Eerste geschreven vermeldingen van plaatsnamen uit de omgeving van het Houtland
1. Torhout was Turholtensis in 't jaar 650 en in 743; werd Thurholt in 't jaar
834 en Turholt in 865
2. Roksem 745
3. Westkerke 770 1021
4. Werken 828 1135
5. Koekelare was Coclars in 847 en in 1106
6. Oudenburg 866 988
7. Zerkegem 867
8. Ettelgem 877 1021
9. Aartrijke was Artiracum in de jaren 902 893-903 1089 1108
10. Snellegem was Snethlineghem in 941 en 942
11. Esen was Esna in 961
12. Zarren was Sarra in 961
13. Ruddervoorde was Ridervorda in 961
14. Keiem was Clehiham in 972 en ook nog in 1203
15. Gistel 988
16. Jabbeke 988
17. Leffinge 988
18. Vlissegem 988
19. Vladslo 992
20. Ichtegem was Hettingeem in 1026; Hedingehem in 1107
21. Houthulst 1030
22. Pervijze 1063
23. Zedelgem was Sillenghem in 1080
24. Handzame 1085 1183 1185
25. Kortemark Markam/Merch? 1063 1085 1155
26. Wijnedale 1093 ?
27. Bekegem Bekenghem 1107 1180 1227
28. Diksmuide 1115
29. Snaaskerke 1119
30. Eernegem was Ernigaham in 1087 en in 1119
31. Bovekerke 1119
32. Beerst 1161
33. Leke 1187
34. Lichtervelde 1127 1197
35. Edewalle 1274
36. Pereboom 1370
37. Markhove 1388
38. Schuddebeurze 1705
39. De Mokker 1804
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
OVERZICHTSKAART - WEST VLAANDEREN anno 1571

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Franstalige immigratie in de dekenij Torhout (1639 - 1663)
--------------------------------------------------------------------------------
In de geschriften van een paar Torhoutse dekens vinden we enkele korte, maar belangwekkende mededelingen over Franstalige inwijkelingen in hun district. Deze gegevens wijzen erop dat de herbevolking van onze door de godsdiensttroebelen geruïneerde en ontvolkte streek voor een niet onbelangrijk deel geschiedde door inwijkelingen uit Franstalige gebieden.
De parochie met de meeste Franstalige immigranten in de hele dekenij was Ichtegem. Deken Smidts schreef in zijn visitatieverslag anno 1639-1640 :
Een grote menigte van vreemdelingen uit Artesië en andere streken kwamen
zich op deze parochie vestigen, vooral naast het bos van Wijnendale, zonder
dat er een onderzoek wordt gedaan naar hun voorafgaand leven of naar het vereiste
getuigschrift.
Het gebied waar deze Franstaligen zich vestigden is de wijk Wijnendalekapelle
en de Eremietshoek, het zuidelijk gedeelte van de Ichtegemse parochie, dat in
de ommeloper van 1699 ook Artoys wordt genoemd. In sommige andere parochies
spreekt Smidts enkel over meerdere vreemdelingen, bv. te Aartrijke :
Verscheidene vreemdelingen kwamen naar deze parochie en vestigden er hun verblijfplaats
zonder het vereiste getuigschrift.
Voor Torhout en Wingene vermeldt deken Smidts het bestaan van een Franse school.
Voor Torhout schrijft hij:
Joannes Courtois houdt daar een Franse school open. Hij heeft in het bisdom
Gent de geloofsbelijdenis afgelegd, maar heeft hier geen toelating vanwege de
bisschop.
Dat er in Torhout Franstalige inwijkelingen waren, weten we uit andere bronnen.
In 1621 krijgt de pastoor van Torhout, die geen Frans kent, vanwege het bisdom
de machtiging om de pastoors van Lichtervelde, Zedelgem en Aartrijke of één
van hen te vragen om in zijn parochie de biecht te komen horen van de Franstaligen,
die er talrijk zijn.
Van de opvolger van Smidts als deken van Torhout, Willem van Houcke, is een visitatieverslag uit 1644 bewaard. In Aartrijke
... drukt hij de hoofdman op het hart om ijveriger het edict over de vreemdelingen
te onderhouden.
In Zedelgem luidt het :
... de pastoor wordt door zijn parochianen bemind, maar de hoofdman verlangt
dat hij niet zo gemakkelijk zou zijn om aan de vreemdelingen toe te laten er
hun verblijfplaats te vestigen.
Ook Jacob van Gerensdael, de opvolger van van Houcke, laat in 1663 een merkwaardige
mededeling over Ichtegem na. Over Stefaan Kerckhove, pastoor van Ichtegem van
Brugse afkomst sedert 16 augustus 1651 schrijft hij:
De pastoor van Ichtegem heeft in zijn parochie ongeveer driehonderd Walen wonen,
van wie weinigen in het Vlaams kunnen biechten. Daarom placht hij herhaaldelijk
de pastoor van Koekelare voor de zieken op te roepen. Deze pastoor heeft er
zich bij mij over beklaagd dat de eigen pastoor van Ichtegem hem niet eens had
bedankt voor al dat werk. Nu echter erkent hij dat hem op bevel van de oversten
verlichting (lees : een financiële vergoeding) is geworden.
Ichtegem telde anno 1639-40 en 1651 700 communicanten, d.w..z. ongeveer 1050
inwoners. Zo vormden deze 300 Walen alleszins een belangrijk deel van de Ichtegemse
bevolking. Dat er in Ichtegem, na 1651, nog zoveel Vlaamsonkundige Walen woonden,
komt wellicht door het feit dat ze samen woonden in het meer afgezonderd zuidelijk
gedeelte van de parochie en zo een op zichzelf gerichte gemeenschap vormden.
(uit J. POLLET, Torhoutse deken over Franstalige immigranten in hun dekanaat 1639-1663, -Biekorf, LXXXVI (1986), p. 340-343)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Actieve ketterse kern te Eernegem (1683)
Theodoor de Donckere, pastoor van Eernegem, schreef in 1683 een brief aan de
officiaal van het bisdom Brugge over enkele ketterse inwoners:
Ik heb u onlangs laten weten hoe twintig jaar geleden enige geusgezinden in
onze parochie verbleven. ... Deze zaak werd opgelost nadat de leider en opstoker
door een vonnis uit het land werd verbannen en met een wit kleed op de Brugse
Burgplein moest verschijnen. De meeste personen waren inwoners van deze parochie.
Dat venijn steekt nu opnieuw de kop op. Daartegen wil ik volgens mijn ambt optreden.
Ik heb hen verscheidene keren daarover vermaand en hen de kerkelijke boeten
voorgesteld, die door het Concilie van Trente werden bepaald. Verder heb ik
door dreigementen zoveel bekomen dat ik al enige geusgezinde boeken en catechismussen
in handen heb gekregen en omdat ik meer op zoek ga uit vrees voor opspraak dan
uit verachting voor deze boeken heb ik dezelfde personen na vele vriendelijke
vermaningen (bij mij) laten dagvaarden, maar sommigen blijven nog steeds zeer
hardnekkig. Dezen zijn zeker verdacht (van ketterij). Hen wil ik door deze brief
bij de heer officiaal aanklagen : ik vraag hem daarin te voorzien om een voorbeeld
voor de anderen te stellen.
Ten eerste is er een zekere Pieter Minnaert die mij weigert de boeken te overhandigen
en ontkent er enige te bezitten. Toch geeft hij toe er enkele ontleend te hebben
drie à vier jaar geleden.
Voorts een zekere Pieter Van Dijcke, die ik eveneens tegen vrijdag 18 juli heb
laten dagvaarden.Na ontvangst van de daging is hij twee dagen later naar mijn
huis gekomen, gewapend met een "capper onder sijn karsaeck". Ik was
in de omgeving en de dienstmeid liet mij roepen. Ondertussen heeft hij veel
oneerlijke woorden in mijn huis gesproken : onder andere zegde hij dat hij zijn
leven zou geven voor deze zaak en hij dreigde mij bij mijn thuiskomst het hoofd
te klieven, maar hiervan zijn er geen getuigen. Toen mijn dienstmeid zijn colère
zag, kwam ze naar mij en vertelde over zijn gemoedsgesteltenis en furie. Daardoor
werd ik bevreesd en ik zond haar naar officier Pieter Reuse, die mij vergezelde
en hem in de eerste ingang van het huis zijn instrument (= wapen) heeft afgenomen.
Toen hij dit zag, begon hij schoon te spreken en bekende dat hij geuzenboeken
had gekocht, maar dat hij ze alle had verbrand, zoals zij allen als uitvlucht
verklaren. U kan hen daarover onderzoeken en laten verklaren bij eed, waar ze
deze boeken bewaren. Omwille van de moorddadige intentie en het dragen van een
verboden wapen is dezelfde Van Dijcke buiten mijn weten overgedragen aan de
griffier criminel de heer Comis.
Anderen die volgens mij ook verdacht zijn en van wie ik ook aanwijzingen heb,
zijn Cornelis Rossel, wiens vader en voorouders aan de voorschreven vergadering
(anno 1663) deelnamen alsook ene Marcus Knudde. Ik wens dat zij gedwongen
worden om onder eed te verklaren waar zij hun boeken bewaren, want volgens hun
gepraat tegenover mij en in de herbergen zijn zij zeer verdacht.
Een ander, Cornelis Van Hee, wiens vader ook aan de voornoemde vergadering (anno
1663) deelnam, is zeer verdacht van ketterij.
Verder is er nog één, die het goed kan uitleggen en er altijd
op uit is om de geestelijken en hun ordonnanties belachelijk te maken en die
er zich bij sommigen op beroemd, dat hij zijn boeken niet zal overhandigen,
met name ene Jacob Baeckelandt.
Indien de heer officiaal het goedkeurt om hen te dagvaarden, zal ik hen nog
opzoeken.
Wie zijn boeken vrijwillig en zonder vermaning heeft overhandigd, is Noë
Ribau : hij bracht de H. Schrift mee. De anderen die op dezelfde dinsdag van
de dreigementen hun boeken overhandigden, waren Jan Croes en Jan De Bruijn.
Nog een ander, Philips Formir, heb ik onverwachts betrapt, toen ik hem wilde
vermanen. Ik vond een vervalste H. Schrift en een Hollandse catechismus in zijn
koffer, die hij onwetend opende. Toch is hij verdacht : de heren kunnen in dit
geval hun eigen oordeel volgen.
De officier, die heb aangesteld, zal verdere mondelinge toelichtingen geven.
We beschikken o.a over het verhoor van Pieter Van Dijcke :
Pieter Van Dijcke, zoon van Guillaume, 55 jaar oud, zegt dat, toen hij omtrent
twee maanden geleden naar Leffinge was gegaan, Maijke, de weduwe van Joos Knudde,
in zijn huis is gekomen. Zij zei dat ze in grote nood verkeerde en dat zij geen
brood voor haar kinderen had. Zij wilde een boek verkopen in ruil voor geld
of etenswaren. De vrouw van Van Dijcke kocht het boek. Toen Van Dijcke zelf
thuiskwam, heeft hij het boek verbrand, toen hij hoorde dat het te Amsterdam
was gedrukt. Toen men hem vroeg welk boek het was, antwoordde hij dat hij dat
niet wist : alleen wist hij waar het was gedrukt. Daarna heeft Marcus Knudde
aan de Eernegemse pastoor verklaard dat Van Dijcke het boek had, waarna de pastoor
hem liet dagvaarden. Hij is de pastaar dan gaan spreken en verklaarde daar dat
hij niet wist welk boek het was en dat hij het in aanwezigheid van zijn vrouw
en zijn knecht had verbrand. Toen vroeg men aan Van Dijcke of hij niet had gedreigd
om de pastoor met een bijl te slaan. Van Dijcke ontkende dat, voegde eraan toe
dat hij van zijn land kwam en een bijl mee had, waarmee hij zijn haag "stopt".
Daarna werd hem gevraagd of hij in de herbergen niet over het geloof discussieert.
Hij ontkende opnieuw en zegde dat nog nooit te hebben gedaan. Daarna vroeg men
of hij niet kon lezen. Van Dijcke antwoordde dat zijn gezicht zo was verslechterd,
dat hij al sinds tien jaar niet meer kon lezen. Hij voegde er wel aan toe dat
hij had gehoord dat Marcus Knudde in de herbergen met de een en de ander over
het geloof had willen discussiëren.
(uit B. VANDENBUSSCHE, Actieve ketterse kern te Eernegem, - Ernigahem, (II)
1983, p. 27-35)
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De kindbarende man in Vladslo (1698)
Philippe Jongheryx, geboren in Duinkerke, was gedurende 29 jaar pastoor van
Vladslo (1664-1693). Daarna werd hij pastoor van Koolkerke. Hij kwam in 1701
door verdrinking om het leven. Hij is de auteur van een merkwaardig boekje "Den
kintbaerenden man ", dat voor het eerst in 1698 verscheen. Het was een
echte bestseller, want er werden een groot aantal herdrukken van gepubliceerd.
Het bevat een eigenaardig gedicht, dat de "waarachtige" geschiedenis
verhaalt van een zekere Louis Rosseel, een veertiende-eeuwse boer uit Vladslo,
die " al te veel hiel van syn keel, En al te luttel van syn Vrauw, en nog
veel min van sijne trauw ". Louis had nooit op de beste voet met zijn vrouw
geleefd:
En t' elken dag al zyn gewin
Flux (= onmiddellijk) speelde (= uitgaf) met een glaesken in :
De kaerte die was zyn getouw
Tot spyt en leed van zyne vrouwe :
De Herberg was zyn hemelryk,
En daer was niemant zyns gelyk
In sweeren, vloeken, vegten, slaen,
En met den Teerlynck om te gaen;
Hy was een meester in het quaed,
Een leerling in een goede daed,
Zyn beste ambagt was het spel,
Zyn eygen huys dat was de hel ...
(...)
En als dees man op t' meeste lough
By het gheselschap in den krough,
En als hy bolde langhst de baen,
En daer schier kraeyde als een haen,
Door dien hy 't alles had verteert,
Soo hiel de vrauw een kouden eert,
En sat en kreet in haeren noodt,
Want sy was dickwils sonder broodt,
En sonder gheldt en sonder smout,
En schier half nackt, en sonder hout.
Hij bejegende zijn Elisabeth bepaald ruw, beschimpte en bespotte haar voortdurend.
Zelfs toen ze in barensnood verkeerde, hield hij niet op met haar te tergen
en beweerde dat ze zeker wel niet zo'n verschrikkelijke pijnen moest hebben
als ze de indruk verwekte. Kortom, de onverbeterlijke dronkaard weigert de vroedvrouw
te gaan halen voor zijn in barensnood verkerende echtgenote. Zo zou de vrouw,
werkelijk tot het uiterste gedreven, op een gegeven ogenblik aan Louis haar
eigen pijnen en ongemakken hebben toegewenst en zou God, na haar dood, ervoor
gezorgd hebben dat haar wens in vervulling ging:
Hy walgt, hy spuygt, hy braekt, hy geeuwt,
En nog daer by zeer dikwijls schreeuwt;
Hy weet niet wat'er aen hem schort,
Het schynd zyn een been korter word.
Hy kan niet meer naer d'herberg gaen,
En dat heeft hem zyn Dye gedaen,
Die wordt gedurig aen zoo dik,
Zoo dat men krygt in 't lyf een schrik ...
Niemand kon vermoeden wat er in Rosseels dij aan het gebeuren was. Daar de pijn
altijd maar toenam en op de duur niet meer draaglijk was, waagde de heelmeester
het er uiteindelijk toch op, toevallig precies negen maanden later, de buil
open te snijden, met het fantastisch gevolg dat daaruit in het jaar 1352 een
kind van het mannelijk geslacht kwam. God straft hem dus voor zijn harteloos
gedrag door in zijn dij een kind te laten groeien. Men beweert dat het kind
vijftien dagen in leven bleef. Na het uitsnijden van het kind heeft Louis Rosseel
tot boetedoening een "pansijzer" op zijn bloot lijf gedragen tot op
zijn sterfdag, nl. 17 juni 1354.
Het gedicht eindigt met de onvermijdelijke zedenles:
Gy dronckaers leert uyt dit gheval
Hoe schromelyck Godt straffen sal
Dat ghy door t' Bier en Brandewyn
Verbeelt hebt t' leven van een swyn.
(uit W.L.BRAEKMAN, Laat-zeventiende-eeuwse liederen van de West-Vlaamse pastoor
Jongheryx - Volkskunde, LXXVII (1976), p. 1- en R. SEYS, De legende van de kindbarende
man van Vladslo, - Iepers Kwartier, IV (1968), p. 41-43)
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
VLIEGVELD IN ICHTEGEM TIJDENS WO I
Schlasta 16
Begin januari 1918 opereerde deze eenheid in ieder geval nog in Frankrijk.
Vermoedelijk arriveerde men pas in april of mei van 1918 te Stalhille. In ieder
geval was de eenheid ondertussen op 24 maart 1918 van naam veranderd, zijnde
van Schusta in Schlasta. Schusta is de afkorting van Schutzstaffel en Schlasta
van Schlachtstaffel. De eenheid verliet Stalhille vermoedelijk half oktober
1918 toen het Duitse leger zich terugtrok. De commandant van de eenheid sinds
ten minste maart 1918 was Oblt. Hermann Ramdohr. Via opzoekingen op de Duitse
militaire begraafplaatsen in onze provincie konden we een aantal verliezen van
de eenheid terugvinden. Zo weten we dat Lt.d.R. Friedrich Boethelt op 17 juli
1918 neergeschoten werd in de nabijheid van Duinkerke. Boethelt was één
van de originele waarnemers van FAA 235 toen die opgericht werd in juli 1916.
Hij zou één bevestigde overwinning behaald hebben in het gezelschap
van Lt.d.R. Lehmann, doch we hebben spijtig genoeg geen datum kunnen terugvinden
van deze gebeurtenis. Gedurende 1917 vervoegde hij Flugpark 6 en van daar ging
hij naar Schusta 16.
Hij werd gedood samen met Vizefeldwebel Alfons Schmidt. Het is niet bekend in
welke omstandigheden ze neergehaald werden.
Fl. Uffz. Holtmeier Hugo kwam om op 3 september 1918 te Jonkershove terwijl
hij samen met Wilhelm Becker vloog. Beiden werden gerapporteerd als vermist
in de nacht van 3 op 4 september door Kofl 4. Holtmeier vervoegde Schusta 16
op 7 october 1917 en kwam van Schusta 26.
Op 1 oktober 1918 verloor de eenheid ook Gefreiter Wilhelm Ritzhaupt in ons
volledig onbekende omstandigheden.
Uffz. Kurt Busch werd neergehaald op 21 oktober 1917 boven Diksmuide en vloog
samen met Max Häfer. Busch kwam van het Flugpark 4 op de 22e september
1917 naar Schusta 16, wat aantoont dat de eenheid ook gedurende 1917 enige tijd
in onze contreien actief was en wel van vermoedelijk juni 1917 tot 15 november
1917 vanop het vliegveld van Ichtegem, ook bekend als Engel.
Een andere naam die we terugkonden van de eenheid was de latere generaal Hans
von Fichte die in october Staffelfuhrer of beter gezegd bevelhebber van de eenheid
werd. Vermelden we tenslotte nog even dat deze soort van eenheden voornamelijk
beschikten over Halberstadt CL II en Hannover CL II toestellen. We weten dat
in 1917 de eenheid voornamelijk met de DFW CV vloog. Dat zal ook in begin 1918
zeker nog het geval geweest zijn en mogelijks ook later. Er zijn een aantal
aanwijzingen dat het vliegveld ook door andere Duitse eenheden gebruikt is,
vermoedelijk slechts één of twee en er is een denkpiste die het
vooral over de Flieger of Feldflieger Abteilungen heeft. We weten echter niet
dewelke.
DETAIL VLIEGTUIGTENTEN + VLIEGTUIGEN



