- Operatie Weserubung -
Duitse inval in Denemarken en Noorwegen.
De Duitse inval.
De voorbereidingen.
Op 3 oktober 1939
stelt de opperbevelhebber van de Kriegsmarine, Groot-Admiraal Erich
Raeder, dat de Kriegsmarine efficiënter kan optreden tegen
de Britse Eilanden vanaf 1 of 2 bases in Noorwegen, mogelijks vanaf
Trondheim en Narvik. Deze visie wordt gedeeld door andere marineofficieren,
indachtig de gebeurtenissen tijdens WOI, waar de Kriegsmarine opgesloten
zat in de Noordzee, zonder andere uitvalsbases in de Atlantische
Oceaan.
Deze gedachte stemt de bevelhebber van de Generale Legerstaf, generaal
Franz Halder, eerder pessimistisch. Hij denkt dat de troepen niet
in staat zijn Noorse bases in te nemen of te verdedigen. De Marinestaf
is van oordeel dat het in Duitslands voordeel zou zijn om Noorwegen
neutraal te houden, gezien het gebrek aan schepen om de voorgestelde
bases optimaal te gebruiken voor een grootschalige zeeoorlog. In
deze optiek is het mogelijk dat Duitsland meer verliest dan het
wint.
Door de neutraliteit van Noorwegen kunnen haar territoriale wateren
gebruikt worden als veilige routes voor Duitse blokkadeschepen en
voor schepen met Zweeds ijzererts, afkomstig van Narvik. De Duitse
oorlogsindustrie is immers praktisch volledig afhankelijk van het
Zweedse ijzererts.
Gedurende oktober
en november 1939
wijdt Hitler al zijn
aandacht aan het plannen van een invasie van Frankrijk en de Lage
Landen. Raeder poogt hem evenwel te interesseren voor de Noorse
bases, maar slaagt daar pas in tegen december, wanneer hij Hitler
overtuigt om een onderhoud toe te staan aan Vidkun Quisling, leider
van de Noorse Nazi-partij. Quisling meent te weten dat de Noorse
regering in het geheim akkoord gaat zich niet te verzetten tegen
een Britse invasie. Na het gesprek, op 14 december, geeft Hitler
opdracht aan Alfred Jodl, hoofd van de Operationele Staf van het
OKW, de mogelijkheid te onderzoeken voor de bezetting van Noorwegen.
(Studie Nord)
Het feit dat Hitler zich naar Noorwegen richt is niet uitsluitend
te wijten aan Quislings tussenkomst. De Sovjet-agressie tegen Finland
heeft gezorgd voor sympathiegevoelens jegens de Finnen en tegelijkertijd
voor een anti-Duits gevoel in Skandinavië.
In januari 1940 neemt de Dienst voor Buitenlandse Politiek van de
Nazi-partij contact op met Quisling en zorgt eveneens voor financiële
steun.
Ondertussen werkt het OKW, onder kapitein Theodor Krancke, bevelvoerend
officier van de "Admiral Scheer",
nog steeds op kleine schaal en in het geheim verder; eind januari
krijgt het Duitse plan de naam “Weserübung”.
Het wekt evenwel nog steeds niet het enthousiasme van Hitler.
Tot na 16 februari 1940!!
Op die dag vaart de destroyer HMS Cossack de Noorse territoriale
wateren binnen en bevrijdt 300 gevangen Britse zeelui aan boord
van de tanker "Altmark".
Deze heeft dienst gedaan als bevoorradingsschip van de "Admiral
Graf Spee". Door dit voorval raakt
Hitler overtuigd dat de Britten niet langer zinnens zijn de neutraliteit
van Noorwegen te waarborgen.
Op 21 februari 1940
geeft hij Nikolaus von Falkenhorst, bevelhebber van het XXI.A.K.,
de opdracht een plan uit te werken en indien nodig, het bevel op
zich te nemen van een operatie tegen Noorwegen. De doelstellingen
zijn de volgende:
zelf een aanval opzetten vooraleer de Geallieerden
“iets” doen;
de aanvoer van het ijzererts beveiligen;
het veroveren van nieuwe bases voor de Luftwaffe
en de Kriegsmarine.
Noorwegen zou effectief aangevallen en bezet
worden, terwijl de Deense vliegvelden via diplomatieke weg zouden
ingepalmd worden.
Het feit dat de Britten en de Fransen de Fins-Russische
oorlog wensen aan te wenden als voorwendsel voor een tussenkomst
in Scandinavië, draagt bij tot de dringendheid van de opmaak
van de Duitse plannen.
Op 7 maart wijst Hitler von Falkenhorst 7 infanteriedivisies en
een gemotoriseerde brigade toe.
Rond half maart worden radioberichten onderschept die wijzen op
het inschepen van troepen in Britse havens. Een ander bericht van
15 maart,
toont aan dat de geallieerde plannen door elkaar gehaald worden
door de Fins-Russische wapenstilstand. Dit feit neemt eveneens Hitlers
excuus weg voor de inval in Noorwegen.
Tijdens de Fuhrervergadering van 26
maart stelt admiraal Raeder dat hij een
Britse interventie niet langer imminent waant; niettemin dringt
hij aan opdat Duitse strijdkrachten Noorwegen zouden bezetten.
Volgens de admiraal zijn de voorwaarden voor Weserübung nu
op hun best: de Marine is klaar en de weersomstandigheden, welke
ze ook mogen zijn, stellen geen probleem. De invasie zou weldra
moeten plaatsvinden, aangezien de U-boten in positie in de Noorse
wateren anders binnen 3 weken zouden moeten terugkeren voor bevoorrading
en bijtanken. (* Operatie Hartmut)
Raeder stelt 7 april voor
als W-Dag,
aangezien er die nacht nieuwe maan voorzien wordt. Daar de verrassing
van essentieel belang is, stelt Raeder dat door de geleidelijk kortere
noordelijke nachten een invasie na 15 april uitgesloten is.
Op de Fuhrervergadering van 29 maart
dringt Raeder nogmaals aan op een snelle beslissing.
De Noorse regering is ondertussen niet volledig onwetend over de
gebeurtenissen in de beide Britse en Duitse kampen. Vastbesloten
om haar neutraliteit te vrijwaren, geeft Noorwegen geen van beide
kanten de mogelijkheid tot tussenkomst in haar aangelegenheden.
Noorwegen tracht immers haar machtige buren in toom te houden door
een middenkoers te varen. De 3 naties volgen evenwel een eigen,
onafhankelijke politiek; hierdoor ontstaat een machtstrijd waar
de Noren geen vat op hebben.
Op 2 april ondertekent
Hitler het uitvoeringsbevel voor Weserubung: W-Dag wordt 9
april, met 0-uur op 05.15.
Op 3 april,
om 0200, varen de eerste 3 schepen van de Ausfuhrstaffel vanuit
Hamburg, richting Narvik. Het vertrekuur, dat geheim wordt gehouden,
heeft plaats op een ogenblik waarop de anders zo drukke haven er
verlaten bij ligt.
De Britse admiraliteit ontvangt haar eerste inlichtingen betreffende
Duitse bewegingen kort na het afvaren van de eerste schepen van
de Ausfuhrstaffel. Het belangrijkste rapport komt van Kopenhagen:
de admiraliteit wordt ervan verwittigd dat 10 Duitse schepen, met
aan boord een troepenmacht ter grootte van een divisie, doorvaren
op een noordelijke koers komende van de Baltische Zee met als vermoedelijke
bestemming Narvik.
Dit rapport wordt doorgegeven aan admiraal Sir Charles Forbes, bevelhebber
van de Home Fleet, waarbij de admiraliteit twijfelt aan de juistheid
ervan.
Een misvatting is de oorzaak voor het ongeloof in de Duitse intenties.
Het toenmalig Brits Marineconcept stelt dat de landing van een militaire
macht op vijandelijke oevers onmogelijk is zonder bijhorende controle
op het zeegebied palend aan de landingsplaats; de Britten zijn er
van overtuigd dat de Duitsers eenzelfde concept nastreven.
Rapporten betreffende ongewone scheepsaktiviteit blijven bij de
admiraliteit binnenstromen.
Tegen 8 april liggen
19 Britse en geallieerde onderzeeërs langs de Noorse kust;
ze rapporteren een ongewoon aantal schepen naar het noorden varend
onder neutrale vlag, maar ze kunnen niet positief geïdentificeerd
worden als Duitse troepentransportschepen.
Op 2 april
vaart de Duitse hoogzeevloot
uit, bestaande uit de Scharnhorst
en de Gneisenau.
Zij dienen om de Navy uit de buurt van de Noorse kusten te houden,
waar de landingen moeten plaatsvinden.
Tussen 3 en 7 april
zijn 22 vaartuigen, namelijk alle schepen van de Ausfuhrstaffel
en de 1.Seetransportstaffel vertrokken
vanuit Hamburg en Stettin.
Op 3 en
4 april zijn
2 grote tankers vertrokken uit Wilhelmshaven, en op 6
april een kleine vanuit Hamburg. Een andere
grote tanker, de Jan Wellem,
vertrekt eveneens op 6 april vanuit het Murmansk-gebied voor Narvik.
Op 8 april vertrekt
een 2e konvooi van 11 schepen van het
2.Seetransportstaffel vanuit Gotenhaven
en Königsberg.
Tussen 7 april,
middernacht, en 8 april, 0530, verlaat de Kriegschiffsstaffel Wesermunde,
Cuxhaven,
Wilhelmshaven
en Swinemunde.
Op 8 april,
tegen 0600, bereikt het aantal Duitse schepen vóór
de Noorse kusten, het totaal van 107.
In mankracht en tonnenmaat vertegenwoordigt deze Duitse vloot de
grootste amfibieoperatie uit de geschiedenis. De oorspronkelijke
invasie voorziet immers 10.500 manschappen; tijdens de eerstvolgende
week zijn vanuit Oslo bijkomend 16.700 manschappen voorzien en daarna
nog eens 40.000.
De kust wordt afgesloten
Op het ogenblik dat de Duitse vloot haar uitvalsposities
voor W-Dag nadert, wordt de Noorse
kust afgesloten door de Royal Navy. Een belangrijke taak hiervoor
is weggelegd voor de onderzeeërs. De Flag Officer Submarines,
Vice-Admiraal Horton, brengt onderzeeërs van het Britse 2.,
3., 6. en het Franse 10. Onderzeebootflottielje in positie aan de
zuidwestelijke en zuidelijke kusten van Noorwegen, in het Skagerrak
en het Kattegat en in de Noordzee. Het betreft de HMS
Clyde, Sealion, Seawolf, Shark, Severn, Snapper, Spearfish, Sunfish,
Triad, Truant, Triton, Unity, Thistle, Ursula, Tarpon, Sterlet en
Trident, de Poolse Orzel
en de Franse Amazone, Antiope en Sibylle.
Verder worden nog de Britse onderzeeërs-mijnenleggers HMS
Narwhal, Porpoise en Seal ingezet, alsmede de HMS
Swordfish.
De operatie Wilfred wordt uitgevoerd
door de mijnenleggende destroyers HMS Express, Esk, Icarus en Impulsive
en de van het 2.Destroyer-flottielje afkomstige HMS Hardy, Havock,
Hunter en Hotspur. De operatie wordt beveiligd door de Britse slagkruiser
HMS Renown (Admiraal Whitworth) en 4 destroyers (HMS Hyperion, Hero,
Greyhound en Glowworm).
Terwijl de Wilfred-destroyers mijnen leggen in de toegangswegen
tot Bödo en Stadlandet, ligt een andere vlooteenheid klaar
in Rosyth, aan de monding van de Clyde. Ondanks dat de admiraliteit
niet anticipeert op Duitse initiatieven in Noorwegen, wordt toch
een vijandelijke aktie verwacht, wanneer duidelijk wordt voor het
Duitse Opperbevel dat Operatie Wilfred de aanvoer van ijzererts
naar het Reich in het gedrang brengt.
Mocht deze tweede vlooteenheid in aktie treden, zou dat gebeuren
onder de benaming Plan R4; dit voorziet
in tegenaanvallen op Duitse landingen in Noorwegen door het aan
land zetten van Britse troepen op sleutelposities te Stavanger,
Bergen, Trondheim en Narvik.
Operatie Wilfred is sinds haar concept
grondig gewijzigd. Oorspronkelijk zouden er troepenlandingen plaatsvinden
na het mijnenleggen. Doch, tegen de effectieve uitvoer van Wilfred
heeft het Oorlogskabinet beslist dat geen landingen zouden plaatsvinden,
tenzij de Duitsers dat eerst zouden doen of de intentie laten blijken
om de Noorse neutraliteit te schenden. De aan R4 toegewezen eenheden
zijn de 146ste en de 148ste Infanteriebrigades. Van de 6 bataljons
waaruit deze 2 brigades bestaan, worden er 2 toegewezen om Stavanger
te nemen, 2 voor Bergen en telkens 1 voor Trondheim en Narvik.
De R4-expeditie zal worden vervoerd in troepenschepen met als bescherming
een smaldeel lichte kruisers. De plannen voor deze operatie worden
evenwel op goed geluk af uitgetekend, waarbij troepen, uitrusting
en schepen in alle haast worden verzameld. De landingsmacht bestaat
uit 18.000 man; de organisatie van deze troepenmacht en de uitrusting
laten evenwel veel te wensen over. Later zal blijken dat deze gebrekkige
organisatie zal leiden tot de Britse mislukkingen bij Narvik, Namsos
en Andalsnes.
Overeenkomstig Noorse admiraliteitsdokumenten zijn even vóór
W-Dag 2 rapporten ontvangen die
duidelijk wijzen op een nakende Duitse agressie. In de nacht van
7 april meldt het proefstation van Kopervik dat het stoomschip “Skagerrak”,
varend naar Trondheim, kratten aan boord heeft met het opschrift
“Wehrmacht”. De tweede waarschuwing komt de volgende
namiddag. De Poolse onderzeeër Orzel torpedeert het Duitse
stoomschip “Rio de Janeiro”,
vlakbij Lillesand. De meeste overlevenden die worden opgepikt door
Noorse vissers dragen Duitse legeruniformen.
Op de hoogte gebracht even na 1700, op 8 april, verwittigt Londen
de Noorse regering dat een aanval imminent is. De verwittiging wordt
diezelfde avond besproken door het Noorse parlement en het Kabinet
in Oslo.
Als resultaat worden de kustverdedigingswerken in staat van paraatheid
gebracht; deze voorzorgsmaatregel zal de Duitsers later grote verliezen
toebrengen.
Ondanks deze alarmtoestand wordt het de forten niet toegestaan de
haven- en fjordingangen te voorzien van mijnen, en de beslissing
tot mobilisatie wordt uitgesteld. Evenmin worden stappen ondernomen
om de vliegvelden te beschermen tegen luchtlandingstroepen.
Het staat dus vast dat ondanks de 2 voornoemde ernstige waarschuwingen,
noch de Britten, noch de Noren de gepaste en noodzakelijke stappen
hebben ondernomen.
De mythe van het Trojaanse paard
Eén van de mythes die rond de Noorse campagne
hangt is deze van het Trojaanse paard.
De enige fase van Weserubung die zou kunnen gelijken op een aktie
van binnenin is de rol die is weggelegd voor het Ausfuhrstaffel
en 4 schepen van het Tankerstaffel.
De aankomst van de 11 schepen van deze groep in hun bestemmingshavens
is voorzien om 0500 op W-Dag; de aanval zou een half uur later beginnen.
De schepen hebben zware uitrusting aan boord, artillerie, voorraden
en brandstof, maar geen troepen die radiostations of haveninstallaties
moeten innemen.
De bevoorradingsschepen en de tankers zijn een onderdeel van de
hoofdmacht en dienen niet voor het uitlokken van schermutselingen
van binnenin de Noorse havens.
In zijn Memoires schrijft Churchill dat bevoorrading en munitie
worden aangevoerd in lege ertsschepen; deze thesis lijkt evenwel
niet bewezen aangezien geen zulke schepen zouden deelgenomen hebben
aan Weserübung. Nochtans loopt in 1940 het verhaal dat Duitse
vrachtschepen, die sinds enkele dagen vóór de Duitse
inval in Noorse havens liggen, plotseling gaan uitpuilen van massa’s
tot de tanden gewapende soldaten, die de ganse tijd benedendeks
verstopt zaten.
Zulke situaties zijn uiteraard niet realistisch. Het is inderdaad
zo in de wereld van de scheepvaart en de handel, waar elk vaartuig
gekend en geregistreerd is, dat de aankomst van een schip in een
haven op voorhand gekend en verwacht is; bovendien wordt een schip
enkel mits de toestemming van de havenautoriteiten in de haven binnengelaten.
Tenslotte lijkt het van de kant van het Duitse Opperbevel weinig
waarschijnlijk dat zij het goede verloop van Weserübung in
gevaar zouden brengen door de aanwezigheid en het gebruik van Trojaanse
paarden.
De Duitsers in zicht
Op 7 april om 0800,
worden verschillende, in konvooi varende Duitse schepen waargenomen
door een Brits verkenningsvliegtuig bij de westingang van het Skagerrak;
ze maken deel uit van het Kriegschiffstaffel. In de vroege namiddag
worden ze aangevallen door 12 Blenheims, zonder evenwel schade toe
te brengen.
Na het vernemen dat de Duitse vloot zich met haar hoofdmacht op
zee bevindt, vaart admiraal Forbes diezelfde avond met de Home Fleet
af van Scapa Flow. Het zijn de HMS Rodney,
Valiant, Repulse, Sheffield en Penelope en de destroyers
HMS Somali, Matabele, Mashona, Bedouin,
Punjabi, Eskimo, Kimberley, Kelvin, Javelin (ex-Kashmir) en Jupiter..
Zij worden later gevolgd door de Franse kruiser Emile
Bertin (Vice-Admiraal Derrien) en de destroyers Maille-Breze
en Tartu.
Wanneer als maar meer rapporten binnenkomen van Duitse marinebewegingen,
beveelt de Admiraliteit dat andere eenheden uitvaren om Forbes’
zeemacht te versterken. Vanuit Rosyth vaart Vice-Admiraal Edward-Collins
uit met de kruisers HMS Galatea
en Arethusa en de destroyers HMS
Codrington, Griffin, Electra en Escapade. Vanaf het konvooi
HN24 worden de destroyers HMS Tartar
en de Poolse Blyskawica, Burza en Grom
gedetacheerd. Het konvooi ON25 wordt teruggeroepen en haar escorterende
schepen, de kruisers HMS Manchester en
Southampton en de destroyers HMS
Janus, Javelin, Grenade en Eclipse (Vice-Admiraal Layton)
vervoegen eveneens de Home Fleet. Tenslotte zijn er de Rosyth-kruisers
HMS Devonshire, Berwick, York en Glasgow,
waarop de R4-troepen zijn ingescheept; vooraleer de schepen afvaren
worden de soldaten aan wal gezet. Naast de kruisers varen nog de
destroyers HMS Afridi, Gurkha, Mohawk,
Zulu en Cossack af. Dit flottielje staat onder het bevel
van Vice-Admiraal Cunningham.
De niet-uitvoering van het plan R4 komt als een volslagen verrassing
voor Forbes, aangezien hij er van overtuigd is dat de aanwezigheid
van de Duitse schepen het duidelijke bewijs is dat een inval in
Noorwegen aan de gang is, zodat de voorwaarden vervuld zijn voor
de uitvoering van R4.
De Admiraliteit is evenwel van oordeel dat dit een afleiding is
om de Gneisenau en de Scharnhorst
op de Atlantische handelsroutes te krijgen.
In de morgen van 7 april wordt de
zuidelijke mijnenleggende eenheid van Wilfred teruggetrokken ingevolge
de aanwezigheid van Duitse oorlogsbodems. De eenheid operationeel
te Bodö kan aan de slag blijven. In de vroege ochtend van 8
april is het mijnenveld klaar; Vice-Admiraal Whitworth’s eskader
(HMS Renown en de destroyers HMS Esk, Ivanhoe,
Icarus, Greyhound, Hardy, Havock, Hotspur, Hunter en Hostile)
blijft in de buurt en bewaakt de ingang van de Vestfjord. Admiraal
Forbes detacheert verder nog de HMS Repulse, Penelope en de destroyers
HMS Bedouin, Punjabi, Eskimo en Kimberley naar het eskader-Whitworth.
Tijdens de nacht van 7 op 8 april
naderen de Groepen 1 en 2 van de Kriegschiffstaffeln hun bestemming,
namelijk Trondheim en Narvik.
De Duitsers worden echter opgemerkt door de Britten, doch door de
zware zee wordt het de 14 destroyers moeilijk om de 26 knopen-snelheid
van de Gneisenau, de Scharnhorst en de
Hipper bij te houden.
In de ochtend van 8 april is het
destroyerflottielje uit elkaar geslagen en is het contact met verschillende
onder hen verbroken.
Tijdens de zware storm is een bemanningslid van HMS
Glowworm overboord geslagen. Bij de speuractie stuit de destroyer
in de vroege ochtend van 8 april op de zerstörer Bernd
von Arnim en Hans Lüdemann.
Er ontstaat een gevecht dat wordt afgebroken met de komst van de
Admiral Hipper. Glowworm blijft
echter doorvechten met haar geschutstorens en haar torpedobuizen.
De destroyer is echter geen partij voor de Hipper
en wordt al snel zwaar geraakt. In een ultieme poging ramt de Glowworm
de Hipper, waardoor een gat van
40 meter wordt geslagen in de romp. De destroyer kan zich losmaken,
maar komt opnieuw onder het vuur van het Duitse slagschip. Glowworm
incasseert een voltreffer in het voorsteven en begint aan stuurboord
te hellen. Even later kapsijst ze en zinkt. De Hipper pikt amper
31 overlevenden op van de 149 opvarenden. De bevelhebber, Lt.Cdt.
Gerard Roope, ontvangt postuum de Victoria Cross.
In een poging zijn destroyer eveneens bij te springen, vaart admiraal
Whitworth naar de plaats van het gevecht; doch wanneer hij verneemt
dat de Duitsers reeds opnieuw naar Narvik varen, verandert hij van
koers.
Hij vaart naar een positie nabij de ingang van de Westfjord, in
de hoop de Duitse eenheid te onderscheppen. Ondertussen varen Forbes
en de Home Fleet in noordelijke richting. De Groepen 1 en 2 zijn
onderweg wel gesplitst, en Groep 1, afgeslankt tot 10 zerstörer,
vaart in een rechte lijn richting Whitworth’s eenheid; Forbes
en de Home Fleet sluiten Groep 1 in vanuit het zuiden. Het eigenaardige
is dat noch de Admiraliteit, noch de vlootcommandanten beseffen
dat ze effectief een Duitse eenheid aan het insluiten zijn.
Ontsnapt aan de vernietiging
In de namiddag van 8 april heeft een voorval plaats
dat Groep 1 redt van de vernietiging. Om 1430 merkt een Britse vliegboot
de Hipper en 4 zerstörer op, op een westelijke koers; dit flottielje
is in feite Groep 2 en de westelijke koers dient als een coördinatiemanoeuver
voor de aanval op Trondheim. Met de kennis van de lokatie van Groep
2 verandert admiraal Forbes de koers van de Home Fleet van noordoost
naar noordwest, met het oog op de interceptie van de Duitse eenheid.
De westelijke koers van de Duitsers brengt Forbes in verwarring,
terwijl hij tot dan een vrij correct zicht heeft op de situatie.
Forbes verandert opnieuw van koers wanneer hij beseft dat hij geen
kans maakt om met de Home Fleet de Duitse eenheid te onderscheppen
in het noordwesten.
Alvorens naar het zuiden te draaien geeft hij HMS
Renown en admiraal Whitworth’s destroyers de opdracht
Groep 2 te onderscheppen, welke nog steeds op een westelijke koers
zit. Het is de Admiraliteit en de vlootcommandanten nog steeds niet
duidelijk dat de 2 Groepen gesplitst zijn.
Admiraal Whitworth ontvangt echter een nieuw bevel. Hij moet namelijk
zijn positie aan de ingang van de Vestfjord opgeven en zijn destroyers
in een westwaartse defensielinie plaatsen aan de Noordzee; de mogelijkheid
bestaat immers dat de Duitse vloot poogt door te breken uit de Noordzee,
om via de Arctische Zee de Atlantische handelsroutes te bereiken.
Dit bevel komt evenwel niet van admiraal Forbes; het komt rechtstreeks
van Whitehall en is doorgegeven door de Admiraliteit. Het betreft
hier dus duidelijk een regeringsbemoeienis in een pure marinebevoegdheid.
Het vertrek van Whitworth’s destroyers laat de Vestfjord onbewaakt
achter. In de nacht van 8 april glippen de 10 zerstörer van
Groep 1 ongemerkt de Vestfjord binnen; ze hebben 2000 manschappen
aan boord.
W-Dag, Uur-Nul begint met een gecoördineerde marine- en luchtaanval
op de belangrijkste Noorse havens en de bevolkings- en industriële
centra.