GESCHIEDENIS

Aangenomen wordt dat de naam post afstamt van het Latijnse posita, de naam die in het Romeinse rijk aan haltes of wisselplaatsen van de cursus publicus werden gegeven. Hij vervoerde tussen deze posten mensen, goederen en ook brieven en pakjes. Na de val van het Romeinse rijk was er slechts incidenteel brievenvervoer tussen steden en landen. De staat, en instellingen als kloosters en universiteiten, hadden hun eigen boden, die correspondentie vervoerden. Particulieren gaven hun brieven mee aan voorbijtrekkende reizigers, als monniken en handelsreizigers.

 

Vooraleer er een stadspost werd opgestart, waren het allerlei soorten boodschappers die brieven en pakjes rondbrachten. Of moesten de mensen zelf naar de plaats gaan waar de post toekwam. Het woord "post" verwijst naar de plaats aan de postweg waar de uitwisselingen tussen ruiters en paarden plaatsvonden. Historici zijn het erover eens dat het woord "post" zelf van Arabische origine is en zoveel betekent als "verzonden".

In de Middeleeuwen droegen boodschappers het slechte nieuws in een verzegeld document aan een stok. De officiële boodschappers waren herkenbaar aan hun uniform en onderscheidingstekens en genoten onschendbaarheid. Wie iets tegen hen ondernam, kon zwaar gestraft worden

 

De bloei van de handel aan het eind van de twaalfde eeuw betekende dat ook de correspondentie tussen particulieren en bedrijfjes toenam. De bode had lange tijd het brievenvervoer naast zijn gewone werk gedaan, nu werd het een beroep waar ook veel geld mee was te verdienen. De dienstverlening stond niet voorop bij de bezorging van brieven. Zo liep de bode van stad A dagelijks van A naar B, de bode van stad B van B naar A. Halverwege de post uitwisselen was verboden, ook omdat de ontvanger van een brief de kosten betaalde en de boden een ingewikkeld verrekeningssysteem zouden moeten bedenken. De burger die buiten de grote steden woonde, was helemaal slecht af. Alleen als de route van de bode door zijn dorp liep, kon hij gebruikmaken van de dienst.

In de 15de eeuw draaide de Staatspost al in Europa, maar de elite had daar toen een uitstekende aanvulling op bedacht om sneller brieven te kunnen doorgeven: via ruiters die op regelmatige afstanden aanwezig waren en die de berichten aan elkaar doorgaven.
De boodschappers stonden dus vooral in dienst van de overheid, handelaars, intellectuelen, universiteiten en religieuze ordes. Elke boodschapper had een bepaalde rang. De "rijder" stond in hoger aanzien dan de "loper". De eerste was een soort ambassadeur, de tweede was belast met minder belangrijke zaken en behoorde als het ware tot het huispersoneel.

 
Naarmate het brievenverkeer toenam, kregen de boden het drukker en konden ze een knecht in dienst nemen voor het loopwerk. De bode zelf `promoveerde' tot postmeester en deed zijn werk vanuit het postcomptoir. De hogere opbrengsten maakten het ook mogelijk dat paarden werden ingezet. In 1624 reed de eerste postiljon, met posthoorn als herkenningsteken, van Amsterdam naar Roermond. Een postkoets heeft in Nederland nooit gereden, wel namen individuele koetsen en ook trekschuiten brieven mee.De postafspanningen waren niet alleen stopplaatsen voor paarden. Ze boden ook onderdak en eten. Verwar ze vooral niet met semi-luxe hotelketens want elke afspanning had haar eigen stijl. Sommige waren luxueus, andere armtierig. En de postkoets of dilligence vertrok wanneer ze klaarwas....De voerman bleef het hele traject op de bok. Maar bij elke afspanning wisselde hij van paarden en van postiljon. Uiteindelijk hing het van de postiljon af wanneer de reis zou aanvangen of verdergezet worden. Hij begeleidde dus de koeriers en werd in de literatuur vaak afgeschilderd als een flamboyant personage met hoge zwarte postiljonlaarzen. De postmeester mocht zelf zijn postiljons kiezen op voorwaarde dat ze een bewijs van goed gedrag konden voorleggen.
   

De posthoorn was het instrument van de postiljon. Die blies erop om de aankomst of het vertrek van de post te melden. Maar ook boodschappers kondigden hun aankomst aan door op een hoorn te blazen of met een bel te klingelen. Soms was hij wel drie dagen op pad om een enkele brief te bezorgen. Het beroep van bode was vrij zwaar en gevaarlijk. De wegen waren slecht en de kans om overvallen te worden groot. Bij aflevering van de brief kreegt de bode zijn geld. De verzender van de brief wist zo zeker dat de brief wordt bezorgd.

 
De meeste postmusea hebben trouwens een aantal partituren in huis die gespeeld werden bij het vertrek van een diligence, de aankomst ervan, de aankomst van een speciale rit, om te melden hoeveel rijtuigen er waren, om doorgelaten te worden... Daarom dat het symbool van de post een posthoorn is.