Lijst nummers


Slechts één vraag

Tekst: Dimitri Van Toren
Muziek: Dimitri Van Toren

LP/CD: 
En soms waait er zoiets als vrede door mijn hart (1981)


Ingezonden door Frans Pelgrims


 

Ik danste weer eens met ’n ander

Dat was nog in mijn slechte tijd.

Mijn partner was een Surinaamse

En één en al gezelligheid.

Maar na zo ’n half uurtje dansen

Vond ik het welletjes geweest.

Ik vroeg haar wat ze wilde drinken.

‘’n Pilsje graag’ zie ze bedeesd.

 

Even later was het vino

En alles klopte met het uur.

De avond was zojuist gevallen,

Dus dat beloofde avontuur.

Maar voor al eerst werd het romantisch

En alsmaar drukker in het café.

Het was leven bij het leven

En uitstekende rosé.

 

Maar wie schetste mijn verbazing

Toen mijn leefde plotseling sprak:

’Ach gut! Ik zie een oude kennis’

En ze verdween met een gemak

Alsof dit alles zo voorzien was.

Zo en niet anders ging ze heen.

Ik was meteen weer helemaal nuchter

En daarna depressief alleen.

 

Doch, ik kreeg de kans niet om te treuren.

’Is deze stoel vrij’ vroeg een stem.

Er stond ’n man die mij ontroerde.

‘Hij is nog warm’ zei ik hem

En hij ging zitten en hij vertelde

Een lang en hopeloos verhaal

Maar dat er desondanks nog hoop was

Zolang de boodschap werd herhaald.

 

Alle mensen, wat ’n avond.

Waar had ik dit toch aan verdiend?

Ik kreeg een donderbruin vermoeden

En vroeg hem: ‘Bent u soms alziend’

Maar, hij gaf slechts ten antwoord:

‘Het gaat erom waarvoor je leeft.

Ik houd alleen maar een enquête:

Of dat de mens nog wel ‘n ziel heeft’.

En aldus werd er gehandeld

Want hij begaf zich naar de bar

Waaraan men staande stond te drinken.

Een luid gezelschap bij elkaar.

Even werd er stil geluisterd

Maar toen ging ook alles loos.

Het was lachen, gieren, brullen

Tot tranen toe, in één woord meedogenloos.

 

En dat was nog lang niet alles.

Er wachtte nog een heel café,

Met overal hetzelfde liedje

En daarna dolle pret voor twee.

Wat kunnen mensen soms hard zijn,

Of wellicht ben ik te week

Maar los daarvan, wie zal het zeggen,

Of dat de mens nog wel ‘n ziel heeft.

 

Enfin, zo’n drie kwartiertjes later

Stond hij weer blozend voor mijn neus

En op mijn vraag of ie succes had,

Lachte hij mysterieus.

‘Eén persoon’ zo zei hij weifelend,

‘Maar dat staat nog te bezien’.

En toen ik vroeg wie dat kon wezen,

Sprak hij daarop: ‘U misschien’.