- Operatie Weserubung -
Duitse inval in Denemarken en Noorwegen.
De verschillende aanvallen
Voor meer klaarheid wordt elke aanval apart behandeld,
gaande van noord naar zuid.
- Narvik
Zoals reeds gezien zijn de 10 zerstörer van Groep 1 de Westfjord
en de Ofotfjord binnengeglipt. In de Ofotfjord onderschept de Eidsvold
(Kap. Willoch) de inkomende zerstörer. Om 0315 vuurt het een
waarschuwingsschot af vóór de boeg van de Wilhelm
Heidkamp. Daarop voeren de beide kapiteins een kort gesprek, maar
de Noor laat duidelijk merken dat hij de Duitsers geen vrije toegang
zal verlenen. Kommodore Bonte aarzelt niet en torpedeert meteen
de Eidsvold. Slechts 8 van de 184 bemanningsleden overleven. Kap.
Willoch gaat met zijn schip ten onder. Daarna varen de zerstörer
verder door naar de haven van Narvik. Bij het binnenvaren worden
zij onder vuur genomen van Eidsvold’s zusterschip, de Norge
(Kap. Askim). Ze wordt evenwel snel getorpedeerd door de Bernd von
Arnim (97 overlevenden). Na dit korte gevecht ontschepen de zerstörer
hun troepen. Generaal Eduard Dietl, de bevelhebber van het 3e Gebirgsdivision,
gaat aan land met de eerste troepen, waarbij hij van de lokale Noorse
bevelhebber, Kol. Sundlo, een onmiddellijke overgave eist.
Volledig gepakt bij verassing, zijn de Noorse troepen niet in staat
weerstand te bieden; de Staf van het 15e Inf.Reg. en het Detachement
Narvik kapituleren zonder voorwaarden. Rond 07.00 rapporteert Dietl
dat Narvik in Duitse handen is. De stad wordt bezet door het II/Geb.Jg.Reg.
139. Ondertussen gaan het I. en het III/Geb.Jg.Reg. 139 aan land
in de Herjangenfjord, te Bjerkvik, waar het opleidingskamp Elvegaardsmoen
bezet wordt.
Ondanks dit succes is de Duitse positie hachelijk. Het grootste
gedeelte van de uitrusting die aan boord was van de zerstörer
is door de hevige stormen verloren gegaan. Van de bevoorradingsschepen
bestemd voor Narvik bereikt alleen de Jan Wellem de haven.
Van de 4 schepen van de Ausfuhrstaffel moet 1 verplicht de haven
van Bergen binnenlopen, de andere 3 zijn gezonken of brengen zichzelf
tot zinken om gevangenschap te vermijden.
Hierdoor zit Dietl haast zonder materieel of voorraden. Het belangrijkste
verlies is dat van de tanker die naast de Jan Wellem moet instaan
voor het bijtanken van de zerstörer, wiens brandstofbulks zo
goed als leeg zijn na de lange overvaart; het gebrek aan brandstof
zal de zerstörer verplichten in de haven te blijven tot ze
kunnen bijtanken.
Terwijl Narvik bezet wordt, hebben HMS Renown en admiraal Whitworth’s
eskader contact met de Gneisenau en de Scharnhorst, op weg naar
hun patrouilleposities in de boven-Noordzee. Het contact heeft plaats
om 0337 op 50 mijl ten westen van de Westfjord. De Renown opent
het vuur en treft de Gneisenau waarbij haar voornaamste vuurleidingsinstallatie
vernietigd wordt. In een rookgordijn trekt de Gneisenau zich terug
; bij de achtervolging wordt de Renown 2 keer licht geraakt ; de
Gneisenau wordt ook nog 2 maal getroffen, doch ziet kans te ontkomen
in rookgordijnen en zware sneeuwbuien. Mede door de traagheid van
haar escorterende destroyers kan Renown de Duitse slagkruisers niet
bijhouden en het contact wordt verbroken om 0630.
- Trondheim
Op 8 april bevindt Groep 2 zich ter hoogte van Trondheim; om 0300
de volgende morgen wordt de ingang van de Trondheim Fjord afgesloten.
Hoewel de kustbatterijen niet verrast zijn, is hun vuur onsamenhangend.
Ondanks dit alarm kan Groep 2 de haven binnenvaren zonder schade
op te lopen. De situatie in de haven van Trondheim is identiek aan
deze van Narvik; de troepen, waaronder het 138e Gebirgsjäger
Regiment van het 3.Gebirgsdivision, worden ontscheept zonder incidenten
en in de stad wordt geen weerstand geboden. Tegen de avond wordt
de stad veilig verklaard.
- Bergen
De dikke mist speelt in het voordeel van Groep 3, wiens opdracht
het is Bergen in te nemen. Om 0214 meldt het Leroy-fort (ten zuiden
van Bergen) dat het in gevecht gewikkeld is met een invasievloot;
Kvarven-fort is hiermee in alarmtoestand en zijn commandant Willoch
wordt op de hoogte gebracht dat 7 niet-geïdentificeerde oorlogsbodems
op weg zijn naar Bergen. Hij laat de torpedo’s klaarmaken
voor het afvuren. De batterijen van Kvarven-fort en Hellen-fort
(een kleiner fort aan de andere kant van de haven) worden geladen.
De lopen van de kanonnen van Kvarven-fort hebben evenwel een beperkt
draaivermogen, zodat de doelen slechts 3 tot 4 minuten binnen het
bereik van de batterijen blijven. Terwijl de bemanningen op Kvarven-fort
op de indringers wachten zijn de Duitsers druk bezig hun infanterie
over te brengen op kleinere landingsvaartuigen met het oog op een
aanval op Kvarven-fort vanuit het westen; later worden troepen aan
wal gezet aan de oostkant, zodat het fort omsingeld is. Rond 0350
ontwaart de bemanning van Kvarven 2 koopvaardijschepen ter hoogte
vann het Godvik-voorgebergte; ze twijfelen om te vuren. De koopvaardijschepen
zijn in feite 2 gewapende Duitse trawlers, de Schiff 9 en de Schiff
18. Ze worden gevolgd door de lichte kruisers Köln en Königsberg,
de torpedoboten Leopard en Wolf, het artillerieschip Bremse, het
hulpvaartuig Carl Peters en enkele kleinere MTB’s. Na wat
verwarring komt het bevel tot vuren om 0358. De mist verhindert
het effect van de lichtkogels, terwijl de zoeklichten van Kvarven
niet kunnen aangezet worden door de verplichte black-out en de afgesneden
elektriciteitstoevoer. De afstand tot de vijandelijke oorlogsschepen
moet aldus geschat worden, wat de effeciëntie uiteraard schaadt.
Aldus worden slechts 2 salvo’s afgevuurd op de Köln,
de Leopard en de Wolf; daarna bereiken deze schepen de dode zone
van het fort, op zowat 1500 m afstand. Een Noorse F.52 dropt 2 bommen
die echter hun doel missen.
De artilleristen van het fort presteren zo matig dat de Duitsers
eerst denken dat het waarschuwingsschoten zijn en ze vuren niet
terug. Uiteindelijk incasseert de Bremse 2 voltreffers en de Carl
Peters, 1, waarbij de schepen niet zinken, maar wel buiten gevecht
gesteld worden. Om 0443 vaart de Königsberg met een snelheid
van 22 knopen de haven binnen. Door een vergissing vuren de hauwitzers
van Kvarven niet en de 21 cm-batterijen missen hun eerste 2 schoten.
Het 3e schot raakt de Königsberg onder het bovenoppervlak met
als gevolg een beginnende brand, het 4e raakt het dek en het 5e
slaat in bij de commandobrug. De Königsberg beantwoordt het
vuur en één van de 21ers wordt buiten gevecht gesteld.
Even later worden de 2 andere eveneens tot zwijgen gebracht door
technische problemen. Om 0501 geeft Willoch het bevel tot staakt
het vuren; voor Kvarven-fort is het gevecht voorbij. De Königsberg
slaagt er in voor anker te gaan vooraleer hij de klippen van Aldernes
raakt. De kruiser wordt ‘s anderendaags door 15 Skua-duikbommenwerpers
van het 800 en 803 Sqn.FAA tot zinken gebracht.
Het is nu de beurt aan Hellen-fort; verscheidene salvo’s worden
afgevuurd op de Köln. Ook hier moet de geschutsafstand geschat
worden. Alle schoten missen hun doel en 2 van de 3 batterijen worden
door technische problemen buiten gevecht gesteld; de 3e krijgt het
bevel tot staakt het vuren. Dit bevel is het resultaat van een misverstand
en 2 uren later wordt opnieuw bevel tot vuren gegeven. Geen van
de salvo’s is raak; even later wordt Hellen-fort tot zwijgen
gebracht door 6 Duitse bommenwerpers.
De torpedo’s kunnen niet worden gelanceerd omdat de ontstekers
en de gyroscopen buiten gebruik zijn.
De Noorse torpedoboot Brand houdt zich schuil te Gravdalsbukten,
aan de oostkant van Kvarven. Uit vrees tot zinken te worden gebracht,
besluit haar bevelvoerder het schip te verlaten; het valt alzo intact
in Duitse handen.
Ondertussen verovert de aan land gezette infanterie Kvarven-fort.
Om 0700 geeft het fort zich over.
- Egersund
Wordt zonder incidenten genomen door Groep 6.
- Kristiansand en Arendal
Deze dubbele taak wordt opgedragen aan Groep 4.
Arendal wordt genomen door één enkele torpedoboot.
Bij Kristiansand hangt een dikke mist; hierdoor aarzelen de Duitsers
om de fjord binnen te varen. Het verrassingselement gaat evenwel
verloren wanneer om 0600 een Noors vliegtuig de Duitse schepen opmerkt
aan de ingang van de fjord. Het zijn de lichte kruiser Karlsruhe
en de torpedoboten Seeadler, Greif en Luchs. De bevelvoerder van
het flottielje vraagt om luchtsteun om de Noorse kustbatterijen
te neutraliseren. Tegen 1100 heeft de Luftwaffe deze klus geklaard
en in de vroege namiddag is Kristiansand in Duitse handen.
- Oslo
De sleutel van het succes van operatie-Weserübung ligt in de
snelle bezetting van Oslo. Hoewel de controle van Narvik belangrijk
is, is het Duitse Opperbevel er zich van bewust dat na de initiële
landing de haven niet meer zal kunnen bevoorraad worden over zee,
gezien de overheersende positie van de Royal Navy. Tijdens de eerste
fasen is het mogelijk geweest troepen en voorraad aan te voeren
langs de belangrijkste havens. Doch heel wat reserves bevinden zich
nog in Duitse Baltische havens.
De eerste fase van de operatie heeft tot doel een aantal steunpunten
te veroveren; om deze steunpunten te behouden dienen bijkomende
troepen en voorraad aangevoerd te worden. Gezien de Kriegsmarine
niet in staat is haar bevoorradingsschepen te beschermen langs de
Noorse westkust, blijft er slechts één alternatief,
namelijk de beschermde route tussen de Baltische havens en Oslo.
Van bases in noord-Jutland beschikt de Luftwaffe over een volledige
luchtoverheersing over het Skagerrak en het Kattegat; behoudens
onderzeeërs wagen zich geen schepen van de Royal Navy in deze
wateren.
Het uitzonderlijk belang dat het Duitse Opperbevel hecht aan Oslo
is te wijten aan het feit dat dit de enige zuidelijke haven is die
alle logistiek kan verwerken, noodzakelijk voor een invallend leger.
Maar de inname van Oslo door de Wehrmacht verloopt niet rimpelloos.
Rond 23.00 in de nacht van 8 op 9
april krijgen Groep 5 en de Noorse patrouilleboot Pol III (Lt. Welding-Olsen)
elkaar in het zicht. De torpedoboot Albatros wordt vooruitgestuurd,
doch per ongeluk botsen de beide schepen. Na een korte gedachtenwisseling
tussen de beide kapiteins, waarbij de Duitser eist dat er geen gebruik
gemaakt wordt van de boordradio, wat geweigerd wordt door de Noorse
bevelvoerder, opent de Albatros het vuur en brengt de Pol III tot
zinken.
Ondertussen heeft een kustwachter op het eiland Faerder de Duitse
schepen gemeld.
De forten van Rauoy en Bolaerne worden in alarmtoestand gebracht.
De eerste blank-waarschuwingsschoten worden gelost.
Rond 23.30 wordt met scherp geschoten
vanaf Rauoy.
Om 02.00, 9 april, stappen 90 manschappen
van de Emden over op de R20 en 24, met als opdracht Rauoy te nemen.
Om 02.30 gebeurt nog een overstap
met het oog op landingen in de sector Horten - Filtvet.
Ondertussen vaart Groep 5 gestaag doch langzaam verder in de Oslofjord.
Om 04.00 stoppen de R20 en 24 te
Engelsviken om uit te maken waar ze zich bevinden.
Om 04.20 bereikt Groep 5 de Drobak
Engten, 10 mijl ten zuiden van Oslo.
Deze Engten worden beschermd door een geheel van verdedigingen,
overheerst door het Oscarsborg-fort. Dit fort dateert van 1847 en
heeft 2 113/4 kanonnen, gebouwd door Krupp. Daarenboven worden de
Engten beschermd door 280 mm-batterijen vanuit Drobak en Kaholm,
2 kleinere agglomeraties boven de Engten. In Kaholm bevindt zich
eveneens een torpedolanceerinstallatie.
Ondanks enkele signalen van op de oevers vaart het Duitse flottielje
de Engten verder binnen. De Noorse batterijen openen het vuur op
nul-afstand. De Blücher die de eenheid aanvoert wordt een aantal
keren geraakt door de batterijen alsook door 2 torpedo’s vanaf
Kaholm.
Inmiddels vraagt Rauoy om versterking; er zijn geen troepen beschikbaar.
Om 04.35 varen de R17 en 27 de haven
van Horten in. De Albatros en de Kondor ankeren er buiten. Bij het
aanmeren wordt de R17 in brand geschoten door de Olaf Trygvasson;
verder ontstaat er een duel tussen de R27 en de Rauma; deze laatste
moet zich terugtrekken. Om 0517 ontploffen de dieptebommen van de
R17.
Om 05.30 ontploffen verschillende
munitiemagazijnen op de Blücher. Rond datzelfde tijdstip landt
de R20 troepen ten noorden van Rauoy. Om 0600 wordt op de Blücher
het bevel tot ontruimen gegeven.
Rond het fort van Rauoy onstaat een defensielijn die de Duitsers
zal tegenhouden tot het staakt het vuren van 08.00.
Om 06.19 kapsijst de Blücher
en zinkt met zware verliezen ; slechts 1000 van de 2400 opvarenden
overleven de ramp. De rest van de eenheid trekt zich terug.
Hierdoor wordt de planning van Weserübung danig door elkaar
gehaald. Alvorens de marineeenheid verder kan, dienen de verdedigingen
door grondaanvallen tot zwijgen worden gebracht. Dit uitstel laat
de Noorse regering toe naar het noorden te vluchten, samen met de
goudvoorraad van het land. De gevechten om de Engten bezorgen de
Geallieerden kostbare tijdswinst.
Om 08.00 krijgt het fort van Rauoy
het bevel tot staakt het vuren.
Daarentegen blijven de verdedigers van het fort van Bolaerne doorvechten;
tijdens de voormiddag van 10 april wordt het verscheidene malen
gebombardeerd totdat de witte vlag wordt gehesen. Majoor Faerden,
de bevelhebber van het fort, kapituleert officieel om 2000. Het
garnizoen wordt dan overgebracht aan boord van de Rau 7.
Oslo moet dus ingenomen worden via een gedurfde luchtlandingsoperatie.
Naast Fornebu, zijn de vliegvelden van Aalborg in noord-Denemarken
en Sola nabij Stavanger eveneens van primordiaal belang.
Het is de bedoeling om 340 para’s te droppen boven Fornebu,
vanuit 29 Ju52’s van het 5 en 6/KG.z.b.V.1, onder het bevel
van Oberstleutnant Karl Drewes; daarenboven wordt een 30ste Ju52
speciaal uitgerust met communicatiemateriaal en voor spionnagedoeleinden.
bevelhebber 1.FallschirmmjägerReg. Maj. Erich
Walther,
Stab 1.Bat Oberleut. Götte,
1.Kie. Oberleut. Herberth Schmidt,
2.Kie. Hauptm. Gröschke.
Het vertrek gebeurt vanop Schleswig om “Zeit
Y”, 04.30. De weersvoorspellingen zijn eerder ongunstig. Het
is bewolkt en er zet mist op vanuit zee tot 600 m. Slechts de helft
van de vliegtuigen heeft iemand aan boord die getraind is op blindvliegen
(op instrumenten).
Over Skagerrak zien de vliegtuigen elkaar haast niet meer. Dan komt
het bericht dat 2 toestellen uit de staart van de formatie vermist
worden. Hierop beveelt Drewes om terug te keren. De bevelvoerder
van de Fallschirmmjäger protesteert hevig, maar moet zich bij
de beslissing neerleggen. Uiteindelijk keren 26 Ju52’s terug,
3 vliegen onbegrijpelijkerwijze door en 1 wordt vermist.
20 minuten na de para’s volgt de eerste golf van de luchlandingstroepen;
het zijn manschappen van het II/Inf.Reg.324, vervoerd in 53 Ju52’s
van het KG.z.b.V.103, onder het bevel van Hauptm. Wagner.
De formatie vliegt op een hoogte van 300 m tot ze de mist over Skagerrak
bereikt; dan wordt gedaald tot zeeniveau. Deze toestellen daarentegen
hebben bemanningsleden aan boord die getraind zijn op instrumentvliegen.
Om 07.33 wordt een bericht ontvangen
om terug te keren. Het is getekend door X.Fliegerkorps. Wagner is
evenwel niet overtuigd, de eenheid is niet gestipuleerd, het is
niet ondertekend door de Transportchef Land. Als daarenboven het
weer lichtjes uitklaart besluit hij door te vliegen.
Even vóór 08.00 wordt het Höytorps-fort, nabij
Mysen, overvlogen. De troepen van Hauptm. Wagner veroveren uiteindelijk
rond 0810 het vliegveld van Fornebu. Na een bescheiden weerstand
aan het uiteinde van het vliegveld, waarbij de laatste Noorse verdedigers
blijven doorvechten tot hun munitie verschoten is (0915), marcheren
de Duitsers Oslo binnen, voorafgegaan door een militaire band.
Daar waar het bluffen niet is gelukt in de Engten, lukt het in Oslo;
de stad is rond 12.00 in Duitse handen (9 april).
De oorlogsbodems, opgehouden door de moedige weerstand van de kustbatterijen,
bereiken de haven van Oslo slechts op 10 april om 11.45.
Groep 5 is dus zwaar toegetakeld en de kelk is nog niet geledigd.
Op 11 april wordt de Lützow op zijn terugtocht naar Kiel getorpedeerd
door de Britse onderzeeër HMS Spearfish en zwaar beschadigd,
in zover dat het schip op sleeptouw moet worden genomen voor herstelling
in Duitsland, waar de Lützow zal vertoeven voor de rest van
het jaar 1940. De Kriegsmarine heeft een hoge prijs betaald voor
de inname van Oslo.
De verdere Duitse opmars
Wanneer de bevoorrading eindelijk de haven van Oslo bereikt in de
nacht van 10 op 11 april, starten de Duitsers hun landoffensief.
Vooreerst worden de flanken beveiligd. Troepen worden westwaarts
gestuurd naar Hönefoss en Drammen en oostwaarts naar Östfold.
Tussen 12 en 14 april worden Noorse troepen van het mobiliserende
IR.1 in de streek rond Mysen teruggedreven tot in Zweden. Het mobiliserende
IR.6 voert achterhoedegevechten te Hönefoss, terwijl het eveneens
mobiliserende IR.3 zich zonder gevecht te Kongsberg overgeeft.
Eens de flanken beveiligd begint de verdere opmars noordwaarts,
met als eerste doel het aflossen van de troepen in Trondheim.
De opmars gebeurt in 5 kolonnen, over Hönefoss, Nittedal, langs
de westelijke- en oostelijke oever van het Mjösa-meer en langs
de Glama-rivier.
Tijdens hun oprukken bereiken de Duitsers de volgende steden: Hönefoss
en Minnesund de 14e, Hamar de 18e, Elverum en Gjövik de 19e
en Lillehammer de 21ste.
Nabeschouwingen
In de namiddag van 9 april heeft
de Wehrmacht de volledige controle over de verschillende aanvalspunten.
Ondanks verschillende waarschuwingen is de verrassing haast volledig.
En niet alleen de Britten en de Noren zijn verrast. De Italianen,
verbonden met Duitsland door het Staalpact, zijn niet betrokken
geweest bij de planning van Weserübung, en worden slechts op
de hoogte gesteld nadat de operatie reeds aan de gang is. Ondanks
het geveinsde enthousiasme van Mussolini, is het duidelijk dat hij
van Weserübung niets afweet. Hierop stelt de Duce dat de huidige
wanorde in Europa Italië uitbreidingsmogelijkheden biedt. Zijn
schoonzoon, graaf Ciano, steekt in privé zijn bewondering
en sympathie voor de Noren, niet onder stoelen of banken.
En ook de Britse regering zit niet bepaald te glunderen. Het Foreign
Office ziet de gebeurtenissen somber in en de vlootcommandanten
zijn zich nog steeds niet terdege bewust van wat zich in Noorwegen
heeft afgespeeld.