ventielhoorn

Het ventiel werd uitgevonden door de hoornist Stölzel en de hoboïst Blümel in 1815, maar er wordt ook gezegd dat Blürnel hem al in 1813 had uitgevonden.

In een artikel in de Algemene Muzikale Krant van Leipzig kondigde de kapelmeester van het Breslau’s theater de nieuwe uitvinding van het ventiel aan, in 1817 verscheen er nog een artikel in de Algemene Muzikale Krant en op 12 april 1818 maakten de uitvinders hun vondst officieel bekend. De hoornist en instrumentenbouwer Stölzel uit Berlijn kreeg hier in 1818 een octrooi voor, nadat hij de uitvinding in 1816 had opgekocht.

De eerste ventielhoorns hadden 2 ventielen. Het derde ventiel werd in 1819 toegevoegd door Périnet in Parijs, door Müller in Mainz en door Sattler in Leipzig. Maar volgens andere bronnen bracht Halary in 1847 de eerste werkzame versie met 3 ventielen uit.

   

Een groot voordeel van de toen vele mogelijkheden op deze chromatische hoorn is dat de voorheen gecorrigeerde noten nu gewoon als boventoon van een andere pedaaltoon gespeeld konden worden, hetgeen ten goede kwam aan de klank en de speelbaarheid. De komst van de ventielhoorn maakte van de hoorn een volwaardig, chromatisch instrument.

Sommige mensen dachten dat het eerste ventiel op een trompet van de gebroeders Werner uit Wenen zat. De hoorn van Stölzel had twee ventielen: een die de toon met een hele toon verlaagde en een die de toon met een halve toon verlaagde. Het principe van het ventiel is eigenlijk precies hetzelfde als die van al haar voorgangers: het verlengen van de buis zodat de toon lager wordt. Het nieuwe was toen, dat er een ander wisselsysteen kwam, voor het verwisselen van de verschillende buizen. Bij de moderne hoorn zitten er, bij de simpele modellen, drie buizen aan de hoorn. De eerste verlaagt de toon met 1 hele toon, de tweede met ½ toon en de derde met 1 ½ toon. Bij het indrukken van een ventiel wordt de lucht door één van de buizen geleid. Door deze ventielen apart te gebruiken of te combineren kan een heel scala aan tonen tussen de natuurtonen opgebouwd worden.

In 1819 voegden de heren Müller uit Mainz en Sattler uit Leipzig er een derde ventiel aan toe, die de toon een kleine terts verdiepte. Het duurde heel lang voordat deze ventielhoorns aanvaard werden. In 1823 werd in Duitsland het eerste concert op een chromatische hoorn gegeven door meneer Glazemann. In Frankrijk deed de ventielhoorn pas zijn intrede in 1825. In 1827 kwamen de heren Meifred en Labbaye met een verbeterde nieuwe versie.

Het debuut van de ventielhoorn in het orkest was in het stuk ‘La Juive’ van Halévy in 1835. In de partituur stonden twee natuurhoorn en twee ventielhoorn partijen vermeld. Dit zou zo nog lang blijven.

Omstreeks 1850 waren de ventielhoorns, dankzij ingrepen van instrumentenbouwers als Wieprecht, Czerveny en Sax, zo verbeterd, dat men over het algemeen alleen nog maar ventiel hoorns ging gebruiken en de natuurhoorns opzij werden gelegd, in Engeland werd hij toen pas aanvaard.

In 1853 echter publiceerde de beroemde componist Robbert Schumann in een krant een artikel dat hij noemde ‘Neue Bahnen’. In dit artikel verdedigde hij de ventielhoorn, door te stellen dat deze nog een ontwikkeling moest ondergaan. Hij wist zelfs veel conservatieve componisten van het goede van de ventielhoorn te overtuigen, door voor dit instrument prachtige muziek te schrijven. De meeste hoornisten konden de overstap naar ventielhoorn gemakkelijk maken, maar kregen er wel een probleem bij. De jaren voor het ventiel waren er hoornpartijen voor hoorns in allerlei verschillende stemmingen geschreven, terwijl de ventielhoorns standaard in F en in Bes gestemd waren. De hoornist moest dus zeer veel transponeren. Na Schumann droegen veel componisten bij aan de invoering van de ventielhoorn in het orkest.