Falla-Meirs


Ga naar de inhoudsopgave

Het klooster van St.-Antonius Abt te Val-Meer

Jozef Jackers


Met het oog op de verzorging van onderwijs bouwde men in 1855, onmiddellijk ten zuiden van de Sint-Severinus kapel een klooster en kostschool in monumentale neogotische stijl.

Een oude kerk fungeerde als aantrekkingspool voor een kloostergemeenschap.

Door de eeuwen heen vormen kloosters, in de christelijke wereld, de uitgelezen plaatsen waar religieuzen zich terugtrekken.

Kloosterlingen leven er een religieus, ascetisch en beschouwend leven. Ze beschikken over afzonderlijke cellen, brengen het grootste deel van de dag met werk of in eenzaamheid door en zijn onderworpen aan de voorschriftendoor kloosterregels bepaald.

De religieuzen komen samen op bepaalde uren, bij vieringen van de eredienst, de maaltijden of plechtige gelegenheden. De religieuze leden in kloosters onderhouden er een geheel van voorschriften.

Op een bijzondere wijze worden de drie plechtige geloften, nl. van vrijwillige armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid belichaamd.

De komst van een religieuze stichting annex de Sint-Severinuskapel in Val-Meer ten jare 1855 is dan ook een memorabel feit in onze geschiedenis.

De Zusters van Liefde stichtten een klooster in 1855.

Het groeiproces met 'la petite histoire' -kanttekeningen.

De congregatie der Zusters van Liefde, van O.L.V. Moeder van barmhartigheid, opgericht door Mgr. Zwijsen, aartsbisschop van Utrecht, telde in 1855 reeds 47 succursaalhuizen, waarvan er vijf in BelgiŽ gevestigd waren.

Het was pastoor Lowet, afkomstig uit Montenaken, die in 1855 de parochiekerk restaureerde, hier pastoor van
1849-1859, die aanvraag deed tot vestiging van een bijhuis van hogergenoemde zusterorde in Val-Meer.

De vervallen oude kerk, die onder Hollands bewind (1815-1830) werd opgeŽist als school, verkeerde in kaduke toestand.



Doch kapelaan Vandenbosch, geboren te Val-Meer in 1794, en die in 1872 in het klooster zou sterven, zou met goed gevolg de verdediger worden van de oude kerk. Door zijn ijvervolle bemoeiingen kon de kerk haar religieuze bestemming terug verwerven. Hij zelf liet de bouwvallige kerk op eigen kosten herstellen.


Samen met pastoor Lowet werd nu uitgezien naar een zusterstichting die de religieuze functie zou bestendigen.

Mejuffer Bellefroid, nicht van E.H.Vandenbosch, zou voldoende fondsen beschikbaar stellen. Alles liep op wieltjes, de zusterorde kwam en vestigde zich in ruime panden in 1856.

Het klooster werd opgetrokken in neogotische stijl met Engelse invloed. Het waren gebouwen rondom een binnenplaats, waarvan de kerk de noordzijde inneemt. De belangrijkste vleugel is de zuidvleugel, een lang en twee bouwlagen hoog gebouw onder zadeldak. Het is een mergelstenen gebouw voorzien van rechthoekige vensters met prachtige booggeledingen. In de vooruitstekende puntgevel met hoeksteunberen is er een portaal. Het andere portaal heeft een spitsboogdeur.

Het zeszijdige torentje van drie geledingen onder een naaldspits, bedekt met leien, heeft een spitsboogdeur onder geprofileerde druiplijsten. Dit gebouw vormt met de oude kerk een prachtcomplex.

Spijtig was er bij deze gunstige bouwevolutie een keerzijde aan de medaille. Er duiken financiŽle problemen op: Mej. Bellefroid stierf twee dagen voor het verlijden van haar testament ten voordele van de stichting!

Ook zag pastoor Lowet het bouwproject grootser dan de zusters.



Doch op 2 november 1855 kwamen de zusters Syncietia en Wendelina hier aan. En op 5 november kwam overste, Zuster Casimira, met de zusters Slaviana, ThťrŤse en Hermina de gelederen versterken.

Ďs Anderendaags na de feestmis in de parochiekerk begaf men zich processiegewijs langs met mergel bestrooide wegen naar het klooster: tien priesters gingen voorop, dan volgden de zusters en de feestelijk uitgedoste menigte. In de oude kerk, zonder stoel of bank, luisterde men naar een toespraak van de deken. Het startschot werd afgevuurd.

Dus was er nu werk aan de winkel. Sommige muren van de oude kerk moesten uitgebroken worden, de ingang veranderd, de vloeren gelegd. Het altaar was verwaarloosd daar de kerk veertien jaar had leeggestaan.

Ook in het klooster zelf was het toen nog een kale bedoening. Enkele tafels en stoelen en een paar bedden vormden het voorlopig meubilair. Enkele zusters moesten zelfs in de pastorij gaan overnachten bij gebrek aan bedden. Daar men geen uurwerk had, was men de eerste morgen te laat, maar de tweede morgen te vroeg in de mis in de parochiekerk. Een tiental dagen later was de kloosterkerk iet of wat presentabel. Men vierde de
morgenmis nu als 't ware thuis. Op 15 november 1856 werd de buitenschool geopend. Banken waren er niet, enkele planken op blokken zorgden voor vervanging; doch als er pardoes een leerling opstond rolden de andere scholieren over de vloer (-zo vertelden de zusters-).

In december startte men met kostschoolonderwijs. Pensionaire Barbe Schols uit Membruggen zou de eerst ingeschrevene zijn. Aangezien de bouw niet af was en er weer geldgebrek was leefden de zusters weer in kommer en kwel.

Onenigheid met pastoor Lowet was de oorzaak dat de zusters dreigden met een algemene aftocht naar Tilburg.

De dorpelingen sprongen dan in de bres en brachten dertig grote vlaaien. En de keukenzuster kookte stiekem het laatste stuk vlees, dat vol maden zat, met ajuinen en serveerde dit aan haar collega's: 't smaakte fijn!

Doch in de loop van 1857 werden alle vertrekken in orde gebracht en kwam er een muur rond de tuin; de inwoners van Riemst muntten uit in vrijgevigheid. Weer waren er moeilijkheden met de pastoor. Bisschop Montpellier van Luik benoemde prompt de pastoor van Riemst als biechtvader van de zusters en boycotte zo de plaatselijke pastoor.

Pastoor Lowet dacht: "Boodschap begrepen!" en strooide roet in het. kloostereten. Ook de zusters groeven de strijdbijlweer op. Doch er was meer.

Op 31 mei 1856 had de kerkfabriek een boerenerf van de familie Bouveroux aangekocht, met de bedoeling het eigendom te slopen. Toen bij de slopingswerken twee geldschatten werden gevonden en er een danige ruzie tussen pastoor Lowet en de Bouverouxs ontstond die tot 1859 zou duren, was de arme pastoor weeral de schietschijf. De pastoor kreeg een grote nul op het rekest.

Hij werd dan ook cito presto overgeplaatst naar Gellik en hier vervangen door pastoor Moors afkomstig uit Mopertingen.

Nu, pastoor Moors had een gul hart; hij was een uitstekend diplomaat doch hij kon ook geen ijzer met handen breken. En weer roerden de zusters de grieventrommel. Geldgebrek - de winkeliers weigerden krediet - was scheringen inslag.

Een gevel stortte in en de koe kreeg de tering. Van een jood kreeg men nog 24 fr. voor de zieke koe. Voor de derde keer dreigden de zusters met algemene aftocht en weer toonden de Val-Merenaren hun goed hart. Ze brachten goede gaven: brood. aardappelen, koren, tarwe, boter en zelfs hemden, zo noteerden de zusters.

In 1867 vlotte de kloostereconomie weer beter. Verbouwingen werden weer verwezenlijkt; er kwam zelfs een nieuwe koe! Tenjare 1868 werden er kamers ingericht die nodig waren om de pater, die de retraite kwam preken, te herbergen.

Anno 1869 werd de overste van Tilburg in 'een deftig rijtuig' afgehaald, de aftandse kar had afgedaan. Ook bouwde men achteraan in de kerk een koor en richtte men een riant tuintje in met een groot Sint-Jozefbeeld.

Terwijl verschillende huisschilders in 1872 aan 't werk waren op een steiger in de kerk, in het bijzijn van kapelaan Vandenbosch en pastoor Moors, stortte de stelling in. Beide priesters konden tijdig de dans ontspringen doch vier werklui waren drie weken buiten strijd en werden in het klooster volgens de regels van de kunst opgeknapt.

In 1878 had moeder overste Odilia weer een gevulde beurs. Dus bouwde men een speciale zijbeuk voor de pensionaires links van het koor met aangrenzende infirmerie.

Ten jare 1904 was de kerktoren weer in abominabele toestand. Men vreesde voor ongelukken: stukken mergel en leien vielen van de toren.

Na geldinzameling bij de Val-Meerse dorpsbewoners en steuntoezegging van gemeentebestuur en gouvernement werden de torenherstellingen aangevat. Ook werd er een prachtig ijzeren kruis met koperverguldehaan en bol opgericht.


De Merenaren wisten weer vanwaar de wind kwam!

Ook zou de viering van het gouden jubelfeest (1856-1906) aanleiding geven tot opkalefatering van het kerkje.

De kerkruimte werd beschilderd, er kwam een nieuwe stenen altaarvloer, nieuwe eikenhouten communiebanken en luxueuze vloertapijten.



Dat de zusters zich niet enkel beperkten tot ascesebeoefening, contemplatiebeleving en onderwijsverstrekking getuigt volgend relaas.

Rond de eeuwwisseling woedde in ons dorp een zware tyfusepidemie. De ziekte uitte zich in symptomen als moeheid, hoofdpijn en erge koorts. Daarna waren er rode vlekken op de buikhuid zichtbaar en kreeg de patiŽnt een bloederige stoelgang. Het sterftecijfer lag boven de 10%. Deze ziekte werd grotendeels veroorzaakt door inname van besmet water en voedsel. Het was tijdens deze tyfusepidemie dat onze zusters de zieken in hun huizen verzorgden.

Bij sterfgeval legden zij de dode af en voor de begrafenis tilden zij de lijkkist door de vensteropening naar buiten om zoveel mogelijk besmetting te voorkomen.

In het archief zijn nog brieven en adressen te vinden die verwijzen naar deze schabouwelijke tijd.

De bewoners van de sterfhuizen dienden de afmetingen van de kamers, waarin de zieken bezweken, op te geven. De gezondheidsdienst ging dan over tot ontsmetting van deze vertrekken na spleten en kieren te hebben afgedicht.

Helpende handen zijn soms heiliger dan biddende handen!

Tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw liep het kloosterleven verder op wieltjes. Zelfs de barre oorlogstijd 1914-1918 verliep vredig tussen de veilige kloostermuren.

Het zuster- en pensionairebestand ging gestaag crescendo. De krakkemikkige kerk vertoonde regelmatig aftakeling door de tand des tijds toegebracht. Maar de zusters waren door de wol geverfde vinnige vrouwtjes die hun belangen op hoger vlak diplomatisch wisten te verdedigen.

Zelfs de bouwexpansie langs de Bodemstraat, in een periode van economische recessie, mag als een prachtige verwezenlijking beschouwd worden; het kloostercomplex groeide bij tijd en wijle.

In het schemeroorlogsjaar 1939, met zijn mobilisatie, was het klooster een inkwartieringsplaats voor Belgische soldaten waaronder vele priesters.

De oprichting van een hulpaltaar was dan ook noodzakelijk daar er dagelijks zes missen opgedragen werden.

Maar de memorabele 10 mei 1940 liet jarenlange littekens na in het kloosterpand.

In de vroege morgen vielen bommen bij de ingang en in de tuin. De zusters spraken achteraf wel hun dankbare tevredenheid uit over het feit dat het Sint-Antoniusbeeld bij de ingangsdeur en het H.Hartbeeld in de tuin geen enkele letsel van de bommen ondervonden,ofschoon deze maar enkele meters verder insloegen.

De zusters vertelden ook dat Henri Kerkhofs, een 25-jarige boerenzoon, in de handen van zuster Odulphia stierf bij de eerste bom die Val-Meer trof. Henri woonde bij zijn ouders in de Bodemstraat. Zoals zo velen trokken ook zijn ouders op die sinistere 10-meimorgen op de vlucht voor het oorlogsgeweld. "Ik kom wel na," zei Henri. Hij ging nog even bij zijn zuster NŤle, die getrouwd was met Thieu van Spatijs, tegenover het klooster. Daar eindigde zijn jonge leven! Ook wisten de Zusters te vertellen dat zij bij Mathieu Huls aan de grote kerk zoon Jef gingen verzorgen. Deze was danig getroffen door bomscherven en had dringend medische zorgen nodig. En weer bogen de zusters zich liefdevol over de fel gekwetste 17-jarige kerel; hij ontsprong de dans!

Onderweg waren beide zusters ook ooggetuigen van een sinister schouwspel. Zij zagen Nandus Collas in de puinen van zijn platgebombardeerde woonst zoeken naar zijn vrouw Maria Mertens (39j.) en zijn dochtertje Paula (2j.). Beiden waren op slag dood!

Eveneens bemerkten zij ter hoogte van de woning van fietshersteller Pierre van PŤk een dode soldaat die in de sloot lag.

Tijdens het eerste oorlogsjaar manifesteerde zich de ellende het hevigste. Doch de mensen van Meer waren niet bepaald gierig en Mgr. Kerkhofs deed zijn nobele naam eer aan en kwam nooit met lege handen op bezoek.

Dat er eind 1940 meer dan 1200 pannen van de daken in gruizelementen tegen de vlakte zwiepten bij een zware storm vergrootte nog de doffe ellende.

Aan alles komt een einde, ook aan de duistere oorlogsjaren. Als op 6 juni 1944de gealliŽerden in NormandiŽ landden, was er weer hoop.

't Was op vrijdag 8 september 1944 dat huizenhoge tanks en een sliert vrachtwagens aan het klooster stopten om de zusters te groeten. Moeder overste, die vlot Engels sprak, was de tolk van de Meerse bevolking; ze bedankte de moedige kerels.



Religieuzen in Limburg

Limburg telt nog zo'n duizend religeuzen, 250
mannelijke (broeders en paters) en zo'n 750
vrouwelijke. Dat blijkt uit recente gegevens van het
bisdom Hasselt (RKnieuws.net).

Er zijn een 140-tal vrouwenkloosters en een kleine
30 mannenkloosters in Limburg.

De tijd dat de Limburgse religieuzen massaal in het
onderwijs en ziekenzorg stonden is ' verleden ' tijd.
In vergelijking met ongeveer 20 jaar geleden zijn vrij
veel vrouwelijke religieuzen in de parochiepastoraal
ingeschakeld.
De meesten zijn gepensioneerd. De grootste
kloostergemeenschap, de zusters Kindsheid Jesu
in Hasselt, telt nog 56 leden. De oudste is 98 jaar,
de jongste 68.
De minderbroeders, gevestigd in Sint-Truiden,
Hasselt, Heusden en Genk, zijn nog met 54. Vele
zusters en broeders hebben al jaren hun activiteiten
overgedragen aan sommige vzw's; sommigen
zetelen nog in de raad van bestuur.

De zusters van Liefde, die destijds een succursale
(bijklooster) in Val-Meer hadden, zijn vandaag
gehuisvest in Borgloon, Maaseik en Zonhoven ten
getale van 43. Dat het aantal religieuzen in Limburg
ook sterk teugloopt door gebrek aan intreding en
veroudering staat buiten kijf. Als er nu een klooster
sluit, voelt de ganse parochiegemeenschap dit aan
als duidelijke verschraling van het geloofsleven.

De zusterkens, die driekleurige vlaggetjes op de kruisbanden van hun habijt speldden, vergaten, evenals de dorpelingen, alle oorlogsleed.

Maar dat er na de oorlog zovele, 60 ŗ 70, plaatselijke kerels als verzetslui naar Tongeren zouden trekken om de witte overall en wapens in ontvangst te nemen, dacht niemand, merkten de zusters droogjes op.

Toen eind januari 1945 Amerikaanse soldaten de buitenschool als verblijfplaats kozen, proefden ookde zusters uit 'de hoorn des overvloeds' van de legerkeuken. 't Was hun van harte gegund!

Als in 1956, ter gelegenheid van het eeuwfeest, de Val-Meerse bevolking zich in dankbaarheid rondom het
kloostergebouwen de verdienstelijke zusters schaarde, dacht men er in de verste verten niet aan dat vijf jaar later de Zusters van Liefde Val-Meer zouden verlaten.

De kerkfabriek van Val-Meer kocht het klooster in 1961 maar verkocht het later opnieuw aan particulieren. Het kerkje bleef eigendom van de gemeente en behield zijn functie van gebedshuis.

Beschouwing.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) leidde tot een nieuwe visie aangaande het kloosterleven. In vele kloosterorden volgden dan ook drastische hervormingen. De strenge kloostertucht werd gematigd. De vernieuwing was het meest zichtbaar in de kloosterkleding. Dit gebeurde in verschillende stappen. De zusters in Val-Meer moderniseerden tot viermaal toe hun
habijten.

Vandaag gaan de zusters in de resterende congregatiehuizen gekleed als gewone vrouwen door het leven.

Na het concilie was er sprake van een grote uittocht en voelden steeds minder jonge mensen roeping tot het gewijde leven. Sommige kloosters moesten daarom worden gesloten. Thans vinden vele zinzoekers rust en inspiratie in de abdijen en kloosters die ons land nog rijk is. Sporadisch leidt dit zelfs tot een enkele kloosterroeping.

Bronnen:
- J.Jackers en M.Lenaerts, De Sint-Severinuskapel te Val-Meer, 1964.
- Archieven van het huis van Fall-Mheer (1856-1960).
- V.Medaerts,fotografie.
- Met dank aan M.Box.


In 1966 werd de voormalige kloostertuin tijdelijk als speeltuin ingericht.


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu