Zelfverwonding

Het verhaal van Stefaan

Ik ben opgegroeid in een liefdeloos gezin. Wat mijn vader betreft niet bepaald gewenst, hooguit als vervanging van een, te vroeg geboren, ongelukje. Gewenst door mijn moeder, die er helaas van uit ging dat ik de perfecte zoon was. Te vaak gehoord als er iets met mij gebeurde: 'Dat dacht ik wel' of 'Daar heb je hem weer'. En als er eens iets goed gaat dan hoor ik tot op heden: 'Goh, dat is goed gegaan.' Met andere woorden: eigenlijk kun je niets en als je iets probeert dan is de kans van slagen miniem, 'Wat ben ik teleurgesteld in je.' Als er van haar kant al liefde was dan werd die snel verdronken in de problemen tussen haar en mijn vader en door haar perfectionistische verwachtingen jegens mij. Geknuffeld worden? Ik kan het me niet herinneren. Ik probeer de sporen van intimiteit terug te vinden. Meestal zijn ze er niet. En dus raak ik de weg regelmatig kwijt. Van de eerste zes jaren heb ik weinig herinneringen. Degene die er zijn, zijn redelijk goede. Daarna gingen we verhuizen en ging het fout. Goed fout. Van de jaren daarna heb ik gelukkig ook maar weinig concrete herinneringen. Hele gaten zitten er in mijn geheugen, gaten die mijn zus bijvoorbeeld niet heeft. Dingen die ze vertelt die we samen deden. Ik weet ze niet meer. De herinneringen die er zijn, zijn erg slechte.

Mijn vader ging openlijk vreemd met de achterbuurvrouw. Mijn moeder wilde zich niet laten kennen, het waren tenslotte nog maar net de jaren zeventig. Feminisme, vrije seks, partnerruil. Als wraak ging zij vreemd met de man van die zelfde achterbuurvrouw. Er ontstonden spanningen in hun huwelijk. Gek hè? Mijn vader reageerde zijn spanningen op mij af. Fysiek. Meteen de eerste keer sloeg hij me het ziekenhuis in. Als je iets doet dan doe je het goed tenslotte. De schade was zowel fysiek als psychisch onherstelbaar. Nog vrijwel dagelijks heb ik last van oorpijn. Niets meer aan te doen volgens de Kno-arts. Nog vrijwel dagelijks loop ik tegen een hoop beperkingen op. Weinig meer aan te doen denk ik zo. Met beiden valt gelukkig wel te leven. Op een gegeven moment leerde ik hoe ik niet meer hoefde te voelen. De vernedering, de fysieke pijn. Immuun voor de pesterijen op school. Immuun voor de vernederingen thuis. Altijd op de vlucht. Extreme maatregelen om maar te zorgen dat het weer zou ophouden. Toen al extreem. In mijn gedachten had het huis de schuld. Alle ellende was tenslotte na de verhuizing gekomen. Dus als het huis weg is, zo redeneerde ik, zijn de problemen weg. Konijnenhok? Hup de fik er in. Nieuwe gordijnen? Lucifer er onder. Oud en nieuw? Vuurwerk in de geiser. Helaas, niets hielp. Het huis bleef overeind.

Al dagen loop ik verdwaasd rond. Ik ben niet meer helemaal op deze wereld. Ik werk nog wel op de crèche, maar ik registreer niet echt. Al tijden gaat de berg naar beneden, maar de bodem is nog steeds niet in zicht. Ik zuip, blow, ga met de een na de ander naar bed, alles om de leegheid maar te verdoven. Alles draait om wegkruipen, veiligheid. Als ik die niet vind, dan maar heftige maatregelen. Ik heb mijn depressie niet afgewend met dronken worden. Alleen maar versneld. Na de zoveelste vrijpartij met een vreemde, word ik in een vreemd bed wakker. Wie er naast me ligt weet ik niet. Ik voel me zo intens leeg. De verbindende factor tussen de seks en de alcohol is het exces, het gaat niet om de vorm. Later heb ik voor de seksuele vorm een beeld gevonden. Ik ben een vuilniszak op een rol, als ik aan de beurt ben word ik gebruikt. De volgende ochtend sta ik met een strik om mijn nek aan de weg. Weggegooid, klaar om vernietigd te worden. Op dat moment beslis ik dat ik nooit meer zomaar met iemand naar bed zal gaan.

Ik heb mijn depressie versneld. Ik wil dat het ophoud, alleen maar dat het stopt. Keer je om! En kom nooit meer terug. Oh God, ik zou zo graag willen huilen. Huilen om de pijn in mijn buik. Ik voel zo veel verdriet. Ik heb net een nieuwe partner, maar ze wil alleen maar met me vrijen. Mijn hand vasthouden zit er niet in. Ik troost anderen, zij mij niet. De ironie van het geheel ontgaat me niet. Eerst kan ik me niet binden en vrij ik er op los. Nu heb ik me gebonden en gaat het me om heel andere dingen dan de seks. Ik geniet er wel van, maar voel me niet veilig.

Ik heb weer iets uitgevreten en mijn vader slaat. Ik hoor nog mijn oma op de achtergrond gillen. "Als je slaat, sla hem dan op zijn billen. Niet op zijn hoofd!" Alles doe ik om maar van huis weg te zijn. Spijbelen, hele dagen op de fiets. Bij een mevrouw in de straat. Die me overigens meer kwaad dan goed doet. En bij Karin, lieve, lieve Karin. Mijn nichtje, negen maanden jonger dan ik. En bij haar ouders, Corry en Rob. Zij moesten mijn papa en mama worden. Ik logeerde er elke vakantie en wilde nooit terug naar huis. Liep ook daar weg als mijn ouders me kwamen ophalen. Alles om de terugreis uit te kunnen stellen. Alles om maar te kunnen blijven voelen.

Alles probeer ik om maar te kunnen huilen. Niets werkt. Zuipen, seks, blowen. Ik tel het bier in liters. Het gat in mijn buik wordt alleen maar groter. Alsof ik een ballon ben. Leeg van binnen, enkel een velletje van buiten. De emoties schieten door mijn hoofd. Ondanks dat alles vind ik de tijd om naar mijn werk te gaan. Mijn baas, mijn collega's weten van niets, hebben ook niets gemerkt. Ze zijn tevreden over mij. Ook later blijkt dat ik nog steeds erg goed ben ik toneelspelen. Niemand die ooit echt iets aan me merkt. Mijn dagboek staat pagina's lang vol met alleen maar: help me dan. Ik voel me eenzaam en verlaten. In een klein kamertje ineengefrommeld. Een klein, bang kleutertje. Door mama in de steek gelaten. Ik heb je nodig mama, hou me vast, ik ben bang om alleen te zijn. Daarna voel ik niets meer.

In de verwarring lees in ondertussen een boek. De hoofdpersoon snijdt zichzelf. Het shockeert me niet. Het brengt me op een idee. Voorzichtig zet ik mijn nagels in mijn arm. Wat een zielige poging, er gebeurt niets. Ik ben zo leeg vanbinnen. Ik moet mezelf vullen. Lucht, adem in. Ik kan het niet. De spieren van mijn buik spannen samen om vooral m'n gevoel binnen te houden. Stel je voor dat het ontsnapt. Ik zet mijn tanden in mijn arm en bijt. Nog flink ook. Geen resultaat. Dan, een nacht of wat later, snij ik me. Vlak er voor anderhalve traan gehuild, maar dat maakte alles alleen nog maar erger. Ik voelde nauwelijks wat van het snijden. Als ik de volgende ochtend de krassen tel hou ik bij twintig op, verder wordt me te pijnlijk. Het enige wat ik voel is een knoop, diep, ver weg onder mijn zelfbeheersing. Ik wil huilen, schreeuwen. Ik wil dat mensen me zien, maar kennelijk levert het me meer op als ik zorg dat dat niet gebeurt. Eigenlijk voel ik niets tijdens het snijden. Ik zie dat ik het doe, ik kijk naar mijn arm. Maar mijn arm is helemaal niet van mij, of althans niet aan mij verbonden. Het niet voelen is er zo in geramd dat ik inderdaad niet voel. Herstel: ik voel wel, maar het lijkt alsof alles niet met mij gebeurt. Helemaal parallel aan vroeger.

Mijn excessen thuis werden zo heftig dat er over 'uit huis plaatsing' wordt gepraat. We gaan zelfs kijken op het internaat. Ik wilde er meteen blijven. Elke verandering kon alleen maar een verbetering zijn. Mijn ouders dachten daar anders over. Ze probeerden het toch maar zelf. Overdag dus weer weglopen. 's Avonds weer ruzie tussen mijn ouders. Meer kattenkwaad. Hoe vaak ik op mijn knieën ben gevallen... Als ik maar even aandacht kreeg. Later bedacht ik er een beeld voor: Op mijn knieën voor mijn moeder. En dus ook weer naar de hondenmevrouw. Waar koekjes bij de thee waren, maar die ook niet overweg kon met mijn vraag om aandacht en knuffels. Ik leefde grotendeels in een fantasiewereld. Met gekke planeten, fabrieken en een hoog Tarzan en Star Trek gehalte.

Mijn snijden van één nacht is een verslaving geworden. Een manier van leven, een ritueel. Binnen een week snij ik elke dag. Als ik aandacht krijg moet ik dat ontkennen door het weg te snijden. Als ik snijd is dat reden om aandacht te vragen. (Als ik aandacht krijg val ik op mijn knieën als ik op mijn knieën val..) Vicieuze cirkels zijn er niets bij. Maar de vraag om aandacht vormt zich enkel in mijn hoofd. Niemand die het weet, mijn smoesjes over hoe ik zo verwond kom worden geloofd. Ik verlang naar bloed zonder moeite. Al weet ik niet waarom er bloed moet vloeien. De handeling, het mes in mijn vlees, die kick. Daarom gaat het me om. Ik kijk naar mijn armen, ze horen er niet bij. Terwijl ik snijd zijn ze even van mij, even voel ik iets. Maar binnen tien minuten is dat weg, op zoek naar scherpere messen, scherven. Wat dan ook. Blijvend de gedachte: Hoe zou het zijn als ik nu snijd? (Niet wezenlijk anders...) Niemand heeft iets gemerkt, ik moet het tegen mijn therapeut zeggen. "Joh, luister eens. De afgelopen maand..." Krijg dat maar eens uit je mond. Intussen snijd ik bij alles. Eten? Eerst het mes er in! Douchen, werken, wat dan ook... Snijden. Ik voel helemaal niets anders meer, om te voelen dat ik honger heb moet ik eerst die knoop in mijn maag weg snijden. Maar omdat ik er eigenlijk niet echt bij ben kan het wel twee dagen geleden zijn dat ik voor het laatst gegeten heb. Het kan ook een uur geleden zijn. Weet je wat, ik snijd even dan voel ik wel of ik trek heb. Voelen? Mooi niet dus.

Ergens, in een hoekje van mijn bewustzijn, dringt het door dat al dat snijden niet normaal is, ook niet gezond. Dus beslis ik om toch maar naar mijn therapeut te gaan en te vragen om een crisisopname. Op woensdag zie ik hem, op maandag word ik opgenomen. Het duurt lang voordat het werkelijk tot me doordringt, misschien wel tot ver na mijn ontslag. De eerste week heb ik 'hand-in-hand'. Dat wil zeggen dat je geen stap kan zetten of je maatje, of iemand van de staf, is erbij. Ondanks dat verwond ik mezelf tot vier maal toe. Heerlijke pijn. Ook op de afdeling merkt niemand iets, tenzij ik beslis het te laten merken. Zo getraind ben ik om alleen te zijn in mijn pijn. De staf reageert er eigenlijk niet op. Tijdens mijn intake wordt er even naar mijn verwondingen gekeken. Geen afspraken, dwang noch pillen. Ik ben hier tenslotte vrijwillig. Mocht het me tegenslaan dan ben ik zo weer vertrokken. Dat heb ik ook zonder omhaal duidelijk gemaakt. Ik denk dat hun reactie de enig goede was. Als er wel ontkenning of pressie was geweest was ik waarschijnlijk even snel vertrokken als ik was gekomen. Mijn ouders worden uitgenodigd om over mijn situatie te praten. Niet dat ik dat helemaal snap. Ik ben tenslotte volwassen. Dat op zijn minst een deel van de oorzaak bij hun ligt ontgaat me op dat moment. Het eerste wat mijn vader tegen me zegt is: "Je doet dit (de opname) alleen maar om mij te pesten." Dat ontgaat me niet. Het is het begin van de beslissing om hem nooit meer te willen zien. Mijn ouders zijn al een tijd gescheiden, dus kan ik die beslissing nemen zonder consequenties voor het contact met mijn moeder. Zij vind het duidelijk moeilijk om te reageren, maar ze blijft pogingen ondernemen om in ieder geval te horen wat ik wil zeggen. Ik blijf drie maanden opgenomen. Als ik thuis kom moet ik mijn eigen bloed opruimen. Dat doe ik als vanzelfsprekend. Nog steeds raakt me het niet. Pas maanden later schrik ik van de opname. Al die tijd snijd ik af en toe. Meestal uit pure onmacht. Het slaat niet meer door, maar ik kan ook niet zonder. En ineens dringt het door, het is echt gebeurd. Het is echt met mij gebeurd. Ineens gaat mijn leven door alsof er nooit iets gebeurd is. Nog wel wat chaotisch, ik heb nog wel iets hulp, maar dat mag geen naam hebben. Ook al omdat ik mezelf niet laat zien. Voor het eerst sinds lang heb ik ook weer een relatie. Ze woont 180 km ver, lekker makkelijk. Ze heeft nauwelijks levenservaring, nog nooit met iemand gevreeën. En dus ben ik haar in alle opzichten de baas. Tegenwicht is er niet. Echte veiligheid of intimiteit ook niet. Na een jaar gaat de relatie stuk en ik krijg weer vluchtneigingen. Alles om niet echt te hoeven voelen. Het gekke is dat ik juist wil voelen, zie dat maar eens te snappen. Wat zou ik willen uiten? Niet aflatend verdriet, ik heb er nooit echt woorden aan kunnen geven. Het blijft me overweldigend bezighouden. Eindelijk wil ik eens thuis zijn. Dus ik vlucht.

Naar een baan in het buitenland. Het woord mislukking is bij voorbaat op deze actie van toepassing. Maar ach het houdt de spanning er in en ik hoef geen bewuste beslissing over snijden te nemen. Al deze nieuwe prikkels zijn voorlopig meer als genoeg vervanging er voor. Ik heb het er redelijk naar mijn zin, maar als de eerste mogelijkheid zich voordoet dan ga ik toch weer terug naar huis. Meteen terug in Nederland stort ik me in een nieuwe, uiterst gecompliceerde relatie die na vier jaar zou eindigen met een ander soort knal. Zij werd psychotisch en ik moest haar laten opnemen. Daar heb ik inmiddels ervaring in. En nog steeds alsmaar nieuwe pulsen nodig, maar zelfs in vertrouwen, op de meest kwetsbare en intieme momenten kan ik niet echt voelen. Al dat verdriet wat nog steeds in mijn buik zit. Ik verlang naar snijden, of wat dan ook, als ik maar tot rust kom. Niet dat ik het allemaal werkelijk kan volgen. Ik vecht wel, maar ik kan niet zien waar het eigenlijk om draait. Als ik maar intens voel, dan hoef ik niet aan snijden te denken. Dus fantaseer ik, ook al heb ik een relatie, over seks met anderen. En ik zie het beeld van mijn vader voor me. Ik ben geen haar beter. Met al zijn vreemd gaan en ontrouw. De zelfhaat om mijn eigen seksualiteit steekt weer de kop op. Ik kras weer wat, omdat mijn buik weer helemaal vast zit. Snijden of verdoven, uit deze cirkel hoe dan ook. Mijn psych komt in deze crisis niet opdagen. Nu moet ik het weer drie dagen redden zonder te snijden, weer aan de wijn. Een poging Sjostakowitsch te luisteren, ik registreer niet. Zou het genoeg zijn als ik even snijd? Ik ploeter wat door, zonder te snijden, tot een jaar later. Ineens. Zonder aanleiding. Zonder inleiding. Gesneden en goed ook.

Wat roept het allemaal bij me op? Zelfhaat, omdat ik vind dat ik mezelf moet haten na zoiets. Omdat ik geleerd heb dat je jezelf niet mag beschadigen. Dat is voorbehouden aan 'de macht'. Wie dan ook. In wezen probeer ik zo mijn autonomie weer terug te vinden. Ik ben de baas over mezelf. Alleen ik mag mezelf beschadigen. Haat, omdat ik mezelf wel heel erg gek vind als ik zo bezig ben. Zelfs als ik de haat probeer te spiegelen naar daar waar het thuis hoort, dan nog haat ik alleen me zelf. Mijn vader vind ik niets meer dan een zielig figuur die niets heeft gedaan om mijn respect te verdienen. Het feit dat ik geen contact meer met hem heb maakt de zaak wel veiliger. Ik denk niet zo vaak meer aan hem. Alhoewel hij me wel blijft bezig houden. Net van mijn zus gehoord dat hij waarschijnlijk weer gaat trouwen. Ik snap die man niet, maar gelukkig hoef ik hem ook niet te snappen. Hem haten kan ik ook niet. Geilheid, een enorm opgewonden gevoel. Grenzend aan seksualiteit. Helemaal alleen met mezelf. Vaak vrij ik ook met mezelf als ik net gesneden heb. Nooit andersom. In wezen lijken de twee soorten ontlading erg op elkaar. Heftig, verblindend, kortstondig. Ineens rustig daarna.

Angst dat het verder zal gaan. Ik ben geen type voor suïcide. Snijden heeft daar ook niets mee te maken voor mij. Maar zo af en toe zie ik mezelf zitten. Onherstelbaar beschadigd, stervend. Of het nu werkelijk de dood is of de blijvende eenzaamheid. Dat maakt niet uit. De angst is even re?.

Agressie naar de wereld. Alsof er een diepere schuld is. Alsof ik niet altijd verantwoordelijk ben voor mijn eigen daden. Natuurlijk was mijn jeugd vreselijk, maar nu ben ik toch de baas? Ik ben zo kwaad en tegelijk zo bang. Om de verantwoordelijkheid op me te nemen om werkelijk te leven. Op te houden met het bestaan in leugens. Als ik in de stad loop voel ik hoe die agressie omgezet wordt in angst. Rechtop lopen, vooruit kijken, ik ben er en ik mag er zijn.

Verdriet, alsof al het verdriet dat ik vroeger niet heb kunnen voelen er nu nog uit moet. Heel soms, na een intiem moment, is er verdriet, een druppel uit de zee. Als er maar genoeg druppels verdwijnen raakt de zee vanzelf leeg. De intieme momenten zijn niet zo rijkelijk aanwezig, dus huil ik maar bar weinig.

Eenzaamheid en pijn, want als ik niets tegen anderen vertel dan benadrukt dat mijn leegte, de eenzaamheid. Als ik het wel zeg dan schrijnt de pijn van binnen des te heftiger.

Dan vind ik eindelijk de hulp die ik al die jaren heb moeten ontberen. Een haptonoom raakt me aan en laat me voelen. Van binnen, zonder die eeuwige woordenstroom. Ze raakt me aan op de plaatsen die kapot zijn. Hele uren lig ik te huilen, na al die jaren zoeken. En ik heel een beetje. Na de beslissing om toch weer op deze manier hulp te zoeken neem ik nog een beslissing: Ik ga zorgen dat ik nooit meer hoef te snijden. Ha! Dat doe je toch gewoon even. Meer dan tien jaar heeft het me bezig gehouden. Maar nu is het mooi geweest. Het gekke is dat ik het inderdaad 'even' doe. De beslissing is er door en niets zal me er van afhouden. Ik regel een afspraak op de OVDB. (Opname Vervangende DagBehandeling) Een soort bed op recept. Maanden later maak ik er gebruik van. Ik wil weer snijden, maar afspraak is afspraak. Ik snijd niet, ik zorg voor vervanging. Ik loop de afdeling op. Dezelfde waar ik tien jaar geleden was opgenomen. Ik schrik van mijn eigen herinneringen. Zo heftig had ik ze niet verwacht. Wat een kaal hok, net een cel. En die sfeer op de afdeling. Als je al niet depressief was, dan zou je het vanzelf worden. Het is en blijft een opname, dat wordt maar weer pijnlijk duidelijk. Ook al kan ik komen en gaan wanneer ik wil. Ik kom om negen uur 's avonds. Ik ga om één uur 's nachts, omdat ik niet kan slapen in dit hok. Omdat er alsmaar spoken op de gang lopen in de vorm van hallucinerende patiënten.

Hoe gaat het nu met me? Redelijk stabiel, met wat hulp van medicatie. Dat was ook zo'n beslissing. Jaren heb ik alle medicatie geweigerd, zelfs de seresta. Alles om mijn autonomie te behouden. Hoe groot is de angst om niet meer zelf de baas te zijn? Zelfs als de baas zijn betekend dat ik mezelf snijd. Nu slik ik al twee en een half jaar lithium. Het helpt me de pieken en de dalen te beheersen. Het lijkt allemaal iets rustiger, iets beter beheersbaar. Ik voel me nog wel regelmatig leeg zonder reden. Niet helemaal in verbinding met de werkelijkheid. En de link snijden/seksualiteit is nooit helemaal verdwenen. Ik weet dat ik alleen maar op een bepaalde manier hoef te denken en ik kan weer snijden. Beangstigend is dat soms, dat het nog zo dichtbij is, dat ik mezelf bewust uit die spiraal moet sleuren. Ik mag mezelf niet toestaan af te glijden. Ik kan nog steeds niet huilen als ik alleen ben, omdat mijn buik nog steeds in de knoop zit. Maar snijden en huilen kan ik ook niet meer. Ik voel me wel stabieler. De afspraak met de OVDB staat nog al vermoed ik niet dat ik er nog gebruik van zal maken, maar verder heb ik geen hulp meer. Sterker nog, in mijn werk ben ik tot hulp en steun voor anderen. Het werk geeft me de broodnodige ritme en regelmaat. De losbandigheid van vroeger is vrijwel geheel vervangen door dingen waar ik op kan rekenen. Ook een manier om de zaak beter in de hand te houden. Ik kan niet zeggen dat ik nooit meer zal snijden, maar ik heb goede hoop.