update: 2000 okt 05

D'r Koeënwòòf nr 05 (1991/2)

 naar Koeënwòòf 06

 terug naar / back to

D'r Koeënwòòf


INHOUD:

 

Léon Olislagers -- EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN (vervolg).... 25

Heemkring - UITZONDERLIJK TOEGANKELIJK IN VOEREN 1991.................... 28

Heemkring - EEN TENTOONSTELLING OVER ONZE EIGEN LAATSTE "ESKIMO'S".... 33

Servé Gubbels ---- 'T VREUGJAOR, gedicht................................... 38

Foto Moelingen hondskarren......38

Bep Mergelsberg ---- PUBLIKATIES............................................. 39

 

======

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN (vervolg)

 

Op 2 november 1756 werd in de kerk van Sint Maartensvoeren gedoopt Petrus (Peter) DOBBELSTEIJN (ook wel DOBBELSTEEN). Hij was echter in Sint Pietersvoeren geboren, als zoon van Johannes Dobbelstijn en Maria Heusschen.

 

Peter trouwde op 9 april 1782 met Anna Maria (Maria) DEBIE (ook wel de BIE, DEBEY of DEBIJ).

 

Maria was op 11 januari 1761 in Gulpen gedoopt, ze was een dochter van Jacobus Debie en Laurentiana Knops.

 

Na hun huwelijk woonden zijn aanvankelijk in Sint Pietersvoeren, daarna zijn zij enkele malen verhuisd, eerst naar Gulpen, dan weer terug naar Sint Pietersvoeren, daarna naar Amby en uiteindelijk in 1797 naar "Op het Cruts" (Hoogcruts).

 

In het schepenbankarchief van St. Pietersvoeren vond ik een aantal stukken over een klein familiedrama binnen dit gezin.

 

Op zondag 22 april 1792 ging Anne Marie Debye, de huisvrouw van Peter Dobbelstein, samen met Maria Catharina Meijs, de huisvrouw van Peter Heusschen, naar de vroegmis in de kerk van Sint Pietersvoeren.

 

Deze mis duurde, als gevolg van "ceremoniëen daers gehouden bij "t aennemen der jonkheid tot d'eerste H. communie", langer dan normaal.

 

Na de mis keerden de beide vrouwen weer gezamenlijk huiswaarts. Toen men bij het huis van Dobbelstein aankwam hoorden men binnen geschrei van een kind. Maria is toen direkt naar binnen gegaan. Toen Maria Catharina Meijs ook op het geschrei was afgekomen, zag zij binnen een klein meisje van ongeveer drie jaar op de schoot liggen van Maria. De kleren van het kind waren over de helft van het lichaam geheel verbrand. Een kwartier daarna is het kind op de schoot van haar moeder overleden, waarna Maria Catharina het dode lichaampje op het bed heeft neergelegd. Buiten de drie andere kinderen, waarvan het oudste ongeveer zes jaar was en het jongste ongeveer zeven maanden, was er niemand in huis.

 

Door de Officier van de Heerlijkeid werd een onderzoek gelast, er diende onderzocht te worden of de ouders schuld hadden aan de dood van hun kindje.

 

De schepenen Halvenwegh en Neven waren verantwoordelijk voor dit onderzoek (de grootvader van het overleden kindje was op dat moment ook schepen!)

 

Allereerst werd de hulp ingeroepen van de chirurgijn van Sint Maartensvoeren de heer Halleux. Deze rapporteerde op 23 april dat het "kind geheel verbrandt is geweest te weeten van sijne knijen tot aen sijnen hals Waer op De Doodt Heeft moeten volgen". De twee genoemde schepenen bevestigden dit nog eens.

 

Op 25 april werd Maria Catharina Meijs verhoord, zij vertelde het verhaal zoals hierboven beschreven. Uit de stukken blijkt verder dat het kind "bij een ongeluck door het vier aen den Stoven oven is koemen aftlijvigh te worden".

 

De justitie van Sint Pietersvoeren stelde verder vast dat de vader van het overleden kindje op de zondag van het ongeluk niet aanwezig was, daar hij "buyten dorps gegaen sijnde om eene bedevaart af te leggen".

 

De justitie konkludeerde uiteindelijk op 15 mei dat de ouders niet zo zorgeloos zijn geweest dat ze hun "menagie moetwilligh veronachtsaemen", doch dat de ouders niettegenstaande "gehouden zijn van meer voorsorge te draegen voor hunne kinders".

 

Op 13 juni 1792 besloot de landscommandeur van Aldenbiesen dat Peter Dobbelsteen vrij werd gesteld van straf, doch dat hij in plaats van de straf aan de armen van St. Pietersvoeren een bedrag van vijftig gulden diende te geven.

 

Dit gezin is vrij kort hierna naar Ambij verhuisd, daar heeft men echter slechts een korte periode gewoond, want vanaf 1797 woonde men reeds te Hoogcruts.

 

Op Hoogcruts was men herbergier en broodbakker. Uit de vele akten van koop en verkoop blijkt dat men daarnaast ook nog als landbouwer in het levensonderhoud voorzag.

 

De kwalitiet van het bier en de prijs daarvan dienden in die tijd ook al aan bepaalde voorschriften te voldoen, dit werd ook regelmatig door speciaal daarvoor aangestelde ambtenaren gekontroleerd.

 

In het gerechtelijk archief van Maastricht bevindt zich een proces-verbaal waarbij Maria betrokken was.

 

Op 22 november 1807 om tien uur 's morgens kreeg Maria in de herberg bezoek van een tweetal kontroleurs. Zij vroegen haar de vergunning voor de hektoliter "bierre rouge", welke zij reeds op 21 oktober 1807 bij haar in de kelder hadden aangetroffen en waarvan zij toen had beweerd dat ze deze was kwijtgeraakt.

 

Zij antwoordde dat ze bij haar brouwer Scherville was geweest voor de vergunning, doch deze had tegen haar gezegd dat de kontroleurs die maar bij hem moesten gaan halen.

Hierna zijn de kontroleurs in de kelder afgedaald en troffen het bier daar aan. Op 21 oktober hadden ze gekonstateerd dat de hoeveelheid voor 1/10 leeg was, nu peilden zij opnieuw en konstateerden dat de ton nu voor 8/10 leeg was.

 

Ze zeiden tegen Maria dat ze in overtreding was en dat ze zich genoodzaakt zagen een proces-verbaal op te maken, waarna ze zich zou moeten verantwoorden voor het gerecht in Maastricht. Zij deelden haar tevens mede dat de hoeveelheid "bierre rouge" in beslag genomen zou worden, doch gezien de hoge transportkosten kon ze volstaan met een borg van tien franken.

 

Op dezelfde dag werd ze nogmaals door de kontroleurs bezocht en werd haar een kopie van het proces-verbaal overhandigd. Op 11 juni 1808 vond de rechtszitting plaats. Tijdens deze zitting verklaarde Peter dat het hem niet zou verbazen als de kontroleurs zelf een gedeelte van het bier hadden opgedronken en dat er daardoor minder in de ton zat (!)

De rechter sprak Maria en Peter uiteindelijk vrij van het hen ten laste gelegde en veroordeelde de Dienst waartoe de kontroleurs behoorden tot betaling van de proceskosten.

 

In 1827 werden de meubelen van de herberg openbaar verkocht en enkele maanden later verpachtte men het huis voor drie jaar aan Maria Johanna Leruth, weduwe van Laurius Nelissen, herbergierster van Schilberg onder Noorbeek.

 

Peter en Maria zijn beiden eerst op hoge leeftijd overleden. Maria overleed op 75 jarige leeftijd op 25 januari 1836 te Hoogcruts en Peter op 87 jarige leeftijd op 4 april 1844, eveneens op Hoogcruts.

 

Uit de aangifte van zijn nalatenschap blijkt dat hij ondermeer twee huizen met tuin en boomgaard te Hoogcruts, tien bouwlanden en een wei naliet.

 

Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren:

 

1. Eva Maria, gedoopt op 25 december 1782 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Joannis Dobbelsteen en Eva Marie Neulers;

 

2. Mathieu, gedoopt op 20 november 1786 in Gulpen. Hij was landbouwer van beroep;

 

3. Anna Mechtilde, gedoopt op 8 juli 1789 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Matthias Debie en Maria Mechtilde Haecquin. Zij is reeds op 22 april 1792 in Sint Pietersvoeren overleden (zie hiervoor);

 

4. Marie Catharine, gedoopt op 10 september 1791 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren José Laurentius Dobbelstein en Marie Catharine Spronck. Ze was met Hendrik Delvaux uit Luik getrouwd;

5. Marie Elisabeth, gedoopt op 6 oktober 1793 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Sebastian Debie en Marie Elisabeth Dethiou;

 

6. Antoinius Henry, gedoopt op 21 nobember 1795 in Amby. Hij was landbouwer in IJzeren;

 

7. Nicolaas, gedoopt op 3 oktober 1797 in Noorbeek. Hij trouwde op 13 juni 1822 in Mheer met Johanna Catharina Munnix. Op 26 augustus 1867 is hij in Mheer overleden; De afstammelingen van deze tak van de familie Dobbelstein wonen thans nog steeds in Mheer

 

8. Johannes Josephus, geboren op 26 december 1800 op Hoogcruts.

 

Léon Olislagers oét Groéselt

 

 

UITZONDERLIJK TOEGANKELIJK IN VOEREN 1991

 

Op 26 mei en 2 juni 1991 werden, in het raam van de aktie "Uitzonderlijk Toegankelijk", de kerken van Sint- Martensvoeren, Sint-Pietersvoeren, De Plank, Teuven en Remersdaal voor het bredere publiek opengesteld. Dat was ook het geval met het voormalige Kapittelhuis van Sint- Martensvoeren (nu Kultureel Centrum "Het Veltmanshuis"). De belangstelling was bemoedigend. Op 20 oktober komen de kerken van 's-Gravenvoeren en Moelingen aan de beurt. "Uitzonderlijk Toegankelijk" is een verwezenlijking van de gewestelijke VVV "De Voerstreek", die hiervoor de medewerking kreeg van de Parochiegeestelijkheid, de Gemeentelijke Kulturele Raad, het Davidsfonds Voeren, het Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap en onze Heemkring.

 

Wij namen op ons om voor elk bouwwerk een tekstblad op te stellen (1/3 A4, tweezijdig). Daarvoor werd de literatuur op een enigszins systematische wijze doorgenomen. Het resultaat van die opzoekingen werd uiteraard bewaard. Het is de bedoeling dat de tekst in de verschillende gebouwen ter beschikking wordt gesteld van de bezoekers, ook na de uitzonderlijke openstelling. Bovendien waren leden van onze kring aktief als gids bij het bezoek van de gebouwen en de kerkhoven.

 

Hierbij de teksten voor Moelingen en 's-Gravenvoeren, die opgesteld werden met medewerking van pastoor Stienaars.

 

+ +

 

De kerk van MOELINGEN

+ +

 

LIGGING. De kerk is vrij juist geografisch georiënteerd. Het stratennet is duidelijk door de kerk beãnvloed: de weg loopt er met een wijde boog omheen. De oorlog 14-18, die Moelingen zo zwaar trof, heeft ook dit plein ingrijpend gewijzigd: het W-deel van het huidige kerkhof en plein was vòòr die tijd een hoeve!

 

De drie geledingen van de voorstaande toren (beschermd monument KB 3.8.1956) zijn door waterlijsten gescheiden; de huidige klokken-verdieping (in blauwe steen) is een jongere toevoeging. Op basis van het ruwe metselwerk beschouwt men de oudere delen van de toren als ROMAANS en dateert men hem tussen 1000 en 1250 (4). De toevoeging kan, gezien het materiaal, even oud zijn als het middenschip. BAROKKE ingangsdeur en venster. Achtkantige, ingesnoerde spits.

Arduinen (in principe basilikaal) SCHIP van drie traveeën, in MAASGOTIEK, met typische kapitelen, zoals men die ook aantreft in Weerst (Warsage), Breust, Eijsden en Noorbeek. Er waren waarschijnlijk hoogvensters. Van dit schip is aan de buitenzijde een strook zichtbaar, boven het dak van de zijbeuk. Dergelijke gotiek dateert men rond 1300-1400 (6).

 

Het koor van een travee met drievlakkige sluiting, de zijkapellen, het transept en de noorder-zijbeuk werden in 1906-07 NEOGOTISCH gebouwd door architekt Math. Christiaens van Tongeren (8). Van het oude koor hebben we geen afbeelding, wel een plattegrond (kadaster). Het koor sloot direkt aan bij het huidige schip, en was 7 meter lang. De zuider-zijbeuk is in BAROK metselwerk, baksteen met mergelstenen vak-indeling; de vensters werden echter bij de ingreep van 1906-07 neogotisch omgewerkt.

 

Koor, transept en middenschip zitten nu onder een gemeenschappelijke KAP, de zijbeuken hebben een eigen lessenaardak. Van op de zolder van het middenschip zijn de aanzetten van het vroegere, hogere, plaasteren gewelf zichtbaar. Het huidige stucgewelf heeft een alliantiewapen Hans-Willem v. Kerkem (+1710) en Barbara van Gulpen (+1735); zij waren heren van Berne (Berneau) en tienden-heffers in Moelingen (2, 3). De ROKOKO-versiering moet later zijn aangebracht dan de heraldiek; stucgewelven van de zijschepen: N: Ten-Hemel- Opneming van Maria met twee engelkopjes; Z: ongedefiniëerd wapen en monogrammen van de O.L.V. en Sint Jozef.

 

GESCHIEDENIS. In Moelingen wordt een pastoor vermeld in 1178

(1), binnen de bouwperiode van de toren dus.

KERKGEMEENSCHAP. De kerk is gewijd aan O.-L.-V.-Ten-Hemel- Opneming; Sint Rochus is de 2e patroon. Voor velen is deze kerk een centrum voor hun religiositeit; het wordt tevens in sociaal opzicht als het centrum van het dorp ervaren; een waaier van verenigingen is in verschillende mate kerkgebon- den. De parochie wordt, lijk 's-Gravenvoeren, bediend door pastoor Stienaars. Uurregeling van de missen: VVV.

 

MEUBELS en BEELDEN

 

De eiken biechtstoelen zijn 18e eeuws, rokokko; de eiken credenstafel uit de 2e helft van de 18e eeuw. Het blad van dit tafeltje is jonger (5).

 

De hardstenen doopvont is een herbruikt deel van een bouwwerk en stamt uit de 17e eeuw (5).

 

In het kerkportaal Kruisbeeld met korpus uit de 16e e.? (5)

 

In de sakristie een gepolychromeerd houten beeld van O.-L.- Vrouw, uit de 19e eeuw. De kerk bezit een gekleed O.L.- Vrouwebeeld, dat jaarlijks meegedragen wordt in de processie. Bij dit beeld horen er kronen, een wereldbol en een skepter.

 

Orgel uit de 2e helft van de 19e eeuw (5).

 

In de sakristie twee fragmenten van glasramen (3): a) 1575, alliantiewapen Vlodrop - Bylant (gedeeltelijk onjuist!), voor Catharina v. Vlodrop geb. v. Bylant en haar zoon Wil(lem), heer van o.a. Rijkholt en van 1/3 van de tienden in Moelingen, (letterlijk) strijdend protestant (7); b) 1715, alliantiewapen van Baron Arnoldus Balthazar de Rykel, heer van Moelingen en Elven, en echtgenote Barones Johanna Philippina d'Oestrum (zie ook rouwkas).

 

In de vloer liggen er onder de vloerbekleding drie GRAFSTENEN (17e en 18e eeuw); rechts vòòr in de kerk een moderne marmeren gedenkplaat met wapen Janssen. Een ROUWKAS (de Rijckel, 1728, 3) is al sinds enkele decennia verdwenen.

 

Op het KERKHOF is slechts één, onbeschreven, oud stenen grafkruis bewaard gebleven; tot vòòr enkele jaren was er nog een 18e eeuws aanwezig.

--------

(1) Cartulaire St. Paul, BSAHL tome 1, p. 168; (2) Simenon G. 1939, Visitationes; (3) Belonje J. 1961, Gedenkwaardigheden; (4) Timmers J.J.M. 1971, Kunst Maasland I (5); Geukens 1975 Fotorepertorium; (6) Timmers J.J.M. 1980, Kunst Maasland II. (7) De Hervorming in Limburg, een Voerens commentaar bij een tentoonstelling 1985, p. 14-15; (8) Oude Land van Loon 1985. Tekst: Heemkring Voeren e.o, mmv. Toine Timmers. 1991.

 

+ +

De kerk van 's GRAVENVOEREN

 

+ +

LIGGING. De kerk is vrij juist geografisch georiënteerd. Haar inplanting wijkt opvallend af van die van de omgevende straten en huizen. Tot in de dertiger jaren had ze nog haar kerkhof: tussen dit en de huizenrij (met huidig VVV-kantoor) bleef er slechts een weg van 5 m breedte over. Het dorpsplein, 'D'r Plei', strekte zich slechts uit van aan het koor tot aan de brug over de Voer bij het Jezuietenhof.

 

Voorstaande TOREN van één geleding uit arduin en drie ver-dere geledingen uit mergelsteen, gescheiden door kordons; achtkantige, ingesnoerde SPITS. Bakstenen pseudo-basiliek (1782-1786: 5) met SCHIP van 5 traveeën. KOOR van 2 travee-ën en een drievlakkige sluiting. Koor en schip zitten onder een gemeenschappelijk KAP. INTERIEUR: houten tongewelf.

 

GESCHIEDENIS. In 1083 schenkt de graaf van Luxemburg de kerk van 'Furen' aan het Benediktijner Munster van die stad (5). In 1262 wordt de pastoor van 's-Gravenvoeren vermeld, meteen de oudste ons bekende tekst waarin dit dorp met zijn volle naam wordt genoemd (2).

 

Het is normaal dat er pas een onder-scheid gemaakt wordt tussen 's-Gravenvoeren en de andere Voerens, als Voeren werkelijk uit meer dan één deel bestaat; Sint Pieter en Sint Marten worden pas in 1254 vermeld. Uit 's-Gravenvoeren ontstonden aan de parochies Mheer, Noorbeek, Weerst (Warsage) en Aubel (3). In 1616 verkoopt het Munster zijn Voerense rechten aan de Jezuieten van Maastricht (5).

 

BOUWGESCHIEDENIS. Het huidige kerkgebouw bewaart geen zichtbare sporen van een zeer oude kerk. De romaans aandoende bogenfriezen van de toren zullen niet ouder zijn dan de gotische konsooltjes waar ze op rusten; ze zijn het produkt van architekturaal konservatisme (4). Dat er van een oudere kerk niets is overgebleven ligt daaraan, dat er geld genoeg was om tot venieuwing over te gaan. De torenspits werd ca. 1600 gerestaureerd (5). Het huidige kerkschip met koor is gebouwd door de Antwerpse bankier J. B. Cogels, die de Jezuieten was opgevolgd nadat hun orde in 1773 was opgeheven. De bakstenen werden ter plekke gebakken, en de kerkdiensten vonden plaats in de tegenoverliggende hoeve 'de Posthoren' (gevelsteen 'CORNET 1777') (7).

 

KERKGEMEENSCHAP. St. Lambertus-kerk; traditionele devotie tot Sinte Barbara. De kerk is een centrum van religiositeit en wordt tevens in sociaal opzicht het centrum van het dorp ervaren, dat ook de buurtschappen Schoppem, (Alten)Broek e. a. omvat; van de kerk gaat de jaarlijkse processie uit; meerdere verenigingen zijn in verschillende mate kerk-gebonden. De parochie behoort tot het bisdom Hasselt (1967) en tot het dekanaat Voeren; ze wordt, zoals die van Moelingen, bediend door pastoor Stienaars. Uurregeling van de missen: VVV. Barok HOOFDALTAAR, laat-18e e.(5), met Calvarie-schilderij en, in de altaartafel, een marmeren "Laatste Avondmaal". Twee engelen staan op wacht, soldaten van de nieuwe strij-dende kerk van de Contra-Reformatie. De gepoly-chromeerde houten Madonna in het N-ZIJALTAAR (1e kwart 18e e.: 4), met invloed van de Luikse beeldhouwer Jean Delcour, is enkele tientallen jaren ouder dan het altaar. 18e eeuws Z-zijaltaar met altaartafel 'het huwelijk van Maria en Jozef'. De 3 al-taren zijn afkomstig van de St. Madeleine-kerk te Luik (6).

 

MEUBELS. Biechtstoelen uit de 17e e. De bewaarde delen van de kommuniebank, met biechtstoelen voor hardhorigen, zijn laat- 18e eeuws evenals de eiken kerkbanken (5). De weelde-rige preekstoel (4e kwart 18e e.: 4) komt ook uit St. Made-leine te Luik (6); hij toont in reliëf bustes van de vier evangelisten. Op het klankbord met een duif (H. Geest) en een beeld van de Aartsengel Michaël die de Duivel vertrapt.

 

Neogotische DOOPVONT met als voetstuk (13e e.: 4), een maasgotisch kapiteel. De smeedijzeren kroon erboven (4e kwartaal 18e e.?: 4) zou een geschenk zijn van de parochies Noorbeek en Mheer nadat ze zelfstandig waren geworden (6). Een biezonder 18e eeuws wijwatervat is te zien links achter in de kerk, aan een van laatste kerkbanken.

 

De BEELDEN van de HH Lambertus, Servatius, Antonius van Padua (1651), O.L.Vrouw (1707) en Barbara (1720) komen vermoedelijk nog uit de oude kerk (1, 6).

 

Een beeld van de H. Rochus uit 1628 "opgericht ter oorzake van de peste", is sinds ca. 1965 spoorloos (6). Krucifiksen uit de 16e en de 17e e., één boven het koor, één rechts achter in de kerk.

 

De 14 grote kleurVENSTERS (1906-1908) mèt het schilderij van het hoofdaltaar stellen de 15 mysteries van de H. Rozenkrans voor. De vensters werden geschonken door notabelen uit die tijd. Wapen de Schiervel van Altenbroek (twee klaverbladen)

 

ORGEL (Peerboom & Leyser, Maastricht, 1875), vervangt een instrument dat uit klooster Hoogcruts kwam (1803: 6).

Oude stenen GRAFKRUISEN (17e en 18e e). Een drietal fragmen- ten van GRAFPLATEN die her en der in het dorp voorkomen zul- len wel uit de kerkvloer afkomstig zijn. PASTORIE met chro- nogram 'LaUs sUperIs Cerno DeViCtIs hostIbUs orbeM (1774): 'Ik ontwaar godzijdank een wereld waar de vijanden verslagen zijn' (zinspeling op de pas opgeheven Jezuietenorde?)

--------------------

(1) Parochieregister 1824; (2) Ernst, S.P. 1847. Histoire Limbourg VI p. 259; (3) Simenon G. 1939, Visitationes; (4) Timmers J.J.M. 1971. Kunst Maasland I, p. 161; (5) Geukens B. 1975. Fotorepertorium; (6) Brouwers Rob. Voeren Aktueel 1986 nr. 4 en pers. mededeling; (7) Leersen J.TH. 1989 Notitieboek pastoor d'Affnay.

 

 

EEN TENTOONSTELLING OVER ONZE EIGEN LAATSTE "ESKIMO'S".

 

Voor informatie kunt u terecht bij: J. Nijssen, Veurzerveld 28a, B-3790-Sint-Martensvoeren tel. (041) 81.03.11

 

Van 13 juli tot 18 augustus zal in de Provinciale School in Voeren de tentoonstelling "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas" te bewonderen zijn. Deze tentoonstelling is een realisatie van het Provinciaal Gallo- Romeins Museum van Tongeren. De Provinciale Scholen Voeren en de Heemkring Voeren en omstreken verleende hun medewerking en werden ondersteund door de Gewestelijke VVV Voerstreek, de "Gidsenkursus Voeren", het Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap "het Veltmanshuis", Voeren en de Gemeentelijke Kultuurraad Voeren.

 

De tentoonstelling is gewijd aan de Magdaleniaan-mensen en wil vooral de levenswijze van deze vroege bewoners van onze streken voor de geest roepen, veeleer dan een technische uitstraling van de gevonden voorwerpen te presenteren. Heel bijzonder is natuurlijk dat deze tentoonstelling onder meer handelt over mensen die ca. 12.000 (!) jaar geleden in MESCH de lokale vuursteen de "Stenen Berg" opdroegen om hem daar te bewerken, en meteen van daaruit de tocht van de rendieren te observeren. De aanleiding tot de inrichting van deze tentoonstelling in Voeren ligt dan ook in de veronderstelling dat de rendierjagers die ooit Mesch bezochten, waarschijnlijk ook wel eens voet op Voerense grond hebben gezet.

 

Wij nodigen u dan ook uit om, eventueel samen met uw kinderen, uw eigen laatste "eskimo' " te komen bekijken. Als versteend zitten zij in ieder geval elke zaterdag- en zondagmiddag van 14.00 u. tot 18.00 u. en tussen de bovengenoemde data te wachten om ons te tonen wat vakmensen in onze tijd over hen aan de weet zijn gekomen. De toegangsprijs bedraagt 30 fr. of f1,50. Kinderen onder de 12 jaar kunnen gratis binnen. Voor groepen gelden speciale tarieven en zijn ook andere openingstijden mogelijk. Gidsen kunnen een rondleiding verzorgen. Hiervoor kunt U kontakt opnemen met het VVV de Voerstreek (tel. 041/81.07.36).

 

HET KLIMAAT VOOR EN NA EN TEN TIJDE VAN HET MAGDALENIEN.

 

Verschillende keren werd het in Europa zo koud dat er zich in de bergstreken grote ijskappen konden vormen. Deze ijstijden werden afgewisseld door perioden met een warmer klimaat, vergelijkbaar met het huidige of zelfs nog milder, zodat het ijs weer grotendeels smolt. Voor onze streek is het pleistoceen een zeer belangrijk tijdperk geweest. In de voorafgaande miljoenen jaren waren de fundamenten van het gebied gelegd, in het pleistoceen echter kreeg het landschap zijn huidige vorm. Toen werden de dalen gevormd door de uitschurende werking van het smeltwater. (1) Toen het klimaat, ca. 12.000 jaar geleden gunstiger werd, week de toendra voor schaarse berken, naalbomen en wilgen. In dit landschap zwierven de mensen van het Magdaleniaan-volk rond.

 

HET KWARTAIR.

geologische tijdschaal. (2) De Magdaleniaan-mensen of de rendierjagers.

 

De aanwezigheid van de rendierjagers in Noord-oost België en Zuid-Nederland moet gesitueerd worden tussen 13.000 en 10.000 voor Christus. Exacte gegevens hebben we hierover niet door het ontbreken van dateerbare resten (houtskool of ander organisch materiaal). In die periode was het in onze streken nog koud, alhoewel we toen aan het begin stonden van de geleidelijke klimaatsverbeteringen. De rendierjagers hadden veel meer met ons gemeen dan de Neanderthalers, die daarvoor deze streek bewoonden. Ze leefden in een open landschap waarbij we onze streken moeten voorstellen als een arctisch gebied met hier en daar wat berken, vaak dwergberken en dennen. De fauna bestond vooral uit rendier- en paardenkudden waarop dan ook druk jacht werd gemaakt. Deze dieren konden voorzien in heel wat voedselbehoeften van de mens en leverden hem ook andere grondstoffen als hoorn, been, huiden en pezen. Verder kon de mens ook gebruik maken van kruiden en wortels. De rendierjagers kwamen oorspronkelijk uit Frankrijk, waar ze de meest verfijnde prehistorische kunst voortbrachten. Al snel gingen ze ook het Duitse Rijnland bewonen, van waaruit ze ook soms onze streken bezochten, op zoek naar goede vuursteen. We mogen onze streken - tenminste in de huidige stand van het onderzoek - dus zeker niet zien als een permanent bewoond gebied, maar eerder als een streek waar men regelmatig naar toe trok om aan goede grondstoffen te geraken. Dat ondertussen ook aan jacht werd gedaan moge duidelijk zijn.

 

Hoewel onze streken slechts een randgebied waren, zijn de vondsten daarom niet minder sprekend: al de opgegraven sites leverden meerdere duizenden vuurstenen voorwerpen op. De tot nog toe opgegraven sites liggen steeds op een plateau met goed uitzicht op de omgeving - de jacht op rendieren zal hier zeker van belang zijn geweest - en meestal met goede vuursteen in de onmiddellijke nabijheid.

 

INDELING VAN DE STEENTIJD IN Z.-LIMBURG EN OMGEVING.

(3)

 

Over de jacht hebben we weinig direkte gegevens door het ontbreken van organisch materiaaal. Waarschijnlijk maakte men gebruik van spreekdrijvers zoals vele "primitieve" volkeren dit heden ten dage nog doen. Kunstuitingen kennen we evenmin in onze streken, doch we mogen veronderstellen dat organisch materiaal hiervoor soms gebruikt werd. Vuursteen uit onze streken werd terug gevonden in het Duitse Rijnland: misschien namen de rendierjagers het zelf mee naar deze gebieden, maar misschien werd deze grondstof ook verhandeld zoals dat ongetwijfeld het geval was met vele schelpensoorten. Wanneer de laatste rendierjagers hier verbleven is voorlopig nog niet duidelijk. Rond 10.000 voor Christus lijken ze van het toneel verdwenen: het klimaat werd milder en de begroeiing weelderiger, waardoor de rendieren waarvan ze zo afhankelijk waren geleidelijk aan naar het noorden trokken. De tijd was nu rijp voor een permanente bewoning van onze gebieden door mensen die zich wel aan het gewijzigde milieu hadden weten aan te passen.

 

(Overgenomen uit de katalogus van de tentoonstelling "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas". p. 9)

 

VUURSTEENBEWERKING TEN TIJDE VAN DE RENDIERJAGERS.

 

Tijdens het midden-paleolithicum werd vooral gewerkt op basis van afslagen. Na bewerking werd de vuursteenklomp het werktuig. Vuistbijlen van onze Neadertalermens zijn hiervan een bekend voorbeeld. Tijdens het jong- of boven-paleolithicum ontwikkelde zich echter de kling-techniek. De rendierjagers maakten dus hun werktuigen van speciale stukjes vuursteen, de klingen, die ze van de vuursteenklomp afsloegen. (4) Deze klingen zijn minimaal dubbel zo lang als breed en hebben dus min of meer de vorm van een mes. Voor het aanmaken van de Magdaleniaan-klingen had de prehistorische mens goede vuursteen nodig, een reden waarom hij in onze streken doordrong. Bij de klingtechniek vertrekt men vanuit de vuursteenknol die meestal met een klopper uit rendiergewei van de ruwe buitenkant wordt ontdaan ("ontschorst"). Op de ruwe vuursteenkern wordt na enkele elementaire voorbewerkingen een schuin, plat vlak aangebracht, het slagvlak. Dit vlak wordt verder nog voorbereid door kleine afslagjes. Daarna worden er meestal met een tussenstuk uit gewei, klingen van de kern afgeslagen. De Magdaleniaan-klingen konden een lengte van wel 20 cm hebben. Tenslotte kunnen er dan "retouches", dit zijn in feite kleine miniem afslagjes, aangebracht worden om er een werktuig van te maken. Zo kennen we de eindschrabbers voor het schrapen van huiden, boren om gaatjes in huiden te boren voor het maken van kledij en stekers voor beenbewerking of om te graveren. Er zijn aanduidingen dat een aantal klingwerktuigen op een houten steel werden bevestigd, wat hun bruikbaarheid zeker vergrootte. (5)

 

Hoe de prehistorische mens zijn werktuigen precies maakte zal op zondag 14 juli van 14 tot 15 uur door J. Janssens gedemonstreerd worden.

 

BRONNEN.

 

1. Ontdek het Mergelland. Eindredaktie P.J. van Nieuwenhoven. Een uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de VARA. p. 40-41.

2. idem, p. 40.

3. idem, p. 162.

4. Rendieren gesignaleerd langs Voer en Jeker, J. Nijssen in: Voersprokkels, zomer 1991.

5. Overgenomen uit de katalogus "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas", J. Creemers en J. Janssens, p. 23.

 

 

Foto Moelingen hondskarren: reproduktie van een foto uit ca. 1895 gemaakt door de amateur- fotograaf Barbay. De foto werd genomen ter gelegenheid van de september- kermis in Moelingen. Toen was het een traditie om een 30- tal honkskarren met de daarbij behorende hond te versieren en daarmee een rondgang door het dorp te maken. Na 1914 (WO 1) werd dit niet meer gedaan

 

===

 

 

 

'T VREUGJAOR

 

't Is oethòòt, 't is vreugjaor, 't is lente

Um is d'r weenter mit al z'n ellende

Tòch how d'r weenter òch ziene sjoene kaant

Zoe èè sjnieëlaandsjap in òs Limburgs laand

En mit 'ne iespegel an eder tekske

Haad 't hie òch minnig sjoen plekske.

 

't Werdt oethòòt zagge vreuger de owwer luuj

Dat waoërd versjteunt ze noe neet mie, de jeugd van huuj

't Hòòt van d'r litste sjtòk is alwer gefagkt

Da werre de wieje hieël good sjoen gemakt

En es ze dat sjoen gemaks verbranne geunt

Ruukt dat zoe lekker es wen-t-ze vlaai an 't bakke zeunt.

 

't Werdt vreugjaor, 's mórgens huur-s-te de väöegelkes wer zinge

Hie en dao ziet me in de wèjje al e lemke sjpringe

Tósje de brieëme ziet me òch e viuulke sjtaoë

De kettekes in d'r graaf beginne òch al òp te gaoë

Me deenkt, es me die dinge allemaol ziet

Goddaank, d'r weenter zeunt v'r noe wer kwiet.

 

't Is lente, sleutelbloem en madeliefje gaan weer bloeien

Zelfs 't kleinste plantje begint opnieuw te groeien

Vogels, groot en klein gaan hun nestje weer bouwen

Overal zie je ze met takjes sjouwen

Ook de mens voelt de lente in zijn bloed

We beginnen het leven weer met nieuwe moed.

 

Servé Gubbels (Noorbeek)

 

 

PUBLIKATIES

 

De oudste stenen grafkruizen van het Maasland, door onze voorzitter Jaak Nijssen, in Liber Amicorum Prof. Dr. Jozef van Haver. 1991, blz. 263.

 

Het kruis aan het "Kattebreukske", door ons medelid Léon Olislagers, in Grueles, jrg. 11 nr. 2, blz. 109.

 

Het "dialekten"-boek "Kroesels op de bozzem". Het boek dat uitgegeven werd bij gelegenheid van de Nederlandse dialektendag op 16 maart j.l. in Den Bosch. De uiteenzettingen die tijdens deze dag, door o.m. de Gentse hoogleraar J. Taeldeman, zijn gehouden, zijn in dit boek opgenomen.

 

In "De Standaard" van 18 maart 1991 werd aan de lezing van Taeldeman ruim aandacht besteed. Hij beweert dat de teloorgang van het "dialekt" in Vlaanderen duidelijk samenhangt met de opgang van de Standaardtaal. Volgens hem heeft men de Standaardtaal gepropageerd ten koste van, in plaats van naast het "dialekt", terwijl het eigenlijk twee kodes zijn die (beide?), afhankelijk van de situatie, kunnen en perfekt aanvaardbaar zijn.

 

Waarom de organisatoren van de "dialekten"-dag en bijvoorbeeld de "dialektoloog" Taeldeman nog steeds het begrip "dialekt" gebruiken, blijft mij een raadsel. Een "dialekt" is een taal die verschilt (afwijkt) van de landstaal (de norm), staat in de Van Dale. Het Limburgs wordt dus door het gebruik van het begrip "dialekt" gedefinieerd als: afwijkend van de norm, de Standaardtaal. Alle zoogdieren die géén paard (de norm) zijn zou men in deze redenering een "niet-paard" (afwijkend) moeten noemen. Het Limburgs is echter een taal die zelfstandig gegroeid is uit vroeger talen, net als die Standaardtaal. Ik zou dan ook kiezen voor de term "streektalen" als men alle talen van een land, behalve de Standaardtaal in één begrip wil vatten.

Beide talen, de Standaardtaal en het Limburgs bijvoorbeeld

zijn voortgekomen uit een gemeenschappelijke grondtaal en kunnen in die zin allebei een West-germaans dialekt genoemd worden. Met deze laatste betekenis van de term dialekt kan ik wel akkoord gaan.

 

Verder vindt men in dit boek de per regio samengestelde "dialektwoorden-top-tien.

 

U kunt dit boek aanschaffen door overmaking van 550 Bfr. (incl. verzendkosten) op CERA-banknummer 730-1402526-96 (t.n.v. A. Dams) ook met de vermelding "Kroesels".

of

door overmaking van f27,50 op Rabobanknummer 1557.33.303 te Waalre (gironummer bank: 1093179) onder vermelding van "Kroesels".

 

De Voerstreek. Een zomer lang zwerven en tekenen in de Voerstreek, door Roelof Warrink. Van Spijk Antwerpen 1991.

Plaatsnamen Sint-Martensvoeren, door Jaak Nijssen. Overdruk uit HEEM, tweemaandelijks tijdschrift voor Overmaas. (1959- 1961)

 

Bep Mergelsberg.

 

====

 

MET DANK AAN :

 

TOTENBERG kantoormachinebedrijf (Maastricht) voor het gratis ter beschikking stellen van 3 printerlinten.