RADIOPROTECTIE   IN  HET  OPERATIEKWARTIER

 
 
INHOUD

 

 

 

 

 

1. Voorwoord

 

 

 

2. Ioniserende straling  en haar gevaren

 

 

 

3. Medische toepassingen van ioniserende stralen

 

 

 

4. Het scopietoestel

 

 

 

5. Radioprotectie in het operatiekwartier

 

 

 

6. Besluit

 

 

 


 

1. VOORWOORD

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De hoofdactiviteit binnen het operatiekwartier bestaat uit chirurgisch ingrijpen.

Regelmatig vormt ioniserende straling daarbij een belangrijk hulpmiddel.

Zowel voor het uitvoeren van therapieën, als voor  medische beeldvorming.

 


Ioniserende straling is niet waarneembaar en juist daarom zo gevaarlijk.

Naarmate men meer kennis verwierf over de negatieve effecten van ioniserende straling,  groeide ook de bewustwording van de noodzaak aan bescherming ertegen.

Zo is het begrip ‘stralingshygiëne’ ontstaan.


 

 


Deze bundel is een destillaat van de cursus radioprotectie, die door het K.B. van  20 juli 2001 wordt  opgelegd aan alle personen die beroepshalve met ioniserende  straling in aanraking komen.

 

 


Met deze beknopte handleiding willen we een praktische leiddraad bieden aan alle medewerkers in het operatiekwartier, zodat ze op een bewuste manier met het gecontroleerde risico van ioniserende straling kunnen omgaan.

 

 

 

 

                                                                     

         

                                                                     

                                                                               

 

 

2. IONISERENDE  STRALING  EN  HAAR GEVAREN

 

 

 

Ioniserende straling werd in 1895 per toeval ontdekt door Wilhelm Röntgen. Hij benoemde deze energievorm met de wiskundige term voor het onbekende : ‘ X-stralen’ .

 

X-stralen, later ook Röntgenstralen genoemd, zijn ioniserende stralen.

Als men spreekt over ioniserende stralen, dan bedoelt men die hoogenergetische golven die , bij botsen met materie, elektronen los kunnen slaan, waardoor de molecule onstabiel wordt. Waneer dit gebeurt ter hoogte van het D.N.A., dan ontstaan breuken in de keten waardoor celdeling verstoord of zelfs onmogelijk wordt.

 

De schade die wordt aangericht door ioniserende straling kan opgesplitst worden in twee groepen: vroegtijdige of deterministische effecten en laattijdige of stochastische effecten.

 

Vroegtijdige effecten treden op vanaf een bepaalde dosis. Blijft men onder die dosis, dan wordt er geen schade veroorzaakt. Komt men boven die drempeldosis, dan wordt de schade erger met toenemende dosis.

De belangrijkste vroegtijdige effecten worden waargenomen ter hoogte van de huid, van het maagdarmstelsel, van de ooglens en van de gonaden.

Elk weefsel heeft een andere gevoeligheid voor straling. Hoe hoger de delingsindex van een bepaald weefsel, hoe hoger de radiosensibiliteit.

 

Laattijdige effecten hebben geen drempeldosis. Men neemt aan dat zelfs de geringste dosis in staat is om schade te berokkenen. Het gaat hier vooral over inductie van kanker.

 

Het is duidelijk dat het werken met ioniserende stralen niet zonder gevaar is. Onder andere het ICRP ( international council of radioprotection) bracht daarom richtlijnen uit,  omtrent stralingsbescherming.

Het K.B. van 20-07-2001  is grotendeels op deze adviezen gebaseerd. Het voorziet in verschillende dosislimieten, in functie van verschillende  organen en maakt daarbij ook onderscheid tussen burgers en beroeps-halve blootgestelde personen.

 

 

 

 


3. MEDISCHE TOEPASSING   VAN   X- STRALEN

 

 

 

In de gezondheidssector wordt gebruik gemaakt van x-stralen bij nucleaire geneeskunde, bij radiotherapie en bij de medische  beeld-vorming.

 

Met het maken van een PET-scan of het uitvoeren van een SPECT-onderzoek komen we op het terrein van de nucleaire geneeskunde. Hier worden radioactieve stoffen gekoppeld  aan een molecule met een specifiek gekende werking. Het in beeld brengen van de vrijgekomen radioactiviteit van deze zogenaamde ‘tracers’ laat toe om tumoren op te sporen. Zo bijvoorbeeld zal radioactief gemerkte glucose de exacte locatie van een tumor weergeven.

 

Therapeutisch is dan weer het inspuiten van radiofarmaca om lokaal kwaadaardige gezwellen te bestrijden.  Zo kan men een schildklieraan-doening behandelen door het inspuiten in de bloedbaan van 131-jodium.  Ook pijnbestrijding bij botmetastasen kan gebeuren via het intraveneus toedienen van een  radiofarmacon dat zich in het skelet vastzet.

 

Radiotherapie is die behandelingswijze waarbij men door x-stralen maligne weefsels tracht te remmen in hun groei. Om optimaal gebruik te maken van het verschil in recuperatiesnelheid tussen gezond en kwaadaardig weefsel, doet men dit via gefractioneerde bestraling.

Aan elke therapie gaat veel voorbereiding vooraf, met o.a. exacte bepaling van doelvolumes en nauwkeurige positionneringsprocedures.

 

In het operatiekwartier blijft de toepassing van X-stralen meestal beperkt tot beeldvorming. Röntgenopnames worden zowel tijdens als na een ingreep gemaakt.

 

X-stralen die zich door de ruimte bewegen worden tegen gehouden door materie. Maar elke materie laat de stralen op een andere manier door. Zo heeft lood een grotere dichtheid voor x-stralen dan bijvoorbeeld hout.

Hetzelfde geldt voor menselijke weefsels. Bot laat minder x-stralen door dan bijvoorbeeld longweefsel.

Het is van dit verschil in doorlaatbaarheid dat men gebruik maakt bij beeldvorming.

 

We gaan nu verder in op ons ‘werkinstrument’: het scopietoestel.

 


4. HET  GEBRUIK VAN HET SCOPIETOESTEL

 

 

Een scopietoestel bestaat uit een C-arm met een x-stralenbron ( de stralingsbuis ) en een detector ( de beeldversterker). Het scopietoestel is gekoppeld aan een monitor waarop het beeld verschijnt.  Hoe dichter een object zich bij de beeldversterker bevindt, hoe scherper de weergave.

 

Vermits de patiënt op de operatietafel weinig mobiel is, moet het toestel in verschillende dimensies kunnen bewegen.

 

Het toestel zelf kan voor- en achteruit en  naar links of rechts verplaatst worden. De vertikale zuil kan in de hoogte verplaatst worden, en de C-boog kan voor- en achteruit worden bewogen,  en kan  naar links of rechts zwenken. Verder kan men de C- boog ook kantelen en roteren.

 

Via het klavier op het toestel kan men  het beeld op de T.V.monitor in wijzer- of tegenwijzerzin laten roteren, vergroten, of spiegelen. Er zijn ook toetsen voor contrastinstellingen en afdrukfuncties. Verder is er ook een alarmfunctie die in werking treedt na een zekere scopietijd ( meestal 5 minuten). Tot slot hebben veel scopietoestellen tegenwoordig de mogelijkheid om automatisch instellingen te selecteren in functie van de discipline waarbinnen ze gebruikt worden.

 

 

 

 

 

 


5. RADIOPROTECTIE IN HET OPERATIEKWARTIER

 

 

Radioprotectie in het O.K. begint met een verantwoord gebruik van

röntgenstralen. Elke  radiografische opname moet gerechtvaardigd zijn.  Met andere woorden: elke foto die genomen wordt  moet een significante bijdrage leveren aan de ingreep. Deze justificatie valt onder de verantwoordelijkheid van de behandelende arts.

Het gaat niet op om bijvoorbeeld een RX thorax opnieuw uit te voeren, omdat de preoperatieve foto zoek is geraakt.

 

Zowel in het O.K. als daarbuiten wordt het ALARAprincipe gehanteerd. Alara staat voor ‘as low as reasonably achievable’. Dat houdt in dat men de dosis zo laag houdt als redelijkerwijze mogelijk is. In functie van de benodigde beeldkwaliteit zal men dus de blootstelling van patiënt en personeel minimaal houden.

 

Elk personeelslid dat blootgesteld wordt aan ioniserende straling is verplicht om een dosimeter te dragen. Deze detector meet de opgelopen straling, zodat de arbeidsgeneesheer op geregelde tijdstippen kan nagaan of de maximaal toegestane jaardosis niet overschreden werd tijdens een periode van 12 glijdende maanden.

De dosimeter wordt gedragen ter hoogte van het sternum, omdat dit de plaats is die het meest representatief is voor de totaal opgelopen dosis.

 

X-stralen die zich door de ruimte ( of doorheen een patiënt ) bewegen nemen af in sterkte. De dosis vermindert met het kwadraat van de afstand. De meest eenvoudige vorm van radioprotectie bestaat dus in het nemen van afstand. Als men twee meter van de stralingsbron verwijderd  is, kan men slechts een vierde van de dosis meer oplopen. Gaat men drie meter verder staan, dan is de dosis tot een negende gereduceerd.

 

Aangezien röntgenstraling goed tegen gehouden wordt door lood is het dragen van een loodschort een efficiënte maatregel. Het dragen van een loden halskraag is eveneens aan te raden ter bescherming van de stralingsgevoelige schildklier. 

De dosimeter wordt onder de loodschort gedragen!

Naar gelang het model van de beschikbare schorten, kan het interessant zijn om in bepaalde gevallen de schort achterste voren te dragen. Bijvoor- beeld wanneer men tijdens het invullen van formulieren met zijn rug naar de bestraalde patiënt gekeerd staat.

Zorgzaam omgaan met loodschorten betekent dat ze worden opgehangen na gebruik, om beschadiging te voorkomen.

Vermits lood het minst doorlaatbaar is voor X-straling is het nuttiger om achter een persoon te staan die een loodschort draagt, dan bijvoorbeeld achter een houten deur.

Een arts of assistent die met zijn handen in de directe stralenbundel komt, draagt het best loden handschoenen. Indien ze voorradig zijn kan ook het dragen van een loodbril aanbevolen worden.

 

Men moet er naar streven om niet alleen de dosis maar ook de bloot-stellingstijd  minimaal te houden. Pulserende scopie is te verkiezen boven continue scopie. De persoon die het scopietoestel bedient kan hier een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van alle aanwezigen in de operatiezaal.

 

Als men scopie geeft bewegen de meeste X-stralen zich dwars doorheen de patiënt. Een deel van de stralen wordt  echter afgezwakt door contact met de patiënt en beweegt zich vanuit de patiënt in verschillende richtingen verder, als ‘strooistraal’. Ook tegen strooistralen moet men zich beschermen. Men kan dit doen door de stralingsbuis onder de operatietafel te positionneren en de zijkant van de tafel met loodflappen af te schermen.

 

Radioprotectie is niet enkel ten voordele van het personeel, ook de patiënt moet beschermd worden. Zoals eerder vermeld zijn weefsels met een hogere delingsindex gevoeliger voor straling. Dat maakt kinderen en zwangere vrouwen tot een groep waarvoor speciale aandacht vereist is in verband met stralingsbescherming.

Wanneer bij kinderen een RX opname gemaakt wordt, moeten de radiosensibele organen zoals de gonaden worden afgeschermd door gebruik van lood. Zo moet bijvoorbeeld bij een jongen met een femurfractuur het scrotum afgedekt worden met een loodschort wanneer scopie zal gebruikt worden tijdens de ingreep.

Hetzelfde geldt voor afscherming van het abdomen bij zwangere vrouwen bij wie een radiografische opname moeten worden gemaakt. Het zou een routine moeten zijn om bij alle vrouwelijke patiënten navraag te doen naar de kans op een eventuele zwangerschap. Vanuit die invalshoek kan het nuttig zijn om hierover aan de ingang van het operatiekwartier een meertalig bord aan te brengen.


6. BESLUIT

 

 

 

 

Ioniserende straling heeft zeker zijn nut binnen het operatiekwartier, vooral dan voor medische beeldvorming.

 

Elke dosis straling die  in het kader van een medisch onderzoek of behandeling gegeven wordt, komt echter bovenop de natuurlijke dosis straling waar wij reeds aan worden blootgesteld.

 

Om die reden is het belangrijk om op een verantwoorde manier met die energievorm om te gaan. 

 

 

Het grote gevaar van X- stralen bestaat erin dat ze niet tastbaar, niet waarneembaar zijn en dat de gevolgen van blootstelling zich niet onmiddelijk uiten. 

Er zijn dus risico’s verbonden aan het werken met röntgenstralen.

Maar het zijn gecontroleerde risico’s, op voorwaarde dat men de richtlijnen  voor stralingshygiëne opvolgt.

 

 

 

Radioprotectie is geen eenmalig aandachtspunt , maar moet blijvend deel uitmaken van een bewust en  verantwoord verpleegkundig handelen.

 

 

Niet alleen omdat het een verplichting is die wettelijk opgelegd werd, maar vooral omdat wij als verpleegkundigen onze gezondheid en die van anderen ter harte nemen.