update: 2006 jun 22

 De Band-Heem jg. 05 nr 5 (1961)

 terug naar / back to De Band-Heem

HEEM TWEEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VOOR OVERMAAS - 5e Jaargang Nr -6
Uitgave : Langohr-Veltmans-Vreuschemen Komitee Melkerijstraat 35, Halle (Brabant)


     
   OP GEN TAPIëT.  
 

 CESAR FRANCK, naar een tekening van A. Rassenfosse» 2

CESAR FRANCK EN HET ORGEL, door Kamiel d'Hooghe. 5

MEDEDELINGEN

VOOR ONZE DISKOFIELEN 13

Declaratie Jan Franck 1668. - In hedendaags Schrift overgezet door Dr C. van Tricht. 14

MI HEMMET, gedicht door Joseph Bindels. 16

EEN HELDHAFTIG OVERMAZER. ZENON DE RES1MONT 17

PLAATSNAMEN TE SINT- MARTENS- VOEREN, door Dr A. Boileau 23

RIJMPJE, gedicht door Johan Gist. 25

nog in te voeren:

 

De tragische Ondergang van de Villa Fura, door C. Waelbers 26

Jef London 30

Boerevertelsel, door J. London. 32

Lustrum, gedicht door Johan Gist. 34

Een bijna revolutiyy on aire Daad. 35

Het Onderwijs in de Voerstreek, door J. N. 37

Notes historiques sur St- Jean- Sart, par M. l' Abbe F. Dubois. 39

Het Schöpperlied, opgetekend door F. Pauquet» 42

Aus dem Leben hiesiger Bauern, II, W. J. Nols. 43

Knällemönnster, gedicht door J. Vilvoye* 45

Aan onze Volksdichters. 48

Wachter, wat is er van de Nacht ? 50

Omslag ; Wapen Jan Franck. 54

     
 

 02

tekening van A. Rassenfosse,

uit " A Cesar Franck - Hommage des Musiciens Fran^aiayy ".

- 03

CESAR FRANCK EN HET ORGEL

 

I; OVER HET ORGELLEVEN V

yVOOR - EN ROND FRANCK.

A. Improvisatie, Orgelspel en - compositie.

De weg van de franse orgelcultuur heeft als eerste mijlpaal de grote ernstige figuur van Jehan Titelouze (1563- 1633), waarna de glansrijke pijlers N. de Grigny (1671- 1703) en Fr. Couperin le Grand (1668- 1703) - beiden wisten de aandacht van J. S. Bach op zich te vestigen - tot een bewonderend oponthoud nopen.

Na 1750 is deze kunst evenwel steriel geworden en afgegleden naar een zeer laag niveau. In het beste geval bestaat zij in het demonstreren van holle vingervaardigheid in variaties allerlei ofwel coquetteert men met nietszeggende charmante italianiserende melodietjes. Erger wordt het wanneer men beschrijvende muziek op het orgel gaat uitvoeren waarbij onweers- effekten, marchen, fanfares en walsen elkaar de voorrang betwisten. Michel Corette (1709- 1795) geeft in zijn "Pieces pour l' orgue d' un genre nouveau" een model om onweer, bliksem en donder op gepaste wijze te imiteren s

"Celui- ci se fait en mettant sur la derniere octave des pedales de trompette et de bombarde une planche que le pied baisse ä volonte&laqno; En finissant, pour imiter la chute de tonnerre, on donne un coup avec le coude sur les dernieres touches du clavier".

Lefebure- Wely (1817- 1876), (eerste prijs van orgel in de klas van Benoist), de prins der Organisten, was naar de mode van zijn tijd de grote specialist in het imiteren van een onweer. Triviale thematiek en uitwerking, goedkope sensatiezucht en bedelen naar de gunst van de massa, zijn kenmerken van composities als zijn "Scene pastorale avec orage pour une Inauguration d'orgue". De componist vond dat het stuk ook paste in een "Messe de Minuit". In de geest der verwende pronkerige salons waar pot- pourri's en operafantasieen aanbeden werden door fletse goedmenende zielen, is het orgel ten prooi gevallen aan de arrangeursfurie waarbij symfonieen van Beethoven, marches funebres van Chopin, Schubert en operakoren allerlei broederlijk naast elkaar prijken. Gelukkig zijn er nog restanten van een goede religieuze orgelkultuur aanwezig. Hier is niet Lefebure- Wely, maar Boely (1785- 1858) de leider waarbij Niedermeyer, d' Ortigue e.a. zich aansluiten.

Het is in deze periode van verval dat rond 1850 de componist en improvisator Cesar Franck oprijst als een lichtbaken waar leerlingen ven volgelingen zich naar gericht hebben.

Vanaf 1600 tot 1850 kan de franse orgelschool slechts bogen op een betrekkelijk gering aantal min of meer belangrijke orgelcomponisten die naast de drie vermelde topfiguren leidinggevend zijn. (p 04) Franck is voor Frankrijk, samen met Ch. M. Widor (l842^- 1937) en AI. Guilmant (1837- 1911), beiden leerlingen van de kempische orgelvirtuoos Jaak Lemmens (1825- 1881), de onophoudend borrelende bron geweest die gedurende de laatste eeuw een pleiade van orgelcomponisten, improvisators en orgelvirtuozen heeft voortgebracht die in kwaliteit en kwantiteit de oude franse orgelschool ver achter zich schijnt te laten.

B. Het Cavaille- Coll Orgel

Voor de ingewijden is het zeker niet nodig te wijzen op het verschil van klankideaal tussen een romantisch orgel van de geniale franse orgelbouwer Cavaille- Coll en de zilveren klank der prachtige barokorgels uit Bachs tijd. De kwinkelende aliquot stemmeyy n en de tintelende mixturen hebben hun beurt gehad en zijn in Francks tijd "vieux jeu". Het franse barokorgel had, in tegenstelling met het grotere en rijkere noordduitse, een onhandig pedaal met zeer beperkte registratiemogelijkheden» - Cavaille- Coll heeft naast het aanbrengen van andere vindingen en verbeteringen, ook hiervoor een goede oplossing gevonden door het franse romantische orgel met een zeer speelbaar pedaal te bedenken. Hij geeft het alleen de functie van basklavier en biedt het uitgebreider registerfamilies. Bij een Cavaille- Coll orgel zijn er zachte kleuren en warm zingende, rond klinkende registers met daarnaast een indrukwekkende tutti met volumineuze, dragende - en soms dreunende registergroepen. Het geheel heeft een forse stoere klank die compact en gesloten gehouden wordt» Hierdoor is het niet mogelijk een ragfijn contrapuntisch stemmenweefsel tot zijn recht te laten komen&laqno; De horizontale comtrapuntische schrijfwijze van vroeger heeft dan ook meestal plaats gemaakt voor een vertikale harmonische klankontplooiing» Gelijklopend met de individualistische beschavingssfeer, met het compacte orkestraal coloriet van Fr. Liszt en met het uitgebreid orkest van Bryyn Wagner, worden de kleuren van het orgel uitgebreid. Nieuwe soloregisters als de "Flute harmonique" (romantische imitatie van de dwarsfluit uit het orkest), de "Hautbois", de "Clarinette" en de "Trompette harmonique" (allen imitaties van gelijknamige orkestinstrumenten), samen met de voorheen gebruikte "Contrabasse" "Gambe" en "Basson" komen de pijpenwereld verrijken.

II. DE ORGANIST VAN HET KONINKLIJK INSTRUMENT»

A. De Taak van de Parijse Organist»

De parijse Organisten krijgen (kregen) een belangrijke taak in de eredienst toegemeten. - Op zon- en feestdagen moeten (moesten) zij de liturgie een rijke ontplooiing geven door naast de "maitrise", die terzijde van het altaar de liturgische zang verzorgt, in te staan voor het nodige decorum en voor het bijbrengen van een religieuze biddende sfeer. Dit is slechts mogelijk als de organist in zijn persoon een gelovig mens met een waar kunstenaar verenigt.

(p 05)

B. In de Leer bij ...

"Le Pere" heeft naast zijn betrekkelijk degelijke organistieke vorming, ontvangen van Francois Benoist, zijn professor voor orgel aan het conservatorium, een soliede theoretische kennis en een groot vakmanschap opgedaan bij zijn professor in compositie, Anton Reicha» De orgelist van Ste- Clotilde moet zeer geboeid het oor te luisteren hebben gelegd hij Beethoven.

Welke vreugde hebben hem de orgelconcerten bezorgd van A. Hesse uit Breslau op het orgel van Saint- Eustache (1844) en van J. Lemmens op het orgel van Saint- Vincent de Paul (1852) met op het programma meerdere Bachwerken.

C. Zijn Grote Liefde

Instrument en bespeler moeten tot een vergroeien ; Er zijn de ideeen van de instrumentist en componist en er is de klank van het Instrument dat de vertolker de nodige Impulsen moet geven om zich verder op te werken in een wereld van verheven, ongerepte; bijna onstoffelijk geworden schoonheid.

oPier toonde Franck in 1866 zijn orgel aan Fr» Liszt. "Mon orgue c' est mon orchestre" zegt onze romantische orgelmeester. - Bedoelt hij daarmee dat hij met zijn orgel even goed kan musiceren als met een orkest ? - Vindt hij zijn orgel een prachtige imitatie van het orkest ?

- Is het voor hem een ideaal wanneer een orgel klinkt als een orkest ? Het is aan dit Cavaille- Coll orgel, waarvan Flor Peeters, de befaamde orgelvirtuoos en componist uit Mechelen, het klavier als een kostbare reliek bewaart, nadat het hem door wijlen Charles Tournemire (1870- 1939) bij testament overgemaakt werd, dat Franck gedurende dertig jaar het beste van zich gegeven heeft in de tijd dat "Tout Paris" in aanbidding lag voor de holle pathos en zoeterig vleiende operawereld, verpersoonlijkt door figuren als Auber, Massenet, Halevy, Gounod, Meyerbeer, e.a. De wonderbare improvisator Franck schijnt technisch niet de meest zorgzame instrumentist geweest te zijn*

De orgelmeester Ch.. M. Widor zei ter gelegenheid van zijn eerste les als opvolger van Franck ; "Et maintenant on va apprendre ä jouer l'orgue"&laqno; Hetgeen door de leerlingen zeer kwalijk werd genomen.

D, Geknield...

Francks "melier" gaat gepaard met een diep religieus gemoedsleven&laqno; Dit wordt verduidelijkt door zijn vele muzikale meditaties die jubelen, lijden of in vertrouwen bidden, en door zijn devote houding tijdens de eredienst waar hij zijn improvisaties steeds onderbrak gedurende de consecratie om van de orgelbank komend, God al knielend te aanbidden»

Sommige eng gerichte protestantse kerkmusici verwijten Francks muziek vooral haar katholiek zijn, wat voor hen bijna gelijk Staat met niet principieel "orgelmässig" zijn. Zij is voor hen dan ook onaanvaardbaar. Zonder het rijke liturgische leven, zonder de wierookwalmen en zonder de rijke verscheidenheid van de katholieke eredienst is Francks orgelwerk niet (p 06) denkbaar. Het biedt een overvloed aan muzikale kwaliteiten en verheven religieuze lyriek, aan serene mystieke beschouwingen en geloof in hogere waarden. Het paart menselijke hartstocht aan sublieme meditaties en spot in zijn dramatische geladen momenten met het begrip "le pere seraphique".

III. ORGELWERKEN.

"Le Maitre Angelique" is de toondichter die voor alles kwaliteit beoogt en die eerst op betrekkelijk late leeftijd tot rijpheid is gekomen. Gans zijn orgeloeuvre omvat slechts 12 titels gebundel in drie volumen s

Six Pieces Trois Pieces Trois Chor als*

A. Six Pieces (1860- 1862)

"Ces poemes ont leur place marquee ä cote des chefs- d'oeuvre de Sebastien Bach!" Fr. Liszt.

Hoe alleen prijken deze in hun geparfumeerde tijd. Torenhoog verheven boven een zeer middelmatige omgeving blijven zij na honderd jaar nog steeds boeien. Het is een meesterworp geworden waarbij de persoonlijkheid van meetaf aan sterk geaffirmeerd werd. De rijkelijk geïnspireerde melodiek van de "Fantasie" in C gaat gepaard met imitatorische wendingen. De "Grande Piece Symphonique" is de orgelsymphonie van Franck, waarin voor het eerst in de orgelliteratuur het cyclische vormprocede toegepast wordt. Deze meerdelige compositie is het huwelijk tussen de klassieke constructieve symphonische geest en de symfonische klankenkleur geworden» Suggereert de aanvang geen cello- en contrabaskleur om het thema te strijken ? Zijn de houten blazers niet aangewezen om de herhaalde akkoorden te articuleren ? Bij de "Prelude, Fugue et Variation" kan men slechts stilstaan om het naïeve en onbevangen karakter, te beluisteren en te bewonderen&laqno; Hoe is het mogelijk om met zulke bescheiden middelen tot zo'n boeiend resultaat te komen in een tijd waar graag met wapengekletter en notenvloeden wordt gegoocheld.

De "Pastorale" schijnt een kerstsfeer op te roepen waarin schalmeiende her- yyders afwisselen met de puntige staccato- akkoorden van de "Trompette harmonique", een vinding van Cavaille- Coll, aan wie dit werk werd opgedragen. Is hier invloed te horen van de franse "Noels", van de italiaanse Pastorales, of van Bachs Pastorale ? - Ik meen van wel» Het meest geconcentreerd diepzinnig stuk is hier zeker de "Friere"» Het duurt meer dan tien minuten en blijft steeds in een monochrome kleur verwijlen. - Zeer hoogstaand en voornaam van thematiek, zeer mooi van doorwerking wordt het jammerlijk omzeggens nooit geprogrammeerd op orgelconcerten, uit vrees ons gehaast en kortademig publiek te overladen. De "Final" schijnt met haar fanfareachtige inzet en haar minder interessant slot een kind van haar tijd te zijn en is fel verbleekt»

(p 07)

B. Trois Piepes (1878)

Geschreven voor de inhuldiging van het nieuwe Cavaille- Coll orgel in de immense concertzaal van "Trocadero", werden deze stukken door de toondichter voor het eerst met succes ten gehore gebracht&laqno;, Geboren zestien jaar na de "Six Pieces", schijnt deze bundel een vlot vervolg te zijn van Francks eerste publicatie van Orgelwerken. De "Fantasie" in A is een zeer interessante en fantasierijke compositie, gebouwd op drie hoofdthema's en verdeeld in drie grote delen ; Expositie, doorwerking, reexpositie.

Het tweede nummer "Cantabile" is een vrije compositie die nood heeft aan de poëzievolle "Clarinette" en de suave en ronde klank der grondstemmen van een Gavaille- Coll orgel. Gigout speelde dit stuk bij de uitvaart van de meester.

De "Piece heroïque", sluitstuk wan het drieluik, vat aan met orkestraal repeterende akkoorden, terwijl in de loop van het stuk pianistieke figuratie optreedt. - Heeft dit werk met zijn briljante allure een heroïsch karakter ?

M. Monikkendam schrijft in zijn interessant boek over Franck over dit stuks "Deze muziek is niet episch maar lyrisch, en we zouden zeggen van een orkestrale lyriek".

Hierbij kan aangemerkt worden dat het geheel toch een zeer zelfbewust karakter heeft.

C. L' Organiste (1890)

Over de twee bundels harmoniumstukjes werd tamelijk veel kwaad verteld&laqno; Zij zijn niettegenstaande alles een wezenlijke verrijking van het arm en mager repertorium der echte harmoniumliteratuur.

D. Trois Chorals (1889- 1890)

"Alvorens te sterven zal ik de Chorals schrijven zoals Bach, maar dan op een andere basis" C» Franck.

Onsterfelijke muziek van een geniaal man, getoonzet in zijn laatste levensjaar&laqno; N. Dufourcq schrijft in zijn boek "La Musique d' Orgue Française" over het driedelig testament s "On y voit une hymne triple, trois odes par lesquelles; avant de disparaitre, le chretien que fut Cesar Franck entend chanter l'Eglise militante, l'Eglise souffrante, l'Eglise triomphante. Musique d'esprit religieux..."

Deze "Chorals" hebben noch naar vorm, noch naar inhoud aanknopingspunten met de gelijknamige orgelstukken van de vroegere barokmeesters. Het zijn drie meesterwerken waarbij het eerste opvalt door zijn Beethoveniaanse variatievorm en zijn hemelse lengte» Het tweede door zijn soliede Passacagliavorm en zijn onmetelijke rijke inhoud aan melodische, harmonische, lyrische en dramatische bewogenheid. Kan men de strijkers niet horen zingen in deze stukken ? Het derde heeft een briljante allure waarvan de inzet aan een preludium van Bach herinnert Franck zegt zeit yy over deze werken "Le vrai choral ce n'est pas le choral ; il se fait au courant du morceau"?

(p 08)

Deze onovertroffen drieling is de prachtige zwanenzang van deze schoonmen- yyselijke figuur wiens muziek immer eindigt met een triomf van het serene op het bewogene, het goede op het kwade, de etiek op het zeer menselijk affect. Is het niet ontroerend te vernemen dat de toondichter al zijn krachten verzameld heeft om deze muziek nog te gaan registreren aan "zijn" koninklijk instrument dat hij door en door kent ? Is het geen bewijs van zijn grote zorg en hoogstaand artistiek geweten dat hij, die het klankbeeld van deze stukken zeer goed kon bepalen van op zijn ziekbed, toch naar de kerk wilde om zijn ziel nog eens te kunnen uitzingen aan het rijke Gavaille- Coll orgel. Welke gevoelens moeten hem doorzinderd hebben bij dit smartvol afscheid.

HUN STIJL

De muzikale taal van zijn orgeloeuvre sluit nauw aan bij de stijlkenmerken van de laat- romantiek. Francks afwisselend expressieve homofone en harmonisch- contrapuntische schrijfwijze beweegt zich op een verheven niveau daar waar dezelfde middels sensueel aandoen bij R. Wagner.

Pianistieke grepen karakteriseren sommige delen van het Tweede en Derde koraal, van de "Piece heroique", e.a.

Felle ritmische stuwing en dramatische ritmische ontwikkelingen schijnen Franck eerder vreemd. Brahms schrijft meestal zware gevulde akkoorden met contrapuntische en pseudo- contrapuntische lijnen die zich soms polyritmisch bewegen. Bij Franck vindt men ook zulke polyritmiek.

De grote klassiekere Beethoven is het inspirerend voorbeeld geweest bij het uitdenken en neerschrijven van de "Grande Piece Symphonique", de "Chorals" en andere werken.

Naast vaak lange rijk geïnspireerde lyrische melodieën valt Francks melodiebouw vooral op door het aanwenden en uitwerken van de "cellule generatrice".

Is Francks voorkeur voor rechtsliggende toonaarden muzikaal of psychologisch te verklaren ? - Moet men zijn immer opgaan naar het licht en zijn meermaals zalvende rustig besluit uitleggen door zijn positieve levenshouding die hij baseerde op een onwankelbaar vertrouwen op God.

Zoals hoger vermeld zijn de orgelcomposities gegroeid in een welbepaald klankidioom dat tamelijk ver afwijkt van de oude transparante orgels. De orkestrale klankenkleur heeft zeer inspirerend gewerkt op Francks manier van schrijven voor- en registreren op het orgel. Een duidelijke wisselwerking is evenwel waar te nemen want Francks orkest suggereert meermaals de orgelklank o.a. door zijn vele lange diepe bastonen en door zijn klankterrassen voor hoorns en houtblazers. Besluitend kan dus aangemerkt worden dat hij in de eerste plaats symfonisch denkt.

(p 09)

ZIJN ZIJ ORGANISTIEK ?

Zonder veel tegenspraak kan opgemerkt worden dat de herhaalde akkoorden uit de "Piece heroique", de "Pastorale" en de "Fantasie" in A orkestraal klinken, dat de pianistieke allures van sommige wendingen uit de "Piece heroique", de "Final" en de Tweede en Derde Koraal Problemen stellen aan menig organist, dat sommige grepen uit het Eerste koraal en uit de "Fantasie" in ut moeilijk zuiver kunnen genomen worden. - Franck zelf beschikte over een abnormaal grote hand en dacht niet aan problemen van kleine handen, korte vingers en kleine spanning. Vormen deze aanmerkingen een schaduwzijde ? - Neen. Met de noten vloeden uit de Orgelwerken van Max Reger (1873- 1916) wordt de organist voor andere problemen gesteld l - Is Francks kleurenwereld niet organistiek ?

Zij is vooral orkestraal en men mag dit niet negeren ! Is de mystieke sfeer uit den boze ? Indien ja, dan moet men logisch durven zijn.

IV. IMPROVISATIE IN "SAINTE- CLOTILDE".

"ü hebt daar een wonderlijke bemiddelaar, mijn zoon ; hij zal de zielen dichter bij O.L.Heer brengen dan wij". Aldus de kardinaal van Parijs aan de pastoor van Ste- Clotilde.

Dertig lange jaren gaf Franck het beste van zich aan de klavieren van het "grand orgue" waar hij als Improvisator een legendarisch roem heeft verworven.

Dat Franck reeds in zijn studiejaren uitblonk door een uitstekende zin voor het combineren van thema's bewijst zijn orgelconcours waar hij twee thema's ongevraagd combineerde en aldus verplicht werd tot een langere ontwikkeling hetgeen de gestrenge juryleden deed besluiten; dan nog na tussenkomst van Benoist, Francks orgelleraar, tot het toekennen van een schamele "second prix".

Het was de heren hun petje te boven gegaan ; zij hadden er niets van begreyy pe n.

Met zijn grote architecturale zin was het hem dikwijls onmogelijk op te houden na het offertorium&laqno; Zelfs als de bei meerdere malen gerinkeld had kon de Mesch moeilijk afscheid nemen van zijn muzikale creatie. Deze hoogtepunten van spontane en religieuze lyriek zijn vervlogen. Er resten enkel de getuigenissen van zijn geestelijke erfgenamen die het "rendez- vous" van de zondagmorgen aan de linkerdeur onder het voorportaal van Ste- Clotilde niet wilden missen. Zorgzaam werd door de meester immer het muziekboekje met de muzikale thema's bovengehaald - Volgens een ooggetuige vroeg Duparc eens een improvisatie op het thema der "Hymne an die Freude" van Beethoven, waarop Franck onmiddellijk verontwaardigd reageerde » "Ben je gek ? Wat moet ik daarmee doen, er is niets mee te doen want het thema is afdoende behandeld*" - Duparc drong evenwel aan en le Pere bedaarde. De muze maakte zich meester van hem en met grote bewondering en ingetogen adem luisterde men naar een wonderschone fantasie die uit verschillende variaties bestond (p 10) om uiteindelijk, in een beschouwend gebed neergelegd te worden. Andermaal was men getuige van 's meesters ongewone spontane creatiekunst en creatievreugde, gepaard aan een menselijke bewogenheid en een gesublimeerd slot.

V. DE ORGELKLAS IN HET GONSERVATOIRE"»

Als het ware bij toeval werd Franck in 1872, midden allerlei intriyy- gues, "professeur d'orgue" benoemd als opvolger van Benoist* Voor zijn vele leerlingen was hij met zijn edel rechtgeaard karakter en zijn warm meevoelend gemoed als een vader. Veel lofbetuigingen kwamen hem niet over de lippen. Holle "Franse" complimenten bracht hij niet aan de man. "J'aime" "J'aime" was de verwoording van zijn voldoening. De improvisaties moesten voor alles architecturaal degelijk opgebouwd worden. - "Verzorg uw staart" kreeg de leerling te horen die een coda wat te nonchalant behandeld had. Francks orgelklas was in hoofdzaak gewijd aan de improvisatie en werd algemeen beschouwd als een compositieklaa.

Naijverige collega's en "premier prix"- stovers bekeken Francks leerlingen met een "scheef" oog.

Geen virtuozen maar ware artiesten in een edelste betekenis van het woord werden gevormd. De voornaamste hiervan zijn G. Pierne, Ch. Tourtiemire, P. de Breville, V. d'Indy, G. Ropartz, Ch» Bordes, E. Chausson, H. Duparc, A. Marthy en G. Lekeu.

Dat hij door hen omzeggens aanbeden werd vernemen wij van Vincent d'Indy in zijn prachtig, bewonderend en met grote lief de geschreven boek over Franck*

VI. DE INVLOED VAN FRANCK.

Naast de grote schaar van begaafde leerlingen die als herauten zijn invloeden vorder rondgedragen hebben is de invloed van zijn schrijfwijze en zijn estetiek, maar dan met een moderner palet, te merken in menig werk van Vierne (vooral de trage bewegingen), Fleury, Ryelandt, Peeters, Durufle, Langlais, Tournemire en ... Messiaen* Samen met de symfonische vormgeving en de soms pianistieke schrijfwijze is Francks sympfonisch registratiekoloriet de voorbode van de franse symfonische orgelschool, waarvan de prominente hoofdfiguren zijn : Ch. M. Widor, A. Guilmant, L. Vierne, M. Dupre, L. Fleury e.a. Er is een duidelijke evolutie waar te nemen in de liturgische- en mystiek gerichte orgelmuziek vanaf de voorpost Franck over Tournemire en Alain tot bij Messiaen.

"Le Maître angelique" schrijft "Chorals" en een "Priere". Tournemire schrijft zijn "L'Orgue mystique", Alain zijn "Litanies" en Messiaen wijdt cycli aan godsdienstige onderwerpen zoals bv. "La Nativite du Seigneur".

(p 11)

VII. HEDENDAAGSE ORGELBOUW EN FRANCK.

Er is sedert een twintigtal jaren een zeer duidelijk streven naar een imitatie van hei oude met glorie beladen barokorgel. Hierbij heeft de lei" yydinggevende Deense orgelbouw, door haar resoluut aanleunen bij het Schnitger- orgel alle latere verwezenlijkingen van een Cavaille- Coll orgel genegeerd, waarin zij gevolgd wordt door vele Duitse, Nederlandse en Zweedse orgelbouwers die prachtige neo- barokke klankmonumenten vol heerlijke kwaliteiten gerealiseerd hebben. Ook de latijnse beschavingsafeer of anders gezegd de Rooms- katholieke orgelbouw eVolueert in die richting maar zit met de erfenis van Franck en Cavaille- Coll een weinig verlegen. De leidinggevende firma's van deze landen trachten tot een synthese van oud en nieuw te komen. Zij behouden aldus de mogelijkheid oüiyy de orgelliteratuur van Franck op tamelijk stijlgetrouwe wijze te laten klinken. Menig mixturenrijk en "grondarm" nieuw orgel laat een dergelijk ideaal niet toe en stelt de organist voor een zware opgave daar de grondstemmen te veel spuwen en de tongen teveel "schnarren", terwijl het geheel niet rond, warm en mals genoeg klinkt. Het is vooral de protestantse orgelwereld die Franck omzeggens negeert en hem meestal interpreteert als een barokcomponist. Ook in de - Rooms- Katholieke orgelwereld is er zeer ten onrechte een verminderde belangstelling. In deze middens is er ook de neiging om Francks registratie aanduidingen tamelijk vrij op te vatten.

 

VIII, DE ORGANIST EN HET HUIDIGE PUBLIEK TEGENOVER FRANCK.

Francks muziek is een product van de romantische tijd met zijn geladen individuele gevoelsontledingen en heeft aldus niets van de friase yy sp©n" "tante "Spielerei". - Zij spreekt tot het gemoed van elkeen door haar warme menselijkheid en haar lyrische ontroering» De nuchtere klassieke geest 'wordt geboeid door de rijke harmonie, vlotte inspiratie en goede architectonische verhoudingen waarbij de inspiratie in vaste baan gehouden wordt en details slechts waarde hebben in functie van het geheel. Vele Organisten, vooral Rooms- katholieken, voeden zich aan deze bron van schoonheid, hoewel verscheidene werken zoals de "Final" de "Fantasie" in ut en de "Grande Piece Symphonique" wel verouderde elementen in zich bergen. De protestantse organistenwereld maakt voorbehoud en speelt meestal het derde koraal en "Prelude, Fugue et Variation" omwille van hun bij de barokke periöde aansluitende bouw of allure. De aard van Francks orgel neyy- geren en zijn muziek op een zogenaamde neo- barokke wijze tot klinken brengen is stilistisch totaal onverantwoord daar het neerkomt op een negeren van een bepaald facet van het romantische stijlgevoelen» Het objectieve tekstbeeld heeft een oorsprong en wordt langs een bepaald medium weer tot leven *geroepen» Daarom zal men geen pianomuziek van Chopin op het clavecimbel verklanken. Daarom zal men steeds streven naar een stijlgetrouwe weergave, wat nog niet wil zeggen dat men Franck uitsluitend op een romyy antisch orgel kan en moet verklanken.

Over tempi en vrijheid in de declamatie zal wel eeuwig geredetwist worden. De enen staan een tamelijk objectieve- de anderen een zeer vrije uitvoeringswijze voor. De waarheid zal wel te zoeken zijn tussen beide visie's. Grote detailverzorging in dienst van een primerende architectuur.(p 11) Zo was Francks onderwijs, zo zou hij de post- creatieve arbeid het meest op prijs stellen. Mocht men deze lief yydevolle, begrijpende vader steeds met evenveel liefde, kunde en waardigheid dienen bij de interpretatie zijner composities als wederkerige blijk van ontroerende dankbare eerbied.

KAMIEL D'HOOGHE Organist a.d. St.- Salvatorskathedraal van Brugge.

 

-----------

 

MEDEDELINGEN

Naar jaarlijkse gewoonte herdenken wij rond Allerheiligen onze dierbare doden, niet alleen onze voormannen, Ereleraar Dr J. Langohr, Z.E,H. Pastoor H. Veltmans, Ir J. Vercken de Vreusehemen,

doch alle medewerkers, vrienden en familieleden die in de Heer zijn ontslapen.

Volgende HH.Missen werden tot lafenis hunner zielen opgedragen :

te MONTSEN, op maandag 6 November te 7 u*

te ST- MARTENS VOEREN, op dinsdag 51 Oktober,

te MEMBACH, op donderdag 2 November te 7 u.^O yy*

Wij vragen hierbij vriendelijk onze abonnees het bedrag van het leesgeld 1962 te willen overschrijven of storten op onze postcheckrekening 5202.51 Langohr- Veltmans- Vreusehemen Komitee, Melkerijstraat, 55» Halle Brab. Zij die verkiezen dat wij dit bedrag laten innen, gelieven een kaartje te sturen met naam en volledig adres* Wij danken oprecht bij voorbaat. *o

(p 13)

VOOR ONZE DISKOFIELEN

Ten gerieve van onze platenliefhebbers publiceren wij hierna en in onze volgende nummers, in hoofdzaak gewijd aan Cesar Franck en zijn kunst, de volledige lijst van platen bezorgd door de voornaamste uitgevers.

Wij twijfelen er niet aan of allen zullen, bij het beluisteren van deze heerlijke muziek, de Grote Meester, uit ons midden gesproten, naar het woord van organist Kamiel d'Hooghe, een "ontroerde, dankbare eerbied" blijven toedragen.

Uitgave PHILIPS.

"Prelnde, chorale et fugue" (55) CL 698042 Eduardo de l Pueyo (piano)

"Sonate ponr piano et violon en la" Isaac Stern (viool) - A.Zakin (piano) CL 699058

"Sonate pour violon et piano en la" David Oistrakh (viool) - A. Ginsburg (piano) ER 663025

"Symphonie en re mineur" AL 1429 New York Philharmonie - Leonard Bernstein AY855528 S

"Variations symphoniquea" GL 5555 IlobiCasadesus (piano) - Philadelphia Orchestra- Eug.Ormandy, o * o ooK

"Symphonie en ré'mineur" GL 5042 Haags Philharmonisch Orkest - W. van Otterloo

"Variationa symphoniques" GR 5665 Bob. Casadesus (piano) - Philadelphia Orchestra,- EvLg»örm&n(i'y

"Variations symphoniques" EB 664502 Leon Fleisher (piano) - Cleveland Orchestra - G.Szell Uitgave GRAMOPHONI;

"Les Beatitudes. n0 4 : Haut les coeurs" (55) FC 25085 Georges Thill. (EP) ESBF 200

"Cantabile des 5 pieces pour orgue" (55) P 8499

Virgil Fox, organist. (55 st. SP 8499)

"Choral n0 l, en mi mineur" (55 sie r e o SP 8544) Virgil Fox, organist".

(wordt voortgezet).

 

 

Declaratie Jan Franck van sijn mobilier tot Aecken 51 July 1668. - In hedendaags Schrift overgezet door Dr C. van Tricht.

(p. 14 fotokopîe)

Originele Akte medegedeeld door de h.Hub.Engels, Bleyberg

(p 15)

Op heden den losten Julij 1668, comparerende voor mij Notaris ende getuijge Jan Franck Meyer vande Erfflaethoff genaemdt Pallandtshoff denweicken in voldoeninghe vanden Decrete bij het welAdelijck schepengericht tot Aecken op de 50° des voors : Maents in saecke tusschen ^^/Y/^/^// /^^/^^ seeckere Heer Willem Man " arrestant ter eene ende des voors s comparant " gearresteerde ter andere sijde " gegeven verclaert gelijck hij mits deze is verclaerende tot Aecken voors . ten huijse van Anthon Capiteyn den Jongen te hebben een pluijmen bedde waeroff de Tiecke is met Blauwe streepen, Item eene witte wollen deken tot hetselve bedde gehoirende, Nog eene nieuwe ofte soo goet als nieuwe kinderwiege met een daerinne gehoorende beddeke ende wollen Decken consenterende de voors comparant dat dit sijn verclaren zai worden geredigeert in geschrifte ende daeraff gedistribueert ^/^^^ Acte in forma. Aldus gedain tot Gemenich ten huijse mijnder residentie op Jaer Maendt ende dagh voors:

in presentie van Lenardt Hagelsteijn en Franciscus a Campo als getuijgen

hiertpe versoecht.

J. Franck

Lenardt Hagelstein

Franciscus a Campo

Nic: a Campo Notaris

------

(p 16)

MI HEMMET

Jeboore ban ich i Jen Hof, I Moresnet ajen Gol ;

Wi oben Böm koem jrad et Loof An der Winkte r truk te Pol.

Enentwintig ine Mäetz

Worp ich der öschte Blick, ich Held,

In der Schimmer van en Käetz,

Qb mi Hemmet van dies Welt*

Joore sünd seitdem verjange, Ich woet Jung an ich woet Maan;

Mä ümmer han ich vas jehange, A m i Hemmet drum an dran :

Wu de Wejje jrüner sünd, De Blume hunter schinge;

Päre, A*ppel, Prumme stund, De Vögel dich e singe.

Wu me sitt et Water welle An der Kukuk rupe huet, Wu me vingt di fing Forelle *^n sich niet a ander a tuet»

Wu Bejje summe ijen Blüij,

Hunder koke le ine Sfaal,

En Schmik knallt bater twintig Kuij,

SCo. Kinger späle mit der Baal.

Wu ijen Göl als klenge Sfrop Ich ijen Badebuks jesäete, Wu ine Stächeledroht manch Lok Ich i ming Kiejjer han jeräete»

Wu et us alltiet jeschmakt, N00 us loope noo us väje;

Wu Vadder Modder us tewakt

*A'n mit Mute jruet hand kr a je.

Dat es mi Hemmet wi et wor an es, Et es noch alles biäve;

*tfn jär jun ich derhin jewess, Wu noch hüej ming Oddesch läve»

Bän ich och niet vol jerest, Han doch Venedig, Rom jesie Bän i Memel an Berlin jewest ^"n in Ostende ajen Siee ;

Uveral wu ich at wor Truk Schönde, Staune va ming Lippe

*Ai trotzdem es et mich doch klor Et kann nix a mi Hemmet tippe»

Jos. Bindels

----------

(p 17)

BIJ DE HONDERSTE VERJARING VAN DE SLAGVAN CASTELFIDARDO.

EEN HELDHAFTIG OVERMAZER. ZENON DE RES1MONT

Bij gelegenheid van de honderste verjaring van de slag van Caatelfidardo (1860) werd door het Nationaal Verbond "Pro Petri Sede" van de Pauselijke Gedekoreerden en afstamme lingen van de Pauselijke Zouaven, beelist de nagedachtenis van onze Pauaelijke Zouaven op passende wijze te huldigen."

Dit bericht verscheen begin 196l in de pers. (l)

Sedert jaren lag het in onze bedoeling de rol van een vooraanstaand Overmazer, Zenon de Resimont uit Moresnet, in de strijd voor het behoud van de onafhankelijkheid der Pauselijke Staten, voor het voetlicht te brengen en verzamelden wij de nodige dokumentatie. Genoemde verjaring bracht ons de passende gelegenheid*

B E P T

 

- 18 -

De geschiedenis van het kasteel Bempt dient nog geschreven te worden. Veracholen als het ligt, op enkele passen nochtans van het kruispunt van de dorpstraat en de aloude hertogenweg (2) die Limburg met 's- Hertogenrade (Rolduc) verbond, schijnt ook zijn verleden voor de geschiedschrijving verscholen te zijn gebleven»

De naam Bempt (beemd, vochtige weide, dialekt "bennet") deelt het kasteel met het beekje dat door het park loopt (5)»

De h. Guy Poswick (4) geeft van het kasteel een flinke beschrijving en tevens een körte historiek, in hoofdzaak van de eigenaars die het sedert de l6e eeuw bewoonden en mekaar afwisselden»

Als oudste gekende bewoners citeert hij Michel Heyendael, genaamd "van den Bennelt" en echtgenote Irma op den Hoff, einde l6° begin 17° eeuw» De familie Heyendael, dikwijis geciteerd in de geschiedenis van de Landen van Overmaze, verloor de heerlijkheid, einde 17° eeuw» Een Nikolaas Heyendael was abt van Rolduc van 1712 tot 1755» (5)

Wij ontmoeten er nadien (1715) de advokatefamilie de Hodiamont, uit Luik» Ook de de Hodiamont speien een voorname rol in onze streek, Eupen en Kettenis. (6)

Door huwelijk zai het goed overgaan naar de familie de Resimont. (7) Op het ogenblik der feiten staat de familie in het gemeentelijk archief van Moresnet opgetekend als volgt :

de Resimont, Gruilleaume- Jean- Antoine- Joseph,

rentenier, geboren Luik 24/5/1786, overleden op 25/3/1865, gehuwd met

de Hodiamont, Sophie- Lambertine- Therese- Amalie,

rentenierster, geboren Kettenis (Pruisen) op 28/7/1794, voorheen gedomi

cilieerd Kettenis (Pruisen) 1825.

üit dit huwelijk sproten :

1) Nicolas- Constantin- Guilleaume- Antoine, rentenier, geboren Moresnet

15/10/1826,gehuwd met de Fabribeckers Adelaide- Louise- Marie- Ghislaine, geboren Luik 21/7/1855, ingeschreven in de gern» registers 28/11/1855o

2) Marie- Alphonse- Dominique, zonder beroep, geboren Moresnet 4/2/1829, overleden Moresnet 19/2/1915» ^

5) Louise- Emma- Lambertine- Sophie, zonder beroep, geb. Moresnet 25/5/1850, gehuwd met baron van Voorst tot Voorst op 11/1/1869, overleden te Moresnet 9/2/1919.

4) Felix- Victor- Fr ancois- Eugene. zonder beroep, geboren Hendrikkapelle 6/6/1852.

5) Charlotte- Louise- Albertine- Marie, zonder beroep, geboren Hendrikkapelle 8/12/1855, overleden te Moresnet 12/5/1915.

6) Florent- Zenon- Constant- Auguatin, rentenier en militair, geboren te Moresnet 5/5/1858, aldaar overleden 4/1/1916.

Het wapen der familie de ßesimont is als volgt :

In goud een rode »chuinbalk ; met een blauw vrijkwartier, beladen met een zilveren, roodgetongde, leeuw. Wrong en dekkleden ; goud en rood»

 

 

 

19

Helmteken : een uitkomende wildeman, in natuurlijke kleur, omgord en gekroond met loof, houdende in zijn rechterhand een gouden knods, en in zijn linkerhand een stalen rondas, de schouders bedekt niet een rode mantel.

Zenon de Besimont was student in de Philosophie aan de Katholieke Universiteit te Leuven, toen de wekroep over alle katholieke landen ging ter verdediging van de Pauselijke Sfaten tegen de Italiaanse overweldigers. Bij duizenden verlieten kloeke jonge mannen hun haardsteden en namen dienst in de rangen der Pauselijken. Een der eersten was Zenon de Besimont. Er waren Fransen, Beigen (Walen en Viamingen), Nederlanders, Duitsers, Engelsen, enz. Fransen en Beigen vormden een korps&laqno;

Op l Juni 1860 werd het bataljon der Franco- Belgen officieel ingericht. "Een geruime tijd was er spraak van afzonderlijk bataljon voor de Beigen op te richten. De Besimont en Marzorati, die van de eersten in Borne waren, werkten er voor uit al hun krachten ; de generaal de la Moriciere was dit ontwerp zeer genegen^; (8)

DE CHOLEBA VAN ALBANO

Laat ons eerst het heldhaftig gedrag verbalen van luitenant de Besimont, door zijn overheid naar Albano gezonden, met 42 zijner zouaven, waar deze zo besmettelijke ziekte woedde.

" De schrik die te Albano beer sie was onbeschrijfelijk... de mensen ovielen en stierven met honderden in de huizen, in de strafen; op de markten&laqno;>* de kinderen ontviuchtten hun stervende vader en moeder, de ouders verliefen hun hulpeloze kinderen; men wierp de doden buiten en weldra lag er;, op de straat, nabij het kerkhof, een hoop van me er dan facht ig rottende, verpestende lijken en niemand durfde ze begraven." (9)

De Besimont komt er op 2 Augustus toe. " In de kazerne worden de manschappen öp rang gesteld en de luitenant sprak hen toe : - Jongens, Albano verkeert in uiterst gevaar, de cholera is hier uitgebröken, er liggen wel honderd lijken; niemand kan de doden begraven, noch de zaken verzorgen. Men doet een beroep op onze liefde tot de evenmens ; geen enkele is gedwongen, ik vraag mannen van goede wil. Ikzelf zai u bijstaan, zo lang ik kan» Wie volgt mij ? - Allen waren bereid." (9)

Bij de lugubere taak aangekomen, stonden de mannen een ogenblik verstijfd.

" Personne n'osait toucher aux cadavres. Mr de Besimont et son sergent- *- major, Mr de Morin, en prirent un et le porterent au cimetiere. Ce tut assez : cet exemple electrisa tous les hommes du detachement..." (10)

" Sans hesiter, Besimont et son sergent- major de Morin prennent le premier cadavre sur leurs epaules et le portent au cimetiere" (ll)

" Luitenant de Besimont bemerkt twee zouaven, twee Hollanders, Peters en Van der Meyden, die met een uiterst besmettelijk werk belast waren&laqno; Zij

 

 

 

 

20

moesten de lijken in nun banden ontvangen en in de grote grafkuil neerleggen en zij deden dit zo kalm en bedaard, alsof ze geheel onbewuat waren van het schromelijk gevaar»

- Jongens, vroeg hij, weet ge wel dat ge uw leven waagt ?

- Ja, luitenant, wij weten het zeer goed$ maar wij vrezen de dood niet. Wij zijn klaar.

" Een rilling voer door de leden van de ontroerde officier, tränen stonden in zijn ogen; want hij gevoelde de oneindige grootheid van het zo eenvoudig en loch zo diepzinnig antwoord," (9)

Beide jongens liefen inderdaad hun leven te Albano&laqno; Hun namen prijken op het monument, door Z.H. de Paus te hunner gedachtenis opgericht,

De jeugdige prins van Caltagirone, afstammeling der Bourbons, zoon van de koning van Napels, bevond zieh onder de slachtoffers. Met blote degen vergezelde de Resimont het stoffelijk overschot naar het graf.

Dankbaarheid was niet steeds hun loon.

" Een kranke, in het hospitaal, welke binnen weinige stonden voor 6oda rechterstoel moest verschijnen, gaf aan de zouaaf die hem verzorgde een zo geweidige slag, dat hij bijna ten onderste boven viel; hij brulde als een bezetene, het schuim stond op zijn lippen en onder het uitbraken der gru"welijkste verwensingen, riep hij uit : - ik hoop dat gij nog eens door de dolk zult omkomen. (9)

" Tussen de 42 zouaven van luitenant de Resimont, die de wereld verbaasden, waren de helft, 21, kinderen van het oude heldenland, het glorierijke Nederland"» (9)

Luitenant de Resimont bood zieh tevena aan om, s amen me t de luitenant, der pauselijke gendarmerie, de verdwenen overheden te vervangen. "Le commandant du detachement, Mr de Resimont, paye toujours d'exemple"t (10) ' ' *oo ' ' ' ' . .

Mgr Daniel , aalmoezenier der Zionaven verhaalt in zijn dagboek dat luit» de Resimont eens zo vermoeid was, "dat hij al elende in slaap viel, met het hoofd op zijn beefsteak." (8)

"Luit. de Resimont ontving om zijn heldhaftigheid het ridderkruis der Orde van Sf- Gregorius deCrrote." (8)

In hun brieven aan huis noemden de Viaamse zouaven hem "hun brave, vaderlijke luitenant".

OP HET SLAGVELD

Dezelfde zouaven, onder leiding van dezelfde oversten, vochten met dezelfde doodsverachting op het slagveld» Het Soldatenlied van de Franco- Belgen besloot met het refrein :

C'est le bataillon, morbleu ! Lea diables du bon Dieu ! (10)

 

 

- 21 -

Zij vochten als duivels, maar voor God*

Hier volgen enkele getuigenissen betr&laqno; de militaire loopbaan van Zenon de Resimont.

"Signalons cependant que le prince E. de Ligne, apres avoir servi aux guides, devint sous- lieutenant aux chevaux- legers oü le marquis Z. de Besimont tut brigadier". (12)

"Le 1/1/1867 le bataillon des zouaves pontificaux tut dedoubl^ et prit la denomination de regiment*

La "Matricule et les papiers de Mgr de Merode renseignent comme offi" ciers de nationalite beige present au corps ;

Marquis Z. de Resimont, sous- lieutenant..»" (12)

"Decret du 1/1/1867 ? les sous- lieutenants».. de Resimont... devenaient lieutenants" (10).

NEROLA.

In de Rocca, het op een rots gebouwde kasteel van Nerola, hadden de Italianen zieh verschanst» Zij moesten er door de Pauselijken uitgedreven worden» Na een verwoed. gevecht, dikwijis van man tot man, werden de offiesieren door hun eigen manschappen tot de overgave gedwongen.

"de afdeling van luitenant de Resimont was tot onder de muren genaderd om zieh aan te sluiten bij de Compagnie der Antibianen".

"de onvervaarde Thomale ging het slot binnen, alleen vergezeld door luitenant de Resimont en onderluitenant de Curzon, allen met de degen in de vuist", (8) (9) (10)

"Le 18 commenca l'attaque de Nerola, les zouaves agissant ä revers de Resimont et le capitaine Le Clement de Saint- Marcq s'y couvrirent de gloire.'1 (12)

Op de inneming volgde een wanordelijke aftocht van Menotti Garibaldi.

CIVITA CASTELLANA - begin 1870»

"Civita Castellana was verdedigd door een garnizoen van 205 man, te wete'n : 110 zouaven, onder het bevel van kapitein Zenon de Besimont.» . " (8)

"Cette petite place n'a pour garde qu'une compagnie de Zouaves aux ordres de Resimont et soixante- dix disciplinaires, dont vingt seulement - les plus sages o- ont re§u des fusilSt Devant les faiblesses du Gouverneur pontifical, Resimont prend te commandement" (il)»

De verdediging beschikte enkel over geweren&laqno;

De aanvaller over 15»000 manschappen en 56 kanonnen&laqno;

De krijgsgeschiedenis kent siechts een geval dat, kwestie onevenwichtigheid tussen verdediging en aanval, met Civita Castellana kan vergeleken worden»

De weerstand grenst aan het ongeloofelijke» En als ten alotte de Resimont loch tot de overgave moet besluiten, laat hij alle geweren kapotslaan en alle cartouchen verzuipen&laqno;

Tot het uiterste !

Tenslotte geven wij hier afschrift uit de "Matricule des Zouaves Pontificaux" (Rijssel, T.I, pp. 17 en 524) (15)

de RESIMONT de BEMPT, Zenon, ne ä Moresnet (Belgique), 5 mars 1858. Engage aux Chevaulegers en 1860 ;

ZtRc 12 janvier 186l, matricule 4l6 ; caporal, 21 mars 19615 sergent

 

22

 

11 juillet 186l; sergent- major, 21 aoüt 1862', sous- lieutenant, 5 mars 1866;

 

Lieutenant, l janvier 1867i' Capitaine, 2^ Dovem^re 1867.

 

Champagne de 166ö ; ba.ia.ille de Ca.stelfida.rdöf defenee d'AscQae^ eh^lers

 

d'Albaüo;

 

Campagne de 186? : Mentana.

 

En 1870 s defense de Civita Castellana.

 

Chevalier de l'Ordra de Pie IX; Chevalier de l'' Ordre de Frangois ler de

 

Naples; medailles de Castelfidardo, de Mentana et Bene Merenti.

 

Un des premiers beiges debarques ä Ancone, d' ou il rejoignit La Moriciere,

 

1860, 18 avril. Apres Castelfidardo accompagna La Moriciere jusqu'ä Ancone.

 

Commandait la compagnie qui etait ä Albano, en 1867, pendant le cholera&laqno;

 

Decede au chäteau de Moresnet en 19l6".

 

In 1922 werden door de familie Glibert - de Resimont volgende Souve

nirs van Zenon de - Resimont geschonken aan het Koninklijk Museum van het

Leger en van Kri'jgsgeschiedenis : een foto; een volledig uniform van kapi

tein; eretekens (Castelfidardomedaille; Mentanakruis; Bene- Merenti- medaille\

kruis van ridder in de Orde van Ferdinand I van Napels; kruis Pro Ecciesia

et Pontifice; kruis van ridder in de Orde van Pius IX); mantel van lichte

ruiter (chevau- leger) 1860.

 

J.v.V.

 

Wij danken hierbij alle personen die ons bij het samenstellen van

deze bijdrage hun kostbare medewerking hebben verleend en o.a» de h. Lorette,

adj. conservator van het Museum van het Leger, de h. burgemeester van Mo

resnet en inzonderlijk de h. Y. de Cavey - Glibert, Parijs.

 

1} De Standaard - Brüssel, 25- 26/2/1961.

2) Dr J. Langohr, geeft in "Le N.E. de la Province de Liege*..." biz. 55- 56 de loop van deze Frankische of vòòr- Frankische weg : Heggen- Welkenraedt- Grünstrasse- Moresnet- Mabroek-Gemmenich- Rolduc.

5) Dr A. Boileau "Enquete dialectale sur la toponymie germanique du N.E. de la Province de Liege" biz. 232^.

4) Guy Poswick, "Les Delices du Duche de Limbourg" Archives vervietoises*1951, biz. 2^1- 246.

5) Dr Lens, "Armorial du Duche de Limbourg", biz&laqno; 145.

6 idem, biz. 143.

7 idem, biz. 220- 221.

8 A. van Veerdegem, ''De laatste Kruisridders" Brugge- Leuven.

9 Alfons Dekkers "De pauselijke Zouaven te Mentana - Rome" Antwerpen 1911

10 R. Bittard des Portes, "Histoire des Zouaves pontificaux" Parijs.

11 Comte E. de Barral, "Les Zouaves pontificaux" Parijs 1952.

12) Les Beiges au Service de Rome (1860- 1870) aux Tirailleurs franco- belges et aux Zouaves pontificaux" door L.Leconte, in Carnet de la Fourragere.

13) Wij danken dit afsdiritt aan de h. Lorette, adj. conservator van het Kon. Museum van het Leger, Brüssel.

--------

(p 23)

 

 

PLAATSNAMEN TE SINT- MARTENS- VOEREN

De zeven opstellen van Dr. J. NYSSEN over "Plaatsnamen te Sint- Martens- Voeren" zijn een welkome en noodzakelijke, tevens leerrijke aanvulling bij mijn "Enquête dialectale sur la Toponymie germanique du nord- est de la province de Liège" (l).

Dr. N. heeft "op grote schaal" verwezenlijkt in een bepaalde gemeente wat ik "op kleine schaal" beoogd heb in de 26 gemeenten van Overmaas.

Hoofdzaak is voor de naamkundige, naast de schriftelijke gegevens, over een betrouwbare "mondelinge" documentatie te beschikken, om te kunnen over gaan tot de etymologische verklaring van de plaatsnamen.

Hoe ik persoonlijk te werk gegaan ben om mijn materiaal in te zamelen heb ik uitvoerig uiteengezet in de inleiding van mijn boek (2). Het Spreekt vanzelf, dat er voor mij van volledigheid geen sprake kon zijn.

Niet alleen stelt ons Dr. N. een bijna volledig materiaal ter beschikking, maar de prachtige kaartjes die hij getekend heeft stellen ons in staat alle pin. nauwkeurig te localiseren. En ik ben hem bijzonder dankbaar, dat hij ervoor gezorgd heeft de nu nog levende benamingen, die in mijn alfabetische lijst niet voorkomen, in fonetisch schrift op te tekenen, wat voor de etymoloog, zoals boven gezegd, van het grootste belang is.

Ik vind het gelukkig, dat Dr. N. het hele werk opnieuw heeft aangepakt, zonder zich door mijn aantekeningen te laten beïnvloeden (ik zou haast schrijven s misleiden), en dat hij andere zegslieden heeft ondervraagd dan ik. Dat komt de wetenschap ten goede, want op die wijze zal men beide lijs" ten, die onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn, met vrucht raadplegen.

Moet ik bijvoegen, dat het me verheugd heeft te kunnen vaststellen, dat er tussen beide meer punten van overeenkomst zijn dan verschillen. Die ver schillen betreffen meestal details (gebruik van voorzetsels, het weglaten of het niet- weglaten van het lidwoord, genus), wat niet storens werkt voor degene die weet waar het om gaat&laqno; Dat Dr. N.'s zegsman b.v. de naam MARTELBERG steeds met het voorzetsel AAN gebruikt, terwijl de mijne (burgemeester Teney) OP DE MARTELBERG had gezegd, is eigenlijk zonder belang : het bewijst alleen dat MARTELBERG voor de enen een meer beperkte betekenis heeft verkregen (die wel met de kartografische gegevens zal overeenkomen), terwijl (p. 24) het voor anderen (die zich met die nauwkeurige gegevens weinig bemoeien) een ruimere eenheid uitmaakt, wat met de oorspronkelijke naamgeving strookt; de naam MARTELBERG bestond immers voordat een bepaald perceel "aan de M. gelegen" die benaming kreeg. Anders gesteld is het met de benaming IN DE BERG (hierover zijn alle zegslieden het eens), want dit "onregelmatig*' gebruik van het voorzetsel IN stelt de taalkundige een syntaktisch probleem, dat hij moet trachten op te lossen. Daarover zal ik overigens uitweiden in het tweede deel van mijn werk.

"Een eerste en voornaamste regel bij het toponymisch onderzoek, een "regel die geen uitzonderingen duldt, is de volgende : in alles, altijd en overal op zijn hoede zijn", schreef mijn betreurde leermeester Prof. Dr. J. MANSION (3). Dit is waar voor het inzamelen van levende plaatsnamen, voor het optekenen en het identificeren van historische namen, maar vooral voor het etymologisch onderzoek Dr. Nyssen heeft blijk gegeven van voorzichtigheid, toen hij besloot (zie eerste bijdrage in HEEM III, 4-5, blz. 5) de etymologie ter zijde te laten. Eenmaal waagt hij zich aan een historische verklaring, in verband met SCHILBERG, waarvan het eerste bestanddeel, volgens mij, het bijvoeglijk naamwoord scheel zou kunnen zijn (of eerder: een Middelnederlandse bijvorm ervan : schil "scheef"). Berg- namen zijn gewoonlijk oud ; het reduceren van het tweede bestanddeel -berg tot -brig [bereg] in het dialect is er een bewijs van. Normaal worden zulke verstijfde benamingen zonder lidwoord gebruikt ; het "lidwoord", dat men hoort (het onzijdige volgens Dr. N. , het mannelijke volgens mijn zegsman) heeft geen bepaalde functie en moet eerder als een "verbindingselement" beschouwd. worden (in het tweede deel van mijn boek heb ik het over "Le caractère expletif de l' article dans certaines locutions", § 55). Welnu, zullen we hierom de 18de-eeuwse schrijfwijze "Beschilberg" gaan beschouwen als de oorspronkelijke naam, en de hierboven voorgestelde verklaring verwerpen ? De grafie "Beschilberg" is van belang omdat ze het bewijs levert, dat de uitspraak met de verbindingsklank -e- toen reeds gebruikelijk was. Dat neemt niet weg, dat ze een "cacografie" is, meer niet. SCHILBERG is een zuiver Germaanse benaming, met de klemtoon op de eerste lettergreep, en de rest is verzinsel. Laten we ons dus niet misleiden door de grafieen. Men vergete nooit, dat het mondeling overgeleverde taalgebruik veel "eerbiedwaardiger" is dan het kadaster : "Le dialecte est eminemment conservateur", schreef J. HAUST, "c' est un temoin precieux, quand on sait l ' interroger et lui delier la langue. D'une pari, fruste d'aspect, mais franc et sain, le terme originel, evolue normalement, qui n'a jamais cesse d'etre prononce dans la langue vivante. D'autre part, le terme officiel, elegant mais corrompu, couvrant ses tares sous un manteau d' emprunt; pour le linguiste, il n'a qu'une existence artificielle, comme le francais poids, legs, et tant d'autres cacographies pretentieuses" (4). Wat HAUST (p 25) schreef over de Waalse toponymie, geldt natuurlijk ook voor de toponymie van Overmaas. Nog meer misschien, als men rekening houdt met de verwarde taaltoestanden die in deze streek heersen. De dialectvaste Overmazers zijn dus onbewust de enige redders van het cultureel gemeengoed van hun voorouders. Zij die, zoals Dr. NYSSEN, tot het behoud van dit gemeengoed hebben bijgedragen, verdienen ruimschoots onze erkentelijkheid.

Dr. Armand BOILEAU (Luik) Lid van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.e

Nota 1: Boileau 1971: "Schilberg ...Attestations anciennes : a° 1370 Bitseelsberch, a° 1371 Butseüsbergh (Tummers KL 73), 18e s. Beschilberg (Heem III, 1959, 6, p. 11). Le determinant serait *bacellus, diminutif latinisé du germ. *baki- &laqno; beek » (Tummers KL 75). L'hypothese que nous avons emise jadis (Heem V, 1961, 5-6, p. 24) est donc ä rejeter.

Nota 2: ik zeg niet gauw iets, maar als... (JN 2006 jun 22)

 

----------

(1) Tome I ; Introduction et Glossaires toponymiques, XXIV + 476 blz, Luik, 1954. Tome II : Analyse du materiel toponymique et Index alphabetique (in voorbereiding). Tome III : Cartes toponymiques (in voorbereiding).

(2) Zie ook : A. BOILEAU, Een systematisch onderzoek over de levende toponymie in het noord- oosten van de provincie Luik, in Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven, XXVI (1950), blz. 59- 66.

(3) J. MANSION, lets over Toponymische Methode, in Handelingen van de Commissie voor Toponymie en Dialectologie I (1927),blz 110-134.

(4) J. HAUST, Toponymie et dialecte, in Handelingen van de Comm. voor Top. en Dialectologie, XIV (1940), blz 277-322.

---------------

RIJMPJE

 

Een stier van zwartbont ras

die moest naar Zussen- Bolder

omdat die oude smid

hem kocht van Michel Molder.

 

Het dier

dat heette Job,

en Mich-

el was van Schop-

pem.

 

 

Toen het paar in Vise langs het klooster ging

Toen riep daar een soeur die door 't venster hing

 

" Piedboeuf ! "

 

Die smaad verdroeg de stier niet meer.

Hij zeeg ontzield ter aarde neer.

 

°°°

 

Dat gaf een groot proces

in Dalhem of in Zich-

en

al naargelang de taal

van smid en non en Mich-

el.

 

Johan Gist.