze cellen bevatten in de celkern het erfelijk materiaal, gevat in lange strengen DNA die de chromosomen vormen. Dit erfelijk materiaal kan accidenteel of door virussen gewijzigd worden. Deze veranderingen kunnen de soort ten goede komen, maar ook schadelijk zijn. Eens zo ’n mutatie optreedt bij een lid van een haploïde soort, zijn haar nakomelingen gedoemd om deze mutatie verder te dragen. Is ze schadelijk wordt ze meteen weg geëvolueerd. Komt ze het individu ten goede dan zullen haar nakomelingen zich sterker verspreiden over de habitat van de soort. Er is slechts een nadeel; nakomelingen bij haploïde soorten verschillen genetisch bijna niets aan hun ouder. Parasieten en ziekteverwekkers krijgen op deze manier een heleboel generaties de tijd om nieuwe manieren te ontwikkelen waarmee men het verdedigingsmechanisme van het slachtoffer kan omzeilen. Een kloon van genetisch identieke individuen zou door een plaag van zulke specialisten in één keer uitgeroeid kunnen worden. Het enige antwoord hierop is nakomelingen produceren die zoveel van elkaar verschillen dat de parasiet of ziekteverwekker telkens van voren af aan moet beginnen.

Dit is net wat er gebeurd bij diploïde soorten waar een nakomeling steeds genetisch verschilt van zijn ouders. Een nadeel bij deze vorm is dat ook niet gunstige eigenschappen kunnen sluimeren in het erfelijk materiaal van een populatie. Denken we maar aan verschillende soorten erfelijke ziekten bij de mens als Mucoviscidose en Huntington. Hierbij is Huntington een slecht voorbeeld omdat het hier om een dominante aandoening gaat. De meeste erfelijke ziekten zijn echter zoals Mucoviscidose, recessieve aandoeningen en kunnen slechts tot uiting komen wanneer beide ouders drager zijn van de mutatie.

Omdat er in elk gen* een fout kan zitten, is het in principe mogelijk evenveel erfelijke ziekten te hebben als er genen in een organisme zijn. Gelukkig leidt niet elke fout tot een ziekte, de functie van het ene gen is nu eenmaal niet altijd even belangrijk als het andere.

Wanneer we nu echter de nakomelingen van een ouderpaar weer tegenover elkaar brengen, zullen de nakomelingen van deze nakomelingen steeds minder genetisch van elkaar beginnen te verschillen. Erfelijke aandoeningen zullen meer en meer zichtbaar worden. De kans dat beide ouderdieren drager zijn van dezelfde mutatie neemt toe. Ze stammen immers af van dezelfde grootouders.

Inteelt leidt hierdoor meestal tot de manifestatie van voorheen verborgen recessieve allelen, die de levensvatbaarheid van de nakomelingen verminderen. Ver doorgedreven inteelt maakt dat de diploïde soort zich eigenlijk als een haploïde soort gaat gedragen. De levensvatbaarheid zal stijgen naarmate de schadelijke recessieve allelen worden uitgeroeid, toch de soort zal sterker onderhevig worden aan ziekten en parasieten.

Willen we onze Rode Ardenner sterk en gezond houden, hebben we er met zijn allen het grootste belang aan dit ras in zijn meest uitgebreide genetische diversiteit te behouden. Hoe meer fokkers zich daarvan bewust zijn, hoe beter. Het is echter jammer dat inteelt op kortere termijn betere fokresultaten opleveren. Eigenschappen die wij belangrijk vinden komen eenmaal sneller terug bij verwante dieren. De nadelen zitten echter in de staart, als het kalf bijna verzopen is.


diploïdie     (Het in tweevoud voorkomen van alle chromosomen in de celkern)
haploïdie     (Het in enkelvoud voorkomen van de chromosomen in de celkern)
gen     (Erfelijke eenheid in een chromosoom, die in gecodeerde vorm informatie bevat, nodig voor de goede werking van het organisme)
allel    (Een van de twee (of meer) vormen van een zelfde gen, die op dezelfde plaats op een bepaald chromosoom liggen)

12/ Huisvesting:

Rode Ardenner kalkoenen stellen niet veel eisen aan hun huisvesting. Een eenvoudige schuilgelegenheid zoals een schuur of stal met open front, waar ze kunnen schuilen bij overvloedige regenval, is al meer dan een geschikt onderkomen. Voorzie hierin een aantal zitstokken op verschillende hoogten. Jonge dieren zijn uitstekende vliegers en als ze moeten kiezen tussen een zitstok op een halve meter of het dak van de schuilgelegenheid kiezen ze gegarandeerd het laatste. De open front plaats je het best naar het zuiden. In onze gebieden waait de wind doorgaans uit het westen als het regent en uit het noorden of het oosten bij vorst.

Een groter probleem is de afrastering. Zolang binnen de omheining zich een geschikte slaapplaats bevindt en er geen grote onrust in de kudde uitbreekt volstaat een draad van een meter hoog. Geraken ze echter opgeschrikt of worden ze opgejaagd dan houdt zelf een draad van 2 meter ze niet binnen. Geleewiekt of niet, ze vliegen gewoon tegen de draad omhoog. Een adequaat middel tegen uitbreken is het plaatsen van een haag. Rode Ardenner Kalkoenen zijn buiten het broedseizoen geen ondernemende dieren die er op hun eentje op uit trekken en een haag ontzegt hun het zicht op de achterliggende omgeving. Plaats ze wel minimum 30 cm aan de buitenzijde van de draad, zodat ze niet verleid worden om de bast van de stam te scheuren. Wil men snel resultaat dan kan men experimenteren met snelgroeiende hagen bestaande uit hondsroos, kornoelje, Gelderse roos, hazelaar, haagbeuk, Spaanse aak en / of meidoorn. Kan men niet anders dan een haag te plaatsen aan de binnenzijde, gebruik dan hulst of coniferen. Een bijkomend voordeel van een haag is dat ze minder snel gealarmeerd geraken, waardoor ze buiten het paarseizoen vrij weinig lawaai maken. Plaats zeker geen horizontale buizen ter versterking van de omheining. Dit zijn in hun ogen ideale zitstokken en het gras is altijd groener aan de andere kant van de wei.

Buiten zitstokken in de schuilgelegenheid kun je er ook een paar lage buiten in de loopren voorzien. Ze zullen er dankbaar gebruik van maken om er hun toilet op te maken.

Vergeet bij het bouwen van een onderkomen niet dat kalkoenen, net als alle ander pluimvee, hoog in de verlanglijst staat van enkele roofdieren zoals vos en steenmarter. Deze jagers kunnen via hun instinct van "surplus-killing", in één avond -of ochtendlijk bezoek, uw gehele collectie vernietigen, en zijn heden ten dagen terug van weggeweest.

13/ Modder en slijk:

Niet iedereen heeft de mogelijkheid om een wei aan te leggen in zijn achtertuin, die groot genoeg is om een continu begrazing toe te laten en een winter overleeft. Een beperkte uitloopren die niet overdekt is verandert binnen de korste keren in een modderpoel bij regenweer en geraakt verzuurt en vervuilt door de mest van de dieren. Onze Rode Ardenner zal er niet meteen van dood vallen, maar voorkomen is meestal goedkoper dan genezen.

Regelmatig de bodem omspitten, losfrezen en bestrooien met kalk is dan aangeraden. Een andere oplossing is om de ruimte die je hebt in twee te verdelen. Wanneer de toestand in één deel verslechterd kun je ze los laten in het andere. Ook in het broedseizoen is het handig om over twee uitlooprennen te beschikken.

14/ Nesten:

Half maart beginnen onze Rode Ardenner kalkoenhennen te leggen. Ze zoeken daarvoor een beschutte plek die ontrokken is aan het oog van de kalkoenhaan en mogelijke eiliefhebbers als eksters en kraaien.

Aangezien onze dieren meestal in een niet begroeide omgeving met weinig schuilgelegenheid gehouden worden, dienen we een surrogaat zoals een nestbak te voorzien. Zo ’n nestbak kan met de meest eenvoudige middelen gemaakt worden maar je houd wel best rekening met volgende punten.

1/    Het oppervlak moet ruim genoeg zijn zodat meerdere hennen er samen in kunnen. Rode Ardenner kalkoenen broeden en leggen doorgaans samen in één nest. Als je een legbak hebt waar slechts eentje in kan, zullen ze bij aanvang van het broeden op elkaar gaan liggen. Wat de rust en de eieren niet ten goede zal komen.
2/    Als hoogte neem je de schofthoogte van de hennen. Een al te hoog nest zal de haan toelaten om de nestbak te betreden in de hoop een hen te mogen bestijgen. Tijdens het broeden lijdt dit gegarandeerd tot beschadiging van de eieren of zelf van de hennen.
3/    In die optiek versmal je ook de toegangsopening tot de legbak.
4/    Voorzie geen drempeltje, en als het nodig is voor de constructie, dan zo laag mogelijk. Kalkoenkuikens staan de eerste dagen wankel op hun pootjes, en constructies die hoger zijn dan hun pootjes lijden tot onderkoelde en dode exemplaren voor en in de nabijheid van de nestkast.
5/    Als nestkastbodembedekking gebruik je fijn verhakkeld hout dat gedroogd is, gemengd met verhakt stro en gedroogde bladeren in een laag van 8 a 10 cm. Dit geeft de hennen de mogelijkheid er een kuiltje in te maken, zodat de eieren bijeen blijven.
6/    Zorg ervoor dat deze nestkast niet op een vochtige plaats staat en de hennen hun poten nergens met modder kunnen besmeuren.

15/ Eieren:

Rode Ardenner kalkoenen leggen niet heel het jaar door eieren. De eileg gebeurt in legsels, met een vast verloop. De eerste 5 à 7 eieren worden om de dag gelegd, waarna het legtempo verhoogt naar één per dag. Ongeveer een maand na het eerste ei gelegd werd, wordt de hen broeds. Je merkt dat al enkele dagen voor het broeds worden op aan het feit dat ze ’s avonds niet meer op stok gaat en in het nest op de eieren overnacht.

Twee kalkoeneieren en een kalkei

Een broedse hen loopt op een voorzichtige manier op de tippen van haar tenen, gedraagt zich agressief ten opzichte van andere hennen die niet met haar in de nestkas zitten en komt enkel van haar nest om snel iets te drinken, te eten en een zandbad te nemen.

Om vervuiling en beschadiging van de eieren te vermijden nemen we dagelijks best de eieren uit het nest. De datum en eventuele afkomst worden in potlood op de schaal neergeschreven. Ander schrijfgerei kan giftig zijn en vanwege de poreuze schaal kan dit zijn weerslag hebben op het kuiken in wording. De broedeieren worden het best bewaard bij een temperatuur van 10 tot 15 graden op een plaats waar de luchtvochtigheid niet te laag is. Een kelder is hier uitermate geschikt voor, maar indien u daar niet over beschikt, gebruik dan een onverwarmde ruimte in het noord -oosten van uw huis. Een ander alternatief is uw eieren bewaren boven een bak met water, de verdamping zorgt dan voor de nodige vochtigheid.

Als broedeieren gebruiken we steeds die eieren met een gemiddelde afmeting en gewicht. Hierbij houden we wel rekening dat de eieren van een eenjaarse kalkoenhen iets kleiner van afmeting zijn. Broedeieren die iets bevuild zijn schrapen we voorzichtig schoon met een mesje om de bacteriewerende slijmlaag rond het ei te behouden. Ten einde de dooier goed zwevend te houden, dienen de eieren dagelijks gekeerd te worden. Men kan dit doen door ze in een eierkarton, met de stompe kant naar boven, op een helling van 45° te plaatsen. Het draaien gebeurt dan door het karton 180° te verdraaien.

De op deze manier bewaarde eieren kunnen als broedei 14 dagen behouden worden. Hierna loopt de levenskracht van de kiemcellen sterk terug. Dit lijkt in contradictie met de wetenschap dat de levensvatbaarheid van de embryo’s van kalkoenen tamelijk groot is. We vergeten echter vaak dat een ei dat in het nest blijft liggen telkens wordt opgewarmd als de hen een nieuw ei komt leggen. Het ganse systeem van opwarmen en afkoelen maakt dat de kiemkracht bewaard blijft en dat alle eieren toch nog op hetzelfde moment zullen uitkippen.

Men kan natuurlijk ook de eieren gewoon laten liggen. Het probleem hierbij is echter dat onze Rode Ardenner kalkoen graag zijn eieren bij elkaar deponeert. Het systeem van keren, opwarmen en afkoelen wordt hierdoor flink in de war gestuurd, waardoor de eieren onregelmatig gaan uitkomen. Ook zullen de eieren meer kans hebben besmeurd te worden, door slijk en eventueel gebroken eieren. Wat leidt tot een hogere mortaliteit van het embryo door een bacteriële infectie. Als we alles bij elkaar optellen en aftrekken is het vaak interessanter de vervallen broedeieren op te eten dan ze in het nest te laten.

Voor het verkrijgen van een goede kwaliteit broedeieren, zullen we er in de eerste plaats voor moeten zorgen dat de ouderdieren optimaal in vorm zijn. Men kan dit verzekeren door ze eiwitrijk voeder (legkorrel) en grit ter beschikking te stellen. Ook het af en toe toedienen van een vitaminepreparaat opgelost in het drinkwater bij gebrek aan een buitenloop met veel gras is geen overbodige luxe.

16/ Broeden:

16.1/ Natuurlijk broeden:

Het natuurlijk laten uitbroeden van de eieren door de hen is een keuze met voor en nadelen. Veel hangt af van de plaats waar men de dieren houd. Welke ruimte men ter beschikking heeft? Hoe ze gehuisvest zijn en hoeveel hennen je hebt? In vergelijking met de broeikas die ik heb, heb ik een beter resultaat wanneer ik de eieren laat uitbroeien door mijn hennen.

Rode Ardenner kalkoenhennen zijn uitermate goede moeders. Eens broeds blijven ze enorm vast op de eieren zitten. Soms iets te vast en broeden ze zich dood. Let er vooral op dat wanner een hen broed en er nog andere dieren in het hok lopen er steeds voldoende eten te vinden is en de drinkplaats op dezelfde plaats blijft staan. Niets en niemand kan ze storen. Uitgezonderd de periode dat de eieren uitkomen, dan laat je ze het best met rust. De hamvraag is dan ook niet hoe krijg ik mijn hennen broeds, maar wat doe ik met mijn broedse hennen wanneer ze broeds zijn.

Allereerst moet men er in mijn ogen van overtuigd geraken dat een kalkoen geen kieken is. Haar jongen zullen anders reageren. Op zoek naar eiwitrijk voedsel zullen ze verder van de hen afdwalen terwijl zij de omgeving angstvallig monstert. Bij gevaar stuiven ze weg terwijl de moeder de belager van een van haar jonge dreigend zal aanvallen. In de eerste dagen na uitkippen zijn ze traag en hulpeloos. Een rij klinkers vormen een onoverkoombare hindernis. Vanaf het moment dat hun vleugelpennen doorbreken zullen ze ondernemender worden en verdwijnen in elk gat of spleet van de omheining. Nat gras, slijk en plassen kunnen ze de eerste twee weken van hun bestaan missen als kiespijn. Eens ze in hun eerste verenkleed zitten, is dat euvel ook van de baan.

Het zijn allemaal punten waar men rekening mee moet houden wanneer men eieren onder een hen schuift. Wat heeft men immers aan kuikens als ze allemaal dood voor het nest liggen omdat mevrouw op het nest is gaan zitten na haar eerste wandeling en er geen enkel kuiken meer in geraakt of dat de kat van de buren geduldig wacht tot het volgende kuiken uit het hok geraakt, terwijl de hen haar aanval dient te staken aan de draad. Men dient het een en ander dus best te plannen voor men begint of men dreigt een heel seizoen achter de feiten aan te hollen. Vandaar het nut van een bedrijfsmethode.

16.2/ Kunstmatig broeden:

Het type broedmachine dat ik heb is een vlakbroeder voor 70 fazanteneieren, volledig manueel in te stellen en op te volgen. De broedresultaten zijn van een afwisselend succes. Het leuke is dat je alle factoren zo goed mogelijk tracht te verstaan om mislukkingen te kunnen verantwoorden. Via kunstmatig broeden mag men een uitkip percentage van 70% verwachten van de bevruchte eieren.

Volgende wetenswaardigheden kunnen je misschien helpen in het broedproces;

1/    Broedduur van een kalkoen is 28 tot 30 dagen, afhankelijk van de temperatuur die men hanteerde.
2/    De optimale broedtemperatuur gemeten ter hoogte van de eieren is eigenlijk een curve. De eerste vier dagen start men met een temperatuur tussen de 37.5 en 38 °C. Daarna houden we de temperatuur tussen de 36,5 en 37,5 °C met een voorkeur naar de 36,5 gedurende gans de tweede week en op het einde van het broedproces en bij het kippen.  Onthoud dat fazantachtigen zeer gevoelig zijn voor overtemperaturen. Temperaturen boven de 38 °C mogen zeker niet langer dan 3 dagen worden toegediend en bij 40 °C sterft het embryo. Grote eieren zijn gevoeliger voor overtemperatuur dan kleine eieren. Je kunt deze maximum temperaturen heel goed bijhouden met een koortsthermometer. Het temperatuumanagement is doorslaggevend voor het broedsucces.
3/    Minder belangrijk maar toch niet geheel onbelangrijk is de vochtigheid. Tijdens het broedproces moet een zekere hoeveelheid vocht aan het ei worden onttrokken zodat de luchtkamer groter wordt. Wanneer dit niet het geval is zal het kuiken op het moment dat het in die luchtkamer komt en overgaat van navelademhaling naar luchtademhaling stikken. Een relatieve vochtigheid van 55 - 60 °  is aan te raden, uitgezonderd de laatste dagen van het broedproces. Bij het uitkippen dient de vochtigheid naar 70° RV te worden opgekrikt door bevoorbeeld te vernevelen.
4/    Het dagelijks minimaal tweemaal keren van de eieren is een andere belangrijke factor in het broedproces. Indien manueel keer je over de punt van het ei. Drie dagen voor het uitkomen dien je hiermee wel te stoppen. Het kuiken moet namelijk de tijd krijgen de gunstigste stand in te nemen om met aanpikken te beginnen.
5/    Ook het ventileren is een belangrijk onderdeel in het uitbroeden. Vanaf de tiende dag laat ik minimaal de kast 5 minuten open staan. .
6/    Vanaf dat het ei is aangepikt heeft het kuiken gemiddeld nog 24 tot 36 uur nodig om uit te komen. .

17/ Bedrijfsmethode:

Wanneer men een aantal handelingen plant en volgens een opgestelde procedure uitvoert, kun je spreken van een bedrijfsmethode. Het belangrijkste aan zo 'n methode is dat men een poging onderneemt om ze op te schrijven en up to date te houden. Het is immers vaak zo dat veel intenties die je tijdens een jaar maakt, verloren gaan tegen dat het volgende seizoen is aangebroken.

Als voorbeeld beschrijf ik hier mijn bedrijfsmethode. Het kan een leidraad zijn als je zelf met de Rode Ardenner Kalkoen wilt beginnen kweken. Huisvesting en plaats van houden zullen waarschijnlijk sterk verschillen met die van jouw. Een bedrijfsmethode die bij mij (goede) resultaten oplevert kan bij jouw volledig anders uitdraaien of niet uitvoerbaar zijn; maar men moet ergens beginnen.

Ik houd in principe 5 Rode Ardenner kalkoenen door, twee hanen en 3 hennen. Door omstandigheden ligt dit aantal echter elk jaar hoger. Dit heeft als nadeel dat ik telkens moet schipperen met mijn ruimte en als voordeel dat ik mij soms aan experimenten kan wagen.

Mijn dieren staan op een zandgrond die enkel bij zeer zware regenval met wateroverlast te kampen heeft. Ze beschikken over een slaaphok met open front naar het oosten gericht en een legkoffer met twee compartimenten en open bodem. Op lm20 hoogte loopt over de gehele lengte van het slaaphok een buis van een duim die als polder dienst doet. De ruimte is in drie uitlopen verdeeld, waarvan er één ongebruikt blijft en enkel voor interventies dient. De uitlopen zijn aan de aan elkaar palende scheidingsdraad voorzien van een 1 meter hoge groene plastieken tuinmat. Zo kunnen de hanen elkaar praktisch niet zien. Dit voorkomt dat ze hun borstveren kwijt spelen door tegen de afrastering heen en weer te lopen in een poging elkaar fysiek te lijf te gaan.

Valentijnsdag beschouw ik als startdag van het nieuwe seizoen. Op deze dag, een maand voor de eerste eieren zullen gelegd worden, stel ik mijn foktoom samen. Tot die dag zitten al mijn hennen en hanen gescheiden van elkaar. Van de twee hanen wordt er één uitgeselecteerd als fokhaan van het jaar. Deze fokhaan krijgt minstens drie, maximaal vier hennen ter zijne beschikking. Hierbij beschouw ik het plaatsen van broer en zussen tegenover elkaar als taboe. Bij het voeder dat ik zelf meng door 50 kg gemengd poelengraan te mengen met 25 kg legkorrel (vanaf januari) of  25 kg kalkoenen afmestkorrel (vanaf september) en een kleine hoeveelheid aquariumkiezels wordt schelpengrit voor het aanmaken van de eierschalen bijgemengd.

Veertien dagen later worden de nesten in gereedheid gebracht door in de legkoffer een omgekeerde graskluit te leggen met daar rond een dikke laag verhakkeld uitgedroogd hout en  een laag droge eikenbladeren gemengd met hooi en mos.

De eerste vorstvrije periode met mooi weer die hierop volgt benut ik om de uitlooprennen om te spitten en met een tuinfrees uit te luchten. Hierdoor zal het regenwater bij de volgende regenbuien sneller in de bodem dringen en de kans op modderpoelen en besmeurde eieren verkleinen. De los gemaakte aarde wordt ook dankbaar benut voor het nemen van uitgebreide zandbaden.

Vanaf 15 maart kan het eerste ei in het nest verschijnen. Het zijn de jongste hennen die het eerst aan de leg gaan. De hennen leggen hun eerste eieren om de twee dagen. In jaren dat ik niet met de broedmachine werk zijn de eieren tot 1 april consumptie eieren. De eieren na 1 april bewaar ik per hok apart gemerkt in een appelsienkistje met een laag houtkorrel, boven een emmer met water. Ze worden dagdagelijks over het puntige deel van het ei gekeerd en vanaf 14 dagen ouderdom degraderen ze naar consumptie-ei.

Rond de 15 april zullen de eerste hennen broeds worden. Wederom zijn dit de jongste hennen. Je merkt dit aan het feit dat ze de nacht in het nest doorbrengen en je niet meer aan de eieren geraakt zonder ze van het nest te lichten. In de aanvang periode zullen ze hun veren rechtzetten en agressief blazen, eens goed broeds kun je ze zonder veel weerstand van het nest lichten om de eieren te inspecteren en mogelijk bijgelegde te verwijderen. Dit laatste dien je wel dagelijks te doen wil je de eieren nog voor iets anders gebruiken. De eerste broedse hen wordt met kalkeieren zoet gehouden totdat er minstens twee hennen tegelijk broeds zijn in één hok. Heb ik twee broedse hennen dan krijgen ze samen maximaal 12 eieren om uit te broeden. Het zijn de 12 verste eieren uit het appelsienkistje, zo geselecteerd dat er een evenredig aantal gelijk uitziende eieren in aanwezig zijn. In principe kan elke hen zo 'n 12 eieren aan. Ik heb niet zo 'n goede ervaringen met grote hoeveelheden eieren onder meerdere hennen. Daarom beperk ik het aantal tot maximaal 12, ongeacht het aantal bij elkaar broedende hennen. Hennen die niet bij elkaar broeden en op verschillende data 's jongen verwachten, geven een hoop miserie. De jonge geraken hopeloos door elkaar, als het tweede broedsel al uitgebroeid geraakt en de kans dat de hennen onderling slaags geraken stijgt aanzienlijk. Het dominante dier zal haar onderworpene agressief doorheen het hok jagen en kuikens die in de weg lopen worden in het beste geval omvergelopen.

Tijdens het broeden haal ik regelmatig de hennen van hun nest om het borstbeen te betasten. Indien dit te scherp wordt haal ik de hen van haar nest en sluit ze op in een vreemd hok voor een aantal dagen tot het broeds zijn eraf is. De kans dat een hen zich doodbroed is te reëel en dient tijdig ondervangen te worden. Voornamelijk de iets te scherpe dieren lopen hier gevaar, eentje met een stevige vetreserve kan daar beter tegen.

Vanaf de eerste dag tot 14 dagen na het uitkomen verwijder ik dagelijks de verse mest met vuilblik en hark onder de polder en de grote ontlasting van de broedse hennen in het uitloophok. Dit om besmetting van de eieren door ontlasting dat mogelijk aan de tenen van de hennen zou kunnen blijven kleven te vermijden.

Een week voor het uitkomen van de kuikens wordt het hok waar de legnesten staan opgesteld nog eens grondig uitgemest en van een laag gedroogde eikenbladeren voorzien. De hanen en eventuele nog niet broedende hennen worden verwijderd en verhuizen naar een afgemaakt stukje boomgaard, waar het gras ondertussen een continue begrazing zonder problemen aankan.

Drie dagen voor het uitkomen worden de hennen niet meer gestoord en wordt de omgeving van de nestkast in gereedheid gebracht. De omheining wordt afgelopen en elk spleetje of gaatje wordt met klinkers en / of zand gedicht. Het opfokvoer voor de kalkoenkuikens wordt geplaatst onder een afrastering waar de ouderdieren niet in geraken. Zorg ook dat het drinkwater goed bereikbaar is voor de kuikens. De eerste week is immers zeer cruciaal in het leven van een kalkoenkuiken. Je merkt aan het gedrag van je broedende dieren wanneer de kuikens zijn uitgekipt.

Daar er meerdere hennen samen aan het broeden zijn, zullen het de kuikens zijn die de dagen na het uitkippen de omgeving rond het nest verkennen. Omdat ze op dit moment naar alles pikken en oppikken wat ze tegen komen strooi ik voor de nestopening een weinig opfokkorrel voor kalkoenkuikens. Drie, vier dagen na het uitkippen, kan het zijn dat een aantal kuikens een kalkoenhen volgen, wanneer ze het nest verlaat om voor haar onderhoud te zorgen. Het gepiep van de kuikens zal dan ook de andere hennen hun nest doen verlaten. Van deze gelegenheid maken we dan gebruik om eventuele onuitgekipte eieren en mogelijk gestorven kuikens te verwijderen. Op een uitval van 20 tot 30% mag men wel rekenen. Kuikens die niet actief zijn, met het hoofd naar beneden constant piepen en achterblijven in ontwikkeling, worden uit de groep genomen. Ze zullen toch sterven en hun aanwezigheid kan leiden tot een hogere mortaliteit in de groep. Eenmaal de kuikens de leeftijd van 14 dagen bereikt hebben, zijn het meestal accidenten of een coccidiose uitbraak die de mortaliteit bepalen.

Gebruik geen opfokvoeder voor hoenderkuikens om je kalkoenkuikens groot te brengen. In opfokvoeder zit bijna steeds een anticoccidiose middel en de dosis voor hoenderkuikens kan contraproductief zijn voor kalkoenkuikens. Niet alle verkooppunten van voederhandelaars hebben de juiste samenstelling van het te geven voeder op stock. Houd daar rekening mee en bestel op tijd hetgeen je nodig hebt.

Daar het de bedoeling is dat enkel de kalkoenkuikens aan het opfokvoeder geraken, plaats ik dit onder een draadstulp waar enkel de kuikens in geraken. Na zeven weken schakel je normaal over op een volgend opfokvoeder met minder eiwitten en meer koolhydraten. Rond deze periode kun je ze ook ringen. Begin augustus zijn onze kuikens die half mei werden geboren 11 weken oud. Vanaf dan kan men overschakelen naar een productievoeder. Dat meng ik met 50% poelengraan, wat aquariumkiezels en schelpengrit. Dat verteerd minder snel en ze worden er een stuk rustiger van. Dit krijgen ze tot begin september, waarna ze overschakelen naar het gewone dieet.

Half juli worden de dieren die geen kuikens hebben voorgebracht opnieuw broeds. Ik benut dit enkel als er iets met het eerste broedsel is misgelopen. Dieren die dan geboren worden, zijn niet op tijd klaar voor Kerst of het tentoonstelling seizoen. Vanaf de jonge hanen even groot zijn als hun moeder worden ze weg genomen uit de kudde en verhuizen ze naar het kot van de hanen.

18/ Ziekten:

Net als alle andere levende wezens kan onze Rode Ardenner kalkoen ziek worden. Voorkomen is echter beter dan genezen. Wanneer men echter een aantal puntjes in acht houd en opvolgt kan men gemakkelijk van veel miserie gespaard blijven.

Zorg steeds voor vers en schoon drinkwater, goed en gevarieerd voer. Doe dit niet steeds op dezelfde plaats. Voorzie groenvoer, zolang het kan. Meng kalk en maagkiezel door het voer. Kalkoenen hebben namelijk geen tanden om hun voer te vermalen. Verwijder regelmatig de mest uit de nachthokken en houd de grond van buitenrennen luchtig en schoon. Ontworm minstens eenmaal per jaar je dieren.

Wanneer je toch een dier opmerkt dat een afwijkend gedrag vertoont. Tracht dan zo snel mogelijk te achterhalen wat er scheelt. Een dier dat niet komt eten, opgezet rondloopt met ingetrokken kop, zichzelf verwaarloost, niet alert reageert of mankt, kun je best even bemonsteren en indien nodig uit de groep halen.

Geraak niet te snel in paniek, ik heb al dieren gehad waar ik geen stuiver meer voor zou geven, die de volgende dag rondlopen alsof er niks gebeurt was. Zijn er echter meer dieren betrokken dan kan het advies van een dierenarts best ingewonnen worden.

Wanneer men dierenvoeders gebruikt waar ziektebestrijdende middelen zijn doorgemengd kun je best bij aankoop de vervaldatum controleren. Nogal wat verkopers nemen het niet zo nauw met het uit de rekken halen van vervallen voeder, met als gevolg dat wat er in zit niet meer afdoende werkt. De problemen en dokterskosten zijn dan wel voor jouw.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat sinds 31 maart 2003 het middel Nifursol verboden werd wegens zijn kankerverwekkende eigenschappen. Nifursol werd als preventief of curatief middel tegen blackhead gemengd in dierenvoeder bestemd voor de opfok van kalkoenen.

Blackhead (histomoniasis of zwartekoppenziekte) is een ziekte veroorzaakt door het eencellig micro-organisme "Histomonas meleagris".  Dit organisme overleeft in een tussengastheer, de spoelworm "Heterakis gallinarium", en verspreidt zich via de eieren ervan. De eitjes zijn uiterst resistent tegen warmte, kou en ontsmettingsmiddelen. De spoelwormen worden onder meer teruggevonden in regenwormen en insecten. De ziekte wordt verspreid via de uitwerpselen van besmette dieren of besmet strooisel, voeder en water. Blackhead komt voor bij kalkoenen, pauwen, fazanten, kwartels, korhoenders, patrijzen en kippen. De ziekte heeft echter vooral bij kalkoenen erge gevolgen en kan daar tot 100% sterfte aanleiding geven. Vooral jonge dieren tot 20 weken oud zijn gevoelig voor de ziekte. Kippen worden meestal niet ziek, maar kunnen als drager de ziekte wel verspreiden. Het is daarom aangeraden kalkoenen gescheiden van kippen te houden.

Een ander middel dat dikwijls aanwezig is in voer voor kuikens en jonge dieren is een anticoccidiose middel. Cocciddiose is een ziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten, die behoren tot de familie der Eimeria. Ze dringen binnen in de darmcellen van de gastheer en vernietigen deze. Hierdoor is het dier niet meer in staat het in de darm aanwezig voedsel op te nemen. Dit uit zich in diarree. Indien men geen aandacht besteed aan de mest van de dieren merkt men de ziekte meestal te laat op. De ziekte slaat snel om zich heen en voornamelijk jonge dieren zijn hier vatbaar voor. Resistentie wordt niet vererft en elk dier dient zijn eigen weerstand hiertegen op te bouwen. Men voorkomt diarree en sterfte door tijdig een 2 daagse behandeling te geven met Baycox® 2,5%. Indien men dieren gemengd opkweekt en ooit een cocidiose uitbraak heeft gehad, is dit een geduchte vijand, zelf al zit er anticoccidiose middel in het voer.

Vooral op de stoelgang letten van de jongen rond de 7 weken (zie foto).

Eén algemene zaak, zieke dieren eet men best niet op.

19/ De Vos en andere ongewenste bezoekers:

Nooit had ik gedacht met deze rover in aanraking te komen. Mijn woning ligt nu eenmaal niet in een landelijke zone of naast een bos, maar dat is blijkbaar niet genoeg. Reynaert is minder schuw en terug van weg geweest.

Er is niks frustrerender dan ’s morgens tot de ontdekking te komen dat een roofdier je beste dieren een andere wereld heeft ingeholpen. Het moet gezegd, het huilen sta je op dat moment nader dan het lachen. De enigste legale manier om hier iets tegen te doen is investeren in je omheining of je dieren iedere nacht gelijk een goede schaapherder opsluiten in een vossen -en marterbestendig kot.

Vossen zijn ware meesters als het gaat om zich een toegang te verschaffen tot het onderkomen van zijn prooi. Een kleine opening van 20 centimeter is vaak genoeg, maar zelf als dat er niet is hebben ze een heel arsenaal aan mogelijkheden. Is het gaas van de buitenren geen 30 centimeter ingegraven of bevindt er zich geen tegelpad rondom dan is het een klein kunstje om zich een toegang te graven Lukt het hem op deze manier niet dan moet je rekening houden dat vossen tot 1,45 meter hoog kunnen springen en zelfs hoger als ze een opstapje hebben in de vorm van een stapel brandhout, een mesthoop, een kruiwagen of ander materiaal dat vlak naast de omheining staat opgesteld. Door middel van knagen kan in een kwalitatief slecht gaas een gat gemaakt worden. Ook een rot deel in het nachthok kan met de poten worden opengebroken. Een poort kan worden open gewurmd en volgens onze wijkagent kan hij zelf sloten openmaken, al denk ik dat hij zich op dat moment van inbreker aan het vergissen was.

Een goede roofdierbestendige afsluiting is 1,5 meter hoog. Bij gebruik van houten palen dient de draad langs de buitenzijde te worden bevestigd, zodat rovers niet via de palen in de ren kunnen geraken. De bovenzijde van de omheining dient in een hoek van 30° naar buiten te worden geplooid. Zorg ervoor dat de hellende rand 30 centimeter overhelt. De maaswijdte mag niet groter zijn dan 3 à 4 centimeter, om steenmarters en bunzingen buiten te houden. Rond de omheining dien je een strook van 40 centimeter tegels te voorzien tot vlak tegen de draad of dien je de draad minimum 30 centimeter in te graven. Vossen hebben namelijk niet de reflex om voor de tegels te beginnen graven.



Sluit je 's avonds je dieren op dan dien je er op te letten dat de vos zich geen toegang kan verschaffen door zich door een spleet te wurmen, hij heeft maar 20centimeter nodig. Zorg ervoor dat eventuele ramen voorzien zijn van een stevig gaas, zodat er voldoende frisse lucht in de verblijven kan geraken maar de vos buiten blijft. Al moet ik zeggen dat ik al twee dieren ben kwijt gespeeld aan deze rover na 9u00 's morgens.

Wie op een andere manier wil afrekenen met deze rover heeft misschien iets aan de wetenschap dat vooraleer toe te slaan Reyneartje eerst een zwakke plek in je omheining zoekt en dol is op eieren. In de periode dat ze met opgroeiende jonge zitten, april, mei en juni durven ze hun aangeboren schuwheid wel eens laten varen om hun hongerige jongen van eten te voorzien. U bent met deze gewaarschuwd.

20/ Tentoonstelling:

Elke fokker bezielt over het lot van zijn geliefd ras, zou af en toe eens moeten deelnemen aan een pluimveetentoonstelling. Hoe anders kan men zich een beeld inschatten van de waarde van zijn dieren. Zo heb ik zelf jarenlang verkeerd geselecteerd, daar ik dacht dat de slagpennen van deze dieren zo wit mogelijk dienden te zijn. Het is door lid te worden bij een speciaal -club (voor kalkoenen zijn er niet zo veel) en wat mensen te durven aanspreken dat ik mijn fout relatief snel heb kunnen rechtzetten.

Voor aan een pluimveetentoonstelling te kunnen deelnemen dient men lid te worden van een club (vb. de Vlaamse vereniging voor Tamme Park -en Watervogels) en zich als fokker te melden bij Het Vlaams Interprovinciaal Verbond van Fokkers van Neerhofdieren. Dit kost je totaal aan lidgelden ongeveer 17,5 EURO. Via je club kun je dan in het voorjaar ringen bestellen. Die heb je nodig daar je dieren ingeënt dienen te worden tegen de pseudo vogelpest. Het nummer op de ring van het dier is samen met het inentingsbewijs dat je vindt in het fokkersboek en ingevuld door de dierenarts die je dieren inent, het bewijs van inenting.

Om je dieren wat minder stressgevoelig te maken, laat je ze wennen aan jouw menselijke aanwezigheid. Je kunt dit doen door je dieren uit je hand te leren eten en er zacht met om te gaan. In het najaar kies je een tentoonstelling uit, liefst één waar ook andere mensen die jouw ras kweken naar toe komen. Wil je deelnemen met jonge dieren dien je wel een tentoonstelling te kiezen zo laat mogelijk op het seizoen. Ze zullen anders niet genoeg volgroeit zijn om er een goed beeld van te kunnen vormen.

De dag voor het inkooien neem je elke kalkoen die meegaat en maak je hem volledig schoon met een spons, water en een heel klein beetje zeep. Besteedt genoeg aandacht aan de poten, nagels en ring. Een verkeerd gekleurd veertje mag uitgetrokken worden, behalve natuurlijk de staart -en slagpennen. Wil je het echt goed doen kun je de kop insmeren met uiercréme en de poten met vaseline. Als dit allemaal achter de rug is spuit je ze nog in met een product tegen de vederluizen. Vederluizen zitten voornamelijk in de lichaamholtes onder de vleugels en tussen de poten. Ook de cloaca is een geliefde plaats.

Wil je dat al je werk niet voor niks is, dien je ze nu wel op te bergen in een goed opgekuist hok met houtkrullen of vers stro.

Voor het transport naar de tentoonstelling kun je gebruik maken van een transportkist waar de staart uitsteekt of een plastieken voederzak waar je een gat voor de kop uitsnijdt en het dier insteekt nadat je eerst de poten hebt samengebonden. Het verloop en de te volgen procedures van zo een tentoonstelling zijn goed beschreven in het vraagprogramma van de inrichtende vereniging.

Ik heb er meer dan 10 jaar over gedaan om deze stap te durven zetten en de eerste maal heeft me dit onverhoopt een kampioen opgeleverd. Dit laatste was leuk meegenomen, maar is nogmaals niet het belangrijkste van deelname. Het zijn van de fouten en de dieren van je collega fokkers waar men het meest van kan leren.

Deelname Prijs Keurmeester Ring Punten
2003 Afflichem Beste gedomesticeerde parkvogel A Verelst 3234 96/1, 91
2004 Afflichem Beste gedomesticeerde parkvogel V Lambrighs 3871 96/1, 94/2, 94/3,  94, 93
2004 Brugge Groepskampioen kalkoenen B Goddeeris / 96, 95/1, 95/2, 94, 94
2006 Afflichem / B Goddeeris / 95/1, 95/2, 94, 93
2008 Afflichem / B Goddeeris / 95/1, 95/2, 94/3
2013 Afflichem Beste gedomesticeerde parkvogel B Goddeeris 2059 96/1, 96/2, 94, 94

Bemerkingen.

Wond in flank

Het houden van meerdere hanen bij hennen in het paarseizoen is af te raden. De heren kunnen het namelijk niet van elkaar verkroppen dat de concurrentie paart. Gevechten met een hen als vloerbekleding leveren bij laatstgenoemde vaak gapende wonden op. Voor een dergelijk toegetakelde hen is het paarseizoen voorbij. Iso-betadine en een lang verblijf in het revalidatiehok heelt de wonden doorgaans wel.

Ook jonge hennen geraken bij wijlen zo toegetakeld, zelf als er slechts één haan in haar hok zit. Hennen waar de rugveren van afgetrapt zijn en opvallend veel liggen of mank lopen, controleer je best op haar flanken naar open wonden.


Voetnoot

Veel van wat in dit naslagwerkje is opgeschreven, zijn weetjes die ik van andere liefhebbers heb mogen opsteken of fouten die ik met scha en schande heb moeten leren. Telkenmale ik iets omtrent mijn hobby tegenkom, mensen mij bij een verkoop vragen stellen of wanneer ik van mening verschil en dit wil onderbouwen zal dit schrijfseltje in omvang nog toenemen. Het doel is en blijft zo veel mogelijk mensen warm te maken om met de Rode Ardenner kalkoen te beginnen kweken. Het is een veel te waardevol ras om te laten verdwijnen.




Geraadpleegde lectuur.

De Belgische hoenders, eenden, ganzen en kalkoenen
    Themanummer van “De Ark” van Steunpunt Levend Erfgoed
De Filosoof van Ronquières (tijdschrift van “De Filosoof van Ronquières”)
    v.u. Goddeeris Boudewijn
De Roeper (tijdschrift van de ”Vlaamse Vereniging voor Tamme Park- en Watervogels “)
    v.u. Sauwens Sonja
Dieren op de kinderboerderij
    Hans L. Schippers
Evolutiepatronen
    Roger Lewin
Evolutie, triomf van een idee
    Carl Zimmer
Gezond pluimvee
    Dr. Adr. C Voeten
Inleiding tot de anatomie, fysiologie, ziekteleer, erfelijkheidsleer en algemene veeteeltprincipes
    Verelst Andy
Kippen
    Ruud Haak
Kippen encyclopedie
    Esther Verhoef en Aad Rijs
Krielkippen rondom het huis
    A.S. Heijboer en R.R.P. Van der Mark
Natuurbehoud en biodiversiteit
    Andrew P. Dobson
Pauw, kalkoen en Parelhoen
    Hans L. Schippers
Turkeys a guide tot management
    David C. Bland
Voeding en verzorging van neerhofpluimvee
    Noël Claeys en Jan Crauwels
Wild Turkey Country
    Lovett E. Williams
Omgevingsverrijking voor vleeskalkoenen
    T. Veldkamp