Veel Gestelde Vragen




Naar wat kijkt een amateur astronoom zoal ?
Welke telescoop is de beste ?
Wat is een 'telrad' ?
Wat is een 'zoeker' ?
Wat is een 'poolzoeker' ?
Wat bedoelen we met de 'montering' ?
Wat is 'starhopping' ?
Wat is 'seeing' ?
Wat is 'perifeer waarnemen' ?
Wat is het nachtzicht ?
Wat is lichtpollutie ?
Hoeveel vergroot die telescoop ?
Wat is een oculair ?
Wat is een open sterrenhoop?
Wat is een bolhoop?
Wat is een planetaire nevel?
Wat is de 'maanillusie'?





Naar wat kijkt een amateur astronoom zoal ?

Dit is een vraag die inderdaad door veel buitenstaanders wordt gesteld. Wat is er nu toch allemaal te zien aan de sterrenhemel en wat bezielt toch die excentriekelingen die 's nachts door hun telescopen zitten te staren? De sterrenhemel is echter een quasi onuitputtelijke bron van adembenemende spektakelstukken die zich rondom ons en in het verre heelal afspelen.
  1. In ons eigen zonnestelsel
  2. Dubbelsterren en meervoudige sterren
    Zowat de helft van de sterren zijn dubbel. Veel ervan staan zo dicht bij elkaar dat ze niet met een telescoop gescheiden kunnen worden. Het dubbele karakter kan alleen ontdekt worden door de studie van hun spectrum (spectroscopische dubbelsterren). Andere staan ver genoeg uit elkaar, zodat ze in een telescoop als 2 afzonderlijke sterren dicht bij elkaar te zien zijn. Dubbelsterren draaien rond elkaar rond een gemeenschappelijk zwaartepunt. Sommigen hebben een vrij korte periode (50 jaar), andere doen er duizenden jaren over voor een omwenteling. Veelal zijn beide komponenten van een dubbelster ook totaal verschillende sterren, zodat ze een prachtig kleurkontrast hebben ( bvb een gele en een blauwe ster ).
    Een mooi voorbeeld is Albireo (Beta Cygni) in het sterrenbeeld De Zwaan (Cygnus).
    Er zijn duizenden mooie dubbelsterren om waar te nemen. Na opzoeken met een lage vergroting kan men meer gaan vergroten om beide komponenten beter te scheiden. Voor zeer nauwe dubbelsterren kiest men best een nacht met goede seeing.
    Naast dubbelsterren zijn er ook heel wat driedubbele en zelfs vierdubbele sterren. De verschillende komponenten worden aangeduid met de letters A (hoofdster), B, C enz...
  3. Veranderlijke sterren
    De meeste sterren blijven steeds nagenoeg even helder. Er zijn echter ook veel sterren waarvan de helderheid al of niet periodisch veranderen. Dit zijn de veranderlijke - of variabele sterren. Sommige ervan ( de 'bedekkingsvariabelen' ) veranderen hun helderheid omdat ze in feite een nauwe dubbelster zijn met een heldere en een zwakkere ster, waarbij we net tegen de zijkant van het baanvlak aankijken. Regelmatig bedekt de zwakkere dan de heldere of omgekeerd. Dit geeft aanleiding tot een 'knik' in de helderheidscurve. Andere sterren veranderen gewoon van helderheid door inwendige processen waardoor ze beurtelings opzwellen en inkrimpen. Er zijn in totaal een 12-tal verschillende soorten variabele sterren. Het opmeten van hun lichtcurves is voor de astronomen erg belangrijk om meer te weten te komen over de inwendige processen van sterren. Er zijn zo veel veranderlijke sterren dat de professionele astronomen ze onmogelijk allemaal steeds kunnen volgen. Hierbij doet men dan beroep op amateurs.
    Mensen die zich veel bezighouden met het schatten van variabele sterren noemt men 'variabelisten'. Ze zijn zo veel mogelijk in de weer om wanneer het mogelijk is talrijke veranderlijke sterren te schatten. De resultaten worden dan doorgestuurd naar de AAVSO
    De helderheid van een veranderlijke ster wordt geschat door ze te vergelijken met omliggende (onveranderlijke) sterren waarvan de helderheid nauwkeurig gekend is. Via de website van de AAVSO kan men speciale kaarten voor dit doel downloaden.
  4. Deep Sky objecten in ons eigen melkwegstelsel
    Binnen ons eigen melkwegstelsel zijn werkelijk duizenden 'deep-sky' objecten met de telescoop waar te nemen.
    Hierbij denken we bvb aan planetaire nevels, open sterrenhopen en bolhopen.
    Bovendien zijn er ook nog tal van andere objecten zoals heldere nevels, reflectienevels, emissienevels en donkere nevels.
  5. Andere melkwegstelsels in ons heelal
    Afhankelijk van de diameter van de kijker ( en vooral de mate van de lichtpollutie ) zijn duizenden verre melkwegstelsels waar te nemen in alle mogelijke vormen zoals spiraalstelsel, elliptische stelsels en onregelmatige stelsels. De opkomst van de CCD-camera heeft hier de mogelijkheden voor de amateur nog vergroot en maakt het door zijn gevoeligheid mogelijk nog zwakkere stelsels te zien dan voorheen en in vele stelsels hun structuur ( zoals de spiraalarmen ) bloot te leggen.
    Het visueel waarnemen van zwakke stelsels vereist in vele gevallen wel wat ervaring, zoals bij het 'perifeer waarnemen'.

Welke telescoop is de beste?

Dit is een vraag waar niet zomaar een antwoord kan op gegeven worden. Er zijn verschillende types (amateur)-telescopen en elke type heeft zijn typische voor- en nadelen. Een en ander hangt af van : Bij amateurs zijn vooral de volgende 3 types populair:
  1. De refractor of lenzenkijker
    Bij dit type wordt het licht gebundeld door een (meestal samengestelde) lens: het objectief. Enkelvoudige lenzen zijn goedkoop, maar in de praktijk zijn ze weinig bruikbaar. Daar het licht van verschillende golflengten (kleuren) op verschillende manieren wordt afgebogen, vallen alle lichtstralen niet in hetzelfde punt. Het gevolg is 'chromatische abberatie': rond elke ster zien we een storende kleurenzweem. Dit probleem wordt opgelost door samengestelde lenzen te gebruiken, bestaande uit verschillende glassoorten. Een lens welke gecorrigeerd is voor 2 golflengten is een 'achromaat'. Wanneer de lens voor alle golflengten gecorrigeerd is, noemen we ze een 'apochromaat'.
    Apochromaten zijn vrij kostbaar, maar geven de beste resultaten.
    Voordelen van de refractor : Nadelen van de refractor: Wanneer je vooral geinteresseerd bent in het bestuderen van planeten, zijn refractors de ideale kijkers vanwege hun hoog contrast. Dit komt vooral van pas om subtiele oppervlakte-details goed naar voor te brengen.
    Voor 'deep sky' komt het er vooral op neer op veel licht te verzamelen en is vooral de kijkeropening van belang. Refractors met een grote opening worden echter al snel onhandelbaar en onbetaalbaar. Bij gebruik van een refractor in open lucht in onze streken is het sterk aangeraden een dauwkap te gebruiken (minstens even lang als de diameter van de kijker) om aandamping van het objectief te voorkomen.
  2. De newtonkijker (spiegelkijker):
    Bij dit type valt het licht op een parabolische (hoofd-)spiegel. Het brandpunt wordt naar buiten gebracht door een vlakke 'secundaire' spiegel aan de voorzijde van de telescoop.
    Newtonkijkers zijn erg populair bij de amateur. Voor een zelfde diameter is de Newtonkijker een stuk goedkoper dan een refractor en men kan dus veel gemakkelijker overgaan tot een grotere diameter.
    Voordelen van de Newtonkijker:
    Nadelen van de Newtonkijker:
  3. De Schmidt-Cassegrain kijker (SCT):
    Dit type kijker is een combinatie van lens en spiegel, een zogenaamd 'catadioptrisch systeem'. De hoofdspiegel is niet parabolisch, maar sferisch. Het licht dat op de hoofdspiegel valt, wordt gebundeld op een bolle spiegel die aan de voorzijde van de kijker zit. Vervolgens wordt het licht terug naar de achterzijde teruggestuurd, en komt langs een gat in het midden van de hoofdspiegel naar buiten, waar we dus het brandpunt terugvinden. Daar de hoofdpiegel niet parabolisch is maar sferisch, moet dit gecompenseerd worden. Dit gebeurt door de 'Schmidt-plaat', een grote lens met een heel speciale vorm die aan de voorzijde van de kijker zit.
    Voordelen:
    Nadelen:
    Een verdere bijzonderheid bij dit soort kijker is dat de focusering meestal gebeurt door het verplaatsen van de hoofdspiegel. Dit heeft soms als nadeel dat de spiegel tijdens het scherpstellen wat kan kantelen, zodat het beeld zich wat verplaatst. Aan de andere kant heeft dit systeem wel een voordeel : het brandpunt kan over een vrij groot bereik verplaatst worden. Hierdoor heeft de kijker een groot focuseringsbereik en kunnen tal van accessoires ( zenitspiegel, filterwiel, flip mirror enz ) gebruikt worden zonder te moeten bang zijn dat men het focuspunt niet haalt. Daar de Smidth-plaat helemaal vooraan zit, is het bij dit type tevens sterk aan te raden een dauwkap te gebruiken ( minstens even lang als de diameter van de kijker) om aandampen van de plaat te voorkomen.

Wat is een 'telrad' ?

Een 'telrad' is een zeer interessant klein instrument om het opzoeken van hemelobjecten gemakkelijker te maken. Een verlicht retikel ( met rode, concentrische cirkels ) wordt via een lensje op een vlak stukje glas geprojecteerd dat onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de kijkerbuis staat. De telrad wordt opzij aan de kijkerbuis bevestigd. Wanneer we langsheen de telescoop naar het glas kijken, dan zien we de cirkels op oneindig geprojecteerd, terwijl we de sterren dwars doorheen het glas zien. De telrad is dus een soort kijkertje, maar zonder vergroting. Het is een zeer grote hulp om de telescoop te richten op een bepaald punt aan de hemel vanwaar men dan kan verder 'starhoppen' met de zoeker.

Wat is een 'zoeker' ?

Een zoeker is in feite een kleine hulpkijker die aan de (hoofd-)kijkerbuis wordt bevestigd en parallel staat aan de hoofdkijker. De vergroting is meestal 7 tot 10 maal. Bij commerciele kijkers wordt veelal een kleine "6x30" kijker geleverd ( 30mm opening, vergroting 6x ) wat verre van ideaal is. Beter is het deze te vervangen door een 8x50 met een beeldveld van circa 5 graden. In het brandpunt van het oculair is er ook een kruisdraad gemonteerd. De zoeker dient zo te worden geregeld dat het centrum van de kruisdraad overeenkomt met het centrum van het beeldveld in het oculair van de kijker.
In vele gevallen kan de kruisdraad met rood licht worden verlicht waarvan de intensiteit instelbaar is.
De zoeker kan gewoon rechtuit zijn, of hij kan uitgerust zijn met een zenitprisma, waarbij je er kan inkijken onder een hoek van 90 graden. Dit verhoogt het komfort enorm. Immers, bij een rechte zoeker zal je je hoofd meestal in een zeer onkomfortabele positie moeten houden, wat niet alleen slecht is voor je nekspieren, maar ook het gebruik moeilijk maakt. Het (kleine) nadeel van het zenitprisma is dat het geleverde beeld wel spiegelbeeld is. Gebruik je echter zoekkaarten die op een transparant zijn afgedrukt, dan kan je de kaart omdraaien zodat alles weer klopt met wat je ziet.

Wat is een 'poolzoeker' ?

Wanneer je wil dat een equatoriale montering perfect volgt op de sterren, is het noodzakelijk dat de poolas nauwkeurig parallel staat met de aardas.
De poolas moet dus juist op hemelpool gericht staan. Dat kan men bijvoorbeeld doen door middel van de zogeheten 'declinatie-drift' methode. Hierbij gaat men dan beurtelings een ster in het O en in het W bewaken en letten op de verschuiving in declinatie, waarbij men dan beurtelings de azimut en de hoogte van de montering bijstelt. Hiermee kan je wel een tijdje zoet zijn, want de afstelling in de ene as beinvloedt steeds de andere. Men gaat dan net zo lang door tot er geen afwijkingen meer geconstateerd worden.
Als het gaat om een vast opgestelde kijker ( bvb in een sterrenwacht ) dan hoeft dit geen bezwaar te zijn, daar je dit maar 1 keer dient uit te voeren. Voor een verplaatsbare kijker is deze methode wel wat omslachtig en betekent veel tijdverlies. Ga je alleen visueel waarnemen, dan is een kleine afwijking van de poolas niet zo erg. Voor fotografie met een filmcamera of een CCD dient men echter zo nauwkeurig mogelijk te werk te gaan.
De poolzoeker is hier een geweldig hulpmiddel.
Een poolzoeker is in feite een kleine kijker die in de montering is ingebouwd en die dwars door de poolas heen kijkt. In het oculair ervan zit een (verlicht) retikel. De bedoeling is om het retikel zo rond zijn as te draaien om het af te stellen op een bepaalde datum en tijd. Hierna dient men de montering te regelen in hoogte en azimut totdat de poolster in een cirkeltje terechtkomt dat in het patroon van het retikel is aangebracht.
De poolster staat immers niet perfect op de hemelpool, maar wijkt hiervan ongeveer 2/3 van een graad af. De poolster doorloopt dus per dag ook een klein cirkeltje aan de hemel. Bij andere poolzoekers is het nodig op 2 sterren op een merkteken van het retikel te plaatsen ( de poolster + een naburige ster ). Men draait dan het retikel tot dit past. Bij een dergelijk type moet je de datum en het uur dus niet instellen.
Beide systemen zijn gelijkwaardig en zorgen voor een snelle en nauwkeurige poolafstelling. Om uiterst nauwkeurig te werken kan je zelfs rekening houden met de precessie van de aardas, waardoor de poolster elk jaar een klein beetje veschuift ten opzichte van de pool.

Wat bedoelen we met de 'montering' ?

Met 'montering' bedoelen we het deel van een kijker dat de kijkerbuis draagt en er voor zorgt dat deze in 2 assen kan draaien, zodat hij op elk punt van de sterrenhemel kan gericht worden. De montering wordt dan geplaatst op een (houten of aluminium) driepoot of op een zuil.
De montering van een telescoop is zeker zo belangrijk ( zoniet belangrijker ) dan de kijker zelf. Met een goede kijker, maar geplaatst op een gammele montering kan men weinig aanvangen. Eigenlijk is het een staaltje van precisie-mechaniek die moet instaan voor het soepele, trillingsvrije en spelingsvrije beweging van de kijker.
Een montering is ook veelal uitgerust met 1 of 2 motoren. De belangrijkste hiervan, de 'rechte klimming'-motor zorgt o.a. voor een draaiing van 1 omwenteling per 24 uur. Zonder motor op de montering verdwijnt een object immers vrij snel uit het beeld door de omwenteling van de aarde.
Qua type zijn er 2 categorieen monteringen :

Wat is 'starhopping' ?

Wanneer we met de telescoop een bepaald object gaan waarnemen, dan zullen we dat object in eerste instantie moeten opzoeken. Een veel gebruikte methode hiervoor is de zogenaamde 'starhopping'.
Starhopping gebeurt in de meeste gevallen met de zoeker, daar deze een voldoend groot beeldveld heeft ( circa 5 graden ). In ieder geval is een goede zoekkaart nodig. Eerst richt men de telescoop naar een heldere ( met het blote oog zichtbare ) ster, die in de buurt staat van het te zoeken object en die ook op de zoekkaart staat. Dit gebeurt meestal met de telrad. Daarna kijkt men door de zoeker. Wanneer men de sterren op de kaart hier herkent, springt men van ster tot ster, totdat men bij het object gekomen is.
Opm: Het is wel belangrijk de kaart in de juiste richting te houden. Daarom gaat men zich er eerst van vergewissen waar zich nu het N bevindt van het beeld in de zoeker. Hierbij kan men bvb de telescoop een weinig naar de poolster toe bewegen en dan zien in welke richting men gaat. Dat is dan het N. Vervolgens houdt men het N van de kaart in dezelfde richting.
Bij gebruik van een zenitprisma op de zoeker, moeten we gebruik maken van een kaart in spiegelbeeld. ( Al onze fiches uit onze Androlog mappen bevatten zoekkaarten die op een transparant zijn gedrukt. Men kan ze dus eenvoudig spiegelbeeld maken door ze om te keren ).
Starhoppen vraagt enige oefening, maar eens gekend gaat dit vrij snel om objecten met succes op te sporen. Bovendien is het de methode die je het meest plezier verschaft : je wandelt naar je object toe ( en wie weet kom je onderweg ook nog een verrassing tegen ).

Wat is een open sterrenhoop?

Open sterrenhopen zijn vrij losse en grillige verzamelingen van sterren. We treffen ze aan in de schijf ( de spiraalarmen ) van onze melkweg. Sterren worden geboren uit ( door de zwaartekracht ) samentrekkende wolken van waterstofgas. Op plaatsen in het heelal waar veel gas voorradig is, zoals in de armen van spiraalstelsels ontstaan er veel sterren. Het gevolg is dat sterren veelal in kleine of grote groepen samen ontstaan. Deze sterren zijn gravitationeel gebonden en trekken samen door het heelal.
Open sterrenhopen treft men in catalogi aan onder de afkorting OCL ( Open Cluster ). Er zijn open clusters in alle maten en gewichten, al dan niet geconcentreerd, met weinig of net met heel veel sterren. Open sterrenhopen worden ingedeeld volgens de 'Trumpler classificatie'. Deze bestaat uit een Romeins cijfer, een Arabisch cijfer en een letter, bijvoorbeeld 'II3p'.
In een amateurtelescoop zijn vele honderden prachtige open sterrenhopen te bewonderen.

Wat is een bolhoop?

Bolhopen zijn reusachtige, bolvormige verzamelingen van sterren. Gewoonlijk bevatten ze 500000 tot 2 miljoen sterren. In tegenstelling tot 'open sterrenhopen', die we aantreffen in de schijf van de melkweg ( de spiraalarmen ), houden bolhopen zich op in een grote halo rond de melkweg. Hun afstanden zijn dan ook vrij groot : 10000 tot 50000 lichtjaar. Ze bestaan vooral uit oude sterren ( populatie II ). Van op een zo grote afstand gezien lijken deze bolhopen enorm dens. Toch is de 'bevolkingsdichtheid' in de orde van 1 ster per kubiek lichtjaar.
De ene bolhoop is meer geconcentreerd dan de andere. Om dit aan te duiden gebruikt men de 'Shapley-Sawyer concentratie klasse'. Dit is een getal van 1 tot 12, waarbij 1 staat vor de meest geconcentreerde bolhoop. Bolhopen bewegen zich langzaam doorheen de halo en trekken hierbij soms dwars door de spiraalarmen heen.
In catalogi treffen we ze aan onder de afkorting GCL ( Globular Cluster ).
Met een amateurtelescoop zijn er zeker een 100-tal van deze bolhopen zeer goed te zien. Naargelang de opening kan men ze geheel of gedeeltelijk in sterren oplossen. In onze noordelijke hemisfeer is de bolhoop M13 zeker het 'showpiece'. Hij bevindt zich in het sterrenbeeld Hercules.

Wat is een planetaire nevel?

In tegenstelling tot wat de naam laat vermoeden, heeft een planetaire nevel helemaal niets te maken met planeten.
Vroeger, toen de telescopen nog niet waren wat ze nu zijn, maakte men reeds een onderscheid tussen sterren, die steeds puntvormig waren hoe sterk men ook vergrootte en planeten, die duidelijk het uitzicht van een schijfje hadden. Tevens trof men ook een aantal objecten aan die er uit zagen als wazige 'planeten', maar zich toch niet bewogen ten opzichte van de vaste sterren. Men noemde ze 'planetaire nevels'. Later is men gaan beseffen wat hun ware aard is, maar toch is de benaming 'planetaire nevel' blijven bestaan.
Een ster wordt geboren uit de samentrekking van stof en gas. Hierbij gaat de temperatuur stijgen. Wanneer tenslotte zowat 7 miljoen graden is bereikt start er een kernreactie, waarbij waterstof tot helium wordt samengesmolten. De ster komt tot ontbranding en de ster gaat stralen. Hierbij is er een evenwicht tussen de zwaartekracht ( die de ster wil laten inkrimpen ) en de kernenergie ( die de ster wil laten uitzetten ). De ster zit dan in een stabiele fase, die gedurende het grootste deel van haar leven wordt in stand gehouden.
Wanneer de kernbrandstof op is, komt de ster aan haar einde. Hoe de doodstrijd uiteindelijk zal verlopen hangt van van de initiele massa. Een ster met een initiele massa tussen 0,08x en 4x de massa van de zon ondergaat het volgende lot:
Wanneer de ster in haar kern waterstof tot helium omzet, neemt hierbij het aantal deeltjes in de kern af: immers, uit 8 deeltjes ( 4 protonen en 4 electronen ) blijven er 3 over ( 1 heliumkern en 2 electronen ). Hierdoor neemt de druk in de kern af. Bijgevolg is er onvoldoende druk om het gewicht van de bovenste lagen te dragen. Hierdoor neemt de zwaartekracht terug het heft in handen, zodat de kern krimpt. De temperatuur gaat hierdoor stijgen. De ster benut nu weer meer energie uit de zwaartekracht. Door kontakt met de kern wordt nu ook de omringende laag waterstof verhit. Wanneer deze laag ook een temperatuur van 7 miljoen graden heeft bereikt, begint hier ook al de omzetting van waterstof naar helium. De ster benut nu 2 energiebronnen : de zwaartekracht-energie (door samentrekking van de kern) en de kernenergie in de buitenste korst. Door deze 2 energiebronnen gaat de lichtsterkte toenemen. De kern slinkt en in de buitenste lagen wordt waterstof in helium omgezet. Hierdoor gaan de buitenste lagen uitzetten : de ster wordt een reuzenster: ze koelt af en wordt rood. Een ster in een dergelijk stadium noemt men een rode reus.
Ook onze zon zal dit lot ondergaan ( al hebben we nog zo een slordige 5 miljard jaar de tijd). Ze zal eerst Mercurius en Venus opslokken en dan opzwellen tot een diameter zo groot als de baan van de aarde, zodat ook deze zal worden geroosterd.
De ster heeft dan een kern ter grootte van de aarde en een plasma-omhulsel met een lage temperatuur en een lage dichtheid. Dit omhulsel maakt zich dan los van de kern en waaiert uit in de ruimte in enkele duizenden jaren.
De kern wordt een witte dwerg. Dit is een kleine, maar zeer dense hete ster. Het omhulsel dijt verder uit en vormt een planetaire nevel.
Een planetaire nevel is dus niets anders dan de zwanezang van een lichte ster.
In een amateurtelescoop zijn honderden planetaire nevels te zien in alle mogelijke vormen en kleuren. Soms zijn ringvormig en soms hebben ze een meer grillig uiterlijk. Sommige zijn vrij groot, andere zijn dan wel quasi 'stellair' en zijn zo klein dat ze nauwelijks te onderscheiden zijn van een ster. Om kleine planetaire nevels te vinden is een goede gedetailleerde sterrenkaart nodig.
Een hulpmiddel is ook het bebruik van een OIII-filter. Planetaire nevels stralen immers vooral in het licht van dubbel geioniseerde zuurstof (groen) en een dergelijk filter laat vooral licht door van deze golflengte.
De gekendste voorbeelden zijn de Ringnevel (M57) in de Lier en de Halternevel (M27) in Vulpecula.

Wat is "seeing" ?

Wanneer we met onze telescoop van op de aarde naar de sterrenhemel kijken, zitten we met grote handicap : we moeten dwars door de aardse atmosfeer kijken. Nu zijn er op verschillende hoogten in de atmosfeer steeds behoorlijke temperatuursverschillen. Dit maakt dat de lucht steeds in minder of meer mate onrustig is.
De turbulentie in de atmosfeer zorgt er voor dat onze beelden niet scherp zijn, maar voortdurend in beweging. Kijken we bijvoorbeeld naar de maan, dan zien we dat het maanoppervlak regelmatig op diverse plaatsen onscherp en dan weer scherper wordt. Het is alsof het maanlandschap op de bodem staat van een kokend meer. De ene nacht levert ook scherpere beelden op dan de andere.
Wat men de "seeing" noemt is dus een maat voor de luchtonrust. Vooral voor het waarnemen van oppervlakte-details op planeten en het scheiden van nauwe dubbelsterren is de seeing van groot belang. De seeing is ook het best in het zenit ( want dan moeten we door minder lucht kijken) dan dichter bij de horizon.
Nachten met uitstekende seeing zijn bij ons eerder zeldzaam. Het is afhankelijk van de luchtgesteldheid, maar ook van de geografische ligging. Over het algemeen geldt: hoe hoger hoe beter. Daarom plaatst men grote sterrenwachten dan ook op hoog gelegen gebieden. Ook de bodemgesteldheid is van belang : overdag warmt de zon de bodem op, en die warmte wordt 's nachts terug afgegeven, wat turbulentie tot gevolg heeft. Dit heeft vooral een effect op de 'lage' seeing, t.t.z. de luchtonrust tot enkele meters boven de grond. Ook warmte van nabijgelegen huizen en schoorstenen geven nogal eens wat luchtonrust waar we doorheen moeten kijken.
Opgelet : verwar de "seeing" niet met "transparantie". Transparantie heeft meer te maken met de aanwezigheid van lichte bewolking, mist of vocht in de lucht. Bij een goede transparantie zien we veel sterren. Dat wil echter daarom nog niet zeggen dat de seeing goed is. Fonkelende sterren zijn een teken van slechte seeing. Het 'fonkelen' heeft immers alleen te maken met de luchtonrust.
Om scherpe maan- of planeetfoto's te maken moeten we de momenten van goede seeing afwachten. Dit verschilt niet alleen van nacht tot nacht, maar ook van uur tot uur, zelfs van seconde tot seconde op een bepaalde plek aan de sterrenhemel. Vele amateurs maken dan ook reeksen van tientallen of honderden foto's na elkaar ( bvb met een webcam ), om nadien de scherpste er uit te selecteren en deze samen te voegen tot 1 beeld.

Wat is "perifeer waarnemen" ?

Perifeer waarnemen is een truk die veel toegepast wordt bij visueel waarnemen met de telescoop, vooral dan bij zwakke 'deep sky' objecten zoals melkwegstelsels, open clusters, bolhopen, planetaire nevels en gasnevels.
Sommige van deze objecten zijn erg zwak en zijn nauwelijks van de achtergrond te onderscheiden.
Het netvlies van ons oog bevat 2 soorten lichtgevoelige cellen : Wanneer er weinig licht voorhanden is, zijn het dus voornamelijk de staafjes die ons een beeld verschaffen. Wanneer we nu direct naar een object kijken, dan valt er een groot gedeelte van het (schaarse) licht op de kegeltjes. Dat is spijtig, want de kegeltjes zijn niet gevoelig genoeg voor dit zwakke licht. Kijken we nu echter een beetje "naast" het object, dan valt er meer licht op de staafjes, die veel gevoeliger zijn. Gevolg : we zien het object helderder en duidelijker! Dit vergt wel enige oefening.
Sommige objecten zijn zo zwak dat je ze alleen door "perifeer waarnemen" kunt onderscheiden.
Sterren leveren doorgaans ( wanneer ze niet te zwak zijn ) min of meer voldoende licht op voor onze kegeltjes, zodat we een zekere kleur kunnen onderscheiden in de telescoop. Zo zien we rode, blauwe, groene, witte of gele sterren ( naargelang hun temperatuur ). Dubbelsterren met een groot kleurcontrast zijn dan ook een lust voor het oog ( zoals bvb de ster Albireo in Cygnus : een gele en een blauwe ster ).

Wat is het nachtzicht ?

Het nachtzicht is de mogelijkheid om dingen te onderscheiden in het donker. Dit hangt af van de grootte van de oogpupil. Wanneer we in het duister komen zal de pupil van ons oog automatisch vergroten. De eerste minuut gaat dit vrij snel, maar daarna gaat de aanpassing wat langzamer. We kunnen stellen dat het oog maximaal aan de duisternis aangepast is na ongeveer 30 minuten.
Wanneer we door de telescoop naar zwakke deep sky objecten speuren, gebeurt dit dus best met een maximaal aangepast oog.
Het nachtzicht is echter veel sneller verstoord dan dat het wordt opgebouwd. Wanneer je tijdens een waarnemingsessie even naar binnen gaat in het volle licht, is je nachtzicht nagenoeg volledig verloren en moet je het opnieuw opbouwen. Het is dus belangrijk je nachtzicht zoveel mogelijk te bewaren.
Enkele zaken zijn hier belangrijk:

Hoeveel vergroot die telescoop ?

Dit is een vraag die helaas door veel mensen nogal eens wordt gesteld. De vraag is wel eigenaardig, want het doel van een telescoop is niet zozeer om te 'vergroten', maar wel om zoveel mogelijk licht te verzamelen.
Bij maximale aanpassing van ons oog aan het donker, heeft de pupil in de beste omstandigheden een maximale diameter van 8 mm. Dat is dus wel een relatief klein gaatje om licht op te vangen. Beschouwen we nu een telescoop van 20cm diameter en bekijken we de verhouding van de beide oppervlakten, dan zien we dat deze telescoop zowat 625 keer meer licht opvangt dan ons blote oog. En daar is het hem nu precies om te doen.
De belangrijkste eigenschap van een telescoop is dus zijn diameter. Hoe 'dikker', hoe meer licht hij zal opvangen.
Een andere belangrijke eigenschap is zijn (primaire) brandpuntsafstand. De hoofdspiegel (of lens) van de telescoop bundelt het licht tot in het brandvlak, waar er een klein geconcentreerd beeldje ontstaat van het object. Dit beeldje wordt dan bekenen met een soort loupe: het "oculair".
De vergroting wordt simpelweg berekend door de brandpuntsafstand van de kijker te delen door die van het oculair. Nemen we bijvoorbeeld een kijker met een brandpuntsafstand van 1 meter (1000mm) en plaatsen we hierop een oculair met een brandpuntsafstand van 20mm, dan levert dit een vergroting op van 50 maal.
Een amateur beschikt gewoonlijk over een reeks oculairen met verschillende brandpuntsafstanden, zodat er verschillende vergrotingen, meestal gaande van 50x tot 300x kunnen worden bekomen.
Het heeft geen zin om te veel te gaan vergroten. Het beeld van het object wordt dan wel groter, maar onscherper en zwakker. Bovendien wordt het beeldveld ( het stukje dat we van de hemel zien ) veel kleiner. In de praktijk zegt de regel dat we nooit meer gaan vergroten dan de diameter van de telescoop in mm vermenigvuldigd met 1,5. Voor een 200mm telescoop gaan we dus niet meer dan 300x vergroten. Bij het opzoeken van een object beginnen we dan ook steeds met de kleinst mogelijke vergroting ( zo groot mogelijk beeldveld). Nadien kunnen we dan eventueel verder uitvergroten indien nodig.
Een en ander hangt ook af van het soort object dat wordt waargenomen :

Wat is een oculair ?

Het oculair is het optisch onderdeel dat in de focusseerinrichting van de' telescoop wordt geschoven en waar je in kijkt. De hoofdspiegel ( of lens ) van de kijker bundelt de lichtstralen tot in het brandvlak, waar er een klein beeldje van het object wordt gevormd. Het oculair is in feite een soort loupe waarmee we naar dit beeldje kijken.
Er bestaan veel soorten oculairen met uiteenlopende eigenschappen. De voornaamste eigenschappen van een oculair zijn : Oculairen zijn steeds samengesteld uit meerdere lenzen. Dit varieert van 2 ( bij de eenvoudigste types ) tot meer dan 10 ( bij complexere types ).
Er bestaan veel verschillende types oculairen zoals : Huygens (H), Huygens-Mittenzwey (HM), Ramsden (R), Kellner (K), Orthoscopisch (OR) , Plossl (PL) , Erfle (E), LV ( Lanthanum Vixen ), Nagler (N) enz ...
De eerste 3 zijn eenvoudige types die slechts bestaan uit 2 lenzen. Deze zijn wel geschikt voor bvb zonneprojectie, maar bieden verder weinig kwaliteit. Orthoscopische en Plossl oculairen zijn een goed compromis tussen kwaliteit en kostprijs. Nagler oculairen zijn het neusje van de zalm maar zijn erg duur.

Wat is de 'maanillusie' ?

Wanneer de maan net boven de horizon staat lijkt ze veel groter dan wanneer ze hoog aan de hemel staat. Dit is echter een 'gezichtsbedrog' en wordt de 'maanillusie' genoemd. Dicht bij de horizon is de maan zelfs iets kleiner, want : Je kan een eenvoudige proef doen om aan te tonen dat de maan zeker even groot is wanneer ze hoger aan de hemel staat. Neem een schuifmaat en hou deze op armafstand. Wanneer de (volle) maan net is opgekomen regel je de schuifmaat tot ze er net in past. Leg nu de schuifmaat weg, zonder ze te verschuiven. Enkele uren later, wanneer de maan het hoogst staat, meet je opnieuw. Daar is het bewijs!
Hoe komt het dan dat de maan aan de horizon groter lijkt? Een en ander heeft te maken met de manier waarop onze hersenen beelden interpreteren. Sinds het ontstaan van mensen op onze planeet hebben onze hersenen geleerd informatie van onze ogen te bewerken met 1 doel voor ogen: overleven. Daarom is het nodig om afstanden en de grootte van de dingen rondom ons goed te kunnen inschatten.
Zo hebben we bvb geleerd dat dingen kleiner worden naarmate ze verder van ons af staan ( de perspectief ). Wanneer we een olifant in de verte zien staan, 'weten' we dat dit geen minidiertje is, ook al zien onze ogen het veel kleiner. Een kerk in de verte zien we klein, maar we 'kennen' dit voorwerp en de grootte ervan. Onze hersenen besluiten hieruit : de kerk staat 'ver'. Nu is het zo dat dit inschattingsvermogen goed werkt voor gekende voorwerpen en voor niet al te extravagante afstanden. Dingen worden gewoonlijk kleiner naarmate ze dichter bij de horizon ( lees: 'verder') staan.
De maan is echter een buitenbeentje : ze staat achter een kerk aan de horizon, dus staat ze nog verder. Bovendien is de maan vrij groot ( beslaat een halve graad aan de hemel ). De hersenen vergelijken automatisch de maan met gekende dingen waarachter ze zich aftekent. Ons schattingssysteem is echter niet berekend op dingen die 380000 km ver verwijderd staan. Ergens in ons brein gaat een lichtje "zeer groot" branden. Veel te groot.
Wanneer de maan hoger klimt blijft ze even groot, maar ze verwijdert zich van de horizon. Bovendien valt de directe vergelijking met gekende dingen zoals kerktorens en gebouwen weg. De maanillusie wordt dan kleiner en we gaan de maan meer objectief inschatten. Op zee, waar er geen vergelijkende voorwerpen aan de horizon te zien zijn, is de maanillusie ook veel kleiner.

Wat is de 'lichtpollutie' ?

Wanneer we 's nachts in een donkere omgeving ( bij nieuwe maan ) naar de sterrenhemel kijken, zouden we met het blote oog zowat 3000 sterren moeten kunnen zien. Bij ons in Vlaanderen en Nederland is dat helaas niet het geval: in de meeste gevallen zien we er met moeite slechts 300!
In onze streken is de grote boosdoener de lichtvervuiling. Deze is afkomstig van de overmatige en meestal erg verspillende verlichting : zeer sterke verlichting van de wegen, schijnwerpers op monumenten en kerken, lichtreklames enz. Veel van deze verlichting komt niet terecht waar ze zou moeten en wordt verstrooid in de atmosfeer. Het vele licht weerkaatst immers op de aanwezige vocht- en stofdeeltjes in de lucht. Hierdoor is de hemelachtergrond niet meer zwart maar grijs of oranje.
In feite hebben we ook wat pech, want is onze streken is de lucht veelal wat vochtig zodat het strooilicht dubbel zo veel effect heeft dan in een drogere streek. In tegenstelling tot problemen zoals luchtpollutie en waterpollutie, is er op het gebied van lichtpollutie nauwelijks wat gedaan, wel integendeel. Het probleem wordt met het verstrijken van de jaren steeds maar erger. Dit heeft er onder andere voor gezorgd dat er op professioneel vlak in onze streken nog nauwelijks kan waargenomen worden. Wanneer we zowat 40 jaar geleden naar de sterrenhemel keken was de melkweg bij ons in de meeste gevallen nog goed zichtbaar. Dat is echter reeds lang niet meer het geval ( op een paar uitzonderingen na ).
De overmatige verlichting steunt in de meeste gevallen op een aantal hardnekkige misverstanden:
Hoe dan ook, we hebben niets tegen de verlichting van de wegen, als deze maar oordeelkundig wordt uitgevoerd. Het grootste probleem situeert zich echter bij de 'armaturen' die er moeten voor zorgen dat het licht op de juiste plaats terechtkomt. Immers:
Wat kunnen we doen? Helaas vrij weinig, maar alles helpt :