Dag allemaal,
Hier volgen een paar nieuwtjes uit Moskou. Dit verslag staat waarschijnlijk vol spelfouten; het is dan ook niet gemakkelijk werken met een Russisch toetsenbord.
Na twee weken en drie weekeindes zit ik nog altijd in Moskou. Wat eerst een aangename ervaring moest zijn begint langzaam een nachtmerrie te worden, want de laatste tijd is me niet veel goeds overkomen.
Het begon nochtans allemaal goed. Ik was op weg naar Oostende om daar het vrachtvliegtuig te nemen om mijn hebben en houden naar Moskou te brengen. Onderweg passeerde ik nog even bij Steph in Laarne voor een laatste Belgische barbecue, voordat ik op shasliks en andere Russische lekkernijen over zou schakelen. Nog een kleine een tussenstop op de ‘gentse fieste’ en vandaar naar het vliegveld. Met gepaste Russische stiptheid (?) wordt ik opgewacht door een Antonov-12, waarvan de bemanning mij met trots vermeld dat hij in 1957 gebouwd is. Bijna nieuw dus...
Eens dat de cargo geladen was, hoefde alleen mijn moter er nog bij. Dus, enkele kisten uit het vliegtuig, en de moter er bij op. Maar toen de verantwoordelijke voor de ‘fret’ de volledige lading wilde opladen en niets in Belgie wilde laten, laat de bemanning zien hoe vindingrijk en technisch ze wel niet zijn (hoewel...). De oplossing was heel eenvoudig: Ze haalden de achterdeuren van het vliegtuig af (ieder 6m bij 2m). Vervolgens proppen ze de kist vol met palletten tot er niets meer bij kan. En dan, om 9 uur zetten ze de deuren weer terug op het vliegtuig. En ja, reeds op de tarmac van Oostende voel ik me al een beetje in Rusland.
Met drie uur vertraging vertrekt het vliegtuig eindelijk. Maar lap, het is een valse start... een van de deuren is slecht vastgezet, en we lopen het risico onderweg een paar paletten te verliezen (ofwel mijn moter). Goed, wij terug klaar om te vertrekken, de bemanning is gestresst onder de vermaningen van de luchthavenauthoriteiten van Oostende, maar uiteindelijk vertrekken we dan...
Wij installeren ons in de cabine in een ‘schoon’ ingericht compartiment, waar tapijten aan de wanden van het vliegtuig hangen. De bemanning is heel vriendelijk, en de commandant stelt dat ik op de plaats van de co-piloot kom zitten, en begint me uit te leggen hoe de kist werkt en dat het een reputatie van beton heeft. Nadat hij alle knopjes en schakelaartjes heeft beschreven, doet hij me teken om de knuppel in handen te nemen. Omdat ik zag dat het lichtje van de ‘afto-pilot’ brandde, deed ik wat hij vroeg zonder tegen te sputteren. Trots als Icarus vlieg ik over de Oost-Russische vlakten, tot de commandant het ‘afto-pilot’ lichtje uitdeed. Mijn handen verkrampen, net als mijn lach. De piloot (de echte) doet me teken om de knuppel naar me toe te trekken, en de altimeter begint te stijden. Daarna doet hij me teken om lichtjes naar links te gaan om een storm te ontwijken. Ik vraag hem snel om zelf zijn spoetnik terug te besturen: `Ja pilot mototsikel, Ti pilot samaliot (plane)`. Je kunt je maar best niet vergissen.
Uiteindelijk komen we op de cargo terminal van Sheremetievo 1 aan, niet om zeven uur, maar na middernacht. En er was geen platform om de moter uit te laden. Zonder al te veel vertrouwen in het procede, slaag ik er toch in met een paar houten planken de moter uit het vliegtuig te rijden. Maar ik kan onmogelijk met de moter op weg, na veelvuldig discussieren moet mijn moter in het duistere ‘sklad’ (depot) blijven. Om half vier ’s ochtends, nadat Valia, een charmante vriendin (van vrienden bij wie ik in Moskou blijf) mij een welkomst-‘chai’ (thee) heeft aangeboden, sluit ik mijn ogen na een toch al goed gevulde dag.
De volgende dag is een mooie zomerdag. Omdat ik mijn moter toch niet voor maandag kan terug krijgen, ga ik wandelen in het ‘Sokolniki’ park in de buurt met Valia en Pavel, haar zoon van 8 jaar. ’s Avonds heb ik het genot om Mike, een Belgische vriend, die ik al twee jaar niet meer gezien had, terug te zien.
Op maandag vertrek ik vol enthousiasme en hoop om mijn mooie moter in het depot terug te vinden. Zonder ook maar iets te vragen aan de ‘agrodni’ (bewaker), die me toch de toegang geweigerd zou hebben, ga ik kijken naar waar mijn moter de nacht heeft doorgebracht. Wat een opluchting toen ik haar zag en om te weten dan niemand hem had ‘geleend’.
Een Zwitserse douanier zou hier zonder problemen de Nobelprijs voor de vriendelijkheid winnen. Ondanks dat ik al mijn transportdocumenten en ook die voor de moter laat zien, wordt ik uitgebreid genegeerd, of zeggen ze ‘Een ogenblik’. Ik ga van bureau naar bureau, en wordt van hier naar daar gestuurd. Marie, een charmante Russische die juist haar studies in Parijs heeft voltooid, bied haar hulp aan. Zij probeert ook, tevergeefs, haar bagage te recuperen. Uiteindelijk kom ik te weten dat ik me op de ‘tamozhnie post’ (douanekantoor) van Dobra Lubovsky moet melden, wat zich niet op het vliegveld bevindt, maar ten noorden van Moskou, op zo’n 40 km afstand. Het was al te laat om daar die dag nog naar toe te gaan.
De volgende dag wordt ik vergezeld door Irina, de directie-assistente van SOS Kinderdorpen Rusland. De directeur van het ‘tamozhnie’ is charmant. Wat een verrassing. Hij maakt voor ons een kopie* van de wetsteksten die bevestigen dat de moter beschouwd moet worden als persoonlijk transportmiddel, en niet als een geimporteerd goed, waarop importrechten, BTW, etc. van toepassing zijn. (* Hoewel het woord ‘kopia’ steeds meer gebruikt wordt, hebben velen het nog over ‘xerox’, dat een van de eerste merken van kopieermachines toen de Russische markt geopend werd.
Terug bij het ‘tamozhnie post’ van het vliegtuig verzamel ik mijn 30 eerste brieven, een honderdtal ‘schtamp’ (stempels) en een zelfde aantal handtekeningen, zonder nog alle ‘propusk’ te tellen (een
Pasje om de verschillende gebouwen van Sheremetevo 1 in- en uit te kunnen.
Irina ontdekt tot haar afgrijzen hoe zwaar en veeleisend de administratie is, maar gelukkig is zij een vechter met een karakter van roestvrij staal. ’s Avonds komen we op krachten en hernieuwen wij onze moed in een klein restaurantje in Moskou.
Woensdag is de derde etappe op mijn kruistocht waarvan ik nog niet weet niet hoe lang die gaat worden... Het is ontzettend frustrerend om iedere keer weer een nieuwe procedure te beginnen, zonder te weten waar ik ermee uit ga komen, of dat het de laatste zal zijn...
We moeten langs ontelbare bureaus passeren, en overal moeten we in de rij wachten en een ‘propusk’ verkrijgen. En het heeft geen zin om te vragen om in een keer alle benodigde stempels en handtekeningen te zetten. Nee, we moeten van de ene naar de ander plaats gaan (afstanden van 100 m tot 40 km) om nieuwe stempels te krijgen, voordat we de laatste stempels van de eerste beambte kunnen krijgen. Hier is Kafka voorbijgestreefd, het loopt hier over van absoluut absurdisme. Nadat we al meer dan een uur in het bureau van de directeur van het douanekantoor van Sheremetievo 1 hadden zitten wachten, vraag ik, om het surrealisme te vervolmaken, Irina ten dans, op de tonen van de muziek die de secretaris had opgezet. De snelle en overhaaste komst van de directeur weerhield ons van de dans.
De dag werd dan toch nog positief afgesloten. Ik moet me morgen nog een laatste maal op het kantoor melden om een laatste stempel te krijgen en betalen voor een ‘douane-assistentie’, om mijn moter uit de gierige klauwen van de moskovitische douane te halen, zodat ik mer ermee, vergezeld door een dounier, naar in inschrijvingsbureau (verplicht) kan begeven. Een formaliteit!
Die avond spreek ik af met mijn vriend JC, en eten wij als twee kameraden onder elkaar.
De vierde etappe op mijn kruistocht. In plaats van een ‘inspektor’ is het uiteindelijk Valery, een jonge ‘agrodni’ die een tiental Engelse woorden kent die me verder ‘helpt’. Wat een formaliteit moest worden is weer een eindeloze verzameling brieven en handtekeningen.
Tegen 15.30 u kondigt hij trots aan dat we kunnen vertrekken. Als we bij het ‘sklad’ aankomen, spoed een douane-officier zich naar ons toe, en laat weten dat er een ‘balchoi’ (=groot) problem’ is.
Op de invoerdocumenten blijken de reservebanden die op de moter bevestigd zitten niet vermeld te zijn. Ik kan wel mooi uitleggen aan de douanier dat wanneer je een voertuig invoert, dat je niet apart de reservebanden of de EHBO-doos aangeeft, maar hij wil niet luisteren: Alles moet worden aangegeven. Dus, nieuwe brieven, stempels, etc. Ik ben ten eide raad. Valery probeert de officier van de absurditeit van de situatie te overtuigen. Niets aan te veranderen, ik heb nieuwe documenten nodig. Valery neemt zijn taak als assistent serieus, en rent van hier naar daar om die verdomde documenten bijeen te krijgen (ja, ik weet het, ’t is een lang verhaal, maar ik ben ’t ook zat).
Om 17.00 u gaat Valery bij mij achter op de moter zitten om naar het inschrijvingsbureau te gaan. Er breekt een serieuze storm los. Hij besluit zijn auto te nemen, en ik moet volgen. We zitten vast in de gigantische files. In 45 minuten hebben nog maar een derde van onze weg afgelegt. Valery besluit om terug te keren, omdat we toch al te laat zijn.
Volledig ontmoedigd gaan we nog maar eens terug naar ons beginpunt, het douanekantoor van Shermetievo 1. Valery stelt voor om een kop thee te drinken in het prive-gedeelte van het kleine wachthuis, een vertrek van 12 m2 met een oude slaapbank, een klein smerig keukentje, een tafel aan de muur, en bovenal, een enorme stank. Omdat ik nog helemaal niks had gegeten, haalt Valery wat ‘pelmenis’ (Russische ravioli) voor mij in de ‘pradukti magazine’ (een soort kiosk) dat op zo’n honderd meter van het kantoor ligt, terwijl een van zijn collega’s glazen en kopjes op tafel zet, en een fles wodka opent. Valery en zijn collega zijn vriendelijk zonder weerga. Mijn kwelgeesten laten hun ware aard zien, en het Stockholm-syndroom slaat toe. Na verschillende glazen, een voorlaatste, een laatste, en een voor op weg, verlaat ik mijn bewakers en ga ik terug naar het apartement.
De vijfde (en hopelijk laatste) dag van mijn kruistocht. Ik neem eerst de metro, en daarna de taxi naar het vliegtuig, en ik geloof werkelijk in mijn kansen om nu voor eens en voor altijd deze problemen op te lossen, en dat ik eindelijk dit weekeinde aan mijn echte reis kan beginnen.
Wanneer ik om negen uur op het vliegveld aankom, vertelt Valery mij dat de documenten van de dag ervoor niet meer geldig zijn, en dat ze op de de datum van vandaag gezet moeten worden. Wij zuchten eens diep, en twee uur later zijn we dan toch op weg naar het inschrijvingsbureau van Butova. Maar een uur later krijgen we een koude douche. Ik heb mijn moter nog maar net op de parking van het bureau gezet, of het zware hek wordt gesloten, wat me maar al te zeer doet denken aan de poorten van de sklad van Sheremetievo. Hou lang zou het deze keer duren. Valery, die de dag ervoor al overuren had gedraaid, laat me in het begin van de middag achter. Irina schiet, als een beschermengel, opnieuw te hulp. En we zijn weer onderweg. Documenten, handtekeningen, stempels overal, zonder dat iemand kan uitleggen waarom en waarvoor.
Uiteindelijk moeten wij ons weer wenden tot de chef van het douanekantoor. Hij laat me weten dat ik mijn paspoort had moeten registreren, omdat ik al een week in Moskou ben. Oorspronkelijk had ik voorzien om mijn paspoort in te schrijven in een hotel onderweg of een paar dagen na mijn aankomst, maar ik heb dit niet kunnen doen vanwege de problemen met de ‘tamozhnie’.
Hij stelt me voor een moeilijke keuze: ofwel lost hij de problemen met mijn moter op, ofewl kom ik terug als het probleem met de inschrijving van mijn paspoort is geregeld. Moe als ik ben van de beproevende week, heb ik besloten om eerst mijn moter af te handelen. Ik zie later wel wat mij betreft. Om vijf uur verlaten we het kantoor van Butova... op de moter!!! We hadden eindelijk gewonnen!!! Irina had nog nooit op een moter gezeten, en vreesde het ergste, maar na een paar kilometer, begon ze al best wel plezier te krijgen in de versnellingen en de bochten
Omdat ik geen enkel risico wilde nemen, breng ik mijn geliefkoosde moter die avond nog naar een officiele BMW dealer, de veiligste plaats volgens mij. Ik plaats mijn moter tussen nieuwe modellen uit de 6 en 7 serie, een paar collector’s wagens en een Ferrari F50. Te midden van deze juweeltjes was mijn BMW natuurlijk een mindere godheid. Maar mij kan dat niet schelen!
Op maandag zou ik het contract voor de verzekering tekenen, zodat ik eindelijk on vertrekken. In het weekeinde moest ik echter eerst nog een foto hebben van de moter op het Rode Plein voor de Sint-Pietersbasiliek, dat symbool is voor de Russische hoofdstad. Wat iets plezierigs had moeten worden, is opnieuw uitgelopen op surrealisme. Terwijl ik mijn fototoestel bovenhaalde om dit moment in gezelschap van Russische en Belgische vrienden vast te leggen, kwam een man in burger op mij af, die me met een ‘charmante’ toon vertelde om zo snel mogelijk op te hoepelen. Ik leg hem nog vriendelijk en dringend uit waarom ik de foto wil nemen, en dat het voor SOS Kinderdorp is, maar de grappenmaker, met een grijns als een Putin op een Russische feestdag, weigert hardnekkig.
We zetten mijn moter een paar meter verder, in de straat over de lengte van het Rode Plein, en drie politie-auto’s komen aangereden. Ik wordt door 9 (!) agenten omringd – als een Al Capone in Moskou. Ik had mijn moter nog geen 24 uur terug, en hij zou al weer in beslag genomen worden. Mij werd gevraagd om de heren te volgen naar Lubianka, het hoofdkwartier van de KGB, vandaag FSB genoemd! Daar lachen ze niet om een fotootje. Mike en ik barsten in lachen uit wanner ik voorstel om een foto van dit gedenkwaardige moment te nemen. Dat was een grote fout, daar werden ze niet echt behulpzamer van – ‘Er valt helemaal niets te lachen’, zo verduidelijkte een FSB vertegenwoordiger mij. I vrees het ergste.
Nog maar een keer brengt mijn beschermgengel Irina redding; met veel geduld en vasthoudendheid onderhandelt zij over mijn ‘vrijlating’.
Om al deze anecdotes en kwellingen van een reis die maar niet wil beginnen, achter ons te laten, hebben wij een goed feest gehad in een Georgiaans restaurant.
Maandag gaat voorbij, en terwijl ik erop rekende om op weg te gaan nadat ik voor mijn verzekering getekend zou hebben, wat al geregeld was voor mijn vertrek in Belgie, verneem ik dat het bedrijf dat mij zou verzekeren, van mening was veranderd, omdat de moter in Belgie was ingeschreven. En geen Russische registratie, geen diefstalverzekering. En alles kon weer van voren af aan beginnen. Omdat de minimale diefstalverzekering voor zes maanden geldig is, moet ik mijn visum voor dezelfde periode regelen. Maar ik reken er op 2 of 3 maanden te blijven, dus heeft het geen zin mij in te schrijven voor zes maanden. Hetzelfde voor de moter. Door toeval ga ik de inschrijving deze vrijdag de dertiende (oei, oei) augustus krijgen. Het vertrok is op zijn vroegst voorzien voor het volgende weekeinde.
Conclusies van deze twee weken in Moskou:
1. Het systeem in Rusland is nog altijd het zelfde, en is nog even bureaucratisch als 10 jaar geleden.
Door mijn werk kon ik rekenen op plaatselijke contacten om allerhande administratieve problemen op te lossen, maar ik geloofde – naief als ik was – dat als je alle nodige documenten hebt (voorbereid in Belgie), dat het een formaliteit zou zijn om de moter terug te krijgen en te verzekeren.
Oppervlakkig gezien evolueert Rusland in hoogste versnelling, maar van binnen blijf het verrot
2. Men kan zich het beste goed voor bereiden, en advies inwinnen bij specialisten, mensen contacteren die ervaring hebben met deze zaken om je informatie te controleren. Rusland blijft wat ze altijd al is geweest:
Onvoorspelbaar. Het juridisch systeem is byzonder ingewikkeld en veranderlijk als de wind.
`Never give up`est is meer dan ooit mijn motto. Dit projekt MOET en ZAL binnenkort van start gaan.
Binnenkort meer (positief) nieuws!!!
Philippe





