1.
INLEIDING
Prostaatbrachytherapie behoort
steeds vaker tot de behandelingsmogelijkheden, waaruit een patiënt met gelokaliseerd prostaatkanker in overleg met
de uroloog
en radioloog-oncoloog zijn keuze kan
maken.
Verpleegkundigen die in het
operatiekwartier werkzaam zijn, zullen vroeg of laat met deze therapievorm in
contact komen.
Dit eindwerk zal hierbij een
leidraad bieden, zodat operatieverpleegkundigen de kwaliteit van hun
zorgverlening kunnen optimaliseren.
In deel 2 wordt het begrip ‘
brachytherapie’ wat nader omschreven.
De medische aspecten zoals anatomie van de prostaat,
diagnosestelling van prostaatkanker en
mogelijke behandelingswijzen komen kort aan bod in deel 3.
In deel 4 wordt dieper ingegaan op ‘prostaatbrachytherapie’.
In het bijzonder wordt de techniek
van de Utrechtse Professor Batterman nader toegelicht. Het gaat hierbij om : de volumestudie van de
prostaat, de softwarematige pre-planning en de uiteindelijke implantatie
van Jodium-125 bronnen, die ‘zaadjes’ genoemd worden.
Er wordt ook stil gestaan bij de
evolutie van deze techniek en bij indicaties, patiëntenselectie en bijwerkingen
van deze behandeling.
Deel 5 handelt over de rol van de
operatieverpleegkundige, tijdens de verschillende fasen van een ‘prostaatbrachytherapie’: hoe gaat zij
om met de patiënt ? welke anesthesievorm wordt toegepast ? hoe wordt de patiënt
geïnstalleerd ? welk materiaal wordt gebruikt ? welke nazorgen worden geboden,
zowel algemeen als medisch?
Tot besluit wordt in deel 6
‘prostaatbrachytherapie’ gesitueerd binnen het therapeutisch aanbod , waaruit
de patiënt met gelokaliseerd prostaatcarcinoom
zijn keuze kan maken. Het blijkt een volwaardig alternatief voor
de meer klassieke behandelingsmethoden, als aan bepaalde voorwaarden is
voldaan.
2. BRACHYTHERAPIE
Het Griekse woord ‘brachy’ betekent ‘dichtbij’.
Brachytherapie is een vorm van radiotherapie
waarbij, door middel van één of meerdere applicatoren (soepele catheters, buisjes
of naalden) een radioactieve bron in de patiënt gebracht wordt.
Soms wordt ook de term ‘curietherapie’ gebruikt
om deze inwendige behandelingsvorm van tumoren aan te duiden.
De bedoeling van brachytherapie bestaat erin om
op een beperkte, goed gelokaliseerde plaats in het lichaam, een extra hoge
stralingsdosis te voorzien, zodat
kwaadaardige cellen in hun groei geremd worden. Het voordeel van deze
techniek is dat daardoor veel minder gezond weefsel beschadigd wordt.
Brachytherapie kan toegepast worden op bijna elk lichaamsdeel of orgaan.
We onderscheiden interstitiële brachytherapie waarbij radioactief materiaal tot in of vlakbij het te bestralen gezwel gebracht wordt. Bijvoorbeeld bij huid- of borsttumoren.
Daarnaast bestaat plesiotherapie, waarbij de radioactieve bron in de holle ruimten van het lichaam of zelfs daarbuiten wordt aangebracht. Zo bijvoorbeeld kan kanker ter hoogte van slokdarm of baarmoeder bestreden worden.
Brachytherapie is op dit moment de snelst groeiende techniek om kanker te behandelen. De grootste groei zit in de markt voor ‘seeds’, de implanteerbare radio-actieve bronnetjes.
Gaandeweg begint brachytherapie ook buiten de oncologie door te dringen. Er wordt geexperimenteerd met vasculaire brachytherapie ter behandeling van arteriële restenose ( het weer dichtslibben van slagaders nadat deze met zelfexpanderende protheses werden geopend).
Binnen de context van dit eindwerk verwijst de term ‘ brachytherapie’ uiteraard
alleen naar de inwendige bestralingsmethode ter behandeling van gelokaliseerde
prostaatkanker.
3.
PROSTAATKANKER
3.1. Anatomie en fysiologie
_______________________
De prostaat
is een klier die vlak onder de blaasuitgang en rond de plasbuis ligt. Deze klier is ongeveer zo groot als een walnoot
of kastanje en maakt onderdeel uit van het mannelijk voortplantingssysteem.
Aan
de voorkant ligt de prostaat tegen het schaambeen, aan de achterzijde tegen de
endeldarm. Vlak naast de prostaat lopen een aantal zenuwbundeltjes naar de
penis, die belangrijk zijn voor het optreden van erecties.

De prostaat bestaat eigenlijk uit een aantal klieren
die samen in een bindweefselwand liggen, het zogenaamde ‘kapsel’.
De functie van de prostaat ligt voornamelijk in de
vruchbaarheid. Deze klier produceert namelijk het vocht voor het vervoer van zaadcellen. Bij een
ejaculatie trekt de prostaat samen en worden de zaadcellen in het prostaatvocht
door de plasbuis naar buiten geperst. Ook de blaashals trekt samen tijdens een
zaadlozing, zodat het sperma niet in de blaas kan stromen. Normaliter heeft de prostaat een inhoud van 15 ml. Vanaf de puberteit
begint de prostaat te groeien onder invloed van hormonen. Op oudere leeftijd
neemt het volume van de prostaatklier nog meer toe, soms zelfs in die mate dat
ze de blaasuitgang dichtknijpt en plasproblemen veroorzaakt. Deze goedaardige
prostaatvergroting , ook wel benigne prostaathypertrofie genoemd, staat niet in verband met prostaatkanker,
maar was er vroeger wel vaak de oorzaak
van dat kanker gediagnosticeerd werd.
3.2. Prostaatkanker
__________________
Bij het ontwikkelen van prostaatkanker spelen
een aantal factoren een rol, zoals leeftijd, ras (frequenter bij
Afro-Amerikanen dan bij blanke Amerikanen), erfelijkheid en voeding. Zo blijkt
dat een overgewicht van 35 % de kans op prostaat- en/of colonkanker met 40 %
doet toenemen.
De invloed van voedinsfactoren blijkt uit
gerandomiseerde studies. Belangrijk bij de preventie zijn vooral: de beperking van verzadigde vetten ;
het stimuleren van de consumptie van bepaalde groenten (zoals kolen, tuinkers,
radijs...) en sojaproducten (20 tot 40 g per dag) en het gebruik van vitamine E
supplementen ( 400 UI per dag).
Prostaatkanker wordt vooral gezien op oudere
leeftijd, vóór het 50ste levensjaar is hij zeldzaam.
Iedere man loopt een risico van 30 % op het
ontstaan van een microscopisch klein prostaatcarcinoom. In het beginstadium
evolueert de tumor heel traag en doet
er gemiddeld 2 jaar over om het dubbel van zijn volume te bereiken.
De gemiddelde man loopt een risico van hooguit
10 % om vóór zijn levenseinde een klinisch prostaatcarcinoom te ontwikkelen.
Het risico om aan dat carcinoom te sterven bedraagt uiteindelijk maar drie
procent.
De eerste jaren veroorzaakt prostaatkanker nooit klachten, heel wat
gevallen van deze ziekte blijven zelfs
levenslang onopgemerkt. Vandaar de uitspraak dat er meer mannen sterven mét
prostaatkanker, dan áán prostaatkanker.
Voor alle vormen van kanker geldt, dat een vroege herkenning van de ziekte betere kansen biedt op definitieve genezing. Dat is ook zo voor prostaatkanker.
Terwijl 80 % van de vrouwen ingelicht is over
borstkanker, is nauwelijks 40% van de mannen geïnformeerd over prostaatkanker.
Nochtans is die laatste vorm van kanker in ons land verantwoordelijk voor 5000
nieuwe gevallen per jaar.
Volgens een enquete is een derde van de mannen
boven de 40 jaar niet in staat om ook maar één symptoom van prostaatkanker op
te noemen. Meer dan de helft ( 55%) weet niet wat zich voor te stellen bij een
screeningtest en 37 % is alles behalve op de hoogte van de
behandelingsmogelijkheden. Op zijn minst een zorgwekkend resultaat als je weet
dat porstaatkanker bij mannen de meest frequente kanker is en binnen afzienbare
tijd ook de voornaamste oorzaak van sterfte door kanker. (Momenteel is dat nog
longkanker).
Prostaatkanker is perfect geneesbaar bij vroege diagnose maar wordt daartegenover dodelijk als de diagnose te laat wordt gesteld.
Het is in die optiek dat gezondheidsorganisaties
zoals o.a. de twee Belgische verenigingen voor Urologie, de Belgische Federatie
tegen Kanker en de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen
nationale informatie-campagnes lanceren om de bevolking te sensibiliseren voor
het bestaan van prostaatkanker. Zonder de problematiek te dramatiseren, richt
de campagne zich via mailings en brochures tot mannen en hun partners.
Bedoeling is om hen duidelijk te informeren en bewust te
maken van het belang van regelmatige controle.
3.3.
Diagnosestelling
__________________
De diagnose van prostaatkanker wordt
gesteld door de combinatie van een aantal
onderzoeken namelijk : palpatie via
rectaal toucher, PSA-bepaling in het bloed, echografie en weefselonderzoek.
Deze verschillende onderzoeken
worden kort besproken.
1)
palpatie
Bij rectaal onderzoek is de prostaat
via de anus te voelen. Veel tumoren leiden echter niet tot een verandering in
de consistentie van de prostaat. En als er wel een verharding voelbaar is, dan
gaat het meestal om een al uitgebreide tumor.
Met palpatie alleen vinden artsen
hooguit 10 % van de tumoren die nog niet doorheen het kapsel van de
prostaatklier zijn gedrongen.
2)
PSA-bepaling
PSA staat voor Prostaat Specifiek
Antigeen. Dit enzym, dat in 1979 ontdekt
werd, wordt door de prostaatcellen in de bloedbaan uitgescheiden. De
hoeveelheid PSA in het bloed neemt
gewoonlijk met de leeftijd toe.
Maar een abnormaal verhoogd gehalte
wijst op hyperactiviteit van de prostaatcellen. Een banale infectie van de prostaat
echter kan de PSA-waarden ook de hoogte injagen. En een vijfde tot de helft van
de patiënten met goedaardige prostaatvergroting vertonen ook een licht verhoogd
PSA-gehalte.
Dat maakt dat PSA dus niet dé ideale
tumormarker is, zoals men aanvankelijk gedacht had. In ieder geval is een
verhoogde PSA-waarde wel een indicatie voor voortgezet urologisch onderzoek.
3)
echografie
Sinds het begin van de jaren negentig kan een verdachte prostaat door middel van echografie in beeld worden gebracht. Afwijkende zones weerkaatsen het ultrageluid minder sterk. Minimale kankerletsels, die bij manueel onderzoek niet gedetecteerd werden, maar die zich door een hoge PSA-spiegel hebben verraden, kunnen op die manier worden ontdekt.
Echografie mist evenwel nog altijd de helft van de niet palpeerbare tumoren van meer dan een centimeter groot. Bovendien maken echografische beelden ook geen onderscheid tussen goedaardige en kwaadaardige gezwellen. De enige manier om met zekerheid een diagnose te stellen is dus een biopsie onder echografische controle.
4. Weefselonderzoek
Onder echografische controle kunnen afwijkende zones in de prostaat worden aangeprikt, om weefsel te verkrijgen voor microscopisch onderzoek.
Om een idee te krijgen van de agressiviteit van de tumor, zal de uroloog aan de hand van het biopsiestaal de zogenaamde Gleasonscore bepalen.
De Gleason-classificatie beschrijft het histologisch type van de tumorcellen . Ze wordt onderverdeeld in vijf graden. Bij graad 1 en 2 lijkt het weefsel op normaal prostaatweefsel, bij graad 5 is er geen differentiatie meer. Meestal vindt men geen zuivere Gleasongraden, maar een mengvorm van verschillende types cellen. Bijvoorbeeld een mengvorm van graad 3 en 4 levert een Gleasonscore 7 op.
Hoe hoger de gecombineerde Gleasongraden, de score dus, hoe slechter de prognose.
Een lage score betekent dat de tumor sterk op normaal prostaatweefsel lijkt. Bij een hoge score hebben de tumorcellen het ongeorganiseerde uitzicht van snel groeiend kankerweefsel. De biopsie en andere tests geven ook een idee over het stadium waarin de tumor zich bevindt: gelokaliseerd of uitgebreid naar lymfeknopen en andere delen van het lichaam. Dit kan bevestigd worden via CT’s ( computer-tomogrammen) en botscans ( radioisotopenonderzoek)
3.4. Behandelingswijzen
____________________
Zijn er kankercellen door het kapsel
van de prostaatklier gedrongen of zijn er metastasen, dan is genezing zo goed
als onmogelijk.
Behandelen heeft dus alleen zin als
de patiënt nog minstens tien jaar levensverwachting heeft en niet aan andere
ernstige ziekten lijdt.
Zeker voor een al wat oudere man met
gelokaliseerde prostaatkanker, kan waakzaam afwachten raadzamer zijn dan
behandelen. Want het duurt gewoonlijk lang voor een gelokaliseerde tumor pijnlijk
uitzaait. Voor een man van rond de tachtig met een niet-agressieve tumor kan
het dus beter zijn om regelmatig zijn PSA-gehalte te controleren en pas in te
grijpen als de kanker groeit en klachten veroorzaakt.
Het komt er dus allereerst op aan de tumorgroei, die bepaald wordt door androgenen (mannelijke hormonen), in toom te houden. Als blijkt dat een niet-agressieve tumor begint te groeien, dan kan een hormonale therapie er nog even de rem op zetten. De patiënt krijgt dan medicatie die de productie van androgenen remt of die de androgeenreceptoren op de kankercellen blokkeert.
Een hormonale therapie werkt
uiteraard ook ondersteunend voor de andere behandelingen.
Dank zij de evolutie van de
diagnostische technieken, bevindt de kanker, bij de meeste mannen die vandaag
te horen krijgen dat ze prostaatkanker hebben, zich nog in een relatief vroeg
stadium.
Bij 90 % is de kanker gelokaliseerd
(volledig binnen de prostaat) en dus behandelbaar. Dat wil zeggen dat de
patiënt, in overleg met de uroloog en/of radioloog-oncoloog zijn keuze kan
maken uit volgende mogelijkheden:
1)
een
chirurgische ingreep nl. radicale prostatectomie
2)
klassieke
radiotherapie
3)
prostaatbrachytherapie
Uiteraard kunnen verschillende
behandelingsvormen ook gecombineerd worden.
We bespreken nu kort de radicale
prostatectomie en de klassieke radiotherapie. Prostaatbrachytherapie komt in
het volgende hoofdstuk aan bod.
1) Radicale Prostatectomie
Omstreeks 1980 ontwikkelde de Amerikaanse uroloog Pat Walsh een chirurgische techniek waarmee al tien jaar was geëxperimenteerd, maar die toen pas met minder schade aan het zenuwstelsel mogelijk werd. Hij sneed de hele prostaat, de zaadblaasjes en een deel van de zaadleiders weg, waarna hij de blaas rechtstreeks aan de plasbuis hechtte.
De operatie biedt de beste
vooruitzichten bij patienten met een goede kans dat de tumor nog niet door het
klierkapsel is gedrongen. Om die te selecteren kunnen de artsen evenwel niet op
exacte wetenschap steunen. Ook als alle voorafgaande onderzoeken op een lokaal
tumorproces wijzen, blijkt de kanker achteraf vaak uitgebreider dan gedacht.
Een radicale prostatectomie duurt
zo’n twee à vier uur. De ingreep kan
langs klassieke abdominale weg gebeuren. De patiënt verblijft dan 10 à 14 dagen
in het ziekenhuis. Als de ingreep via laparoscopie gebeurt wordt de opnameduur korter.
Zoals voor elke grote ingreep is ook
voor een prostatectomie narcose nodig en is de kans op complicaties zoals infectie,
trombose, ... niet denkbeeldig. Bovendien is de kans op incontinentie achteraf
ongeveer 10 %, terwijl in 50 tot 80 % van de gevallen ook impotentie
optreedt.
2)
Klassieke
Radiotherapie
Sinds de ontdekking van X-stralen
door W.Röntgen zijn de anti-proliferatieve
eigenschappen van ioniserende
stralen goed gekend . Ioniserende straling is een hoogfrequente energievorm die
in staat is om electronen los te slagen uit de kern, waardoor een molecule
gedestabiliseerd wordt. Ter hoogte van de DNA-keten veroorzaakt dit breuken
waardoor de cel afsterft op het moment dat ze in mitose (celdeling) gaat.
Vermits kankercellen meer en sneller
delen dan gezond weefsel , heeft bestraling meer schadelijk effect op
kwaadaardig weefsel dan op gezond weefsel. Na elke beschadiging van cellen volgt een reactionaire fase van herstel. Dit
herstel verloopt echter trager bij tumorweefsel dan bij gezond weefsel. Hoe
meer men gefractionneerd bestraalt, hoe meer dit verschil in herstel van belang
wordt.
Bij klassieke radiotherapie wordt het aangetaste prostaatweefsel van
verschillende kanten bestraald met een radioactieve bron. De totale behandeling
vergt meestal 6 tot 7 weken, omdat de bestralingen opgesplitst worden in 30 tot
35 stralingssessies van elk drie minuten.
Voor klassieke radiotherapie staan
geavanceerde softwaretechnieken en beedvormingssystemen ter beschikking.
Belangrijke behandelingsparameters worden in een computermodel ingevoerd, dat
mathematisch het optimale stralingsplan berekent en de straling met grote nauwkeurigheid
kan richten, aan de hand van een driedimensionaal beeld van de prostaat. De
lineaire versnellers (de toestellen die de therapeutische stralingsbundels
produceren), worden uitgerust met computergestuurde lamellen zodat de
stralingsdoses aangepast worden aan de vorm van het gezwel. Naarmate de
nauwkeurigheid toeneemt, kunnen hogere stralingsdoses worden toegediend en
wordt minder gezond weefsel beschadigd. De efficiëntie stijgt, waardoor het
risico op complicaties en bijwerkingen
daalt.
Bij gelokaliseerde prostaatkanker
biedt radiotherapie minstens 60 % kans
op genezing. Daartegenover staat wel 40 tot 60 % kans op impotentie en tot 25 %
kans op incontinentie, afhankelijk van de efficiëntie van de therapie. Vaak
ontstaan ook bijwerkingen zoals vermoeidheid, plasklachten en diarree.
Dankzij PSA-bepaling wordt
prostaatkanker vaak al bij vijftigers in een heel vroeg stadium opgespoord.
Op die leeftijd is een radicale
aanpak het meest zinvol, maar wegen de bijwerkingen van zowel chirurgie als
externe bestraling het zwaarst.
Voor de relatief jongere patiënten
kan dat een doorslaggevend argument zijn om te kiezen voor de derde
behandelingsoptie nl. Prostaatbrachytherapie.
Het volgend hoofdstuk is aan deze
techniek gewijd.
4. PROSTAATBRACHYTHERAPIE
4.1. Evolutie
___________
Prostaatbrachytherapie is geen
nieuwe techniek. Van meet af aan was duidelijk dat een stralingsbron ín het
lichaam en zo dicht mogelijk bij de tumor, het
vooruitzicht op genezing aanzienlijk verbeterde.
Franse artsen behandelden omstreeks
1910 voor het eerst prostaatkanker door radium langs naalden door het
urinekanaal in de aangetaste prostaatklier te brengen. In de jaren 40-50 werd
dat radium vervangen door goudzaadjes.
Maar die techniek werd achterwege gelaten omwille van de hoge kostprijs.
Na de tweede wereldoorlog boekte
brachytherapie nauwelijks nog vooruitgang.
Het tijd keerde in 1970 toen artsen
van het Memorial Hospital in New York via een klassieke prostaatoperatie
korreltjes met jodium 125 begonnen te implanteren. Jodium heeft een
halfwaardetijd ( de tijd waarin de
radioactiviteit op de helft terug valt) van 2 maanden. De korrels geven
gedurende een jaar voldoende straling in een gebied ter grootte van de top van
een pink. Zijn ze uitgestraald dan blijven ze gewoon in de prostaat zitten,
zonder dat de patiënt daar hinder van ondervindt.
Doordat ze er niet in slaagden de
radioactieve korrels die ‘seeds’
(zaadjes) genoemd werden, uniform over de hele prostaat te verspreiden , telden
de pioniers een groot aantal lokale recidieven. Pas in de jaren 80 met de
opkomst van de endorectale echografie brak brachytherapie echt door. Men kon nu
immers vooraf een echografische driedimensionele reconstructie van de prostaat
maken, om de plaatsing van de zaadjes voor te bereiden.
Halverwege de jaren 80 introduceerde
een groep Amerikaanse onderzoekers
implantaten met de radioactieve isotoop Palladium 103, aangemaakt met
een cyclotron (een ringvormige deeltjesversneller).
Tegen het eind van de jaren 80
ontwikkelde John Russel een licht radioactief implantaat, dat Jodium 125 uit
een kerncentrale bevat.
Het gamma aan seeds en het procédé
voor de implantatie werden steeds beter ontwikkeld. Een belangrijke innovatie was o.a. het op de markt brengen van
zaadjes die via een dun draadje met elkaar zijn verbonden zodat ‘drifting’
totaal uitgesloten is. Vroeger bestond namelijk het gevaar dat de zaadjes
doorheen de prostaat migreerden, met zelfs het risico dat ze bij
geslachtsverkeer in het lichaam van de partner belandden.
4.2. Indicatie
___________
De resultaten van brachytherapie zijn optimaal als aan bepaalde voorwaarden is
voldaan.
De
criteria om uit te maken welke
patiënten voor brachytherapie in aanmerking komen, liggen wereldwijd vast .
Twee
aspecten komen hierbij aan bod: enerzijds oncologische criteria, anderzijds
functionele criteria.
-
het
carcinoom moet tot de prostaat beperkt zijn
-
de
prostaat mag niet groter zijn dan 50 cm³
-
de
PSA-waarde moet lager zijn dan 10
-
de
Gleasonscore mag niet hoger zijn dan 6
Een
doorgedreven selectie van de patiënten die een levensverwachting van minstens
10 jaar hebben en die niet aan andere
ernstige ziekten lijden, kan het
slaagpercentage van brachytherapie dus behoorlijk opvoeren.
Ook in het St.Michielziekenhuis komen enkel ‘low
risk’ patiënten in aanmerking voor prostaatbrachytherapie.
Tegenindicaties voor prostaatbrachytherapie zijn de
volgende: een levensverwachting van
minder dan 5 jaar, de aanwezigheid van metastasen, stollingsstoornissen,
een prostaatvolume groter dan 60 cm³ en een recente endoscopische
prostaatressectie.
4.3. Techniek
____________
Brachytherapie is een behandelingsvorm die een
multidisciplinaire aanpak vergt.
Het uitvoeren van de procedure veronderstelt een
nauwe samenwerking tussen uroloog, radioloog-oncoloog, stralingsfysfysicus,
anesthesist en verpleegkundige.
Het gaat tevens om een hoogtechnische
behandeling waarbij computerprogramma’s en beeldvormingssystemen een onmisbare
rol spelen.
4.3.1.
Algemeen
Bij prostaatbrachytherapie worden langs holle
naalden radioactieve bronnetjes
op een heel nauwkeurige manier rechtstreeks in
de tumor binnen de prostaatklier ingebracht.
Prostaatbrachytherapie maakt het mogelijk om
120 tot 140 Gray (een maat voor de geabsorbeerde stralingsdosis) in de prostaat
zelf te leveren, tegenover 70 à 75 Gray bij klassieke uitwendige radiotherapie.
Omdat de bestraling zo lokaal gericht is, wordt er
minder gezond weefsel beschadigd, waardoor ook
minder bijwerkingen optreden.
Voor prostaatkanker in een vroeg stadium worden
Jodiumseeds gebruikt. Ze leveren 80 % van hun totale dosis in de eerste 135
dagen na hun plaatsing.
Voor meer agressieve vormen van porstaatkanker
worden Palladiumseeds gebruikt, Zij leveren al 80 % van hun stralingsdosis
binnen de eerste 35 dagen na implantatie.
Door de korte bestralingsafstand en het kort
halfleven van beide isotopen, is er een geringe radioactieve contaminatie voor
de omgeving. Garantie van radioprotectie is dus een bijkomend voordeel van
prostaatbrachytherapie.
Brachytherapie kan worden aangevuld met
hormonale therapie en met ingekorte externe radiotherapie.
Het nadeel van brachytherapie ligt in het feit dat de implantaties niet
kunnen herhaald worden. En dat de aanwezigheid van de zaadjes chirurgie een
stuk moeilijker maakt, mocht blijken dat verdere behandeling tot nodig is.
Er zijn ook een aantal bijwerkingen
verbonden aan de procedure. De morbiditeit gerelateerd aan een brachytherapie
met Jodium-125 kan zich manifesteren onder de vorm van een acute toxiciteit (
symptomen die optreden onmiddelijk na of zelfs tijdens de implantatie) of onder
de vorm van laattijdige complicaties (die zich enkele maanden of zelfs jaren na
de behandeling voordoen).
Ten gevolge
van het oedeem en de bloeding die optreedt tijdens het aanprikken van de
prostaat en tevens door de bestraling zelf, kan zich een geïnduceerde
prostatitis en urethritis voordoen. De patiënten klagen dan voornamelijk van
dysurie, pollakiurie en verhoogde nycturie. Deze ongewenste effecten starten
meestal één maand na de interventie en kunnnen tot 3 maanden aanslepen.
Urineretentie
Ook
urineretentie wordt in de literatuur als ernstige bijwerking vermeld, met een
incidentie die varieert tussen 1,5 en 10 %. Urineretentie komt vaker voor als
de patiënt
voorafgaand aan de brachytherapie ooit een transurethrale ressectie van de
prostaat onderging. Vandaar dat T.U.R. in de voorgeschiedenis als
tegenindicatie beschouwd wordt.
Onder invloed van de bestraling zijn ook
nevenwerkingen ter hoogte van het rectum mogelijk. Deze proctitis kan zich in
verschillende graderingen voordoen gaande van licht asymptomatisch bloedverlies
per anum tot een pijnlijke ulceratie of zelfs fistelvorming.
De meest gevreesde bijwerking voor de patiënt
is ongetwijfeld het verlies van erecties. Uit de literatuur blijkt dat deze
bijwerking het minst voorkomt na brachyhterapie, meer na uitwendige bestraling
en het frequenst gezien wordt na radicale prostatectomie.
4.3.2.
Praktisch
Bij de
bespreking van de praktische procedure van prostaatbrachytherapie wordt in dit eindwerk uitgegaan van de techniek
volgens de Utrechtse Professor J.J.
Battermann.
Dit
betekent enerzijds een manuele afterloading techniek ( inbrengen van de
radioactieve bron ná het inbrengen van de naalden) en anderzijds de keuze van
specifiek materiaal zoals de Accuseed Stepper en Rapid Strands .
Een statief met Accuseed Stepper,
waarop de houder voor de echotransducer en het rooster, waardoor de
implantatie van de naalden gebeurt.
Een
implantatienaald met een streng Jodium-125 zaadjes, bijeengehouden door een
vicryldraad : de Rapid Strands.

De
Utrechtse techniek die in ons ziekenhuis wordt toegepast is in grote lijnen op
te splitsen in drie fasen:
a.
de
volumestudie
b.
de
pre-planning
c.
de
implantatie
Deze drie
stappen worden in het St.Michielziekenhuis tijdens één ingreep uitgevoerd, omdat het heel belangrijk is dat de patiënt
niet van houding verandert tijdens de verschillende fasen. Men spreekt in dit
geval over ‘ interactieve dosimetrie’ of
‘real-time
planning’.
We bekijken
de verschillende stappen van de Utrechtse techniek van dichtbij.
a) de volumestudie van de prostaat
De patiënt wordt onder algemene anesthesie
geïnstalleerd in ruglig, met overstrekking van de bovenbenen. Dit wil zeggen
met een hoek van minder dan 90 ° ten opzichte van het abdomen.
De C-arm van het scopietoestel wordt boven de
pubis geïnstalleerd om achteraf de positie van de implantatienaalden te
controleren.
Installatie
van de patïent in de speciale beenhouders, met de C-arm van het
scopie-toestel boven de pubis.

Voor men aan de eigenlijke procedure begint
wordt op steriele wijze een Foleycatheter
in de blaas gebracht. De ballon daarvan wordt opgeblazen met een mengsel van
fysiologische oplossing en contraststof, zodat de catheter in de urethra beter
zichtbaar is op de echo- en op de radiologische beelden. Dit vergemakkelijkt tijdens en na de ingreep de controle op de
positie van de implantatienaalden en van de ingebrachte zaadjes.
De perineale zone wordt geschoren en het
scrotum wordt met kleefband naar boven toe gefixeerd, zodat de punctieplaats
goed toegankelijk is en ruim kan ontsmet worden.
De
echotransducer omgeven door het condoom met vloeistof en gel is op de
Stepper gefixeerd in horizontale positie.

Rond de probe van de ultrasoundscanner wordt
een ballon (condoom) aangebracht, gevuld met ongeveer 10 cc fysiologisch water.
Bedoeling daarvan is om de prostaat weg te duwen van de voorwand van het rectum
en zo een duidelijker beeld te krijgen.
Rond de ballon wordt, eventueel in een extra
condoom, ruim glijmiddel aangebracht en de probe wordt langs rectale weg
ingebracht en langzaam voorwaarts bewogen
om zo, per 5 mm, de gehele prostaat in beeld te brengen.
De efficiëntie van prostaatbrachytherapie staat
of valt met het uiterst gericht inbrengen van de radioactieve zaadjes.
Het is dus uiterst belangrijk tijdens de hele procedure dat de patiënt juist is ‘uitgelijnd’ ten opzichte van de gebruikte toestellen. De coördinaten van de volumestudie moeten exact dezelfde referentiewaarde hebben als de coördinaten tijdens de implantatie.
Om die ‘uitlijning’ te realiseren laat de radioloog de dorsale contour van de prostaat eerst samenvallen met de posterieure lijn van het rooster, dat op het beeldscherm van het echotoestel staat. Dat is de zogenaamde ‘lijn1-positie’. Uit voorzorg wordt de stepper zelfs zo gericht dat de onderkant van de prostaat zich 2 à 3 mm boven deze 1-lijn bevindt. Op die manier is men zeker dat bij eventuele foutmeting er toch geen zaadjes tussen prostaat en rectum zullen worden ingeplant, want dit kan aanleiding geven tot fistels.
Verder zorgt de radioloog ervoor dat het
prostaatbeeld symmetrisch ingesteld wordt,
zodat de urethra op de middellijn valt, ‘de rij D-positie’ in het
rooster op het echotoestel. Dit is een belangrijk aandachtspunt want daar mogen
immers geen naalden geprikt worden om perforatie van de urethra te voorkomen.
De prostaat wordt in alle dimensies afgescand
en in coupes van 5mm geregistreerd.
Op elke doorsnede wordt de effectieve
prostaatcontour en de positie van de urethra ingetekend.

Er wordt gescand in sagitale positie om de
lengte van de prostaat te bepalen. Op die manier weet men ook hoeveel ’coupes’
er moeten gemaakt worden om de hele prostaat te doorlopen. De volumestudie
wordt dan uitgevoerd met de probe in transversale scanpositie.
Door de som te maken van alle doorsneden krijgt
de arts een exacter beeld over het
totaal volume van de prostaat. (Dit ligt gemiddeld 20 % hoger dan het volume
dat bepaald werd bij een preoperatieve
routinemeting.)
b) de preplanning
Het doel van de preplanning is het totale
aantal naalden en zaadjes te bepalen, en de ideale implantatiepositie van de
naalden en zaadjes te berekenen, om een
homogene bestraling van de prostaat te verkrijgen.
De echobeelden waarop de prostaatcontour
ingetekend werd, worden gedigitaliseerd en ingevoerd in de planningcomputer (
Varian – Variseed 6.7 Planning systeem).
Per coupe levert de planningcomputer een beeld
op met de ideale verdeling van de dosis radioactiviteit.
Dit
resulteert in :
d.
een
schema voor de uiteindelijke implantatieprocedure: op welke plaats komen
hoeveel zaadjes ? (zie bijlage 1).
e.
een
schema voor het klaarmaken van de zaadjes:
hoe worden de strengen met de radioactieve zaadjes verknipt ? ( zie
bijlage 2 ).
Bij de techniek die in Utrecht door
Prof.Battermann werd uitgewerkt, worden de zogenaamde Rapid Strands van de
firma Amersham Health gebruikt.

Een
looden huls met plastic houder voor ‘Rapid Strands’, met daarnaast een
streng ‘zaadjes’: radioactieve
Jodium-125 bronnetjes die via een vicryldraad met elkaar zijn verbonden.
Het schema van de pre-planning duidt zones in de prostaat aan waar 2, 3 of 4
zaadjes zullen ingebracht worden.
In functie van het benodigde aantal zaadjes op
een bepaalde plaats in de tumor worden de strengen verknipt.
Die verknipte strengen worden in zogenaamde
‘vleugeltjes’ geplaatst. Dat zijn looden strandhouders, waardoor de
zaadjes in de implantatienaalden zullen
geschoven worden.
Om verwarring te vermijden en vlot te werken worden ‘vleugeltjes’ met
eenzelfde aantal zaadjes erin, gegroepeerd in verschillende metalen dozen,
waarop het aantal zaadjes vermeld staat .
Voorbereiding
van de zaadjes voor implantatie : verknippen
van de strengen en inbrengen van die zaadreeksen in ‘vleugeltjes’

c) de implantatie
Op de Stepper wordt een steriel rooster met coördinaten
gefixeerd. Op de X-as staan cijfers, op de Y-as staan letters. Dat rooster valt
samen met het rooster dat op het beeldscherm van het echotoestel staat.
Er wordt nogmaals nagekeken of de patiënt
correct is ‘ uitgelijnd’ ten opzichte van de gebruikte toestellen.
Om bewegingen van de prostaat tijdens het inbrengen van de implantatienaalden te voorkomen, worden twee fixatienaalden ingebracht.
Deze fixatienaalden, voorzien van een soort harpoenhaakje, worden het eerst ingebracht, op plaatsen die volgens de pre-planning nog ‘vrij’ zijn.
Ze worden daarna met klemmetjes op het rooster met de coördinaten gefixeerd.
Bij de Utrechtse techniek worden lege implantatienaalden in het
perineum geprikt. Pas achteraf worden de radioactieve zaadjes ingebracht.
Deze techniek staat bekend als ‘afterloading’.

Het
rooster met de coördinaten is tegen het perineum van de patiënt gefixeerd. De lege
implantatienaalden worden volgens het schema van de pre-planning op de
juiste positie ingebracht.
De artsen
die de Utrechtse techniek ontwikkelden geven er de voorkeur aan om eerst àlle
lege naalden ( mét mandrin ) te plaatsen, voordat men overgaat tot het ‘laden’
met de zaadjes.
De voordelen
van deze werkwijze zijn dat er minder scopietijd nodig is om de plaats van alle
naalden ten opzichte van de balloncatheter te verifiëren, de prostaat blijft
stabieler gefixeerd tijdens het ‘laden’ met de zaadjes en er is minder invloed
van prostaatzwelling tijdens de procedure.
Het
voordeel van het werken met lege implantatienaalden is dat de naalden , mocht
dat noodzakelijk zijn, kunnen herprikt worden zonder dat er een probleem
ontstaat om de zaadjes in de prostaat te droppen.
( Bij
zogenaamde ‘voorgeladen’ naalden, bestaat in het geval van herprikken het
risico dat de zaadjes moeilijk uit de
naald loskomen, door een lichte zwelling van de draad die de zaadjes samen
houdt .)
Men start
met het inbrengen van de naalden op de meest ventrale rij om interferentie met
schaduwbeelden van andere naalden te vermijden.
In totaal
worden 20 tot 30 naalden ingebracht. Als alle naalden (met mandrin ) zijn
ingebracht wordt een controle RXopname uitgevoerd.
RX-beeld
na implantatie van alle naalden.

Na het plaatsen van alle naalden, worden de
zaadjes ‘geimplanteerd’.
Men start met het laden van de perifere naalden
. Dat zijn gewoonlijk de naalden met een kleiner aantal zaadjes.
Na verwijdering van de mandrin wordt het voorgeladen
‘vleugeltje’ (met het juiste aantal zaadjes erin) op de naaldkop gebracht,
waarna de mandrin terug ingebracht wordt, om de reeks verbonden zaadjes door te
schuiven tot op de gewenste positie. Op de mandrin zijn hiervoor inkepingen aangebracht, die een
indicatie vormen voor de diepte waarop men de zaadstreng inbrengt .
De
mandrin wordt verwijderd, zodat de implantatienaald via een ‘vleugeltje’ kan ‘
geladen’ worden met een streng
zaadjes .

Zodra de zaadjes op de juiste positie gedropt
werden, wordt de implantatienaald volledig verwijderd.
Na het uitvoeren van de implantatieprocedure
wordt een RX-opname gemaakt om het aantal zaadjes en hun positie te verifiëren.
RX-beeld na implantatie: de
ballon van de blaascatheter is duidelijk zichtbaar, daaronder de
radioactieve zaadjes.
Na de
procedure wordt de punctieplaats nogmaals ontsmet.
Er wordt
een steriel verband aangebracht.
De patiënt
behoudt zijn verblijfsonde en gaat na extubatie naar de ontwaakzaal.
5.
DE ROL VAN DE VERPLEEGKUNDIGE
Binnen het team dat de zorg voor de patiënt met
gelokaliseerd prostaatkanker op zich neemt, heeft de operatieverpleegkundige
een belangrijke plaats.
Naar de andere gezondheidswerkers toe, zoals
anesthesist, uroloog en radioloog heeft zij een ondersteunende rol. Naar de
patiënt en andere verpleegkundigen toe moet zij in staat zijn de juiste
informatie door te geven.
Zoals bij elke handeling die zij stelt zal de
verpleegkundige ook nu aandacht schenken aan de principes van steriliteit,
de maatregelen voor radioprotectie en de zorg voor een goeie handhygiëne.
Deze verschillende aspecten worden in dit hoofdstuk achtereenvolgens besproken.
5.1.
Communicatie
________________
De patiënt die in het
operatiekwartier een prostaatbrachytherapie
zal ondergaan is een man bij wie kanker gediagnosticeerd werd.
Dat betekent dat het om een angstig persoon gaat, die heel wat vragen heeft
omtrent de ingreep die hij zal ondergaan, omtrent zijn toekomstperspectieven ,
...
De operatieverpleegkundige moet op
professionele manier met die angst kunnen omgaan en de vragen kunnen
beantwoorden met een taalgebruik dat op de patiënt is afgestemd. Dat houdt in
dat zij zelf goed op de hoogte moet zijn van het verloop van de ingreep en de
nazorg.
Zij moet op rustige toon informatie
geven over de routinehandelingen die zij stelt ter voorbereiding van de
anesthesie . Maar ze moet tevens uitleg kunnen verstrekken over de specifieke zorgen, die met prostaatbrachytherapie
gepaard gaan.
Ook naar collega-verpleegkundigen
die op de hospitalisatieafdeling werken, moet zij informatie kunnen doorgeven.
In verband met de nazorg in het ziekenhuis, maar ook omtrent de thuiszorgen na
ontslag.
Vooral in verband met ‘radioactiviteit’ leven nogal wat
misopvattingen onder verpleegkundig personeel. De techniek van prostaatbrachytherapie garandeert voldoende
stralingsbescherming. Het is van groot belang dat de operatieverpleeg-
kundige ook op dat vlak de juiste
houding aanneemt. Een patiënt bij wie radioactieve zaadjes ingeplant zijn wordt
daardoor níet zelf radioactief. De patiënt die een prostaatbrachytherapie
onderging betekent dus geen gevaar voor zijn omgeving.
5.2. Anesthesie
______________
Voor het uitvoeren van een prostaatbrachytherapie zal de patiënt bij voorkeur onder algemene narcose gebracht worden, omdat hij absoluut niet van houding mag veranderen tijdens de ingreep. Anders bestaat het risico dat de coördinaten waarmee het preplan ( en de dosimetrie) opgesteld werd, niet samenvallen met de coördinaten van de implantatie.
Voor patiënten die cardiaal of pulmonair belast zijn kan de algemene narcose vervangen worden door een epidurale verdoving, op voorwaarde dat de
‘onbeweeglijkheid’ van de patiënt nauwlettend bewaakt wordt.
De verpleegkundige installeert de patiënt in ruglig . Zij brengt de E.K.G.-electrodes , de bloeddrukmeter en de saturatiemeter aan. Verder staat ze de anesthesist bij voor de inductie van de narcose.
De patiënt kan geïntubeerd worden, maar een larynxmasker behoort ook tot de mogelijkheden, vermits de totale duur van de procedure maximaal 2 uur bedraagt.
5.3.
InstaIlatie van de patiënt
_________________________
De patiënt wordt in ruglig op de operatietafel geïnstalleerd voor de inductie van de narcose. Daarna wordt hij in de speciale beensteunen gepositioneerd, met de benen in hyperflexie ( een hoek van minder dan 90° ten opzichte van het abdomen).
Bij de installatie wordt aandacht besteed aan het voorkomen van decubitus. Dit kan gerealiseerd worden door het aanbrengen van gelkussens of gewatteerde doeken onder de belangrijkste drukpunten zoals stuit en ellebogen.
Ook beschadiging van zenuwbanen door overmatige druk kan op die manier vermeden worden. Aandachtspunten hierbij zijn o.a. de knieholten, die in de beensteunen vrij moeten liggen.
Tot slot is het voorkomen van afkoeling een belangrijk item, vermits de totale duur van de procedure tot 2 uur kan oplopen. Onderzoek heeft uitgewezen dat patiënten die onderkoeld zijn minder vlot herstellen , meer riscio op infectie hebben en pijngevoeliger zijn. Hypothermie kan vermeden worden door een warme luchtdeken ( type Bairhugger bijvoorbeeld) op het bovenlichaam van de patiënt aan te brengen. Ook het aanbrengen van niet steriele Jerseykousen rond de benen kan helpen in de strijd tegen warmteverlies.
Een specifiek aandachtspunt bij prostaatbrachytherapie is dat de patiënt met de stuit op de rand van de tafel moet liggen, zodat er voldoende bewegingsruimte blijft voor de stepper.
5.4. De ingreep
______________
Voor de ingreep uitgevoerd wordt, controleert de verpleegkundige of alle materiaal dat nodig is voor het uitvoeren van de ingreep in de zaal aanwezig is.
Dat wil zeggen: de beensteunen, het scopietoestel, de loodschorten.
Verder moet ook het materiaal aanwezig zijn dat geen deel uitmaakt van de routineuitrusting van de zaal. We denken hierbij aan het echostoestel van de uroloog en de ‘stepper’.
De fysicus, die de radioloog bijstaat, brengt de apparatuur mee met de software voor het uitvoeren van de pre-planning.
Met betrekking tot het klaar maken van materiaal kan de verpleegkundige de eigenlijke ingreep in drie fasen opsplitsen.
Het gaat hierbij telkens om het klaarmaken van een instrumentafel, waarbij de regels van steriliteit strikt moeten nageleefd worden.
a)
het plaatsen van de verblijfsonde
Op een kochertafel wordt een sondeerset geopend.
Daarop wordt volgend materiaal voorzien:
- een ledigbare urinezak
- steriele handschoenen
- een Tiemann Foleycatheter ch 16.
- Instillagel
- Isobetadine dermicum op de ontsmettingsdeppers
- een spuit van 10 cc
- een mengsel van fysiologische oplossing en contraststof
wordt in de bolkom voorzien
De verblijfsonde wordt door de uroloog of radioloog geplaatst.
De verpleegkundig zal achteraf de sonde en het scrotum van de patiënt via een lange strook kleefband op het abdomen van de patiënt fixeren, om de punctieplaats goed toegankelijk te maken.
De perineale streek wordt ook geschoren.
De artsen gaan nu over tot de volumestudie van de prostaat. Deze procedure neemt ongeveer 20 minuten in beslag.
Terwijl de planningcomputer de schema’s voor de implantatie en voor de verdeling van de zaadjes uitprint, maakt de verpleegkundige de twee tafels klaar voor de volgende 2 stappen van de ingreep.
b) de voorbereiding van de radioactieve zaadjes
Op een kochertafel wordt een steriel veld aangebracht.
Daarop wordt volgend materiaal voorzien:
- een steriele schort
- steriele handschoenen
- een bistouriheft
- een mesje 11
- een pincet
- 4 metalen dozen
- een markeerstift
- de ‘vleugeltjes’
- de houders met de strengen radioactieve zaadjes
De stralingsfysicus die de preplanning uitvoerde maakt met deze tafel de ‘vleugeltjes’ klaar. Dat zijn de houders waardoor de zaadjes, in reeksen van 2,3 of 4 verbonden, via de naalden in de prostaat zullen gedropt worden.
c) het inbrengen van de implantatienaalden
Op een kochertafel wordt een steriel veld aangebracht.
Daarop wordt volgend materiaal voorzien:
- twee steriele schorten ( voor de uroloog en de radioloog)
- steriele handschoenen
- twee fixeernaalden
- een aantal implantatienaalden (zoals berekend via de preplanning)
- de ‘stopper’ (waarmee de naalden tot op de juiste positie terug getrokken worden vóórdat de zaadjes gedropt worden)
- steriele compressen
Zodra de vleugeltjes met de reeksen zaadjes klaar zijn, gaan de uroloog en de radioloog over tot de eigenlijke implantatieprocedure.
Het implantatieschema wordt vastgekleefd op het scopietoestel, dat boven de pubis van de patiënt staat.
5.5. Nazorg in het operatiekwartier
______________________________
Onmiddelijk na het uitvoeren van de implantatie wordt de patiënt verbed en naar de ontwaakzaal gebracht. Daar wordt een ‘coldpack’ (ijskoude gel) aangebracht ter hoogte van de punctieplaats, om zwelling tegen te gaan en een betere haemostase te verzekeren dank zij de vasoconstrictie die optreedt.
De verpleegkundige van de ontwaakzaal observeert de vitale parameters van de patiënt. Zij houdt ook de hoeveelheid urine en de kleur ervan in het oog. En op regelmatige tijdstippen inspecteert zij het verband op de punctieplaats.
Bij twijfel over het normaal verloop van de postoperatieve fase wordt de uroloog verwittigd.
De omloopverpleegkundige staat ondertussen in voor het opruimen van de zaal. In het bijzonder schenkt zij hierbij aandacht aan het beheer van het instrumentarium. ( In principe staat de stralingsfysicus in voor het opsporen van eventueel verloren zaadjes. Dit wil zeggen dat hij met een detector de vleugeltjes, de lege strandhouders, de kochertafels en eventueel de vloer afscant.)
Het rooster, de vleugeltjes, het bistouriheft en het pincet worden naar de centrale sterilisatieafdeling gebracht voor reiniging, desinfectie en sterilisatie.
De implantatienaalden en de fixeernaalden worden in containers verwijderd, om prikaccidenten te vermijden .
De ballon rond de echotransducer wordt verwijderd. De transducer en de stepper worden huishoudelijk proper gemaakt.
Uiteraard draagt de verpleegkundige bij het manipuleren van gebruikt materiaal handschoenen en zorgt zij achteraf voor goeie handhygiëne.
Het scopietoestel wordt gereinigd en terug naar de stockeerplaats gebracht.
De loodschorten worden gereinigd en terug op hun plaats gehangen . ( Plooien van de schorten veroorzaakt barsten in de loodflappen, zodat de bescherming tegen ioniserende straling minder efficiënt wordt !)
De speciale beensteunen worden gereinigd en terug naar de stockeerplaats gebracht.
Het echotoestel gaat terug naar de consultatieruimte van de uroloog.
5.6. Postoperatieve aspecten
________________________
5.6.1.
Algemeen
Na de implantatie blijft de patiënt nog gedurende één nacht gehospitaliseerd.
De postoperatieve zorgen houden verband
met de routinezorgen na een
algemene anesthesie. Dit wil zeggen
: regelmatig opvolgen van parameters
zoals pols, bloeddruk, temperatuur
en bewustzijn.
Ook observatie van het verband en de
urinesonde horen bij het zorgpakket van
de patiënt die
prostaatbrachytherapie onderging.
Om in de postoperatieve fase
zwelling te vermijden kan Naproxen 250 mg gegeven worden, 3 x per dag.
Pijnmedicatie is zelden nodig, maar
kan toegediend worden op vraag van de patiënt. Ook toediening van antibiotica
is overbodig.
De morgen na de implantatie wordt de
sonde verwijderd. De patiënt wordt gevraagd om in een urinaal te plassen, zodat
kan nagekeken worden of er geen zaadjes uitgeplast worden. Ook thuis moet de
patiënt best plassen door een zeefje en dit gedurende een maand. (Hij krijgt
een looden kokertje mee , om een
eventueel verloren zaadje te bewaren.)
In verband met stralingshygiëne
worden een aantal voorzorgsmaatregelen geadviseerd: de patiënt die een
prostaatbrachytherapie onderging kan best geen direct contact hebben met
zwangere vrouwen of kinderen gedurende
de eerste twee maanden na de implantatie van de zaadjes.
De patiënt die een
prostaatbrachytherapie onderging mag geslachtsverkeer hebben, maar er wordt
geadviseerd om de eerste 3 à 4 keer een condoom te gebruiken. Zaadlozingen
kunnen pijnlijk zijn in het begin. De aanwezigheid van bloed in het sperma is
normaal en verdwijnt na een paar maanden. Ook het perineaal haematoom kan
verschillende weken zichtbaar blijven.
Fysieke activiteit mag na een paar
dagen hervat worden, hoewel fietsen en paardrijden best nog vermeden worden
gedurende 4 tot 6 weken.
Deze richtlijnen worden aan de
patiënt en zijn familieleden meegegeven. Informatie voor de huisarts is ook
beschikbaar.
De patiënt mag dus het ziekenhuis
verlaten nadat hij spontaan geplast heeft, instructies kreeg over de
beschermingsmaatregelen tegen straling en na een controle RX waarbij de
ingeplante zaadjes geteld werden.
5.6.2. Medisch
Ongeveer een maand na de implantatie, als de
zwelling die het prostaatvolume aanzienlijk verhoogt, verdwenen is, wordt een
post-implant dosimetrie uitgevoerd via CT- of MRI scan. (MRI verdient de
voorkeur omdat het een duidelijker aflijning van de prostaat geeft.) Op
dezelfde dag worden ook opnames gemaakt met de simulator. Deze gegevens worden
in overeenstemming gebracht met de data van de MRI. Alle informatie wordt
daarna gebundeld en ingevoerd in een planningcomputer voor 3D-dosis
reconstructie.
MRI doorsnede
met centraal de prostaat en de ingeplante zaadjes .

driedimensionele
weergave van de
verdeling van de therapeutische dosis van 140 Gray binnen de
prostaatcontour.

De driedimensionele reconstructie van de 140
Gray isodosis ( de verdeling van de therapeutische stralingsdosis) geeft een
indicatie over de kwaliteit van de implantatie.
Over de definitie van een ‘goede ‘ implantatie
bestaat nog discussie.
Algemeen wordt aanvaard dat een implantatie
geslaagd is als 90 % van de prostaat bestraald wordt met meer dan 80% van de
doeldosis. Maar ook de homogeniteit van de dosisverdeling is belangrijk. En de
dosis ter hoogte van de urethra en dosis ter hoogte van de buikzijde van de
rectumwand moeten in beschouwing genomen worden, omdat dit risicozones zijn
waar verwikkelingen kunnen optreden.
6.
BESLUIT
Binnen afzienbare tijd wordt prostaatkanker bij
mannen de belangrijkste oorzaak van sterfte door kanker. Prostaatkanker
evolueert sluipend maar is dodelijk als de diagnose te laat wordt gesteld.
Daarom proberen gezondheidsorganisaties via nationale informatiecampagnes de
bevolking te sensibiliseren voor het belang van regelmatige controle. Een
combinatie van onderzoeken zoals rectaal toucher, PSA-bepaling in het bloed,
echografie en aanvullende biopsies kunnen prostaatkanker in een vroeg stadium
diagnosticeren, wat de kansen op
genezing gunstig beïnvloedt.
Als het om een gelokaliseerde prostaatkanker
gaat en de patiënt voldoet aan bepaalde criteria (op vlak van oncologische en
functionele aspecten) dan komt hij in aanmerking voor prostaatbrachytherapie.
Deze behandeling bestaat uit het
permanent implanteren van radioactieve zaadjes (meestal Jodium-125) die lokaal
de kwaadaardige cellen vernietigen. Andere curatieve mogelijkheden zijn een chirurgische ingreep (de radicale
prostatectomie) of klassieke radiotherapie (externe bestraling). Beide methodes
hebben echter belangrijke nevenwerkingen zoals het optreden van incontinentie
en het ontstaan van impotentie. Voor jongere patiënten is
dat een doorslaggevend argument om te kiezen
voor prostaatbrachytherapie, waarbij de kans op deze bijwerkingen kleiner is.
De techniek van prostaatbrachytherapie won aan
belang door evoluties binnen verschillende domeinen, die elk hun belang hebben
bij de multidisciplinaire aanpak van prostaatkanker. In de praktijk vertaalt
zich dat naar een techniek waarbij eerst een volumestudie van de prostaat
gebeurt aan de hand van echografische beelden. Die worden door geavanceerde
software gedigitaliseerd en doorgestuurd naar een plannigssysteem dat de
optimale verdeling van de therapeutische dosis straling berekent. Aan de hand
van het uitgewerkte schema gaat de uroloog in samenwerking met de
radioloog-oncoloog over tot het implanteren van naalden, waarlangs radioactieve ‘zaadjes’ in de prostaat worden
gedropt.
Prostaatbrachytherapie vergt een kortere
opnameduur dan de klassieke behandelingen (prostatectomie en uitwendige
radiotherapie) maar de resultaten op lange termijn zijn
vergelijkbaar en de morbiditeit is zelfs lager. Alles wijst er dus op dat
prostaatbrachytherapie zich verder zal ontwikkelen tot een
eerstekeusbehandeling voor de patiënt met gelokaliseerd prostaatcarcinoom.
Verpleegkundigen die op het operatiekwartier
werkzaam zijn zullen vroeg of laat met deze behandelingswijze in contact komen.
Vanuit deze invalshoek werd dit eindwerk opgesteld. Operatieverpleegkundigen
kunnen er een leidraad in vinden om de patiënt
en zijn familie beter bij te staan en om de
kwaliteit van hun zorgverlening te optimaliseren.
7.LITERATUUR