update: 2003 aug 16  D'r Koeënwòòf nr 03 (1990/3)  naar Koeënwòòf 04

 terug naar / back to

D'r Koeënwòòf


Van de in "D'r Koeënwòòf" nr. 3 op blz. 30 afgedrukte Tirailleur march is de trio door ondergetekende foutief verbeterd. Hieronder de juiste maatverdeling. Met dank aan Jean Lorquet.
(wg.) D'r Lèj va Merregraote.

 

INHOUD

Verslag.........................................................26

"zow v'r 'ns ne rej spèle (deel 2).......................27

Publikaties.....................................................31

Vlöggele, rijdansen in Ootmarsum? ..................33

Kontakten.......................................................33

De ondergrond van de kerkheuvel van Sint-Martensvoeren...........34

Bodemvondsten bij de kerk van Moelingen.........................40

Gedicht --- Charlotte Noteboom - .......... 42

=======

 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 5.7.1990.

 

Deze bijeenkomst is helemaal gewijd aan de Trip-Sop-stand van onze Heemkring. De stand heeft als thema "Stroperij". We hebben allerlei stropersmaterieel bekeken en besproken, zodat we aan het eind van de bijeenkomst wisten waarvoor al die vreemde vallen en haken nu precies gebruikt werden. We zullen Sjef Wanders vragen of we van hem een das en een steenmarter kunnen lenen voor de stand.

We willen ook oude foto's en postkaarten afdrukken en verkopen. D'r Koeënwòòf nr. 2 wordt er ook verkocht.

 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 2.8.1990.

 

Tijdens deze bijeenkomst hebben we de inhoud van D'r Koeënwòòf' nr.3 besproken. We hebben besloten dat de volledige verslagen van de bijeenkomsten niet meer in ons blad worden opgenomen. De belangrijkste agendapunten en eventuele besluiten zullen wel steeds, in vorm van een kort verslag, opgenomen worden. Zodoende blijven de geïnteresseerden toch op de hoogte van ons werk. We zullen moeten vast leggen wat er met het archief van de Heemkring lgeebeurd als deze vereniging opgeheven wordt. We hebben gedachten uitgewisseld, voor's en tegen's van bepaalde voorstellen afgewogen, maar tot een besluit zijn we tot nu toe nog niet gekomen.

We zullen de hoofd-verantwoordelijken van de verschillende voerense afdelingen van de "Drie maal twintigers" aanschrijven met de vraag of enkele leden van de Heemkring, tijdens een bijeenkomst van de "Drie maal twintigers" een gesprek kunnen hebben met geïnteresseerde bejaarden rondom het brede thema: "Oet vreuger jaore "

 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. EN MILIEUGROEP VOEREN

12.8.1990.

 

Deze beide verenigingen wilden gaan samenwerken op drie punten: De heemkring kan een bijdrage leveren aan de dia-lezingen die de milieugroep elk najaar organiseert.

We nodigen gezamenlijk en in samenwerking met Herberg "De Swaen" "Monumenten en Landschappen" uit om eens een kijkje te komen nemen in de Voerstreek. Leden van de heemkring zijn bereid om in het voorjaar te helpen met de paddenoverzetaktie.

Tijdens deze bijeenkomst is aan deze punten een konkretere inhoud gegeven.

 

====

 

"ZO VER `NS `NE RIJ SPèLE."(deel 2)

 

Wanneer werd er cramignon gespeeld of werd er "gerejd"?

 

Bijna bij elke gelegenheid als de fanfare uittrok, uitgezonderd begrafenissen en rondgang voor donateurskaarten. Bij deze laatsten bleef men binnen. Zeker werd cramignon gespeeld met de "broonkkermis `t. Verder bij gelegenheid van de fancy-fairs, jubeleumfeesten van verenigingen of plaatselijke notabelen, oranjefeesten e.d. Kort gezegd als er iets te feesten viel in het dorp.

Op "Broonkzoondèg en Maondèg" was er, als het tenminste niet regende, een concert "en plein air". Begonnen werd om 5 uur (en een half) met een marche, daarna twee of drie muziekstukken en tenslotte weer een marche. Vervolgens speelden een of meer verenigingen uit de omgeving ook enkele marchen en stukken en daarna weer de eigen vereniging, wiens leden hun tijd zeker niet in ledigheid hadden doorgebracht. Nu echter alleen loopmarchen. Was het nog vroeg op de avond dan werd na een march of vijf nog gauw een kleine "ademhalingspauze" ingelast. Later op de avond was deze niet nodig want hierin voorzag het bestuur of andere sponsors. Op de genoemde loopmarchen werd door vroege vogels reeds "gerejd". Na enkele marchen werd dan de boven deze proza staande vraag gesteld: "Zow v' r ns ne rej sjpèle?" Begonnen werd meestal met "d'r 6/8" die `n keer of 5 a 6 herhaald werd. Bij de laatste herhaling speelden we dan de laatste 16 maten enigszins vlugger. Later op de avond werden deze 16 maten uitgebreid tot de gehele laatste herhaling met als slot enkele zeer langzaam gespeelde maten van eigen compositie. Dat er dan naast de eerder genoemde mi bemollen ook de nodige si bemollen verloren gingen behoeft geen verdere verklaring. Na de 6/8 werd dan bijvoorbeeld die van Mheer ten gehore gebracht, gevolgd door "Mòder de kets" , "Vooruit Mina" en ook wel "Sarie Marais". Tegen een uur of half 10 herinnerden de dan nog aanwezige muzikanten zich het gezegde van de Heer "Gij zult de dorstigen laven" en begaven zich "blaozentaere" naar een onder een boom aangebrachte grote tafel voorzien van de producten van nijvere ambachtslieden uit Valkenburg, Gulpen of Wylre. (U weet wel: het bier waar Limburg trots is op geweest.) Met de moed der wanhoop ging het hier verder tot de kwaliteit van de muziek als ook de kwantitiet van de blazers zodanig geslonken was dat voortzetting geen doel meer had. Immers een groot gedeelte van de muzikanten, vooral de jongere garde, was ook zoekende naar een sponde-genote en van de overgeblevenen had een gedeelte hun "ekstrement" uit voorzorg aan iemand in bewaring gegeven, meestal aan de niet zeer vriendelijk toekijkende andere helft van zijn trouwboekje. Ook de uitbater sloot zijn zaak waarmee een einde kwam aan liet feest, zeker toen het licht in de feestweide nog niet uitgevonden was. Het kwam ook voor dat men zich tegen het invallen van de duisternis "blaozentaere en rejjentaere" begaf naar de contreien van de kerk waarin de aldaar gelegen staminekes men wel beschikte over "den èllentriek" en men dus nog even verder kon. Hier werd de laatste "sjtub" weggespoeld, opgedaan tijdens de kilometers lange stoffige wegen van "d'r broonkwèèg".

 

Als ook hier de laatste klanken verstorven waren zag men velen met z'n tweeën wegtrekken die het plan hadden opgevat de fanfare mettertijd van nieuwe leden te voorzien ofschoon de kinderbijslag weinig of niets voorstelde. Op "Broonkmaondèg" en vroeger ook op dinsdag werd bovenstaande nog eens overgedaan maar nu zonder gastverenigingen. Waren er geen andere festiviteiten tijdens de kermis?

 

Voor de oorlog niet, uitgezonderd de gewone kermisattracties zoals de "mèùlekes" voor de kinderen en de "zjweefcarrousel" en de "sjòkkele" voor de groten. Na de oorlog was er kermismaandag en dinsdag dansen en raakte de cramignon spoedig in verval. Men kon nu tijdens de foxtrot of Engelse wals en naderhand gedurende de samba of de raspa zijn aanstaande beddergeno(o)t(e) uitzoeken.

 

Het in onbruik raken.

Het spreekt vanzelf dat dit niet van de een op de andere dag gebeurd is. Op 22 juli 1945 was er een optocht naar het Amerikaans Kerkhof, georganiseerd door een bond van schutterijen. Ondergetekende maakte toen als 15 jarig broekemanneke (is niet waar, ik had toen nog een "poefbrook" aan) met nog vier andere zijn debuut bij de fanfare, na een opleiding van twee maanden. Ons hele repertoire bestond uit drie lichte loopmarchen welke wij trachtten tot een goed einde te brengen wat ook vrij aardig gelukt is. Er kwam tenminste niemand na met "unne tuut". Na afloop was er nog een concert op de "miewèj" (maaiweide). Bij het invallen van de duisternis trok onze fanfare over de drukke (!) Rijksweg Maastricht-Aken richting kerk, omringd door een "rejjende" menigte. Men speelde toen geen cramignon maar de Tirailleur marche (zie; afbeelding) een lichte loopmarche die iedereen van buiten kende behalve wij nieuwelingen. In ons dorp werden door de Jonkheden van Margraten, Termaar, Groot-Welsden en `t Rooth weidefeesten georganiseerd. Tijdens deze feesten werd nog vele jaren na de oorlog "gerejd". Termaar en Groot-Welsden kennen deze weidefeesten nog, maar er wordt geen cramignon meer gespeeld, laat staan "gerejd", uitgezonderd een jaar of acht geleden. Toen werd door een groep oud-muzikanten van Groot-Welsden de 6/8 gespeeld. Nadat er een 10-tal maten voorbij waren werd er, door deels ouderen, spontaan "gerejdfl Op eerder gespeelde marchen reageerde men niet. De weidefeesten trokken steeds minder publiek en degenen die kwamen, kwamen zeker niet om te "rejjen ". Op het laatste waren er bij wijze van spreken evenveel bezoekers als muzikanten. Toch zijn we nog geregeld cramignon blijven spelen ook nadat er niet of bijna niet meer "gerejd" werd. Tenslotte zijn we er toch maar mee opgehouden behalve af en toe tot eigen plezier. Om nu precies een jaar te noemen is onmogelijk. Na 1950 is het beduidend minder geworden en in 1960 was het voorbij, misschien eerder.

 

Dit strookt ook met inlichtingen uit de omliggende dorpen uitgezonderd St. Geertruid en Mheer waar dit elk jaar nog gebeurd. In Reijmerstock werd zeker nog nog tot begin jaren 60 "gerejd" (mogelijk ook later). Hier was ook geen dansen met kermissen en andere feesten. In Slenaken heeft men een aantal jaren geleden geprobeerd dit nieuw leven in te blazen maar is mislukt. Bij gelegenheid van "Boeren in het Geuldal rond 1900" te Epen werden een aantal bewerkte cramignons gespeeld en op commando " gerejd". In Banholt nog af en toe maar dan bij een speciaal feest. Ook Noorbeek is omstreeks 1950-1960 opgehouden maar sedert enkele jaren weer begonnen maar nu met bewerkte cramignons. Met bewerkte cramignons wordt bedoeld voor elke instrumentengroep een partij. Gronsveld speelt elk jaar nog cramignon maar alleen op "Broonkmaond'eg". Eijsden is bekend. Eckelrade sedert 1950, of vroeger niet meer. Evenzo Cadier en Keer en Bemelen. Betreffende Sibbe, Wylre en Gulpen is mij niet bekend maar waarschijnlijk op eerder genoemd tijdstip. Of Noorbeek volhoudt zal de tijd moeten leren.

 

Met dank voor de inlichtingen aan: Lèj Simons en Francois Kool uit Slenaken, Sjir Beckers van Schilberg, Sjof Drummen en Sjof Custers uit St. Geertruid, Sjeng Munnix uit Banholt, Lambert Janssen uit Noorbeek, Giel Senden en Funs van Gerwen uit Mheer, Nic. Ubags uit Cadier en Keer, Etienne Franssen Epen, Martin Piters Eckelrade, Sjaak Heijnen uit Gronsveld en de leden van de Heemkring Voeren e. o.

 

PUBLIKATIES

 

"De eerste oorlogsdagen van mei 1940." in: Voeren Aktueel; jaargang 8; nummer 2; september 1990.

" 'S Gravenvoeren": door R. Brouwers.

"Sint-Martensvoeren, een interview met Maria Schillings-Lebeau. door J. Nijssen.

"De Plank en Teuven, een interview met Mw. Heusschen-Muytjens": door: J. Nijssen.

"Remersdaal: het verlies van een zoon": door J. Beckers.

"Op Schilberg, mijn herinneringen"; door J. Nijssen.

",s Gravenvoeren-Hergenrath, een plechtigheid": door J. Nijssen.

Abonneren op Voeren Aktueel kan gebeuren door storting van 330 Bfr. op rekening 735-3540261-40 van VOEREN AKTUEEL, p.a. Maria Brouwers-Demollin, Mennekesput 226, 3798, `S Gravenvoeren, tel. 041-810612.

 

Getuigenissen van mensen die het begin van de Tweede Wereldoorlog in de Voerstreek meemaakten en waarin een helder beeld geschetst wordt van de hachelijke positie waarin de "gewone" Voerense dorpsmens toendertijd verkeerde. Onmacht en desinformatie, verwarring en leed.. . En angst voor een mogelijke herhaling van de inval in 1914 en de oorlog die erna volgde. Het onvervreemde besef van die eigen positie, dat een "gewone" Voerense dorpsjongen in oorlogstijd niet meer is dan een "gewoon " soldaat die de gevaarlijke klussen moet opknappen, lijdt vanzelfsprekend tot het verkiezen van een bezetting boven een oorlog. Natuurlijk was men Leopold 111 dankbaar toen hij, om welke reden dan ook, kapituleerde. De verzamelaars van deze getuigenissen, de benaming "anekdotes" die in de inleiding gebezigd wordt heeft m.i. toch een ietwat te neerbuigende gevoelswaarde, leverden met dit artikel een bijdrage aan de Voerense geschiedenis en daarbij, en dat is zeker niet minder van belang, wordt geschiedenis geschreven van mensen die zich in andere maatschappelijke posities bevinden dan diegenen die onze geschiedenisboekjes gewoonlijk vullen.

 

"Prat op plat. Een themaboekje over dialekt." Samenstelling: Heili Bassa. Een uitgave van: Het Algemeen Plattelands Jongeren Werk; 1989. Besteladres: Postbus 816, 3500 AV Utrecht, 030- 730830.

Het APJW is een samenwerkingsverband van drie landelijke organisaties, Plattelands Jongeren Gemeenschap Nederland, Nederlandse Christelijke Plattelands Jongeren, Katholieke Plattelands Jongeren Nederland.

 

Een themaboekje dat jongeren wegwijs wil maken in hun eigen tweetaligheid. Door de landelijke aanpak van het thema leren jongeren dat zich in hun streek vaak dezelfde verschijnselen voordoen als elders in Nederland.

 

Een indruk:

"Import kent geen dialekt".

Import mensen zeggen wel eens: "Ik vind het zo vervelend, als ze onder elkaar dialekt gaan praten, want dan versta ik het niet meer" .

 

Voor mensen die pas in een streek komen wonen kan dat opgaan. Maar als mensen al meer dan 10 jaar in een streek wonen hoeft dat geen barriere meer te zijn. Er zijn mensen die naar de volksuniversiteit gaan voor een kursus Spaans. "Ja, enig, want we gaan elk jaar naar Spanje op vakantie en dan kunnen we tenminste met de mensen praten." Waarom wel een taal leren voor je vakantie en niet de taal van de streek waar je woont of komt te wonen? Heeft dat niet te maken met een vooroordeel, dat je wel wilt genieten van een streek, maar er niet volledig mee verbonden wil worden?

Zo gauw import mensen dialekt gaan spreken krijgen ze nogal eens de reaktie van dialekt-sprekenden: "Doen niet zo raar, dat klinkt jaa ner' ns naar. Ik vertstao oe wel, praat maar gewoon Nederlands". Je leert echter pas een taal, dus ook het dialekt door het te spreken en fouten te maken.

 

Niet iedereen hoeft het dialekt te leren spreken. Als mensen het kunnen verstaan, is er al veel gewonnen. En dat verstaan gaat vrij gemakkelijk als je je er ook echt voor openstelt."

 

Plaat dialektmis "Zonder omwaeg". De plaat is opgenomen in de basiliek van Sint-Odiliënberg en is uitgekomen bij Eurosound Studio's, Dijkstraat 5, 6674 AG Herveld, tel. 08880-1048 onder nummer ES 46.974.

 

"Limburgse vrouwen in de 19e en de 20e eeuw"

 

Op 14 september1990 is een boek verschenen waarin speciale aandacht geschonken wordt aan de rol van vrouwen in de 19e en de 20e eeuw. De titels van de bijdragen zijn onder meer:

- Limburgse dienstmeisjes in België;

- Plattelandsvrouwen in Limburg;

- Hulpverlening aan ongehuwde moeders in het centraal R.K. Moederhuis;

- Naar het voorbeeld van de Maastrichtse Mater Amabilisschool. Het boek kost fl9,90 en is te bestellen door storting van dit bedrag op rekening nummer 1055806 t.n.v. Limburgse Vrouwenraad, Roermond

 

"Das adlige Damenstift von Sinnich" door: Viktor Geelen. In: "Im Göhltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 48 t/m 51. Informatie bij de "Vereinigung für Kultur, Heimatkunde und Geschichte im Göhltal", sekretariaat: Maxstrasse 9, 4721 Neu-Moresnet, tel. 087-657504.

 

Een kort artikel over het ontstaan van de abdij van Sinnich, het reilen en zeilen binnen het klooster en het einde ervan.

 

"Das Franziskanerkloster in Volkerich (Gemmenich) " door: Alfred Jansen. In: `tim Gohltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 81 t/m 97.

 

Een artikel over het ontstaan van dit klooster en de verschillende funkties die het in de loop van de tijd heeft gehad.

 

"Kelders i genne Pley." door: Jean-Marie Ernon. Meer informatie: Pley 220, 3798 `5 Gravenvoeren.

 

En boekje over appelwijn of cider geschreven door een Voerense appelwijnmaker.

 

Te verwachten publikatie.

 

 

"Monumenten van geschiedenis en kunst. Margraten, Mheer en Noorbeek" door De Heer Schulte. Te verwachten rond 20.12.1990. Verzameld door B. Mergelsberg.

 

 

VLÖGGGELEN, RIJDANSEN IN OOTMARSUM (OVERIJSSEL)?

 

 

De onderstaande tekst is overgenomen uit: "Paasagenda 1990" van Ootmarsum. "Hoe oud het gebruik is weet niemand. In de Overijsselse Almanak van 1840 wordt het genoemd. Dat het, zoals de volksmond wilde, herinnert aan het processiegewijs ter kerke gaan van de kloosterlingen uit Weerselo, is niet erg waarschijnlijk. Mogelijk hebben de middeleeuwse paasprocessies invloed gehad op de vorm van het gebruik, maar naar de inhoud is het zonder twijfel ouder en herinnert het aan de lentereidansen, die o.a. in Limburg en Cornwall voortleven.

In het jaar 1215 trof pater Olivarius uit Paderborn, toen hij de inwoners van Enschede tot een kruistocht wilde opwekken, de mensen daar bezig met het uitvoeren van een rijendans, waardoor zij niet naar zijn prediking wilden luisteren.

Meester W.J.C. van Wijngaarden (1818-1882) te Rijssen schrijft: "In Ootmarsum danst de jeugd hand in hand door de huizen, waarvan de bewoners die dag de voor- en achterdeuren voor de joelende menigte moeten open laten staan

Een uitgelaten dans is het nu in elk geval niet meer. En heel het Ootmarsums paasgebeuren heeft toch wel sterk het stempel van een christelijke viering gekregen."

Louise Reestman.

 

====

 

KONTAKTEN (J.N)

 

5 sept. 1990: met C. De Decker uit Erembodegem (prov. Oost- Vlaanderen), over vliegtuigen die in W02 zijn afgevallen (kontakt gelegd door Jeugherberg).

 

8 sept. 1990: deelname te Gerlingen (Guerlange) bij Aarlen (prov. Luxemburg) aan een colloquium over de herwardering van het oude kerkhof aldaar. Dit kerkhof heeft belang voor de algemene teorie over grafkruisen. Biezonder aan deze aktie van Gerlingen Is, dat ze ingezet is door een klas (16 tot 18--jarigen) van een school: jongeren die aktief aan de herwardering van hun dorp werken.

 

10 sept. 1990: met J.C.A. De Clerck uit Opwijk, over een grafsteen van de familie "van Zinnich" te Baardegem (Aalst, prov.Oost-Vlaanderen), die beweerde af te stammen van Hendrik van Zinnich, gestorven in 1309 en begraven in het klooster van Zinnich (kontakt gelegd door Guido Sweron).

 

 

========

 

 

DE ONDERGROND VAN DE KERKHEUVEL VAN SINT-MARTENSVOEREN

 


 

We zijn maar met weinigen die het gezien hebben: de man op de graafmachine (fa. G. Dupont, St. Lambrechtsherk), de man van de verwarming, (fa. Gomala, Alken), Jaak Lemmens en Hubert Franssen, resp. voorzitter en penningmeester van de kerkfabriek, Jef Colemont, pastoor, Theo Hick, gebuur, en - gewoon uit archeologische belangstelling: Bep Mergelsberg, Henri Straet, Elza Vandenabeele en ondergetekende.

 

Er werd op 28 augustus 1990 een kuil gegraven voor de nieuwe verwarmingstank van de kerk. Het gat werd tenslotte 2 m diep. Naast de ketel konden nog met een grondboor de diepere lagen onderzocht worden (boring 121); we maakten van de gelegenheid gebruik om twee verdere boringen uit te voeren op het kerkhof: een ten W van de kerktoren, vlak bij de kerkhofmuur (boring 124), een ten N van het kerkschip (boring 125). Ook hebben we in de omgeving wat gewaterpast. De opgedane ervaringen werden besproken met Guido Kremers van het Gallo-Romeins Museum van Tongeren, dat bevoegd is voor alle -ook niet-Gallo-Romeinse opgravingen in de provincie.

 

Wat werd er gevonden (schets afb. 1)?

 

a) In de kuil zat bovenaan een laag "gewone' aarde, ca. 1 m dik, met daarin wat botten en een Duitse militaire helm; het moet hier wel om aangevulde grond gaan, want

 

b) de laag daaronder, ook ca. 1 m dik, bestond uit puin van een gebouw, met stenen tot ca. 10 dm3 inhoud, meestal silex, met eraanklevende kalkmortel; - In het puin werden wat botten en een glasscherf gevonden (tenzij deze bij het graven uit een hogere laag hier terecht is gekomen! Bij de boring 124 kwamen we na 1 m 70 m op een harde laag, die kalkmortel scheen te bevatten. Ook is bekend dat men, bij het werken aan het graf Ernens-Deleval, vijf m ten ZW van de toren, met zware steenbrokken had af te rekenen.

 

c) Heel onderaan in de kuil, in de NO-hoek, een laagje van ca. 10 cm dik, korrelige roodverbrande leem met stukjes verbrand hout; in deze laag zijn er geen sporen van plantengroei.

 

d) Daaronder kwamen we op een laag donkerbruine vrij homogene aarde, die bij het dieper boren 80 cm dik bleek te zijn.

 

e) Dieper ligt op die plaats gewone gele leem, ter dikte van 85 cm,

 

f) en tenslotte moest het boren opgegeven worden omdat we op "van die groene" zaten, met stukjes steen erin, waar niet doorheen te geraken is. Tussen de "groene" en de löss zat er geen mergel. Een vergelijking met het profiel van de omgeving leert dat deze "groene" een meter hoger ligt dan de bodem van de waterloopjes, de Veurs en de Voer, die in de nabijheid van de kerk, namelijk in "De Mot" samenvloeien. En daar geeft de topografische kaart van het NGI de hoogte 125 m boven de zeespiegel aan.

 

Wat betekent dit alles nu?

 

(f) De "groene" is de Vaalser Laag (Assise de Herve), die uit ondoorlaatbare klei bestaat met daarop een waterlaag. Inderdaad, in de buurt, bij de Veurs, ligt drassige grond.

 

(e) Onmiddellijk daarop volgt een relatief dunne laag löss (=leem). - Tussen de "groene" en de löss ligt zoals al gezegd geen mergel: op deze plaats was derhalve de secundaire kalklaag al weggespoeld, toen in de ijstijden de löss door de wind werd aangevoerd.

 

(d) De donkerbruine laag daarboven is dan de oude "natuurlijke" bodem (plus oud kerkhof?)

 

Tot hier dus het oorspronkelijk, natuurlijk profiel, dat op 126.8 m ligt; ter vergelijking: het hoogste punt in de Kerkstraat, meteen de waterscheiding daar ter plaatse, ligt op 127.3 m.

(c) Dan komt de rode laag met verbrand hout, die we aanzien als

de resten van een afgebrand gebouw uit vakwerk,

 

(b) en daarop het puin van een ingestort bouwsel, dat niet het eerste het beste moet geweest zijn, maar een stevig gebouw uit vrij dikke "klauwe".

 

- Tussen de rode laag en het puin is er geen zwarte laag die op tussentijdse bewoning zou duiden, en er zijn geen sporen van plantengroei in de rode laag zelf; daarom nemen we aan dat er tussen de beide gebeurtenissen: de brand van het vakwerkgebouw en de instorting van het belangrijke stenen gebouw, weinig tijd is verlopen. Men zou zelfs denken aan eenzelfde aktie, waarbij het vakwerkhuis werd afgebrand, en het stenen gebouw neergehaald; dit laatste zou wat meer tijd in beslag genomen hebben; een overval dus, een oorlog.

 

De grote massa van de huidige toren verschilt in zijn konstruktie van de delen die tegen het kerkschip aanliggen: deze bestaan uit kleinere steen en dit metselwerk komt zowat overeen met die van het puin uit de kuil.

 

Daarom stellen we ons het volgende voor: een oude vakwerk-gebouw werd ooit afgebrand, en de ernaast staande toren moedwillig vernield. Dit puin hoogde het terrein ter plekke met ca. 1 m op.

 

Die eerste toren moet ongeveer zo groot geweest zijn als de huidige: de twee "oude" delen liggen in de vlakken van de huidige. Even omrekenen nu: de huidige toren (7 x 7 m, bij 1.25 m gemiddelde muurdikte en 15 m hoogte) omvat ca 320 m3 steenmassa; van de veronderstelde oude toren is de oostmuur blijven staan, rest 3/4 of 240 m3; uitgespreid tot een laag van ca. 1 m dik geeft dat een schijf van ca 17 m doorsnede. Niet te vergeten: van die hoop stenen zal in de loop der tijden wel wat zijn weggehaald voor gebouwen in de omgeving, waarschijnlijk voor de westelijke kerkhofmuur (30 m lang x 2 m hoog x 50 cm dik = 30 m3), die uit zeer gelijkende steen is. Of de rode laag op een oude kerk wijst, is niet zeker.

 

(a) Na herbouw van kerk en toren werd het omgevende kerkhof beetje bij beetje opgehoogd; daar kwam de grond van de fundamenten van de opeenvolgende kerkgebouwen bij (in de oostwand van de noordelijke zijbeuk zit nog oud metselwerk; het huidige kerkschip en koor zijn van resp. 1728 en 1730). In elk geval ligt de vloer van de huidige kerk 2 m hoger dan het oorspronkelijke natuurlijke oppervlak, -meer dan manshoog- dit aan de westkant van het schip. Vermelden we nog dat in 1254, de kanunniken van Sint-Martensvoeren een zaak van tienden van Sint- Pietersvoeren (oudste vermelding 1242) regelden met de kommanderie van Aldenbiesen - meteen de oudste bekende vermelding van Sint-Martensvoeren.

 

En verder kijkend...

 

- Een oude vraag. Vanuit de Mot gezien valt het op dat de kerkheuvel, die zich voortzet in de aanpalende wei en tuin over een oppervlakte van n paar honderd m2, een uitgesproken knobbel vormt (tekening afb. 3); is dat een natuurlijke dan wel een kunstmatige hoogte? We nemen aan dat de puinmassa, die we enkel op het kerkhof konden registreren, zich daar voortzet, en de kern vormt van die knobbel. De bovenste 2 m a 2 m 50 zijn daar dan kunstmatig: puin en daaropliggende bouwlaag (vroeger deel van kerkhof?) Tussen de Mot zelf en de top van de heuvel is er een verschil van 5 m.

 

Bij studie van de topografische kaart en van het terrein ziet men dat de waterscheiding Voer-Veurs loopt van De Stroevenbos ( op 4.8 km van de kerk) en het Vrouwebos, over De Domen, over de weg Krutsberg-Sint-Pieter, over De Knap (bij huis Kerff), over de weide tussen de wegen naar Het Veurzerveld en De Knap, over het pleintje aan De Vogelstang, over de Hofferstraat, (bij huis Droeven), over de Kerkstraat (bij winkel Colin-Damseaux), en dan vlak ten ZW van de toren van de kerk (kaart afb. 2).

 

De kerk staat ongeveer haaks op deze lijn; het koor ligt dicht bij de Veurs; in de buurt van de toren en dus van de

 

waterscheiding ligt de kerkvloer op 2 m boven de natuurlijke bodem, maar de vloer van het koor ligt op 4 m boven de natuurlijke bodem.

 

Als men in De Mot staat valt het ook op, dat de Veurs niet op het laagste van het terrein ligt. Die laagste lijn gaat zowat van het brugje bij het koor van de kerk naar het punt van de samenvloeiing; het beekje wijkt tot 25 m daarvan af; het zou "normaal" gelopen hebben daar waar nu het koor van de kerk is. Het werd blijkbaar omgeleid omwille van de kerk.

 

De naam "Mot" betekent "drassige grond" (Boileau 1971 en Middelnederlands Woordenboek), vergelijk "De Motten" in Tongeren, de Mot in Borg]l; een verband met het Franse "motte = hoop aarde" zou echter ook mogelijk zijn, en doelen op de kerkheuvel; oude kastelen worden wel eens "mottorens" genoemd; vergelijk met "Die Motte", net buiten de gracht van kasteel Krickelhausen te Lontzen.

 

Stippen we nog aan dat de kerk van Sint-Marten 30 graden afwijkt van de "oriëntatie" (koor te noordelijk); ook de kerk van Margraten heeft een afwijking van 30 graden (Maasgouw 1990, kolom 17); de voormalige Gertrudiskerk van Landen en de Martinuskerk van Gerlingen (Aarlen) bv. wijken nog iets meer af, en ook in de noordelijke richting; al deze kerken zijn niet gericht op het echte" oosten, maar op zonsopgang bij midzomer (langste dag - ca. 24 juni = Sint-Jan). Het koor van Sint-Martensvoeren staat een beetje schuin op het schip: het wijkt maar 29.50 graad af van de oost ing. Kristenen bidden in de kerk naar de zonsopgang toe (Kristus, de opgaande zon aan de hemel, Luk. 1:78; Kristus' wederkomst uit het oosten, Mat. 24:27); joden en islamieten naar een centrale gebedsplaats toe: Jeruzalem resp. Mekka.

 

Besluit.

 

Als we in Sint-Martensvoeren van alle kanten bergop moeten om de kerk te bereiken - "Jeruzalem, waarheen de stammen opgaan. (Psalm 122) - dan komt dat onder andere omdat er op deze plaats ooit een zwaar gebouw is ingestort, waarvan het puin een merkelijke ophoging van het terrein heeft teweeg gebracht, op deze plaats bij de waterscheiding tussen Voer en Veurs. Zo vertelt ons de ondergrond datgene waar geen archieven over bestaan. In dit geval, hoe een hoek van ons dorp er uitzag, voor zijn oudste gebouw er stond. Men plaatst het ontstaan van de grote massa van onze toren in de 13e eeuw (Geukens, Fotografisch Repertorium van het kerkelijk Kunstpatrimonium) ... In elk geval hebben wij, bovengenoemden, even oog in oog gestaan met de belangrijkste plaats van het dorp, op een ogenblik, dat het nog niet bebouwd was.

 

Door bovenstaande gegevens hier te publiceren hopen we de generaties na ons een tip te hebben gegeven, voor het geval de omstandigheden gunstig ooit eens zijn voor een uitgebreider en grondiger onderzoek.

 

Enkele technische gegevens: De kuil werd 2 m 40 bij 2 m 40, zijn rand lag op 1 m 60 ten N van de toren, op 85 cm van het oude dodenhuisje. Het uitgegraven materiaal mocht in de aanpalende wei gekieperd worden (meteen een -gedeeltelijke- verklaring voor de andere ophogingen langsheen de buitenkant van de kerkhofmuur). De aanwezige ondernemers hadden begrip voor de noden van het archeologisch onderzoek. De beste resultaten kregen we als ten minste een van de onderzoekers bij de kuil stond, en ten minste een bij de plaats waar het uitgegraven materiaal werd gedeponeerd. - We namen stalen bij de uitgraving; veel tijd bleef daarvoor niet, want de ketel moest onmiddellijk op zijn plaats: instortingsgevaar. Ook van de boringen 121, 124 en 125 zijn stalen bewaard. - Het waterpassen gebeurde met de NECLI hellingmeter van de Fa. Hauptmann, Kassel; een kontrolemeting (toren-kerkhofmuur-elektriciteitspaal Mot-elektriciteitspaal bij huis Vaessen-kerkhofmuur gaf een fout van 15 cm).

 

J. Nijssen

 

 

Afb. 1. Sint-Martensvoeren - Bodemonderzoek ten NW van de toren, 28.8.1990. Kuil en boring 121.

 

BODEMVONDSTEN BIJ DE KERK VAN MOELINGEN.

 

Onderstaande regels zijn opgesteld aan de hand van gesprekken met Guillaume Duysens, die bij de opgravingen aanwezig was, en Guido Kremers, Gallo-Romeins Museum Tongeren, die de plaats op 13 augustus bezocht

 

Vlak ten Z van het koor van de kerk op ca. 5 m van de kerkhofmuur werden namelijk, bij het graven van de zandbak voor de nieuwe kleuterschool, geraamten (graempsje) blootgelegd. Op die plaats ligt het maaiveld bijna 2 m lager dan het kerkhof.

 

Wat was er te zien?

 

Op ca. 60 cm onder het maaiveld lagen een zes-zevental geraamten; het was opvallend hoe ze in een vlak lagen: de schraper ging er net overheen. De geraamten lagen niet volgens enige herkenbare ordening; een lag zelfs haaks op andere, en ze gaven de indruk, "door elkaar" te liggen. Wat lager waren nog verkleuringen te zien in de aarde, die op andere skeletten wezen. Er werd niet gegraven tot op de natuurlijke lagen; alles samen werd een begravingslaag van zo `n 20 cm vastgesteld.

 

Sporen van lijkkisten waren er niet te zien. Er konden geen voorwerpen gevonden worden, die voor de datering van de graven dienstig zouden zijn. De geraamten leken opvallend lang: een was 2 m 15 lang, en dan waren de voeten nog verloren gegaan.

Wat is uit deze gegevens af te leiden?

 

De gevonden begraafplaats ligt duidelijk buiten het huidige kerkhof, en dat was ook al zo ca. 1830 ("primitief kadaster"). Ca. 1864 was het bezit van G. Lechanteur-Henrard (Popp).

 

De gevonden graven schijnen zich over een langere periode te spreiden: veel verschil in bewaringstoestand van de skeletten. Dit is een argument ertegen, dat het om een toevallige begraving gaat, bij een ramp bij voorbeeld. Anderzijds spreekt de wilde schikking van de geraamten toch weer voor een noodbegraving; ook de geringe diepte van de begraving wijst in deze richting. tenzij er bovenlagen in de wei in de loop der eeuwen sterk weggespoeld zou zijn. In dat geval zou het hoogteverschil met het huidige kerkhof niet enkel aan ophoging van dit laatste te wijten zijn.

 

Het kan gaan om' personen die niet op het gewijde kerkhof mochten begraven worden: niet-katolieken; maar dan gaat het hier om een langdurige vastliggende plaats voor niet-katolieken.

Nu blijft nog de mogelijkheid, dat de gevonden graven vroeger werkelijk deel uitgemaakt hebben van het kerkhof, met andere woorden dat het kerkhof vroeger groter was, en dat o- een zeker ogenblik een deel ervan in prive-handen kwam en wei werd; tot nu toe werd niets in deze zin in de archieven gevonden - maar aan dit aspekt werd misschien ook te weinig aandacht geschonken.

 

in dat geval moeten de graven destijds toch wel 1 m 50 onder het maaiveld gelegen hebben: in dat geval zou visie van de weggespoelde grond weer meer gewicht krijgen. De ongeordende positie van de geraamten doet dan weer denken aan een massagraf; voor meerdere kerkhoven wordt dergelijke begraafwijze ook buiten tijden van epidemieën vermeld.

 

Enig idee over de ouderdom van deze begravingen heeft men niet toch moeten ze niet zeer recent zijn (WO 1 bv.): dan moest nog hout of tekstiel terug te vinden zijn.

 

Blijft nog het probleem, dat de geraamten de indruk gaven speciaal lang te zijn. Of het om speciaal lange mensen ging is evenwel niet zeker: geraamten vallen wel wat uit elkaar bij het vergaan van het graf.

 

Besluit.

 

Voor de toekomst: we zouden graag weten

a> hoever deze begravingsplaats zich uitstrekt, en inzonderheid,

b) of ze kontinu doorloopt tot de Z-kant van de kerk: in dit laatste geval zou het een oud deel van het kerkhof zijn... en of het kerkhof opgehoogd, dan wel de aanpalende wei verlaagd is in de loop der tijden.

 

 

J. Nijssen

 

 

Data lezingen georganiseerd door de Heemkring en de Milieugroep.

 

De data waarop deze lezingen plaats vinden zijn vastgesteld. Het onderwerp en de plek waar de lezingen gehouden zullen worden is nog niet voor alle lezingen definitief afgesproken.

 

16.11.1990 (Onderwerp staat nog niet vast)

14.12.1990 Lezing door J. Nijssen over "Limburgse kaas".

11.1.1991 (Onderwerp staat nog niet vast)

1.3.1991 Lezing door J. Nijssen over "De Papiermolen van Schophem"

12.4.1991 Dia-varia.

 

Schrijft u ook wel eens gedichten, stuur ze ons toe. Wij

publiceren ze graag.

 

 

De waeg va Voere.

 

 

De sjtraote zunt verlaote,

duuster, nat en kaod,

es ich `s aoves gaans alling

an `ne klinge toer begin.

 

Neon-laampe, vreg en gries

sjienge va hoeëg, vaal en vies.

Ze deunt es of ze nog vergaeëte zowwe

oee ze zoonder òs gezaeète howwe.

 

Ze zeuke. Ze zeuke en zeuke zich weeld

en sjtare zich `èèges sjtaeëke bleend.

In dae sjwarte pool oonder zich

gleenstert alling hun eege lich.

 

`ne Hòòp ramaent keumt langs gevare.

Is bliej, ze zeunt de waeg `nt tare.

En al die groeëte laampe, wat e gemaak,

me hoef mer gaas te gaeve, d'r waeg is al oetgedaat.

 

Ich sjloon aaf, nao de sjtikke duuster wejje.

Um dao èèges te zieë, hoef ich mer te bejje.

Gaar ging waeg en laampe nuuedig, mit hun bòchte en hun lich.

Ich hub gòddaank nog ummer twiee òwwe in `t èege gezich.

 

Charlotte Noteboom.

 

 

In "Herberg De Swaen" worden de volgende thema-week-ends gehouden:

 

5-6-7 oktober : Brouwersambacht.

9-10-11 november: Volksverhalen.

december : Streekgerechten (Hierin kadert de lezing van J. Nijssen over "Limburgse kaas" op 14.12.1990.)

18-19-20 januari: Fotowedstrijd.

22 februari : Het mergellandschaap.

22-23-24 maart : Grenzenloos voorjaar.

mei 1991 : De echte moestuin.