<< Menu  


- Operatie Weserubung -
Duitse inval in Denemarken en Noorwegen.

De Duitse inval.

De voorbereidingen.

Op 3 oktober 1939 stelt de opperbevelhebber van de Kriegsmarine, Groot-Admiraal Erich Raeder, dat de Kriegsmarine efficiënter kan optreden tegen de Britse Eilanden vanaf 1 of 2 bases in Noorwegen, mogelijks vanaf Trondheim en Narvik. Deze visie wordt gedeeld door andere marineofficieren, indachtig de gebeurtenissen tijdens WOI, waar de Kriegsmarine opgesloten zat in de Noordzee, zonder andere uitvalsbases in de Atlantische Oceaan.

Deze gedachte stemt de bevelhebber van de Generale Legerstaf, generaal Franz Halder, eerder pessimistisch. Hij denkt dat de troepen niet in staat zijn Noorse bases in te nemen of te verdedigen. De Marinestaf is van oordeel dat het in Duitslands voordeel zou zijn om Noorwegen neutraal te houden, gezien het gebrek aan schepen om de voorgestelde bases optimaal te gebruiken voor een grootschalige zeeoorlog. In deze optiek is het mogelijk dat Duitsland meer verliest dan het wint.

Door de neutraliteit van Noorwegen kunnen haar territoriale wateren gebruikt worden als veilige routes voor Duitse blokkadeschepen en voor schepen met Zweeds ijzererts, afkomstig van Narvik. De Duitse oorlogsindustrie is immers praktisch volledig afhankelijk van het Zweedse ijzererts.

Gedurende
oktober en november 1939 wijdt Hitler al zijn aandacht aan het plannen van een invasie van Frankrijk en de Lage Landen. Raeder poogt hem evenwel te interesseren voor de Noorse bases, maar slaagt daar pas in tegen december, wanneer hij Hitler overtuigt om een onderhoud toe te staan aan Vidkun Quisling, leider van de Noorse Nazi-partij. Quisling meent te weten dat de Noorse regering in het geheim akkoord gaat zich niet te verzetten tegen een Britse invasie. Na het gesprek, op 14 december, geeft Hitler opdracht aan Alfred Jodl, hoofd van de Operationele Staf van het OKW, de mogelijkheid te onderzoeken voor de bezetting van Noorwegen. (Studie Nord)

Het feit dat Hitler zich naar Noorwegen richt is niet uitsluitend te wijten aan Quislings tussenkomst. De Sovjet-agressie tegen Finland heeft gezorgd voor sympathiegevoelens jegens de Finnen en tegelijkertijd voor een anti-Duits gevoel in Skandinavië.

In januari 1940 neemt de Dienst voor Buitenlandse Politiek van de Nazi-partij contact op met Quisling en zorgt eveneens voor financiële steun.
Ondertussen werkt het OKW, onder kapitein Theodor Krancke, bevelvoerend officier van de
"Admiral Scheer", nog steeds op kleine schaal en in het geheim verder; eind januari krijgt het Duitse plan de naam “Weserübung”. Het wekt evenwel nog steeds niet het enthousiasme van Hitler.

Tot na
16 februari 1940!! Op die dag vaart de destroyer HMS Cossack de Noorse territoriale wateren binnen en bevrijdt 300 gevangen Britse zeelui aan boord van de tanker "Altmark". Deze heeft dienst gedaan als bevoorradingsschip van de "Admiral Graf Spee". Door dit voorval raakt Hitler overtuigd dat de Britten niet langer zinnens zijn de neutraliteit van Noorwegen te waarborgen.

Op
21 februari 1940 geeft hij Nikolaus von Falkenhorst, bevelhebber van het XXI.A.K., de opdracht een plan uit te werken en indien nodig, het bevel op zich te nemen van een operatie tegen Noorwegen. De doelstellingen zijn de volgende:

  • zelf een aanval opzetten vooraleer de Geallieerden “iets” doen;
  • de aanvoer van het ijzererts beveiligen;
  • het veroveren van nieuwe bases voor de Luftwaffe en de Kriegsmarine.

Noorwegen zou effectief aangevallen en bezet worden, terwijl de Deense vliegvelden via diplomatieke weg zouden ingepalmd worden.

Het feit dat de Britten en de Fransen de Fins-Russische oorlog wensen aan te wenden als voorwendsel voor een tussenkomst in Scandinavië, draagt bij tot de dringendheid van de opmaak van de Duitse plannen.
Op 7 maart wijst Hitler von Falkenhorst 7 infanteriedivisies en een gemotoriseerde brigade toe.
Rond half maart worden radioberichten onderschept die wijzen op het inschepen van troepen in Britse havens. Een ander bericht van
15 maart, toont aan dat de geallieerde plannen door elkaar gehaald worden door de Fins-Russische wapenstilstand. Dit feit neemt eveneens Hitlers excuus weg voor de inval in Noorwegen.

Tijdens de Fuhrervergadering van
26 maart stelt admiraal Raeder dat hij een Britse interventie niet langer imminent waant; niettemin dringt hij aan opdat Duitse strijdkrachten Noorwegen zouden bezetten.
Volgens de admiraal zijn de voorwaarden voor Weserübung nu op hun best: de Marine is klaar en de weersomstandigheden, welke ze ook mogen zijn, stellen geen probleem. De invasie zou weldra moeten plaatsvinden, aangezien de U-boten in positie in de Noorse wateren anders binnen 3 weken zouden moeten terugkeren voor bevoorrading en bijtanken. (*
Operatie Hartmut)

Raeder stelt
7 april voor als W-Dag, aangezien er die nacht nieuwe maan voorzien wordt. Daar de verrassing van essentieel belang is, stelt Raeder dat door de geleidelijk kortere noordelijke nachten een invasie na 15 april uitgesloten is.

Op de Fuhrervergadering van
29 maart dringt Raeder nogmaals aan op een snelle beslissing.
De Noorse regering is ondertussen niet volledig onwetend over de gebeurtenissen in de beide Britse en Duitse kampen. Vastbesloten om haar neutraliteit te vrijwaren, geeft Noorwegen geen van beide kanten de mogelijkheid tot tussenkomst in haar aangelegenheden. Noorwegen tracht immers haar machtige buren in toom te houden door een middenkoers te varen. De 3 naties volgen evenwel een eigen, onafhankelijke politiek; hierdoor ontstaat een machtstrijd waar de Noren geen vat op hebben.

Op
2 april ondertekent Hitler het uitvoeringsbevel voor Weserubung: W-Dag wordt 9 april, met 0-uur op 05.15.

Op
3 april, om 0200, varen de eerste 3 schepen van de Ausfuhrstaffel vanuit Hamburg, richting Narvik. Het vertrekuur, dat geheim wordt gehouden, heeft plaats op een ogenblik waarop de anders zo drukke haven er verlaten bij ligt.

De Britse admiraliteit ontvangt haar eerste inlichtingen betreffende Duitse bewegingen kort na het afvaren van de eerste schepen van de Ausfuhrstaffel. Het belangrijkste rapport komt van Kopenhagen: de admiraliteit wordt ervan verwittigd dat 10 Duitse schepen, met aan boord een troepenmacht ter grootte van een divisie, doorvaren op een noordelijke koers komende van de Baltische Zee met als vermoedelijke bestemming Narvik.

Dit rapport wordt doorgegeven aan admiraal Sir Charles Forbes, bevelhebber van de Home Fleet, waarbij de admiraliteit twijfelt aan de juistheid ervan.

Een misvatting is de oorzaak voor het ongeloof in de Duitse intenties. Het toenmalig Brits Marineconcept stelt dat de landing van een militaire macht op vijandelijke oevers onmogelijk is zonder bijhorende controle op het zeegebied palend aan de landingsplaats; de Britten zijn er van overtuigd dat de Duitsers eenzelfde concept nastreven.
Rapporten betreffende ongewone scheepsaktiviteit blijven bij de admiraliteit binnenstromen.

Tegen
8 april liggen 19 Britse en geallieerde onderzeeërs langs de Noorse kust; ze rapporteren een ongewoon aantal schepen naar het noorden varend onder neutrale vlag, maar ze kunnen niet positief geïdentificeerd worden als Duitse troepentransportschepen.

Op
2 april vaart de Duitse hoogzeevloot uit, bestaande uit de Scharnhorst en de Gneisenau. Zij dienen om de Navy uit de buurt van de Noorse kusten te houden, waar de landingen moeten plaatsvinden.

Tussen
3 en 7 april zijn 22 vaartuigen, namelijk alle schepen van de Ausfuhrstaffel en de 1.Seetransportstaffel vertrokken vanuit Hamburg en Stettin.

Op
3 en 4 april zijn 2 grote tankers vertrokken uit Wilhelmshaven, en op 6 april een kleine vanuit Hamburg. Een andere grote tanker, de Jan Wellem, vertrekt eveneens op 6 april vanuit het Murmansk-gebied voor Narvik.

Op
8 april vertrekt een 2e konvooi van 11 schepen van het 2.Seetransportstaffel vanuit Gotenhaven en Königsberg.

Tussen
7 april, middernacht, en 8 april, 0530, verlaat de Kriegschiffsstaffel Wesermunde, Cuxhaven, Wilhelmshaven en Swinemunde.

Op
8 april, tegen 0600, bereikt het aantal Duitse schepen vóór de Noorse kusten, het totaal van 107.
In mankracht en tonnenmaat vertegenwoordigt deze Duitse vloot de grootste amfibieoperatie uit de geschiedenis. De oorspronkelijke invasie voorziet immers 10.500 manschappen; tijdens de eerstvolgende week zijn vanuit Oslo bijkomend 16.700 manschappen voorzien en daarna nog eens 40.000.

De kust wordt afgesloten

Op het ogenblik dat de Duitse vloot haar uitvalsposities voor W-Dag nadert, wordt de Noorse kust afgesloten door de Royal Navy. Een belangrijke taak hiervoor is weggelegd voor de onderzeeërs. De Flag Officer Submarines, Vice-Admiraal Horton, brengt onderzeeërs van het Britse 2., 3., 6. en het Franse 10. Onderzeebootflottielje in positie aan de zuidwestelijke en zuidelijke kusten van Noorwegen, in het Skagerrak en het Kattegat en in de Noordzee. Het betreft de HMS Clyde, Sealion, Seawolf, Shark, Severn, Snapper, Spearfish, Sunfish, Triad, Truant, Triton, Unity, Thistle, Ursula, Tarpon, Sterlet en Trident, de Poolse Orzel en de Franse Amazone, Antiope en Sibylle. Verder worden nog de Britse onderzeeërs-mijnenleggers HMS Narwhal, Porpoise en Seal ingezet, alsmede de HMS Swordfish.

De operatie Wilfred wordt uitgevoerd door de mijnenleggende destroyers HMS Express, Esk, Icarus en Impulsive en de van het 2.Destroyer-flottielje afkomstige HMS Hardy, Havock, Hunter en Hotspur. De operatie wordt beveiligd door de Britse slagkruiser HMS Renown (Admiraal Whitworth) en 4 destroyers (HMS Hyperion, Hero, Greyhound en Glowworm).

Terwijl de Wilfred-destroyers mijnen leggen in de toegangswegen tot Bödo en Stadlandet, ligt een andere vlooteenheid klaar in Rosyth, aan de monding van de Clyde. Ondanks dat de admiraliteit niet anticipeert op Duitse initiatieven in Noorwegen, wordt toch een vijandelijke aktie verwacht, wanneer duidelijk wordt voor het Duitse Opperbevel dat Operatie Wilfred de aanvoer van ijzererts naar het Reich in het gedrang brengt.
Mocht deze tweede vlooteenheid in aktie treden, zou dat gebeuren onder de benaming Plan R4; dit voorziet in tegenaanvallen op Duitse landingen in Noorwegen door het aan land zetten van Britse troepen op sleutelposities te Stavanger, Bergen, Trondheim en Narvik.

Operatie Wilfred is sinds haar concept grondig gewijzigd. Oorspronkelijk zouden er troepenlandingen plaatsvinden na het mijnenleggen. Doch, tegen de effectieve uitvoer van Wilfred heeft het Oorlogskabinet beslist dat geen landingen zouden plaatsvinden, tenzij de Duitsers dat eerst zouden doen of de intentie laten blijken om de Noorse neutraliteit te schenden. De aan R4 toegewezen eenheden zijn de 146ste en de 148ste Infanteriebrigades. Van de 6 bataljons waaruit deze 2 brigades bestaan, worden er 2 toegewezen om Stavanger te nemen, 2 voor Bergen en telkens 1 voor Trondheim en Narvik.

De R4-expeditie zal worden vervoerd in troepenschepen met als bescherming een smaldeel lichte kruisers. De plannen voor deze operatie worden evenwel op goed geluk af uitgetekend, waarbij troepen, uitrusting en schepen in alle haast worden verzameld. De landingsmacht bestaat uit 18.000 man; de organisatie van deze troepenmacht en de uitrusting laten evenwel veel te wensen over. Later zal blijken dat deze gebrekkige organisatie zal leiden tot de Britse mislukkingen bij Narvik, Namsos en Andalsnes.

Overeenkomstig Noorse admiraliteitsdokumenten zijn even vóór W-Dag 2 rapporten ontvangen die duidelijk wijzen op een nakende Duitse agressie. In de nacht van 7 april meldt het proefstation van Kopervik dat het stoomschip “Skagerrak”, varend naar Trondheim, kratten aan boord heeft met het opschrift “Wehrmacht”. De tweede waarschuwing komt de volgende namiddag. De Poolse onderzeeër Orzel torpedeert het Duitse stoomschip “Rio de Janeiro”, vlakbij Lillesand. De meeste overlevenden die worden opgepikt door Noorse vissers dragen Duitse legeruniformen.

Op de hoogte gebracht even na 1700, op 8 april, verwittigt Londen de Noorse regering dat een aanval imminent is. De verwittiging wordt diezelfde avond besproken door het Noorse parlement en het Kabinet in Oslo.

Als resultaat worden de kustverdedigingswerken in staat van paraatheid gebracht; deze voorzorgsmaatregel zal de Duitsers later grote verliezen toebrengen.

Ondanks deze alarmtoestand wordt het de forten niet toegestaan de haven- en fjordingangen te voorzien van mijnen, en de beslissing tot mobilisatie wordt uitgesteld. Evenmin worden stappen ondernomen om de vliegvelden te beschermen tegen luchtlandingstroepen.

Het staat dus vast dat ondanks de 2 voornoemde ernstige waarschuwingen, noch de Britten, noch de Noren de gepaste en noodzakelijke stappen hebben ondernomen.

De mythe van het Trojaanse paard

Eén van de mythes die rond de Noorse campagne hangt is deze van het Trojaanse paard.
De enige fase van Weserubung die zou kunnen gelijken op een aktie van binnenin is de rol die is weggelegd voor het Ausfuhrstaffel en 4 schepen van het Tankerstaffel.

De aankomst van de 11 schepen van deze groep in hun bestemmingshavens is voorzien om 0500 op W-Dag; de aanval zou een half uur later beginnen. De schepen hebben zware uitrusting aan boord, artillerie, voorraden en brandstof, maar geen troepen die radiostations of haveninstallaties moeten innemen.
De bevoorradingsschepen en de tankers zijn een onderdeel van de hoofdmacht en dienen niet voor het uitlokken van schermutselingen van binnenin de Noorse havens.

In zijn Memoires schrijft Churchill dat bevoorrading en munitie worden aangevoerd in lege ertsschepen; deze thesis lijkt evenwel niet bewezen aangezien geen zulke schepen zouden deelgenomen hebben aan Weserübung. Nochtans loopt in 1940 het verhaal dat Duitse vrachtschepen, die sinds enkele dagen vóór de Duitse inval in Noorse havens liggen, plotseling gaan uitpuilen van massa’s tot de tanden gewapende soldaten, die de ganse tijd benedendeks verstopt zaten.

Zulke situaties zijn uiteraard niet realistisch. Het is inderdaad zo in de wereld van de scheepvaart en de handel, waar elk vaartuig gekend en geregistreerd is, dat de aankomst van een schip in een haven op voorhand gekend en verwacht is; bovendien wordt een schip enkel mits de toestemming van de havenautoriteiten in de haven binnengelaten.

Tenslotte lijkt het van de kant van het Duitse Opperbevel weinig waarschijnlijk dat zij het goede verloop van Weserübung in gevaar zouden brengen door de aanwezigheid en het gebruik van Trojaanse paarden.

De Duitsers in zicht

Op 7 april om 0800, worden verschillende, in konvooi varende Duitse schepen waargenomen door een Brits verkenningsvliegtuig bij de westingang van het Skagerrak; ze maken deel uit van het Kriegschiffstaffel. In de vroege namiddag worden ze aangevallen door 12 Blenheims, zonder evenwel schade toe te brengen.

Na het vernemen dat de Duitse vloot zich met haar hoofdmacht op zee bevindt, vaart admiraal Forbes diezelfde avond met de Home Fleet af van Scapa Flow. Het zijn de HMS Rodney, Valiant, Repulse, Sheffield en Penelope en de destroyers HMS Somali, Matabele, Mashona, Bedouin, Punjabi, Eskimo, Kimberley, Kelvin, Javelin (ex-Kashmir) en Jupiter.. Zij worden later gevolgd door de Franse kruiser Emile Bertin (Vice-Admiraal Derrien) en de destroyers Maille-Breze en Tartu.

Wanneer als maar meer rapporten binnenkomen van Duitse marinebewegingen, beveelt de Admiraliteit dat andere eenheden uitvaren om Forbes’ zeemacht te versterken. Vanuit Rosyth vaart Vice-Admiraal Edward-Collins uit met de kruisers HMS Galatea en Arethusa en de destroyers HMS Codrington, Griffin, Electra en Escapade. Vanaf het konvooi HN24 worden de destroyers HMS Tartar en de Poolse Blyskawica, Burza en Grom gedetacheerd. Het konvooi ON25 wordt teruggeroepen en haar escorterende schepen, de kruisers HMS Manchester en Southampton en de destroyers HMS Janus, Javelin, Grenade en Eclipse (Vice-Admiraal Layton) vervoegen eveneens de Home Fleet. Tenslotte zijn er de Rosyth-kruisers HMS Devonshire, Berwick, York en Glasgow, waarop de R4-troepen zijn ingescheept; vooraleer de schepen afvaren worden de soldaten aan wal gezet. Naast de kruisers varen nog de destroyers HMS Afridi, Gurkha, Mohawk, Zulu en Cossack af. Dit flottielje staat onder het bevel van Vice-Admiraal Cunningham.

De niet-uitvoering van het plan R4 komt als een volslagen verrassing voor Forbes, aangezien hij er van overtuigd is dat de aanwezigheid van de Duitse schepen het duidelijke bewijs is dat een inval in Noorwegen aan de gang is, zodat de voorwaarden vervuld zijn voor de uitvoering van R4.

De Admiraliteit is evenwel van oordeel dat dit een afleiding is om de Gneisenau en de Scharnhorst op de Atlantische handelsroutes te krijgen.

In de morgen van 7 april wordt de zuidelijke mijnenleggende eenheid van Wilfred teruggetrokken ingevolge de aanwezigheid van Duitse oorlogsbodems. De eenheid operationeel te Bodö kan aan de slag blijven. In de vroege ochtend van 8 april is het mijnenveld klaar; Vice-Admiraal Whitworth’s eskader (HMS Renown en de destroyers HMS Esk, Ivanhoe, Icarus, Greyhound, Hardy, Havock, Hotspur, Hunter en Hostile) blijft in de buurt en bewaakt de ingang van de Vestfjord. Admiraal Forbes detacheert verder nog de HMS Repulse, Penelope en de destroyers HMS Bedouin, Punjabi, Eskimo en Kimberley naar het eskader-Whitworth.

Tijdens de nacht van 7 op 8 april naderen de Groepen 1 en 2 van de Kriegschiffstaffeln hun bestemming, namelijk Trondheim en Narvik.

De Duitsers worden echter opgemerkt door de Britten, doch door de zware zee wordt het de 14 destroyers moeilijk om de 26 knopen-snelheid van de Gneisenau, de Scharnhorst en de Hipper bij te houden.
In de ochtend van 8 april is het destroyerflottielje uit elkaar geslagen en is het contact met verschillende onder hen verbroken.

Tijdens de zware storm is een bemanningslid van HMS Glowworm overboord geslagen. Bij de speuractie stuit de destroyer in de vroege ochtend van 8 april op de zerstörer Bernd von Arnim en Hans Lüdemann. Er ontstaat een gevecht dat wordt afgebroken met de komst van de Admiral Hipper. Glowworm blijft echter doorvechten met haar geschutstorens en haar torpedobuizen. De destroyer is echter geen partij voor de Hipper en wordt al snel zwaar geraakt. In een ultieme poging ramt de Glowworm de Hipper, waardoor een gat van 40 meter wordt geslagen in de romp. De destroyer kan zich losmaken, maar komt opnieuw onder het vuur van het Duitse slagschip. Glowworm incasseert een voltreffer in het voorsteven en begint aan stuurboord te hellen. Even later kapsijst ze en zinkt. De Hipper pikt amper 31 overlevenden op van de 149 opvarenden. De bevelhebber, Lt.Cdt. Gerard Roope, ontvangt postuum de Victoria Cross.

In een poging zijn destroyer eveneens bij te springen, vaart admiraal Whitworth naar de plaats van het gevecht; doch wanneer hij verneemt dat de Duitsers reeds opnieuw naar Narvik varen, verandert hij van koers.

Hij vaart naar een positie nabij de ingang van de Westfjord, in de hoop de Duitse eenheid te onderscheppen. Ondertussen varen Forbes en de Home Fleet in noordelijke richting. De Groepen 1 en 2 zijn onderweg wel gesplitst, en Groep 1, afgeslankt tot 10 zerstörer, vaart in een rechte lijn richting Whitworth’s eenheid; Forbes en de Home Fleet sluiten Groep 1 in vanuit het zuiden. Het eigenaardige is dat noch de Admiraliteit, noch de vlootcommandanten beseffen dat ze effectief een Duitse eenheid aan het insluiten zijn.

Ontsnapt aan de vernietiging

In de namiddag van 8 april heeft een voorval plaats dat Groep 1 redt van de vernietiging. Om 1430 merkt een Britse vliegboot de Hipper en 4 zerstörer op, op een westelijke koers; dit flottielje is in feite Groep 2 en de westelijke koers dient als een coördinatiemanoeuver voor de aanval op Trondheim. Met de kennis van de lokatie van Groep 2 verandert admiraal Forbes de koers van de Home Fleet van noordoost naar noordwest, met het oog op de interceptie van de Duitse eenheid. De westelijke koers van de Duitsers brengt Forbes in verwarring, terwijl hij tot dan een vrij correct zicht heeft op de situatie.

Forbes verandert opnieuw van koers wanneer hij beseft dat hij geen kans maakt om met de Home Fleet de Duitse eenheid te onderscheppen in het noordwesten.

Alvorens naar het zuiden te draaien geeft hij HMS Renown en admiraal Whitworth’s destroyers de opdracht Groep 2 te onderscheppen, welke nog steeds op een westelijke koers zit. Het is de Admiraliteit en de vlootcommandanten nog steeds niet duidelijk dat de 2 Groepen gesplitst zijn.

Admiraal Whitworth ontvangt echter een nieuw bevel. Hij moet namelijk zijn positie aan de ingang van de Vestfjord opgeven en zijn destroyers in een westwaartse defensielinie plaatsen aan de Noordzee; de mogelijkheid bestaat immers dat de Duitse vloot poogt door te breken uit de Noordzee, om via de Arctische Zee de Atlantische handelsroutes te bereiken.

Dit bevel komt evenwel niet van admiraal Forbes; het komt rechtstreeks van Whitehall en is doorgegeven door de Admiraliteit. Het betreft hier dus duidelijk een regeringsbemoeienis in een pure marinebevoegdheid.
Het vertrek van Whitworth’s destroyers laat de Vestfjord onbewaakt achter. In de nacht van 8 april glippen de 10 zerstörer van Groep 1 ongemerkt de Vestfjord binnen; ze hebben 2000 manschappen aan boord.
W-Dag, Uur-Nul begint met een gecoördineerde marine- en luchtaanval op de belangrijkste Noorse havens en de bevolkings- en industriële centra.

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 


Kaart van de inval in Noorwegen.


Noors Luchtafweergeschut.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.