update: 2000 okt 05

D'r Koeënwòòf nr 07 (1992/xx)

 naar Koeënwòòf 08

 terug naar / back to

D'r Koeënwòòf


INHOUD:

 

BLOESEMWANDELING MET VOERENSE SAGEN MET LEGENDEN EN ANDERE VERTELSELKES (Rob Brouwers)................ (01- 10) 14- 23

ANTROPOLOGIE EN VOLKSKUNDE --- HANS VAN LAAR.................24

=====

p. 14 (01)

Bloesemwandeling 26 april 1992 met Voerense sagen, legenden en andere vertelselkes

1

Mennekesput: hier woonden tot voor kort de "auwelkes" of "aovermennekes", een soort kabouterkes. Ze kwamen alleen maar naar buiten wanneer het donker was om de mensen wel eens te helpen "hun flatte te spreie", hun ketels te schuren of hun koper te poetsen. Ook gebeurde het regelmatig dat zij "s nachts bij volle maan op een open plek in het bos gingen dansen en plezier maken. Ze woonden in holentjes. Als je in die holentjes of konijnspijpen durfde te kijken, dan bliezen ze u een oog of "het licht" uit ... . Kon je blind worden (1)

 

2

Wegkruis bij de stenen bank: tot hier kwam indertijd "der Vuurmaan va gen Wientsjeshei". Verder kon hij niet door dat kruis, daar was hij bang voor.

De Vuurmaan was een geest in een mensenlijf helemaal omringd met vuur. Hij was feitelijk een man die vòòr zijn dood een graf had geschonden. Niemand durfde met hem te praten, zeker niet op hem te fluiten, want in Margraten was hij ooit eens zo'n fluiter achterna gelopen. Gelukkig had die nog juist op tijd het poortje voor de neus van de vuurmaan kunnen dichtgooien. 's Anderendaags stond op het poortje "'en versjnëerkte haand oetgepreent". (een zwartgebrande hand in het poortje geprent). Een held was het die op de Vuurman durfde te roepen: "Moorduuëvel Hellebraand

Zoonder lip en zoonder taand

Kom oet hie ben ich!"

(2) (3)

 

 

3

Sint Annakapel. De meeste verhaaltjes zijn heel oud, sommige zelfs al vele eeuwen. Die verhaaltjes zijn voor een groot stuk blijven voorbestaan door overlevering, door vertellingen tijden de winteravonden bij de open haard of rond de kachel. Af en toe schreef eens iemand iets op zoals b.v. pastoor Daffnay rond 1720 of burgemeester Delvaux 100 jaar later.

De oudst bekende verhaaltjes zijn genoteerd door een zekere Walpot van Schophem, de rentmeester van het graafschap Dalhem, en wel rond 1642 zo'n 350 jaar geleden. Door hem kennen we bijvoorbeeld not

De legende rond het ontstaan van het Sint Annakapelke:

Walpot schreef het in dicht vorm: "Cleyne Ceuning guje man

Bracht et beeldje van Sintan" enz. (4)

Als men dat gedichtje vergelijkt met een fragment dat ik onlangs nog in St Pietersvoeren hoorde, dan komt men tot het volgend verhaaltje:

Tijdens een jachtpartij in een van zijn grote bossen kwam koning Pepijn de Korte (=die Cleyne Ceuning) vonende te Herstal, hier bij een molen op de Voer een mooi meisje tegen. De koning stapte af en vroeg haar iets te drinken. Ze heette Bertha. Pepijn werd verliefd op haar en vroeg toen of hij in de molen mocht blijven overnachten. Na een tijdje merkte Bertha dat ze in verwachting was. Koning Pepijn die na die nacht vaker in de buurt kwam jagen, liet toen tegen de heilige Voereboom (Boomstraat = de straat naar de Voereboom (5) een Sint Annabeeldje plaatsen (Sint Anna was de heilige die aanroepen werd voor een goede bevalling).

"Sinte Anna vol midelye sou Pepijnis frouw verblye. Des kreeg mood en hoep int hert, baarde Karl sonder schmert" m.a.w. zoveel maanden later beviel Bertha van een flinke jongen: Karel de Grote. Uit dankbaarheid liet Karel de Grote later toen hij op zijn beurt koning werd, hier een klein kapelke bouwen. (6)

Het oudste familiegoed van de voorvaderen van Karel de Grote lag rond 700-800 voor het grootste gedeelte tussen Herstal-Tongeren-Maastricht-Aken. De enige weg tussen Herstal en Aken liep via Visé-Voeren over Snauwenberg naar Gulpen en zo verder. Daarbij was Karel de Grote inderdaad een voorkind van koning Pepijn de Korte van Herstal met een zekere Brechte met wie hij later trouwde. Tenslotte was Voeren in die tijd een Karolingisch of koninklijk kroondomein én een nogal bekende plaats toen m.a.w. het is niet te veronderen dat de oudste sagen en legenden verbonden zijn met de oudste plaatsen (Mheer of Margraten b.v.: kennen die legende niet, want Mheer of Margraten bestonden toen nog niet.)

Het kapelke dat er nu staat zou dateren van 1815: her werd heropgebouwd na de nederlaag van Napoleon de Waterloo.

Enkele dagen eerder had hier namelijk op het Hooneveldje het Pruisisch Leger o. l.v. generaal Blücher gekampeerd. Toen die 's morgens wakker werd zag hij de zon schitteren op het kruiske van de kapel, en dat vond hij een goed voorteken: "Wij gaan winnen" verzekerde hij zijn soldaten. (6)

De grootvader van Guilleaume Schiepers "der Sjlieëp" was daarmee aangekomen. Die had namelijk als huurling met de Pruisen meegevochten in Waterloo. Boven Altenbroek staat er trouwens nòg een gebouwtje ter herinnering aan die nederlaag van Napoleon namelijk het "Waterloohuske" gebouw door de burgemeester van 's-Gravenvoeren Joseph de Schierveld, de heer van Altenbroek.

Rond dit Sint Annakapelke bestaan er nog andere verhaaltjes

Zo zou in de tijd van mijn grootmoeder het volgende zijn gebeurd:

Een zeker Anneke had liefdesverdriet en kwam daarom iedere dag hier bij haar patrones bidden (In de kapel stond in die tijd een Sinte-Anna ten drieën , dat is een beeld van Sint Anna met het Kinneke Jezus op haar schoot en Onze Lieve Vrouw rechtopstaande erachter): een jongen die dat in de gaten had gekregen had zich toen eens tussen de struiken verstopt. Zo hoorde hij dan Anneke half luidop bidden: "Lieve moeder Anna, maak toch dat Sjuf met mij touwt. " daarop zei toen die jongen met een kinderstem: "nee, nee". Anneke die dacht dat het Kinneke Jezus dat geweest wad, antwoordde kwaad:

"Zjwieëg doe, ich heb dich niks gevraogt" (1)

 

4

De Boschstraat. "alle wegen leiden naar Rome" - Hier heb je zo een. Langs deze vervallen veldweg liep ooit de Romeinse straat Nijmegen -Maastricht- (Trichterbeeldje) - Trier - Straatsburg - Rome

 

5

Kastanjeboom: een magische kastanjeboom waar mensen met tijdpijn een spijker komen inkloppen. Eerst wrijft het slachtoffer die spijker over de pijnlijke plek, en slaat hem dan in de boom in de hoop dat het gezonde hout die pijn overneemt.

 

6

Kattegraaf: in deze holle weg kwamen vroeger regelmatig alle katten uit de hele omtrek bijeen om samen te dansen.

 

Via het Heuvelke -de Tienhof - de Jolette - de Zaaghuil - Kukkeberg naar

 

7

De Greb: hier zwierf inderijd "enne Wierwoaf" = een Weerwolf rond. Een weerwolf was iemand die zijn ziel aan de duivel had verkocht en daarom gedoemd was tot nachtelijke zwerftochten. Zo iemand kreeg dan van de duivel een weerwolfsvel dat hij 's nachts tijdens zijn tochten moest aantrekken: vòòr zonsopgang was zo'n weerwolf weer terug thuis, verteven van de kou en soms gekwetst. De wonde die hij onder de gedaante van weerwolf opliep bleef hij behouden, ook wanneer hij terug als gewone burger rondliep. Een weerwolf werd pas verlost wanneer een andere dat weerwolfsvel vond en verbrandde. (7)

Kwam je een weerwolf tegen dan moest je ofwel een kruisteken maken ofwel een klosje garen voor zijn voeten werpen, want zo'n weerwolf had een "onweerstaanbare drang" om het garen terug op te winden. Intussen kon je vluchten.

Had je het ongeluk dat zo'n weerwolf je in je nek sprong, dan moest je hem dragen tot je erbij neerviel. Ook kon je een (je) zakdoek naar hem gooien. Op een keer was een nongen bij een van de twee meisjes van "der boaj" Dewez vrijen geweest. De jongen was al lang naar huis, toen rond middernacht bij de veldwachter aan de deur werd geklopt. Het meisje dacht dat haar jongen misschien iets vergeten was. Maar inteplaats van die jongen stond daar een grote lelijke hond voor de deur. In paniek gooide het meisje haar rode zakdoek naar het beest dat "der plak" meteen in stukken scheurde. Op die tijd kon het meisje de deur dichtgooien.

Toen de jongen na enkele dagen weer wilde komen vrijen zag het meisje ineens stukjes van haar ode zakdoek tussen zijn tanden (8).

 

8

Trichterbeeldje. Op de meeste kruispunten (vooral vijfprongen of zevensprongen) stonden in de tijd van de Oude Germanen - meer dan duizend jaar geleden - heilige bomen: bij de kerstening kapten de eerste christenen zo'n heilige boom niet op, maar plaatste de besschop er een gewijd beeldje in. Volgens een legende zou het eerste beeldje hier geplaatst zijn door de heilig Lambertus (6):

Lambertus kwam inderdaad van Sint Pieter bij Maastricht en het was voornamelijk deze die onze streken gekerstend zou hebben.

Van Trichterbeeldje is al sprake in 1213 (de cartularis in abdij van Godsdal = Valdieu. Op deze oude weg naar Maastricht bestaat er ook nog een "beeldchen" in Gronsveld. Verder nog een Bildchen op de Romeinse baan tussen Tongeren en Tienen, en een Bildeken tussen Kelmis en Aken.

 

9

Kruisgraaf: hier kwam eens "der ouwe Hoetersj" in een feest terecht, allemaal mooie meisjes of jonge vrouwen, allemaal naakt, die samen dansten. "Der owwe Hoetersj" wist niet wat doen: rechtsomkeer maken of doorlopen? Zo'n "schoeën vroaluuj" had hij nog nooit gezien. Daarbij "naks" ook nog. Op zeker moment bood een van die mooie meisjes hem een beker wijn aan: "nee merci", zie Hoeters, "ik drink geen wijn". Zij vleide zich tegen hem aan: "allè Hoeters, we vieren feest, drink met ons mee". "Der owwe Hoetersj" voelde zich wegsmelten (wie niet in 't zelfde geval?). Hij pakte de beker en zei toen: "allè, in godsnaam dan" ... Maar plots waren alle geestende vrouwen verdwenen en Hoetersj stond nog alle ... Met een koeieflat in zijn hand. (8)

 

10 Ie genne Patieël en op gen Zieeëve Huuëvele: Toen de Romeinen hier binnen vielen in 54 v. Chr. Werden ze door Ambiorix, het stamhoofd der Eburonen in een hinderlaag gelokt ... In een groot komvormig dan. Ambiorix wist dat de Romeinene alleen in gesloten formatie konden vechten. In een man-tegen-man gevecht waren de kleinere Romeinen (Italianen) tegen de grotere Oude Belgen niet opgewassen. Julius Caesar zelf heeft het beschreven ... Anderhalf legioen Romeinen (zo'n +- 80000man) werd toen in de pan gehakt. Dat zou in "der Patieël (= pateen) gebeurd zijn, een komvormig dal gelgen langs deze oude weg naar Maastricht. De gesneuvelde Romeinen werden begraven volgens de zeven heuvels van Rome, vandaar de naam "de Zeven Heuvelen" (6)

 

11.

Hoogveld (het volgend verhaaltje in 't dialect om het kleurrijke ervan te behouden). Hie op gen Hoeëvailt klapperde deks get wie 'enne groeëte voeëgel doeër gen loch, mai gaine koes zieë wat 'et woar. Met getieje hoeërt waal wellens aine 'en sjtem die kermde: "Oeë mot ich 'em liegke, oeë mot ich 'em liegke?" Dat how e zoe lang gedooërd: dat komiek fladdere, dat heen en weer weije en dat iemelek kerme, dat iemes aantwoerdde: "liek 'em oestem krieëge haas" ... Vanaaf doe woar het fladdere en kerme aafgeloape. Dai dat geroëpe how "liek 'em oestem kriëge haas" woar der Olle gewais. Ennige daag dernoa woar der Olle doeëd.

Volgens menne grapeer woar dai sjpooëkvoeëgel de zieël gewais van enne boeër dai ien ze lieëve enne rienstjtèè

get oppersjer how gesjeuft. Noa zen doeëd koesse doe gen rus veende en mosse dovuur met dai sjtèè roond blieve rezze pis iemes 'em zaag watte moes doeë: op het momaint dat der Olle dat reep, wwoeër dai boer van zen sjtroaf bevriejd. Es daank how dai maan noe der Olle no gen hiemel gebaijd (7) (Der Olle" gestorven rond 1925)

 

12

Aan het Wit Paard. In Voeren verbleef eens heel lang geleden een groot leger met een generaal. Hij alleen had een wit paard dat hier in vredestijd altijd door weiden liep. Het paard had zijn verblijfplaats in het Kelderke (klein dal iets verder): op een nacht werd dat mooie witte beest echter door de vijanden van de generaal afgemaakt, en geofferd aan hunne oorlogsgod. (2) (7)

(x) Via de Mergelberg - de Lange Graaf - de Ow Slowij - de Marsgreb tot het

 

13

Kwiezelekruske. Hier woonde vroeger twee ongetrouwde zusters die allebei "niejaas" = naaister waren. Op zekeren dag was een van de twee verliefd geworden maar de ander was daar tegen. Ze kregen hierover hoogoplopende ruzie, zo erg dat ze elkaar met hun scharen dood staken. Vanaf z toen dwaalde hier 's avonds of 's nachts - waar hun huisje te vervallen stond - regelmatig een witte gedaante rond, de zgn. Witte Juffrouw. Ze treurde om haar "liefst" ... Tot de pastoor hier een kruis plaatste. Daarna heeft niemand de Witte Juffrouw nog gezien. (9)

 

14.

De Voer. Volgens de overlevering werd in 1794 door de ontelbare paarden van het Oostenrijkse leger dat hier op het Hooneveldje bivakeerde, iedere morgen de Voer leeggedronken.

In 1794 verbleef hier inderdaad gedurende tee maanden een Oostenrijks leger O.L.V..: Aartshertog Carl van Saksen Coburg, de vader van Leopold I. De veldmaarschalk zelf logeerde al die tijd op de pastorij.

De "rooie Toon" wilde best een souvenierke van die man hebben en pikte de gouden epauletten van "Zijne Koninklijke Hoogheid". Het manneke werd zonder pardon opgehangen.

In de Voer verbleef het Hoakemenneke, een "baikelek" = akelig waterwezen met een lange mesthaak (=gebogen drietand) die de kinderen tot in het diepste van het water trok, hen aldaar het bloed uitzoog en hun ziel onder een omgekeerde pot opsloot. Pas wanneer deze pot omviel kwam de ziel weer vrij (1)

Bij het waterrad van "het Mulleke" huisde Menneke Vettevrusj, een monstertje dat veel eg had van een "kroddel" = pad, dat de kinderen met huid en haar opat.

In alle mogelijke en onmogelijke donkere hoeken of plaatsen kon je "der Beumaan" tegenkomen. Het was een kruising tussen een man en een aap met haren zo lang en stijf als de haren fan een stalborstel.

In de Stashaag zwierf een spook helemaal omhangen met lange koekettingen: "der Kettelemaan".

 

15

Hoffestraat - draaihekje: een doorgang voor de voetgangers. Bij zo'n draaihekje of "sjtiegelke" gebeurden ook wel 'nz rare dingen. Zo zag Duyckerske eens, die door de weiden te voet naar de Zinkwit in Eijsden moest, op zo'n sjtiegelpaal een zwarte kat zitten. Met z'n stok sloeg hij het beest ervan af. Maar de kat sprong er onmiddellijk weer op en zei toen: " noe hov nog 'ns wenst durfs" (10)

Op "der Pley" (voor de Frituur) sloeg eens een jongen een zwarte kat met een stovenijzer (pook) en haar snuit. Hij sloeg het arme beest een oog dicht. 's Anderendaags zag de jongen toen een vrouw op hem af komen met precies hetzelfde oog dicht (11)

 

16

Bij de mestkuil (weer in 't dialect i:v:m: klank en kleur):

Menne grapeer how nog get aandersj mèt gemak: (e)Zoe howwe enne kieër 'ens 'n kaar mès gelaaje, mai wienne wol vertrekke kraigge met geng meugelekhaid het pjaard vuroet. Wienne oach vlookde ("mordju " zaag 'e altied), het pjaard kuirde, leef kalde of mèt hoollep doer van de sjpèèke te trekke ... het pjaard krèèg genne poeët van zen plaatsj. Wat koesse doe aandersj es eng hellef wer aaf te laaje. Of der 'et noe geluft of neeët ... Het pjaard kraig de kar nog ummer neet eweg.

Get wieër sjtong al ennen hielen tieëd iemes te loore: enne vraime miensj, ennen hieër gaans iennet zjwart gekleijd met enne paraplu op zennen airem.

Wie der grapeer va plan woaër um nog mieë mès va gen kar te brujje, koam dai vraime kieël in 'ens noader: "Laai de kar met obbenoews voal", zaag 'e "ich zal uch wel hellepe". Der grapeer beloorde 'em 'ns sjaef eweg, mai deeg toch wattem gezaag woeërt.

Wie de kar wer gevuld woar, kraig der hieër het pjaard bij zen moel en zaag alleng mer: "Jup" ... En warechtig ... dizze kieër trok het pjaard de voolgelaaje mèskar mettai oet gen koel. Oon nog ee woeërd te zegke waandelde der zwarte hieër eweg, de Dreesj aaf, 'et deurep oet. "en doe zoag ich in'ens", besjloeët der grapeer da altied, "dat dai vraime miensj enne sjtoets how (8)

 

17.

A gen ow lin (A° 1722 de oude lindt, A° 1888 aen de oude linde)

Op een avond kon Anneke van "de Marjan" de uitgang van de wei niet meer vinden. Het liep hoe langer hoe harder langs de haag op en af, dan langs de andere kant, dan rondom, tot ineens ook nog de bomen begonnen te kraken en vogels die het niet kon zien, begonnen te fladderen ... Wild van angst begon Anneke toen om hulp te schreeuwen in plaats van gewoon een beetje te bidden.

Pas heel laat in de nacht vond haar man met een "sjtaalluch" = stallicht zijn Anneke terug (7):

 

18

Hooveveldsje of Hoeneveldje. Waarschijnlijk behoorde dit veld oorspronkelijk toe aan een zekere Hoen (A° 1406 Johan huen, A° 1457 Johan hoen, A° 1475 Johan huenen enz.). De overlevering echter is interessanter. Dit veld zou met de hunnen te maken hebben ... Die zouden hier omstreeks 410 een kamp hebben gehad. Nadat de Frankische koning Sigebert hen had weten te vinden, was er iets verder langsheen de Beek een vreselijke slag ontstaan "en het water was gansch rood van het bloed der gevallen strijders. " vanaf toen noemde men de beek Bloedsbeek: de lijken "die gansch vol bloed waren" werden begraven langs de weg in de graaf. Vandaar de naam Bloedsgraaf (2)

Wel had hier vlak in de buurt in 1285 een veldslag plaats tussen de Limburgers en de Brabanders tijdens de Limburgse successieoorlog (zie Jan van Heluu) en nog een gevecht met name bij de Beek in 1403 tussen de Luikenaars o.l.v. de gebroeders Flamand, en de ridders uit de streek als Jehan de Chirvel, Jehan van Oud-Vanklenburg, Herman Hoen, Rencken van Bern en Willem Haleweyn warbij er in de twintig doden vielen (22)

Ook kampeerden hier regelmatig doortrekkende legers:

In 1748 de Fransen (o.l.v. generaal Lovendaal) op weg naar Duitsland

In 1794 de Oostenrijkers (olv maarschalk Carl von Saksen Coburg) tegen de Fransen

In 1815 de Pruisen (olv. Generaal Blücher) op zoek naar Napoleon

In 1914 de Duitsers (olv. Gen. von der Marwitz) op weg naar Frankrijk.

 

19

Het kruiske in de Beek (feitelijk bij de Beek)

Lambair Steenebruggen had altijd last van "de Ow", een heks.

Daarom liep hij altijd met dichtgenaaide broekspijpen rond (of met piesette) zodat de Ow niet langs benen op kon kruipen, want die draaide hem altijd zijn voeten verkeerd om: "ze haat mich wer de veut gedriejt" zie hij kan. Regelmatig zagen de oude mensen hem met zijn lange ladder = kruiwagen naar de Beek trekken. Op die kruiwagen had hij dan altijd een gesloten baar = Keulse pot gebonden waarin hij de ""ow gevangen had. Bij het kruiske liet hij ze dan los in de hoop er van af te zijn: maar wanneer hij thuis kwam "woar de krak oach wer doa". (8) (13)

Rob Brouwers

 

(1)Tien Meertens - Jongen (1880-1974)

(2)Schoolschrift François Ancion 1910

(3)Frèns Meertens (1877-1970)

(4)Verdwenen handschrift Johan Walpotz + 1666

(5)Notitieboek pastoor Daffnay 1720

(6)Carolus Waelbers . De Band , nr 2 en nr 4 1958

(7)Verzameling Frans Meertens 1935

(8)Mathieu Janssen (19016-1984)

(9)Hay Rutten (1901-1975)

(10)Gaspard Duyckers (*1906)

(11)Verzameling Jean Marie Ernon 1983

(12)Ch. Rahhenbeck in Histoire de Dalhem 1852

(13)Jef Huynen (*1922)

 

====

 

p. 24 - 33

 

 

ANTROPOLOGIE EN VOLKSKUNDE

HANS VAN LAAR

 

Mijn antropologisch onderzoek naar de wortels van de tegenstelling tussen

Frans- en Vlaamsgezinden in de Voerstreek maakte enkele leden van de

Heemkring Voeren en Omstreken nieuwsgierig naar hoe mijn werkzaamheden zich

verhouden tot hun volkskundige activiteiten. Zij meenden daartussen

overeenkomsten te zien. Bedriegt de schijn? Antropologie en volkskunde

hebben wel het een en ander met elkaar te maken, maar zijn niet hetzelfde.

Hieronder zal ik proberen duidelijk te maken wat hun verschillen en

overeenkomsten zijn. Daartoe zal ik eerst uiteenzetten wat antropologie in

theorie en praktijk inhoudt. Daarna zal ik aangeven wat volkskunde in meer

formele zin inhoudt en waar het binnen de antropologie moet worden

geplaatst. Vervolgens beperk ik me tot de volkskunde zoals die door de

Heemkring Voeren en Omstreken wordt beoefend, en zal ik twee praktische

vergelijkingen trekken tussen antropologie en volkskunde. Ik sluit af met

enkele conclusies.

 

Antropologie

"Antropologie" betekent letterlijk: leer van de mens. Maar dit is een

onvoldoende definitie, want ook psychologen, sociologen, politicologen en

wie al niet houden zich met de mens bezig. Antropologie onderscheidt zich

van andere sociaal-wetenschappelijke disciplines door cultuur als

belangrijkste object van onderzoek te nemen. In de antropologie wordt ervan

uitgegaan dat de wereld van de voorstellingen en waarderingen waarin

iedereen leeft, een zeer belangrijke rol speelt bij het vormgeven van het

menselijk gedrag. Deze wereld van voorstelling en waarderingen wordt

cultuur genoemd.

Deze definitie wijkt af van wat doorgaans onder cultuur wordt

verstaan, namelijk de diverse kunsten als literatuur, muziek, dans en film.

In de antropologische opvatting van cultuur is kunst een onderdeel van

cultuur. In de antropologische opvatting is cultuur ook niet voorbehouden

aan een bepaalde categorie mensen, namelijk de kunstenaars en hun critici.

Antropologen gaan ervan uit dat ieder mens een cultuurdrager en een

cultuurmaker is. Sterker nog: een cultuurloos wezen is geen mens. Wat niet

wil zeggen dat een cultuurloos wezen een dier is. Want ook dieren bezitten

cultuur, al verschillen hierover de meningen. Maar de uitspraak: de mens is

een cultuurvol wezen, geeft aan dat het begrijpen van het menselijk

handelen alleen volledig kan worden gedaan door het begrijpen van cultuur.

Na deze algemene oriântatie van wat antropologie is, wordt het tijd om

nader aan te geven wat in de antropologie onder cultuur wordt verstaan. Om

dit te kunnen uitleggen, moet ik een beetje liegen. Want antropologen zijn

allerminst eensgezind over de definitie van het begrip cultuur. Om dit

betoog overzichtelijk te houden, zal ik de lezer ÇÇn definitie op de mouw

moeten spelden waarvan hij of zij maar moet geloven dat het de beste is. In

ieder geval is het een definitie die door de meeste gezaghebbende

antropologen wordt onderschreven.

Cultuur is een systeem van betekenissen en symbolen dat ten gronde

ligt aan de wijze waarop mensen handelen. Cultuur verwijst daarmee naar wat

mensen leren, namelijk de betekenis van symbolen, en niet naar wat zij doen

en maken. Ik kom hier zo op terug.

Eerst zal ik kort ingaan op een tweede belangrijk begrip in de

antropologie en de sociale wetenschap in het algemeen: de samenleving. Een

samenleving is een speciaal soort sociaal systeem. Een sociaal systeem is

een verzameling van mensen die geregeld omgang met elkaar hebben. Te denken

valt aan een gezin en een fabriek; maar ook de Vlaamsgezinde en de

Fransgezinde gemeenschap in de Voerstreek vormen een ieder een samenleving.

Om een tegenvoorbeeld te geven: een cafÇ is geen sociaal systeem, tenzij

daar geregeld dezelfde klanten komen. Kenmerkend voor een samenleving is

dat het een sociale structuur heeft: een verzameling van sociale posities

die met elkaar verbonden zijn door herhaalde patronen van interactie. Merk

hierbij op dat niet steeds dezelfde personen hoeven op te treden. In een

fabriek komen en gaan personeelsleden, maar de sociale posities blijven.

Dus als cultuur een geordend systeem van betekenissen en symbolen is,

volgens welke de sociale omgang plaatsvindt, dan is het patroon van sociale

omgang zelf het sociale systeem. (Door de onderlinge wisselwerking tussen

cultuur en samenleving verkeren beide in een voortdurende staat van

verandering.)

Nog anders geformuleerd: cultuur is een fabriek van betekenissen en

symbolen aan de hand waarvan mensen hun ervaringen interpreteren en hun

handelen sturen; sociale structuur is de vorm die dat handelen aanneemt,

dat wil zeggen het feitelijk bestaande netwerk van sociale relaties.

Cultuur is tegelijkertijd een model van de wereld en een model voor de

wereld. Een model van de wereld wil zeggen: het is een interpretatiemodel.

We kunnen de wereld ermee begrijpen. Ideologieân en religies zijn

duidelijke voorbeelden van een model van de wereld, van hoe de wereld

werkt. Een model voor wereld wil zeggen: het is een handelingsmodel. Het

zegt ons hoe in de wereld te handelen. Ook hiervan zijn ideologieân en

religies duidelijke voorbeelden.

Zoals gezegd, is cultuur een systeem van betekenissen en symbolen.

Drie termen in deze zin verdienen meer aandacht: systeem, betekenis en

symbool. Het begrip systeem verwijst naar het onderlinge verband tussen

verschillende betekenissen en symbolen; naar hun wisselwerking of

wederzijdse beãnvloeding.

 

Hoe moeten de begrippen betekenis en symbool worden begrepen, en wat

is het verschil met gedrag? Om te beginnen zal ik dit duidelijk maken aan

de hand van taal. Door middel van taal dragen wij boodschappen over: dit

zijn de betekenissen. Die betekenissen zijn verbonden met letters, woorden

en zinnen: de symbolen. Die letters, woorden en zinnen spreken we uit of

schrijven we op: dit is gedrag.

Cultuur bestaat niet zomaar wanneer er betekenissen en symbolen zijn,

cultuur ontstaat wanneer die betekenissen en symbolen worden gedeeld door

diverse mensen. Dat cultuur gedeeld wordt, zal ik aan de hand van een

praktisch voorbeeld duidelijk maken. Dit voorbeeld zal tegelijk duidelijk

maken dat ook gedrag symbolisch kan zijn.

Neem de knippering van de oogleden. Dat kan een onvrijwillige

samentrekking zijn, een contractie. Het kan echter ook een bewuste

samentrekking zijn, een signaal van verstandhouding bij voorbeeld, dat een

knipoog wordt genoemd. Vanuit een zuiver fysisch standpunt bekeken is er

tussen beide knipperingen geen verschil: er vindt een samentrekking van de

oogleden plaats. Maar vanuit een cultureel perspectief gebeuren er twee

totaal verschillende dingen. De eerste knippering betekent niets, maar een

knipoog is communicatie, het overbrengen van een boodschap door middel van

symbolisch gedrag. De knipoog gebeurt (1) met opzet, (2) tot iemand in het

bijzonder, (3) om een bepaalde boodschap over te brengen, en (4) volgens

een gevestigde code. Het is een stukje symbolisch, dat wil zeggen

betekenisdragend gedrag, een flits cultuur.

Maar dit is nog maar het begin. Stel dat een derde persoon de knipoog

heeft gezien. Hij of zij vindt de knipoog onhandig en amateuristisch

uitgevoerd en parodieert de knipoog. Ook hij of zij zal de oogleden

samentrekken, maar in dit geval is het een knippering noch een knipoog. Het

is een parodie en wel opnieuw volgens een gevestigde code. Dit laatste wil

zeggen dat de omstanders de parodie begrijpen, ze delen de betekenis van de

laatste knipoog.

 

Ik ga nu nog een stap verder, waarbij ik uitkom bij mijn onderzoek in de

Voerstreek. In het voorbeeld van de knipoog ben ik ervan uitgegaan dat de

betrokken personen hetzelfde systeem van betekenissen en symbolen hanteren,

waardoor ze elkaar kunnen begrijpen. Ze maken deel uit van dezelfde

cultuur. Maar in de Voerstreek leven twee gemeenschappen die situaties

vanuit verschillende systemen van betekenissen begrijpen. (Merk op dat hun

culturen overlappen: zowel Frans- als Vlaamsgezinden begrijpen bij

voorbeeld het verhaal van de knipogen.) Ik zal proberen dit duidelijk te

maken aan de hand van wat jaarlijks op 11 juli, de Vlaamse feestdag, in 's-

Gravenvoeren gebeurt. Vlaamsgezinden wensen dat de Leeuwevlag aan het

gemeentehuis wordt uitgehangen. En als ik me zo uitdruk, krijg ik als

steevaste, enigszins emotionele reactie dat de wet voorschrijft dat die

vlag wordt uitgehangen, en dat is ook zo. Fransgezinden willen voorkomen

dat de Leeuwevlag wordt uitgehangen. Meestal draait het erop uit dat eerst

de Leeuwevlag of de Waalse Haan wordt uitgehangen en daarna de andere,

waarna nog de Belgische driekleur volgt.

Vier objecten lijken me hier van belang: de drie vlaggen en het

gemeentehuis. Het gemeentehuis is in deze vlaggenkwestie niet zomaar een

overheidsgebouw. Want de Fransgezinde postmeester van Sint-Martensvoeren

heeft vorig jaar de Leeuwevlag aan het postkantoor uitgehangen en geen haan

die er naar kraaide. Aan het gemeentehuis zijn er daarentegen wel jaarlijks

problemen met het uithangen van die vlag. Vanuit politiek oogpunt is dit

het belangrijkste gebouw van Voeren. Dat wil zeggen dat beide partijen er

hun stempel op willen drukken, of beter: hun vlag er op willen zetten.

Misschien zijn het Veltmanshuis en het Centre Culturel et Sportif voor

respectievelijk de Vlaams- en de Fransgezinden belangrijker. Maar beide

kampen maken geen aanspraak op elkaars gebouw. Met het gemeentehuis ligt

dat anders. Het gemeentehuis symboliseert Voeren en een vlag aan het

gemeentehuis symboliseert tot welk landsdeel Voeren behoort. De Leeuwevlag

betekent dat Voeren bij Vlaanderen hoort, de Hanevlag betekent dat Voeren

Waalse grond is en eigenlijk tot Walloniâ behoort. De Fransgezinden zijn

het oneens met de eerste betekenisverlening, de Vlaamsgezinden met de

tweede. De Belgische driekleur zou je op het eerste gezicht als een

compromis kunnen zien, maar dat lijkt me onjuist. Vanuit Vlaamsgezind

standpunt kan de driekleur betekenen dat hun stelling dat Voeren Vlaams is,

toch niet helemaal waar is. Vanuit Fransgezind standpunt kan het uithangen

van de driekleur een overwinning betekenen: we hebben de symbolisering van

het tweegevecht tussen het Vlaams- en Fransgezinde standpunt aan het

gemeentehuis enigszins in ons voordeel kunnen beslechten, want door die

driekleur is het Vlaamsgezinde standpunt 'Voeren is Vlaams' ondermijnd.

Voeren is niet Vlaams, kan men bij de Fransgezinden zeggen, want kijk maar

naar de driekleur: Voeren is ook Belgisch en dus minstens ook Waals.

 

Aan deze vlaggenkwestie en wat ik erover heb gezegd, valt een aantal

belangrijke zaken op. Ten eerste dat symbolen een sterke emotionele

uitwerking hebben, vooral als ze de inzet zijn van een controverse. Ten

tweede dat symbolen voor diverse mensen tegelijkertijd verschillende

betekenissen kunnen hebben. Ten derde dat een cultureel-antropologische

vertaling van zo'n vlaggenkwestie heel wat interpretatie veronderstelt en

daarmee een heikele onderneming is, waarbij je makkelijk in de fout kunt

springen. Ten vierde stelt het een bijzondere eis aan de beoefenaar van de

antropologie. Hij of zij kan de beschrijving, de analyse en interpretatie

niet vanuit de leunstoel in de huiskamer of de universiteit verrichten. Hij

of zij moet ter plekke zijn. Het is dit methodologische aspect van de

antropologie die haar het duidelijkst onderscheidt van andere sociale

wetenschappen. De antropologische methode bij uitstek is het veldwerk.

Veldwerk betekent een diep binnendringen van een meestal kleine

gemeenschap voor een lange periode, ongeveer een jaar. Door in zo'n

samenleving te leven en eraan deel te nemen, probeert een antropoloog haar

van binnenuit te leren kennen, te begrijpen. En niet van buitenuit, zoals

in andere wetenschappelijke disciplines de gewoonte is. Daardoor kan een

antropoloog zich van een onderzoektechniek bedienen waarover andere

wetenschappers niet beschikken, namelijk de participerende observatie, of

waarneming door deelname. Dit is niet noodzakelijk de meest gebruikte

onderzoektechniek. In samenlevingen als Voeren waar een groot deel van het

leven zich binnenskamers voltrekt, is deelnemende waarneming minder

veelvuldig toe te passen dan in landen waar het leven zich meer buitenshuis

voltrekt.

Andere technieken die gebruikt worden, zijn interviews,

archiefonderzoek, enquàtes en participerende documentatie. Participerende

documentatie of deelnemende documentatie is het bespreken van documenten en

foto's met informanten. Langs deze weg kunnen vaak verrassende thema's ter

sprake komen waar een onderzoeker tijdens het opstellen van zijn

interviewvragen niet op was gekomen.

 

Maar waartoe dient dergelijk uitgebreid onderzoek naar relatief kleine

verzamelingen mensen? In de antropologie is men niet uitsluitend

geãnteresseerd in het kleinschalige, in het bijzondere. Antropologie is

vooreerst een vergelijkende wetenschap waarin men door het vergaren van

gedetailleerd materiaal over soortgelijke verschijnselen tot algemene

uitspraken over die soortgelijke verschijnselen tracht te komen. Natuurlijk

heeft het specifieke onderwerp van onderzoek een belang in zichzelf. Ik wil

een afdoende verklaring opstellen over de oorsprong en de verdere

ontwikkeling van de tweespalt tussen de Vlaams- en Fransgezinden. Maar een

tweede doel is om op basis van een vergelijking tussen Voeren en

soortgelijke situaties elders in de wereld, meer algemene uitspraken te

doen over het ontstaan van etnische tegenstellingen, over de politieke

manipulatie van cultuurverschillen ten behoeve van nationalistische

ambities, en over hoe die cultuurverschillen al dan niet bewust worden

gecreâerd. De ambitie van de antropologie is, zoals mijn hoogleraar het

eens heeft gezegd, het begrijpen van kleine samenlevingen van binnenuit

naar buiten toe. Daarmee bedoelde hij naar mijn mening twee dingen: (1) het

gaat erom van het specifieke tot het meer algemene te komen, (2) het gaat

erom vanuit een studie van een kleinschalige samenleving, de wisselwerking

met de wijdere samenleving te analyseren en te verklaren. In mijn onderzoek

gaat het dan om een analyse en verklaring van het Voerense conflict in

relatie tot de meer algemene tegenstelling tussen Vlamingen en Franstaligen

in Belgiâ.

 

Volkskunde

Volkskunde is een onderdeel van de heemkunde. Volgens de Winkler Prins is

heemkunde "de studie van ... de eigen omgeving, in al haar aspecten, in

heden en verleden". Heemkunde beperkt zich dus niet tot de mens, de

volkskunde doet dat wel. Volgens diezelfde Winkler Prins is volkskunde de

studie van "zowel de geestelijke als de materiâle volkscultuur", en zijn

haar studieobjecten onder meer: volksgebruiken, volksgeloof,

volkswetenschap, volkskunst, volkstechniek enzovoorts.

Waar past de volkskunde binnen het grotere veld van de antropologie?

Binnen de antropologie en de wetenschap in het algemeen wordt een

onderscheid gemaakt tussen enerzijds de studie van de geestelijke

gemeenschapscultuur, folklore (letterlijk: de kennis van het volk), dat

binnen de antropologie niet als een specialisme wordt beschouwd, en

anderzijds de studie van de materiâle gemeenschapscultuur, etnologie

(letterlijk: de leer van de volken). Etnologen waren vroeger vooral

verbonden aan musea en veel minder aan universiteiten. Zij keken naar de

natuurlijke of gewone geschiedenis van stammen of tribale volkeren en naar

de historische banden tussen die volkeren. Langs die weg probeerden zij de

verspreiding van cultuurelementen over de wereld te verklaren. Antropologen

hebben zich hierop veel minder geconcentreerd; zij waren vooral

geãnteresseerd in algemene wetenschappelijke uitspraken over de cultuur en

het sociale gedrag mensen. Culturele antropologie heeft de etnologie als

belangrijkste tak van de antropologie in het algemeen verdrongen; de

moderne culturele antropologie is jonger dan etnologie. Het zijn dan ook

cultureel antropologen en niet etnologen die de belangrijkste en meeste

functies in musea en aan universiteiten bekleden. (In een bijlage heb ik de

diverse onderdelen van de antropologie weergegeven. "Culturele

antropologie" wordt op diverse niveaus van onderverdeling gebruikt. Het

herhaalde gebruik van deze term in het schema moet worden begrepen uit de

historische ontwikkeling van het vakgebied; in opeenvolgende fasen was het

steeds nodig een onderscheid te maken tussen culturele antropologie sec en

een specialisatie ervan. In het algemeen wordt de term "culturele

antropologie" gebruikt om het laagste specialisme in het schema aan te

duiden.)

 

De werkzaamheden van de meeste leden van de Heemkring Voeren en Omstreken

zijn volgens mij echter geen etnologische activiteiten in de betekenis die

ik zojuist heb aangegeven. Hun studies hebben een meer beperkte ambitie.

Het lijkt me daarom beter de werkzaamheden van enkele van hen te bekijken

en te zien hoe die zich tot de culturele antropologie verhouden.

 

Jaak Nijssen bestudeert kerkhoven en meer in het bijzonder

grafkruisen. Wie enigszins op de hoogte van mijn werkzaamheden is, weet dat

ook ik menige dag op kerkhoven heb doorgebracht. Theo Broers verzamelt

prentbriefkaarten, en hij heeft aan den lijve ondervonden dat ook ik daarin

geãnteresseerd ben. Theo Broers verzamelt ook landbouwwerktuigen; een

antropoloog die belangstelling heeft voor wat "de materiâle cultuur" wordt

genoemd, zou zich ook voor die werktuigen kunnen interesseren. Rob Brouwers

tekent streekverhalen op, en ook dat zou een werkzaamheid van een

antropoloog kunnen zijn. Toch durf ik te beweren dat wat Rob Brouwers doet,

geen beoefening van de antropologie is. Dit klinkt misschien wat pedant,

maar ik zal proberen mij nader te verklaren.

 

Als een antropoloog streekverhalen zou optekenen of die van Rob Brouwers

zou bestuderen, dan heeft hij of zij een of meer van de volgende oogmerken.

Ten eerste bestudeert een antropoloog verhalen uit diverse streken om te

achterhalen of er een algemene structuur in te ontdekken valt en hoe die te

verklaren is.

Ten tweede zou een antropoloog willen weten, wat een streekverhaal

- de opbouw, de woordkeus, de focus op bepaalde thema's, de afwezigheid van

andere thema's - zegt over de wijze waarop de schrijvers en vertellers van

de verhalen, andere facetten van hun bestaan waarnemen en waarderen.

Kortom, wat kan een antropoloog door middel van een streekverhaal leren

over de cultuur - de wereld van betekenissen en symbolen - van de mensen

die bij dat streekverhaal zijn betrokken?

Ten derde, door een analyse van wie wel en wie niet in de verhalen

voorkomen, kan informatie worden vergaard over de plaats van die personen

in de samenleving waarin het verhaal zich afspeelt. Hoe worden bepaalde

gezagsdragers beschreven en daarmee gewaardeerd? Wie wordt erin bespot, hoe

gebeurt dat en wat is de overeenkomst met het bespotten in werkelijkheid.

Ik kan nog een stap verder gaan. Veel verhalen worden mondeling

overgeleverd. Niet iedereen kent het verhaal even goed. Het verhaal was in

de eerste versie misschien anders dan in de tiende. Vragen kunnen dan zijn:

wie kennen het verhaal goed en wie minder goed, en wat zegt dit over de

verdeling van de controle over de inhoud van de verhalen? Wie is in staat

bepaalde elementen aan het verhaal toe te voegen en er andere aan te

ontnemen en wel op zo'n wijze dat die persoon er in het verhaal beter vanaf

komt? Hoe krijgt die persoon het gedaan dat zijn nieuwe versie geaccepteerd

wordt? Welke machtsbronnen gebruikt hij daartoe? Misschien circuleren er

verschillende versies van hetzelfde verhaal. Verschillen de mensen die die

versies vertellen, nog op andere punten: machtigen versus minder machtigen,

protestanten versus katholieken, mannen versus vrouwen, jongeren versus

ouderen? Dit soort informatie die in verhalen of het vertellen ervan

verborgen kan zitten, kan van cruciaal belang zijn om bestaande of

historische tegenstellingen en daarmee cultuurverschillen te traceren.

Rob Brouwers zou ook roddels kunnen verzamelen, en misschien doet hij

dat ook wel. Een volkskundige en een antropoloog kunnen beiden roddels

optekenen. Maar een antropoloog doet twee dingen die een volkskundige - in

de beperkte betekenis waarin ik dit begrip hier gebruik - niet doet, of in

ieder geval niet snel zal doen.

Ten eerste vraagt een antropoloog zich af, wie deel uitmaken van de

sociale circuits waarbinnen de roddels circuleren en wie niet. Langs deze

weg kan hij achterhalen wie wel tot bepaalde kringen behoren en wie ervan

worden uitgesloten. De volgende vraag zou dan zijn, waarom die uitsluiting

plaatsvindt.

Ten tweede vraagt een antropoloog zich af, wat de roddels vertellen

over de voorstellingen en waarderingen, over de betekenissen waarmee de

roddelaars hun wereld interpreteren en waarderen.

 

Conclusies

Natuurlijke kan een volkskundige ook doen wat een antropoloog doet, maar

misschien moet dan worden gezegd dat de volkskundige een antropoloog is

geworden. Hiermee bedoel ik dat het verschil tussen een volkskundige en een

antropoloog er een van gradaties is. Sterker nog: de werkzaamheden van

beiden kunnen overlappen. Maar dan nog blijven er twee belangrijke

verschillen. Dat zijn overigens geen essentiâle verschillen - ik geloof

niet in essenties - maar graduele verschillen. Volkskundigen en

antropologen zijn familie van elkaar en vertonen de gelijkenissen en

verschillen van familieleden.

Het eerste verschil is dat een volkskundige als hoofddoel de

beschrijving en/of verzameling van objecten heeft; een antropoloog tracht

tot algemene uitspraken te komen waarin het bijzondere en het algemene met

elkaar worden verbonden. Het is een verschil tussen naar verhouding meer

empirie en meer theorie: naar verhouding meer empirie bij de volkskundige,

meer theorie bij de antropoloog. Ik wil daarmee niet zeggen dat een

volkskundige geen theoretische bezigheden heeft. Ik bedoel dat hij minder

theoretische bezigheden kent dan een antropoloog, en opnieuw blijken we met

een familiegelijkenis en een gradatieverschil te maken te hebben.

Het tweede verschil is nauw met het eerste verbonden. Bij een

volkskundige zal de beschrijving en/of verzameling vaak een doel op

zichzelf zijn. Voor een antropoloog is de beschrijving en verzameling

meestal een middel om tot uitspraken te komen die de beschrijving

overstijgen. Opnieuw gaat het om gradaties. Ik kan mij goed voorstellen dat

er volkskundigen zijn die op hoger niveau van abstractie werkzaam zijn dan

sommige antropologen.

 

 

Mijn slotconclusie kan kort en eenvoudig zijn. De volkskunde zoals die door

de leden van de Heemkring Voeren en Omstreken wordt beoefend, neemt geen

aparte plaats in de antropolgie in. Het is geen antropologische

specialisatie, zoals bij voorbeeld wel de politieke antropologie en de

religieuze antropologie specialisaties zijn. Volkskunde is te localiseren

op het meer beschrijvende niveau binnen al die specialisaties, zonder

noodzakelijk theoretische oogmerken. Maar u mag het natuurlijk hartgrondig

met me oneens zijn.

 

 

Aanbevolen literatuur

Mart Bax (1988), Politieke antropologie in vogelvlucht. Amsterdam: VU

Uitgeverij.

(Dit boekje geeft een overzicht van zowel de ontwikkeling in de

theorievorming over kleinschalige politieke verhoudingen als van de

geschiedenis van de antropologiebeoefening in Nederland.)

 

Clifford Geertz (1973), The interpretation of cultures. Selected essays by

Clifford Geertz. New York: Basic Books, Inc., Publishers.

(Geertz, een Amerikaan, is een van de meest gezaghebbende antropologen van

deze tijd. Het lezen van dit boek vereist enige voorkennis.)

 

Robert M. Keesing (1976), Cultural anthropology. A contemporary

perspective. New York: Holt, Rinehart and Winston.

(Tot voor kort werd dit boek gebruikt tijdens de cursus "inleiding tot de

antropologie" voor eerste-jaarsstudenten aan de Universiteit van Amsterdam.

Het is een betrekkelijk eenvoudig boek, rijk aan illustraties.)

 

Jojada Verrips (1983), En boven de polder de hemel. Een antropologische

studie van een Nederlands dorp 1850 - 1971. Groningen: Wolters-Noordhoff

(Dit is een van de eerste antropologische studies die zich in Nederland

afspeelt. Het is een verklaring van de oorsprong van de splitsing tussen

Hervormden en Gereformeerden. Veranderingen in de plaatselijke

machtsverhoudingen en religieuze voorstellingen worden in verband gebracht

met maatschappelijke en religieuze veranderingen in de wijdere Nederlandse

samenleving. Lezenswaardig en leesbaar.)

 

Peter Kloos heeft een inleiding culturele antropologie in het Nederlands

geschreven. De titel is me ontschoten. Het boek in ongetwijfeld in iedere

goede boekhandel te verkrijgen.

Van zijn hand is, naar ik meen, ook het boekje Achter de coulissen,

over de problemen waarmee een antropoloog tijdens het veldwerk

geconfronteerd kan worden.

Noten

 

===Noten

 

*. Dit is een herziene versie van de voordracht die ik op uitnodiging van

de Heenikring Voeren en Omstreken onder de titel "Is volkskunde hetzelfde

als antropologie?" heb gehouden op maandag 13 april 1992 in Sint-Martens-

Voeren.

 

1. Een antropoloog zal kunst ook heel anders bestuderen dan bij voorbeeld

een kunstcriticus. Terwijl de laatste vooral het kunstobject bestudeert en

beoordeelt, concentreert de antropoloog zich meer op de produktie van

kunst. Een antropoloog zou zich de vraag kunnen stellen: welke politieke,

economische en culturele voorwaarden bepalen het succes of falen van

kunstprodukten? Om die vraag te kunnen beantwoorden, dienen weer andere

vragen te worden beantwoord: onder welke politieke constellaties gedijen

welke kunstvormen en waarom? (Denk aan het dadaisme dat ten tijde van het

fascisme als "entartete" kunst werd beschouwd; of aan het realisme dat

hoogtij vierde onder het Sovjet-regiem.) Welke kunstenaars hebben toegang

tot welke galeries en musea en welke mogelijkheden hebben deze om de

kunstprodukten te promoten? Wat is het kunstbeleid van een regering, welke

kunstvormen en -stromingen worden wel en niet gestimuleerd? Kennen sociaal-

demokratische regeringen een ander kunstbeleid dan christendemokratische of

liberale?

 

2. Ideologie en religie hebben veel overeenkomsten maar zijn niet

hetzelfde. In een religie staat de relatie tussen God en mens centraal, in

een ideologie de relatie van mens tot mens. Niet alle ideee~nsystemen zijn

even makkelijk in een van beide categorieèn in te delen. Het islamitische

fundamentalisme - en eigenlijk ieder religieus fundamentalisme - is een

religie die ook een politieke ideologie is geworden.