update: 2000 okt 05

D'r Koeënwòòf nr 04 (1991/1)

 naar Koeënwòòf 05

 terug naar / back to

D'r Koeënwòòf


REKTIFIKATIE.- Van de in "D'r Koeënwòòf" nr. 3 op blz. 30 afgedrukte Tirailleur march is de trio door ondergetekende foutief verbeterd. Hieronder de juiste maatverdeling. Met dank aan de heer Jean Lorquet. D'r Lèj va Merregraote.

====

INHOUD

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN - .......... 01 - 03

SJPE'LDER EN SJPAELE - Louise Reestman - Jaak Nijssen - .......... 04 - 11

LIMBURSE. HERFSE KAAS - Jaak Nijssen - .......... 11 - 14

VOERENS PAPIER - Jaak Nijssen - .......... 15 - 17

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning - Bep Mergelsberg - .......... 17 - 18

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN - Bep Mergelsberg - .......... 18 - 20

STAND OVER STROPERIJ - Bep Mergelsberg - .......... 20 - 21

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN- .......... 21 - 22

PUBLIKATIES- .......... 22

ZOEëRM0OS KINT ME EEGES MAKE ! - Bep Mergelsberg - .......... 23

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL - .......... 24

AGENDA - .......... 25

======

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN

 

Tijdens een genealogisch onderzoek van de familie Dobbelstein kwam ik ook in Sint Pietersvoeren terecht. Hieronder een samenvatting van de door mij verzamelde gegevens over de periode dat de familie Dobbelstein in Sint Pietersvoeren heeft gewoond.

 

Volgens het kerkregister trouwde in 1748 (datum niet vermeld) in Sint Pietersvoeren Johannes (Jan) DOBBELSTEIJN en Maria HEUSSCHEN.

 

Jan was op 14 maart 1723 in Teuven geboren, hij was een zoon van Laurentius Dobbelsteijn en Elisabeth Vanderlip(pe).

 

De geboortedatum van Maria heb ik niet kunnen achterhalen, wèl vond ik in het schepenbankarchief Sint Pietersvoeren (register 33, Rijksarchief Hasselt) volgende kant-en-klare stamreeks van haar voorouders:

* ouders: Peter Heusschen en Maria Heijmans (zij woonden aen `t Velt" Sint Pietersvoeren)

* grootouders: Matthijs Heusschen en Maria Coumont;

* over-grootouders Jan Heussohen en Maria Bergenhousen (laatstgenoemde is na het overlijden van Jan getrouwd met Frans Franssen).

 

Jan en Maria hebben de eerste jaren van hun huwelijk in Eijsden gewoond. Zij hadden daar een grote boerderij (de pagthoff Caustert") gepacht van de Heer Majoor Henry Reinich. (vgl. Reinekenshof, zie Eijsdens Verleden nr. 48, 1989). Uit het schepenbankarchief van Eijsden blijkt dat zij in de nacht van 5 november 1753 tussen 4 en 5 uur net hun hele hebben en houden zijn gevlucht naar Sint Pietersvoeren.

 

Mevrouw de Douarière van wijlen de Heer Majoor Reinich beweerde op 14 mei 1756 dat Jan een aanmerkelijke pachtschuld had en dat zij beslag had laten leggen op zijn goederen, doch dat hij, zoals gemeld, "alle desselfs gearresteerde Effecten en Bestialia ex loca arresti" heeft vervoe~d en t, nae elders buijten dese jurisdictie" heeft getransporteerd.

 

In het schepenbankarchief van Sint Pietersvoeren liggen heel wat stukken over dit proces. De uitspraak luidde als volgt: "Gelet op den inhoud deser reguessen verclaeren dijen tot St. Peters vouren met sijne effecten en bestialen gerefugeerden Jan Dobbelsteyn geen asylium te consedeeren".

 

Het gezin Dobbelstein-Heusschen heeft vanaf 1753 steeds in Sint Pietersvoeren gewoond. Zij hadden daar een boerderij met stallen, schuur, bakhuis, moestuin en wei, gelegen "in de koobach", gekocht.

 

Jan moet een voortvarend landbouwer zijn geweest, in het archief van de schepenbank bevinden zich wel dertig akten waarbij Jan partij was. Deze akten hadden ondermeer betrekking

 

T' ~ - - - ..

 

op koop of verkoop van landerijen of weiden en geldlenigen, ontvangen van ondermeer de molenaar van Sint Pietersvoeren, de kapelaan van Mheer en de rentmeester van de Commanderij.

 

Uit metingen van 1787 bleek dat Jan toen 158 groot roeden grond bezat, hij behoorde hiermee tot een van de grootste grondgezitters van Sint Pietersvoeren.

 

Op bijna veertigjarige leeftijd, op 13 januari 1763, werd Jan door "Wirich Leopold, vrijheer van Steinen en Scharven en Kepenich, ridder van het hoogh Duijts orden, lant Commandeur der Balleye Aldenbiessen, Commandeur tot Aldenbiessen ende tot Maestricht, vrijheer der vije rijckx neutrale grond heerlijkheijt Gemert, St. Peters vouren en Gruijterode" enz. het ambt van schepen "gegund". Genoemden "beveelen daerom aen onsen officier, Schepenen, ende onderdhaenen van St. Peters Voeren voorschreven Johan Dobbelsteijn voor schepen aenteneemen, te kennen en te eeren, hem oock alle rechten ende emolumenten van outs daertoe staende te laeten genieten".

 

De schepenen stonden bij de bevolking in hoog aanzien en hun macht was groot, zij werden voor het leven benoemd.

 

Dat Jan dit ambt ook serieus uitoefende blijkt uit de vele stukken in het schepenbankarchief. Zo werd ondermeer alles opnieuw opgemeten in Sint Pietersvoeren, nadat uit een onderzoek van hemzelf was gebleken dat er vaak niet goed werd opgemeten.

 

Maria Heusschen is op 9 februari 1790 in Sint Pietersvoeren overleden. Jan Dobbelstein is vermoedelijk op 12 april 1799 in Sint Pietersvoeren overleden.

 

Uit dit huwlijk werden vijf kinderen geboren:

 

1. Maria Elisabeth, gedoopt op 5 februari 1750 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Math Heusschen en Maria Dobbelstein.

Zij is reeds op 9 maart 1760 in Sint Pietersvoeren overleden;

 

2. Maria Catharine, gedoopt op 22 december 1752 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Henricus Dobbelstein en Maria Catharina Neven. Zij was getrouxd met Renier Spronck. Op 8 oktober 1781 is zij in Si~t Pietersvoeren overleden;

 

3. Petrus, gedoopt op 2 november 1756 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Laurentius Dobbelstein en Maria Heghmans (zie vervolg);

 

4 Maria Elisabeth, gedoopt op 21 september 1760 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Jacques Nederlandts en Maria Margaretha Halleux.

 

5. Josephus Laurentius, gedoopt op 12 maart 1766 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Nicolaus Wernerus Heusschen en Maria Joeepha Halleux.

 

(slot volgt)

 

 

(qadobbel) Léon Olislagers oét Groéselt

 

 

SJPE'LDER EN SJPAELE.

 

LOOIEDETTEN:

 

Elke speler is in het bezit van een looiedet. Dit is een ijzeren kogel of een stenen bal. Een van de spelers werpt vanaf de streep als eerste zijn looiedet weg. De anderen proberen er hun looiedet er het dichts bij te gooien. Wie dit het beste uitvoert, wie er het dichtst bij komt, is winnaar. De winnaar werpt als eerste zijn looiedet vanaf de andere werplijn. Truukjes, zoals het wegkaatsen van looiedetten, zijn toegestaan. (In plaats van ijzeren kogels kunnen ook plastic ballen gebruikt worden, bijvoorbeeld van het jeu-de boule spel).

 

THIJS DE TORENWACHTER.

 

Als toren gebruik je twee bakstenen die op elkaar worden gezet. In het speelveld wordt een cirkel getrokken waarin de toren staat. De toren wordt bewaakt door "Thijs de torenwachter Vanaf de basis- of werpl ijn mogen alle spelers met hun steen de t o r e n proberen om te gooien. Lukt dat, dan mogen de spelers zo snel mogelijk hun stenen weer oprapen en zich weer opstellen achter de werplijn. Thijs mag elke speler die in het speelveld staat, of loopt, aftikken. Als de toren is omgegooid moet hij deze eerst herstellen en mag dan pas aftikken. Wie in het speelveld wordt afgetikt is de nieuwe torenwachter. Voor de werplijn is vrij.

 

KNIKKEREN.

 

Het speelveld moet begrensd worden door een muur of een schutting. Tussen werplijn en muur worden op ongeveer vijftig centimeter van de muur een kuiltje gemaakt. De spelers staan achter de streep en moeten proberen een knikker via de muur in het kuiltje te schieten. Iedere speler schiet een gelijk aantal knikkers één voor één via de muur naar het kuiltje. Wie de meeste knikkers direkt in het kuiltje heeft geschoten mag beginnen alle omringende knikkers erin te schieten. Deze kunnen rechtstreeks geschoten worden, dus niet via de muur. Mist hij, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die de laatste knikker erin schiet is de winnaar.

 

BEUGELEN.

 

Hiervoor is nodig

- Eén~beuge1, hiervoor kan dik, gebogen betonijzer gebruikt worden.

- Eén slager, kan van hout gemaakt worden (zie tekening).

De beugel wordt in het spelveld in de grond geslagen. De spelers prober~n vanaf de basislijn zware ballen (eventueel Jeu de Boulles-ballen) om beurten met behulp van de slager door de beugel te slaan. Het slaan is meer een wip-duw beweging. Wie lukt dit in één keer? Lukt dit niet , dan bij de volgende beurt, maar vanaf de plaats waar de bal is blijven liggen. Het wegkaatsen van een bal door een medespeler is toegestaan. De bal moet aan de voorkant door de beugel. Voor elke bal die door de beugel gaat worden een aantal punten gegeven.

HOEFIJZER WERPEN.

 

Hiervoor heb je nodig, een werppaal en tien hoefijzers. (Hiervoor kunnen indien men geen hoefijzers ter beschikking heeft, U-vormen gebogen uit betonijzer worden gebruikt.) De afstand van de werplijn tot de paal is ca. 3,5 meter Probeer vanaf de werplijn de hoefijzers om de paal te werpen. Voor elk hoefijzer o m d e paalwordt een aantal punten gegeven. De spelers werpen om beurten.

 

DIABOLO.

 

Leg bij de start de diabolo over het touwtje op de grond. Pak de stokjes aan de uiteinden vast, probeer nu door met de handen in tegengestelde richting te bewegen, de diabolo draaiende te krijgen. Het gaat erom in bijvoorbeeld 1 minuut een bepaalde afstand af te leggen. Bij het eindpunt de draaiende diabolo omhoog werpen en dan weer met het touwtje opvangen.

 

VOGELSLINGEREN

 

Materialen hiervoor zijn

- drie sjorpalen.

- één schietroos van stro met een ballon in het midden.

- éé standaard

- bal lonen en touw

- houten vogelpik ( voor het zelf maken van een vogelpik, zie

tekening):

- Kontoeren uitzagen, - bij de snavel een spijker bevestigen,

- op de rug een oogschroef aanbrengen voor bevestiging touwtje.

 

Er wordt om beurten met de vogel geslingerd, probeer zo de ballon te raken en door te prikken. Iedereen krijgt b.v. drie beurtèn. Winnaar is degene die het meeste ballonen heeft doorgeprikt.

 

 

KEGELEN :

Materiaal voor de baan

- Twee lange planken, - een houten vlonder, -drie korte balken, - twee lange planken. Mont eer het geheel zoals op de onderstaande tekening. Nota bene de afmetingen kunnen naar eigen inzicht w o r den bepaald. Er kunnen ook originele houten kegels worden gebruikt. Men kan echter ook kegels maken van plastic flessen, welke met zand gevuld worden en vervolgens dichtgeplakt. (Daarna naar believe beschilderen).

 

PRIKTOLLEN

 

Bij het priktol len gaat het erom om de tol met behulp van een zweepje (een touwtje aan een stokje) draaiende te houden. Probeer je priktol in een afgezet "vierkant" op een verharde ondergrond zoals asfalt of beton tollende te houden. De andere spelers proberen dat ook. Gaat de tol om, of komt hij buiten het vierkant, dan is men af. De winnaar is degene wiens tol het langst draait.

 

STELTLOPEN

Op de stelten dient een bepaald parcours voorzien van een of meer hindernissen worden afgelegd. (Voorbeeld parcours, zie tekening).

Louise Reestman

 

SJTOEKKE

Met "lème huve", die kleiner en goedkoper waren dan de gewone; ca 7 8 mm doorsnede, uit leem, met een beschermend kleurig buitenlaagje.

Er wordt een putje in de grond gemaakt, van ca. 8 cm. doorsnede (getallen uit mijn herinnering).

De beide spelers zetten elk een aantal knikkers in. De eerste speler houdt de knikkers in de hand, en werpt ze met een stoot (sjtoekke) in het kuiltje. Een aantal blijft in de kuil, een deel springt eruit. Het deel dat in de kuil blijft is voor de speler-aan-de-beurt, de rest voor de tegenspeler. Nu is de andere speler aan de beurt. Bij het einde van de dag of bij het einde van de speeltijd weet men hoeveel men gewonnen of verloren heeft. Wie alle knikkers (of heel veel) verloren heeft kan niet meer aan het spel deelnemen; hij moet zien dat hij er koopt (in Aubel; aan handel-voor-geld tussen de kinderen heb ik geen herinnering).

Ik ben niet zeker van het aantal in te zetten knikkers: een door de traditie bepaald aantal?, een aantal naar afspraak, gelijk voor beide spelers?, een aantal naar keus van elke speler?

(Bron: mijn schooltijd in Teuven, ca. 1939)

 

KREEG

 

Twee spelers, een niet te harde oppervlakte grond, een zakmes (kniep). Op de grond wordt met het mes een vierkant getekend, wel minder dan 1m2 groot, het veld wordt in twee gedeeld (in een bepaalde richting?). De spelers kiezen elk een veldhelft (zie verder: keuzen). De eerste speler gaat in zijn veldhelft staan en smijt (briijt) het mes in de andere veldhelft; blijft het mes niet in de aarde staan, dan is de beurt van deze speler om; blijft het staan, dan trekt de speler in het veld van de tegenspeler een lijn in het verlengde van het lemmer van het mes, zo dat veld in twee, meestal ongelijke delen verdelend. De tegenspeler mag zeggen welk deel hij `houdt'; het andere deel wordt door de speler-aan-de-beurt bij zijn eigen veld aangehecht. Nu is de ander speler aan de beurt (of mag de speler-aan-de-beurt blijven spelen zolang zijn mes niet omvalt? weet ik niet meer). Diegene verliest, die niet meer in zijn eigen veld kan staan om het mes te werpen. Het grensgeval van in zijn veld kunnen staan is: op de punt van de voet staan, en zijn evenwicht nog net kunnen houden (Bron: mijn schooltijd in Teuven)

 

 

SJPlET DOEe (PESTEN)

In mijn kollegejaar in Herve (1938) was er daar een leerling die Derkenne heette; hij was van de kanten van Cheratte, meen ik. Het was al een grotere jongen; hij speelde nooit. Af en toe kreeg iemand het in zijn hoofd "allons faire enrager Derkenne" (D. pesten); dan ging een hele groep de man "pesten"; waarin dat bestond weet ik niet meer, maar ik meen dat er geen fisiek geweld bij te pas kwam; ik meen ook dat de "surveillants" daar niets tegen deden. Het moet op mij veel indruik gemaakt hebben: ik ken vandaag de naam nog, en ik zie nog de plaats op de speelplaats waar het gebeurde. En altijd was ik bang dat ze dat ook met mij zouden beginnen doen.

 

 

KEUZEN MAKEN

Voor het maken van keuzen, bij voorbeeld om te zien wie eerst speelt, wie de speelhelft mag kiezen (bij "kreeg") of hoe de speelgroepen worden samengesteld (de winnaar mag als eerste een medespeler uitkiezen).

 

- voor meerdere spelers: aaftèlle

De spelers staan in een kring. De initiatiefnemer zegt een versje op;bij elke klemtoon wordt een speler aangeduid, door er met de hand naar te wijzen; de teller begint met de man naast zich, (ik meen, links van hem) en gaat zo de kring na, (met de zon mee), met insluiting van zichzelf; de speler op wie de laatste `klenmtoon' valt is aangeduid (in positeve of in negatieve zin: deze speler is aangeduid, of valt uit bij de aanduiding; ik meen dat beide alternatieven in gebruik waren;

 

in dat geval moest op voorhand uitgemaakt zijn welke variante gold).

De versjes:

1. - ienne-mienne-mietske, die bès Frietske, ienne-mienne-maus, en doe bès d'raus.

2. - eech en deech en Jiipke Sjteer zunt- `r veer (is dit wel een aftelrijpje of is het zomaar een versje?)

3. - op de hoek van de straat stond een soldaat met de pijp in de mond en de broek vol strond (kan van hier zijn of uit mijn Tongerse schooltijd -tot 1934; eigenaardige, zo een versje niet in het Limburgs maar in het standaardtaal)

ook andere versjes?

 

Mogelijkheden tot manipulatie, en zelfs tot foetele:

a) op voorhand uitzien hoe het aantal klemtonen van het versje overeenkomt met het aantal spelers. Men kan dan een aangepast versje kiezen

b) klemtonen al dan niet leggen: ien(ne)-mien(ne) ...: twee klemtonen of ien-ne-mien-ne: vier klemtonen, ien(ne)- mie-ne: drie klemtonen

c) uitzien hoe het aantal spelers met het gekozen versje overeenkomt, en op grond hiervan de in- of de uitsluitings-alternatieve kiezen; de initiatiefnemer kan daartoe zijn overredingskracht gebruiken.

(Bron: mijn schooltijd in Teuven)

 

- voor twee spelers: aaftrae.je

De twee spelers gaan op een zekere afstand van elkaar staan (zover ze kunnen bij vasthouden van elkaars hand?). Een der spelers begint (degene die het meest onder zich uit is?), en zet een voet voor'de andere, naar de andere speler toe, dan de andere speler, enzovoort, maar steeds de `nieuwe' voet aansluitend aan de vorige. Men mag zetten: een hele voet, een halve voet (dwars) of een voetpunt. Wie "geen voet meer aan de grond krijgt" verliest (ès verlaoëre, niet: haat verlaoëre). De handigheid bestaat dààrin, op tijd te voorzien hoe het zal uitkomen: m. a. w., inzicht in kombinaties is van groot belang; het is een edukatief spel.

 

aaftraej e

Mogelijkheden tot manipulatie: men kan een voet losjes of stevig tegen de vorige zetten; foetele: de voet die reeds staat onzichtbaar verplaatsen (wringen).

 

(Bron: mijn schooltijd in Teuven)

 

Jaak Nijssen

 

LIMBURSE. HERFSE KAAS

 

Onze Heemkring opende op 14 december 1990 in het natuuredukatief centrum/herberg De Swaen, `s-Gravenvoeren, een geslaagde tentoonstelling over de Limburgse kaas.

 

Limburgse kaas is over grote delen van de wereld bekend: hier, in Finland, Oostenrijk, Zwitserland, de USA, Kanada ... maar vooral in Duitsland. In België heet hij meestal Herfse kaas; Remoudou, Rommedoe, Romadur zijn er - in teorie - vettere en fijnere varianten van. Limburgse kaas heeft enkele neefjes: de Maroilles uit de Thiérache (bij Henegouwen), de Munster uit de Elzas ... Het zijn allemaal `rode' kaassoorten, ze krijgen hun typische geur en smaak door mikroben die de oppervlakte oranje-rood kleuren, en vandaaruit naar het binnenste toe uitzwermen: de `rijping' (1). Verdere verwanten zijn de `witte' kaassoorten (Camembert, Brie), waar de rijping door schimmels gebeurt, en de `blauwe' (Roquefort, schapekaas), waar de blauwe schimmel met naalden tot binnen in de kaas wordt gebracht. Voor de plaats van de Limburgse kaas in het totale kaas landschap, zie bijgevoegde tabel. (Vergelijk ook met kaas-atlassen en kaas-encyklopedieën die in elke grotere biblioteek staan).

===========

Limburgse kaas heeft zijn naam van het oude hertogdom Limburg (in 1795 door de Franse bezetter opgeheven en nooit in eer hersteld), de streek van Eupen/Montzen/Herve, met als uitbreiding de landjes van Dalhem, Valkenburg en Herzogenrade. De kaas gold als een gewaardeerde lekkernij: in 1783 bestelde prins Albert van Saksen-Teschen er bij een apoteker van Spa (2), en soms werden de kommandanten van bezettingstroepen goed gestemd door middel van deze lekkernij (3); er waren er zelfs met op elke hoek een verschillende kleur, die teweeggebracht was door toevoeging van kruidensap (4).

Limburgse kaas was zo bekend, dat hij ongeveer 160 jaar geleden ingevoerd werd in de Allgäu, in de Zuid-Beierse Alpen.

Die streek was toen in volle rekonversie: ze schakelden er over van vlasteelt op weiden, met ruilverkaveling en ontwikkeling van de bevloeiing en de bemesting. Karl Hirnbein (5) speelde hierbij een merkwaardige rol, die hem ook geen windeieren opleverde: hij vergaarde een belangijk grondbezit (dat nu weer opgesplitst is). Hij richtte het eerste toerisme in de streek op, op een berg die hij in zijn geheel gekocht had; op zijn veertigse ging hij in de politiek, was sympatisant van de demokratische beweging van 1848, die in Midden-Europa de vorsten tot het aannemen van een grondwet verplichtte; daarna was hij vier jaar lang volksvertegenwoordiger. Hij zette een uitgebreide handel in kaas op, en daaruit is de huidige verspreing van Limburgse kaas ontstaan. Tot op heden is hij in zijn streek een legendarische figuur. Rond 1935 wijdde Peter Dörfler een trilogie aan hem (6). In 1980 werd in zijn geboortedorp Wilhams de 150e verjaardag gevierd van de Limburgse kaas aldaar (7): `~In diesem Hause machte Karl Hirnbein (1807-1871), der Begrunder der Allgäer Weichkäserei, anno 1830 den ersten Limburgser".Het materiaal van de tentoonstelling blijft bij onze Heemkring bewaard; wie er belangstelling voor heeft kan zich tot de kring wenden (8).

J. Nijssen

 

 

(1) El-Erian, A.F.M. 1969: bacteriological studies on Limburger cheese, Proefschrift, Wageningen, alwaar verdere literatuur [aanwezig in Stadsbibl. Maastricht].

(2) Herz, Frans Josef: Zur Geschichte der Limburger- und Romadurkäse. in: Milchwirtschaftlicher Kalender fu~r das Jahr 1910. Kempten. [aanw. in Universitätsbibl. Köln]

(3) Pauchenne, Histoire ... Henri-Chapelle, p. 16

(4) Grand calendrier de Herve 1792.

(5) Over Hirnbein, zie: -- Aufsberg, Th. 1913: Bausteine zur Geschichte der Milchwirtschaft im Allgäu; -- Volkheimer, Woifgang (ed.), Lingg, Amalia 1927. Karl Hirnbein, ein Mann aus dem allgäuer Volke. Kempten. -- Roth, Karl Friedrich 1971 : Zum 100. Todestag von Karl Hirmbein. [De Otto-Merkt-Stiftung (. . Versuchsanstalt Milchwirtschaft...) in Kempten bezit een uitgebreide literatuur ter zake. Kopieën ter inzage bij onze Heemkring].

(6) Peter Dörfier, Allgau-trilogie: 1, 1934: Der Notwender; II, 1935: Der Zwingherr; III, 1936: Der Alpkönig [originele uitgave aanwezig in Stadbibi. Maastricht, o.a. OB 342 c 3, CB 343 C 26; de jongste (6e) uitgave (1979) ter inzage bij onze Heemkring]. (7) 150 jaar-viering: dokumentatiemap bij Prov. Dokumentatiecentrum, Begijnhof, Hasselt.

(8) Enige literatuur betreffende Limburgse kaas bij ons: -- Lauwers, Le fromage de Herve. In: Lait, dérivés et graisses alimentaires. -- Veldeke, J. v. - (Franssens, Jozef) 1964: Hoe men op Te Veld in Montzen sedert onheuglijke tijden Herfse kaasjes maakte. In: Heem, weemaandelijks tijdschrift voor Overmaas, Halle (Brabant) Jg. 8, Nr 5-6. -- Hees, F. van - 1965. Limburgse kaas, een verkwikkend produkt uit ons eigen heem. In: Ons Heem, tijdschrift ter bevordering van heemkundig gericht onderwijs. 14e. jg. p. 8-11 [Stadbibl. Maastricht]. -- Roemers, J.E. en Morrhaye, M. 1974: Wist U dat echte Herfse kaas in de Voerstreek nog gemaakt wordt? In: Voersprokkels, contactbald van de provinciale middelbare school `s Gravenvoeren, Jg. 5/1; -- Collard, José 1980: Le fromage de Herve menacé. In: Journal d' Aubel 29.2.1980.

========

VOERENS PAPIER

VOERENS PAPIER

 

Vanaf 1573 bestond er in Schoppem, `S Gravenvoeren, een papiermolen. Daarop trok Th.G.A. Bos voor het eerst publiek de aandacht in De Maasgouw 1955/1957.

Onafhankelijk daarvan kwamen enkele Belgische papierhistorici deze papiermolens op het spoor: Walter Kaefer uit Malmedy, Alphonse Radermecker uit Eupen, die in zijn vije tijd zélf op de oude manier papier schept, en Jos de Gelas uit Sint Genesius Rode bij Brussel, eigenaar van een voormalig papierfabriek, de Herissemmolen. (In 1984 kwamen ze de zaak ter plekke bekijken).

Uit deze belangstelling voor de papierhistorie ontstond in 1986 het tijdschrift "BPH Belgian Paper Historians Association - INFO". En uit deze aktie volgde dan weer, dat de IPH (international association of paper historians) haar 20e kongres in "Belgie" hield, en wel in augustus 1990. Aan ondergetekende werd daarbij de kans geboden om de Schoppemer papiermakerij aan het internationale bevoegde forum voor te stellen. Op zo'n kar moet je springen!

Hoe verkoop je nu Schoppem aan een internationaal gezelschap van gespecialiseerde papierhistorici? Europeanen, maar ook Chinezen en Verenigde-Statenaren? Zeker niet met "en toen verkocht A de molen aan B, en in het jaar x werd het molenrad vervangen ..." Van die verhaaltjes zijn er tienduizenden doorheen de wereld.

Een eerste zaak was het, deze molen in zijn algemeen Europees verband te situeren: het bleek namelijk dat in 1550 er wel papier gemaakt werd in Brussel/Leuven, in Hoei, in Solingen en in Siegburg bij Keulen, maar niet ten noord-westen van die lijn, o.a. niet in het gebied dat nu Nederland heet. Vijftig jaar later gonst de papiemakerij aan de Noordzee (Dordrecht 1586, Schiedam 1595 ...) Welnu, nét daartussenin valt de oprichting van een reeks nieuwe papiermolens in het gebied van Midden-Maas en Midden-Rijn: Aken (1571), Schoppem (1573), Diiren (1579), Bergisch-Gladbach (1582).

Watermerk-onderzoek vindt op heel-Europees niveau interesse; daarom werd een onderzoek naar mogelijke watermerken van de Schoppemer molen ondernomen; gelukkig leidde dit tot een positief resultaat: het staat nu voldoende vast dat watermerken van de types zoals hierbij afgebeeld, van Schoppem afkomstig zijn. Een watermerk is de afdruk van een draadfiguur in de schepzeef.

Ten derde dan het taalprobleem in dergelijk meertalig gezelschap: een maximaal gebruik van beelden was hier aangewezen; de watermerken lenen zich daar prima toe, samen met kaartjes van de gebieden waar die merken in de archiefstukken voorkomen.

Als de Schoppemer papiermolens nu zover buiten onze streek bekend zijn, moeten we ze dan niet ook ter plaatse eens bekijken? De Heemkring bespreekt ze op 1 maart 1991, en d t in de gebouwen van een voormalige papiermolen zelf, ten huize namelijk van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 `s Gravenvoeren. Welkom.

Jaak Nijssen

 

=====

 

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning

Wat het woord "mot" betekent, lazen we in het artikel van Jaak Nijssen over de ondergrond van de kerkheuvel van Sint- Martensvoeren in "D'r Koeenwoof" jaargang 1, nummer 3, n.l.: "hoop aarde" of "drassige grond". Verder blijkt in zijn artikel dat het begrip "mottorens" een aanduiding is voor oude kastelen.

Het artikel "Verborgen archeologische geheimen in Voerense Mottt in "Het Belang van Limburg" 22/23 september 1990 vermeldt dat naast de Voerense Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op gebouwd is, ook nog een andere mot in dit dorp te vinden is, n.1. de verhoogde plek waar de vroegere versterking "Op d'r Hof" heeft gestaan. Deze tweede mot ligt in een weiland tegenover de kerk en is vanuit de lucht goed waarneembaar. Dit artikel wordt bes loten met de overpeinzing dat het vreemd zou zijn indien er twee versterkingen zo dicht naast elkaar gestaan zouden hebben. In de katalogus van de tentoonstelling "Vlaamse archeologie" te Oudenburg geeft Frans Verhaeghe in zijn bijdrage "Archeologische sleutels op "Middeleeuws" Vlaanderen" op pag. 36 de volgende omschrijving van het begrip "motte": "De motte omvat in essentie twee delen: een zgn. opperhof en een neerhof. Het eerste is een kunstmatig opgeworpen, 3 tot 20 meter hoge, aarden heuvel in de vorm van een afgeknotte kegel met een gracht rond de voet; het plateau (met pallisade of muur) droeg' een torengebouw en soms ook bijgebouwtjes. Een opperhof had vooral militaire (en pas daarna residentie le) funkties. Het aansluitende, veelal niervormig neerhof kon ook wat opgehoogd zijn en versterkt met pallisade en gracht; het droeg bedrijfs- en hoevegebouwen, verblijven van ondergeschikten, en soms ook een kasteelkapel (die soms parochiekerk werd)." "Opgravingen op mottes zoals o.m. te Brustem (Limburg) leverden heel wat gegevens op over de ligging (vooral op waterrijke gronden of bij een rivierloop.)" "Er blijven echter nog vele vragen zoals de karakteristieken en de indeling van de neerhof (veelal minder makkelijk toegankelijk omdat er nog een kerk of hoeve op staat)."

Misschien sluiten mij niet bekende gegevens omtrent de mot "Op d'r Hof" en de Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op staat mijn voorzichtige veronderstelling uit, maar hebben wij hier misschien niet ook te doen met EEN motte in bovenstaande zin?

Bep Mergelsberg

======

 

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN

Op 20.9.1990 brachten Fridy Maurer, Jean-Marie Beckers en ondergetekende een bezoek aan Lieve en Eugène Wiertz. In de gang van hun woning, die deel uitmaakt van de Kommanderie van Sint-Pietersvoeren, waren zij tijdens een verbouwing een "huuske" in een muur tegengekomen. Guido Sweron, die de dag voordien stroop was wezen kopen, stelde de heemkring van deze vondst op de hoogte.

"`t Huuske" is eigenlijk een nis in de brede muur van de West- zijde van de boerderij. De nis bevindt zich 110/120 cm boven de vloer van de gang, heeft een diepte van 48 cm, een hoogte van 120 cm en een breedte van 73 cm. De onderkant van de nis bestaat uit een 5 cm. dikke plank met in het midden een gat met een doorsnede van 25 cm. (zie: afb. ) Onder dit gat bevindt zich een gemetselde afvoerbuis, die nu opgevuld is met dennenaalden, kolen, stof en leem tot ongeveer 30 cm. onder de plank. Bovenop dit opvulsel trof men twee kleine hoefijzertjes aan. Op de plank zelf lag een plastic hemd-kraag.

Lieve en Eugène Wiertz hebben een koevoet van ongeveer 60 cm lang in deze afvoerbuis gestoken, met gestrekte arm, en stootten toen niet op een eventuele harde afsluiting van de "buis" Het gat in de plank heeft aan de voorzijde een kleine inham.

De muur waarin zich de nis bevindt is gemaakt van baksteen. De wanden van de nis zijn eerst met leem bedekt en daarna gekalkt. De nis werd afgesloten met twee deuren. Over de deuren heen was een lattenwerk geplaatst en daarover heen was leem gesmeerd. Deze nis is minstens 50 jaar afgesloten geweest want de vorige bewoners, de vader van Eugène Wiertz, had wel een vermoeden dat er een open ruimte achter de wand was maar heeft het "huuske" zelf nooit gezien. Hij heeft hier 50 jaar gewoond.

Zoals gezegd, bevindt "`t huuske" zich op een hoogte van 110/120 cm. boven de vloer van de gang en we vroegen ons dus ook af hoe het mogelijk was geweest om daarop plaats te gaan nemen. Een klein trapje dat eronder geplaatst was ? Maar misschien is ook het volgende mogelijk. Rechts van de nis bevindt zich een raampje dat half schuilgaat achter de trap die naar boven leidt. (zie: afb.2).

Gewoonlijk plaatst men geen raampje achter een trap en misschien is de trap dus van links naar rechts verlegd. Als dit het geval was dan kon men na een trede of twee, drie van de vroegere trap de deuren van "`t huuske" openen en met gemak op "`t gemak" plaatsenemen.

De volgende vraag die we ons stelden: "Waar gaat die afvoer"buis" precies naar toe?" De gracht ligt ongeveer 4 meter lager dan de nis. Aan de buitenkant is geen afvoerbuis te zien volgens Euge'ne en Lieve. Zij veronderstellen dat deze buis onder water in de gracht zou uitkomen. We zijn daarom ook de buitenmuur even gaan bekijken. Het valt eigenlijk meteen op dat op de plaats waar zich "`t huuske" bevindt de buitenmuur een andere, veel lichtere kleur voegwerk heeft dan de rest van de muur. Misschien duidt dit voegwerk op een afgebroken uitbouw maar er kan natuurlijk ook sprake zijn geweest van een restauratie van het voegwerk op deze plek.

Bep Mergelsberg.

==========

 

STAND OVER STROPERIJ

Onze bijdrage aan de Trip-Sop-feesten.

Op 12 augustus 1990 vonden te `s Gravenvoeren de jaarlijkse Trip-Sop-feesten plaats en ook onze kring was present met een stand rond het thema "Stroperij". Geen stand over het vervaardigen van stroop, want alleen afgaand op de naam "Stroperij" had dat natuurlijk ook gekund, maar een goed geslaagde tentoonstelli n g van allerlei werkt ui gen die gebruikt werden om te stropen. Ook lieten we, opgezette, dieren zien waarop met behulp van een speciaal werktuig illegaal jacht werd gemaakt. Zoals bijvoorbeeld: een das met de daarbij behorende dassetang of een haas met een speciale riek waarmee men azen stroopte.

Een zalm kom je nu in onze wateren niet meer tegen maar op onze tentoonstelling kon men nog een zalm-haak zien waarmee men -in vroeger tijden zalmen ving, alhoewel dit verboden was. Volgens Th. Broers is in 1924 de laatste zalm in de Berwijn gestroopt

De levende fret in zijn fret-kist had veel bekijks. Fretten werden gebruikt bij het freteren, een bepaalde manier om konijnen uit hun hol te krijgen. Men zette een fret in een konijnehol en sloot de uitgangen af met "buugele", speciale netten om de door de fret opgejaagde konijnen in op te vangen. Ook deze "buugele" waren in onze stand te zien. Ander stropersmaterieel dat we tentoonstelden en dat allemaal afkomstig is uit de verzameling van ons lid Th. Broers, was: een val voor bunzings en hermelijnen; een marter-val; een vis- "haam"; een net voor vogelvangst; een val voor kraaien; een ratten-val; een val voor wezels; een haze- en konijne-strop en "e reekske vaor truute", een riek om forellen te vangen. We zouden de heemkring niet zijn als we ons op een bepaald moment niet zouden afvragen hoe men nu bijvoorbeeld een steenmarter in het Limburgs noemt. Wel, het Limburgse woord voor het Nederlandse "steenmarter" of het Vlaamse (volgens de Van Dale is het echter een gewoon Nederlands woord, zonder de toevoeging: "Zuid-Nederlands") "fluwijn" is "foeing". Ook een boommarter noemt men zo. Een wezel is t,, ne wezzel" en een bunzing, t,, ne veurder" of "`ne fies".(Th. B, JN, LS) Op de leestafel van onze stand was natuurlijk ook informatie te vinden van groepen die tegen de stroperij in verzet komen. Verder vond men daar oude foto's uit de Voerstreek die voor 40 bfr. te koop werden aangeboden en men kon er kennis maken met ons tijdschriftje "D'r koeënwòòf". De medewerking aan het Trip-Sop-feest in deze vorm vinden wij zeer geslaagd, veel belangstellenden hebben onze stand bezocht en wij vinden alvast dat dit zeker voor herhaling vatbaar is.

Bep Mergelsberg

=====

 

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN

 

Het kontakt met de ijveraars voor het behoud van het kerkhof van GERLINGEN (Luxemburg) gaat voort. Aanvraag vanuit Gemert, Noord-Brabant, om inlichtingen over het geslacht BOUR (o.a. Veurs, Sint Martensvoeren).

Aanvraag vanuit Vucht (Maasmechelen, Belg. Limburg), om inlichtingen over een Missiekruis met GIETIJZEREN korpus (spanwijdte 940 mm, hoek tussen de armen 140 graden), vergelijk Lenssen 1989, type Cdcg 5 en 6.

Het artikel van Roger Delmeire (Landen, Vlaams Brabant) over antropomorfe SARKOFAGEN aldaar (stenen grafzerken die de vorm van het menslijk lichaam volgen), is verschenen (Ons Landesn Erfdeel Jg. 13, Nr. 38, 1 december 1990); hierbij werd door ons geadviseerd (zie Koeënwòòf 1990 nr. 3 p, 3).

Bij de kursus Toeristisch Medewerker van de Provinciale AVONDLEERGANGEN Sociale Promotie gaven onze medeleden J. Nijssen rn Rob Brouwers lessen "Heemkunde", "Struktuur van de Limburgse Taal" resp. "Geschiedenis" en "Geschiedenis van de Limburgse Taal".

Op 29 december 1990 zijn we in de kerk van Sint Martensvoeren de KERSTSTAL gaan bekijken, die door ons medelid Jaak Lemmens en zijn gezin jaarlijks (al sedert 41 jaar) aldaar wordt opgesteld; tevens hebben we een bezoek gebracht aan de Columbiaanse familie Gamez in Sint Pietersvoeren en hun kerststal (el Belèn); de Columbiaanse traditie verschilt in veel opzichten van de onze: ondergrond van schaafspanen, niet van mos lijk bij ons, kerststal vergezeld van talrijke huizen: het hele dorp Betlehem; boekje met kerstnoveen; hun kerstliederen zijn uiteraard ook heel anders.

====

 

PUBLIKATIES

 

"Rekonstruktie van de Wijngaardshof (1)" door: Piet van Caldenborgh in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr 4.

Op zoek naar de waarheid aangaande de oorsprong en de inhoud van de naam "de Wijngaardshof" in Gronsveld of hoe deze naam door o.a. een verband met Sinnich naar zijn oorsprong en betekenis verklaard kan worden. Een schoolvoorbeeld van hoe men te werk kan gaan om een oude plaatsnaam van een te verantwoorden betekenis te voorzien.

"Het kruis "Aon `t Beelsje"" door: (ons lid) Leon Olislagers in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr. 4.

Een beschrijving van de plaats en het kruis "Aon `t Beelsje". Vanuit de wetenschap dat wegkruizen vaak verdwijnen als er niemand een oog op houdt en het verzorgt, richt de schrijver zich speciaal tot diegenen die de zorg voor een wegkruis op zich zouden willen nemen. Een initiatief dat onze heemkring voor de Voerstreek zou kunnen herhalen.

"3 Eeuwen Jonkheid St. Aloysius Mheer 1690-1990" door: R. Dautzenberg, P. Dobbelstein, F. van Gerven, R. Lemlijn en W. Senden. Verkrijgbaar bij W. Senden, Op `t hovelke 6, Mheer. Kostprijs fl0,-.

Een 66 pagina's tellend boekje waarin omschreven wordt welke invloeden een rol hebben gespeeld bij het in het leven roepen van een jonkheid en hoe we ons zo' n jonkheid in vroeger tijden eigenlijk het best kunnen voorstellen. Daarnaast treffen we er beschrijvingen aan van de aktiviteiten die de jonkheid van Mheer door de eeuwen heen en nu nog voor haar rekening neemt.

 

 

ZOEëRM0OS KINT ME EEGES MAKE !

 

Voor een "baar" van 10 liter heb je ongeveer 10 kg kool nodig. 5 kg witte kool en 5 kg savoye kool. Neem vaste kolen, deze zijn gemakkelijker te schaven. Was de "baar" in heet soda-water en spoel ze met warm water na. Weeg de hele kool en noteer het gewicht. Verwijder de slechte of donkergroene buitenste bladeren en leg deze op een weegschaal. Snijd de kool doormidden. Schaaf de kool en leg de kern eveneens op de weegschaal. Het aantal gram afval wordt afgetrokken van het gewicht van de hele kool. Noteer het netto gewicht van de kool op een apart papier. Leg de geschaafde kool op een tafel. Schaaf de witte en de savoye kool om beurten en volg steeds de bovenstaande werkwijze.Als alle kool geschaafd is tel je de netto-gewichten samen. Neem per kg geschaafde kool 12,5 gram zout. Doe het zout op een bordje en strooi dit voor ongever 1/3 over de hoop kool. Haal dan met beide handen de onderste kool boven en strooi er weer zout op. Zorg dat het zout gelijkmatig verdeeld is over alle kool. Neem de "baar" en doe er twee keer met twee handen kool in. De kool moet heel vast aangestampt worden met de vuisten. Doe om de 5 cm aangestampte kool 2 à 3 jeneverbessen. Hoe breder de "baar", hoe meer bessen. Als de "baar" voor 1/4 vol is moet het sap tussen de vingers te voelen zijn als je de kool vastduwt. Als de "baar" helemaal vol is en je duwt met twee vuisten op de kool, dan moeten de beide vuisten nagenoeg onder het sap staan. Leg een doek (een zakdoek bijv.) over de kool. Duw de randen van het doek tussen de "baar" en de kool naar beneden. Leg hierop een omgedraaid bord en daarop een steen van 2 à 3 kg. Maak die steen eerst goed schoon. Hierover leg je een theedoek. Zet de "baar" buiten onder een afdak. Er moet namelijk frisse lucht aan de kool kunnen komen maar geen regenwater. Als de "baar" helemaal vol is gemaakt met kool, stroomt er na een paar dagen sap over de randen. Ook komt er schuim op te staan. Laat dit allemaal gewoon zijn gang gaan. Na een week kontroleer je of de kool nog onder het sap staat. Is dit niet het geval dan doe je op 1 liter koud water een koffielepel zout. Dit breng je aan de kook, even laten doorkoken en af laten koelen. Als dit zout-water koud is, giet je het over de kool.

Na de tweede week voer je diezelfde kontrole nog eens uit. Staat er nog sap op de kool dan laat je het zo. Is dit niet het geval dan handel je als hierboven. Zie je bij de eerste of tweede kontrole dat er erg veel vaste schuim (kim) is ontstaan op het doek, dan verwijder je die. Het doek pak je daarna weg en spoelt die uit onder een hete kraan. Daarna leg je het doek terug op zijn plaats. Als het flinker begint de vriezen zet je de "baar" binnen op een koele, donkere plek, bijv. in de kelder. Zes weken na het schaven van de kool is de zuurkool klaar. Eet smakelijk

 

Bep Mergelsberg

===========

 

 

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL

Uittreksel van "Walen op zoek naar standaardtaal" van Guido Fonteyn in "De Standaard" 12/13 januari 1991. (BM)

 

De Union Culturelle Wallonne vierde op 12 januari 1991 de erkenning bij dekreet van het Waals als taal. De erkenning geldt ook voor dialekten van Germaanse oorsprong, zoals het Luxemburgs. (En de taal van Montzen en omgeving ? ) De stuwende kracht achter dit dekreet is de Union Culturelle Wallonne, met als voorzitter Paul Lefin die als kollegestudent vroeger nog meemaakte dat wie betrapt werd op het spreken van de Waalse taal het verderfelijk merkteken kreeg waar Ernest Claes zo roerend over schreef, in een andere periode en een andere taal.

"Mij gaat het er daarbij niet zozeer om of het Waals na het jaar 2000 nog zal bestaan", merkt Lefin op, "maar dat degenen die het Waals gebruiken gerespekteerd worden, of dat nu jongere scheppende kunstenaars zijn, die het Waals opnieuw ontdekt hebben, of ouderen, die altijd het Waals hebben gesproken.

Ik doe dus niet aan archeologie, maar aan humanisme." Paul Lefin merkt overigens op dat hij het Waals als zijn moedertaal ervaart en niet het Frans.

De Union Culturelle Wallonne telt 227 aangesloten verenigingen, die vorig jaar 1248 vertoningen of ontmoetingen in het Waals organiseerden voor 264379 betalende toeschouwers. Onder deze 227 verenigingen zijn er l57~teatergezelschappen, die over 5072 leden beschikten. Zij voerden 1103 toneelopvoeringen op. 52 verenigingen zijn literaire kringen of verenigingen die ijveren voor het gebruik van het Waals op school.

In 1983 keurde de Franse Gemeenschap een dekreet-Urbain goed waarbij het gebruik van het Waals op school werd toegelaten. Aangezien hiervoor geen cent op de begroting werd uitgetrokken, bleef dit dekreet een dode letter. Lefin is van oordeel dat op basis van het nieuwe dekreet gemeenten en provincies aktiviteiten in het Waals kunnen organiseren in het raam van hun gewone betoelaging. Hij heeft het dan ook over een historisch moment. Op de vraag of Lefin over tien jaar misschien mee zal ijveren voor het verkrijgen van het statuut officie~le taal" voor het Waals antwoordt hij ; "We zullen zien

(kaart: De Waalse taalkaart (bron: Atals Linguistique de la Wallonie)

==========

 

AGENDA

 

Lezing.

 

"Voerens papier" door Jaak Nijssen in de gebouwen van een voormalige papiermolen, ten huize van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 te `s Gravenvoeren. 1 maart 1991. Aanvang 20.00 uur.

Tentoonstellingen. "Retrospectieve tentoonstelling Rob Brouwers" ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag in Het Kultureel centrum van Sint Truiden (centrum) van 14.3.1991 tot 2.4.1991. Alle dagen geopend van 14.00 uur tot 18.00 uur. Er is ook een katalogus verkrijgbaar.

 

"Die Postgeschichte im G~h1talraum~~ in het "Göhltalmuseum", Maxstrasse 9, Kelmis. Van 22.2.1991 tot 17.3.1991.

 

Nederlandse dialektendag.

Een aantal Nederlandse en Belgische instituten hebben samen het initiatief genomen tot het houden van deze Nederlandse dialektendag. Deze studiedag vindt plaats in de Brabanthallen in Den Bosch op zaterdag 16 maart van 10.00 uur tot 16.30 uur. U kunt zich aanmelden voor deze dialektendag door uw inschrijfgeld over te maken op CERA-banknummer 730-1402526-96 t.n.v. A. Dams onder vermelding van "Dialektendag 1991". De inschrijfkosten bedragen 800 Bfr. voor deelname en boek of 500 Bfr. voor alleen deelname. De lunch is inbegrepen. Inschrijvingsformulieren voor de workshops in de namiddag kunnen verkregen worden op het kontaktadres: NCDN/KUN, Erasmusplein 1, 6525 HT Nijmegen. tel: 080-512056.

 

Congres rendierjagers.

 

Het Gallo-Romeins museum van Tongeren houdt op zaterdag 26 januari een congres over "Rendierjagers. Jong-paleolitische tentenkampen bij de Maas". Aanvang om 10.00 uur. Voor aanmelding en meer informatie kan men terecht bij provinciaal archeoloog G. Creemers, Prov. Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren. Tel.: 012-233914. Een van de voordrachten handelt over "De opgravingen te Mesch en Eyserheide en het gebruik van grondstoffen bij de noordelijke rendierjagers".

 

Wim Anderson

 

Ons medelid Theo Broers (Moelingen) nam op maandag 14 januari 1991 met vier andere Voerenaars deel aan het programma "Wim Anderson" van VTM, en dat als supporter van Jan van Loon, die speelde voor het Kanunikenhuis van Borgloon, het toekomstig fruitmuseum; dit leverde voor het museun meer dan 300.000 frank op. Uitzending op vrijdag 31 mei 1991. Door tussenkomst van Theo kon ook een oude stroopketel uit `s-Gravenvoeren voor bedoeld museum verworven worden.