<< Menu  


- Operatie Weserubung -
Duitse inval in Denemarken en Noorwegen.

De Britse tegenaanval.

De evacuatie uit Centraal-Noorwegen.

Op basis van rapporten van Gen. Massy worden vanaf 25 april de voorbereidende stappen ondernomen voor de organisatie van een evacuatie van de Geallieerde troepen uit Centraal-Noorwegen. Op 27 april neemt het Militaire Coördinatie Comité de definitieve beslissing, die ondertekend wordt door Gen. Sir Edmund Ironside. Het evacuatiebevel wordt in de namiddag getelegrafeerd naar Andalsnes en Namsos. Gen. Carton de Wiart ontvangt het diezelfde nacht, Gen. Paget de volgende morgen.

De beide evacuaties vormen één maritieme en militaire operatie, die zal afgewerkt worden met onverhoopt lichte verliezen. Voor de duidelijkheid zullen de beide evacuaties apart besproken worden.

Andalsnes is een quasi dagelijks doelwit voor de bommenwerpers van de Luftwaffe. In de fjord zijn een aantal kleine schepen tot zinken gebracht, waaronder 6 anti-duikboot trawlers en de Noorse torpedoboot Trygg. In de namiddag van de 26e april vat de houten kaai vuur, waarbij grote hoeveelheden munitie en voorraden verloren gaan. Behoudens tijdens de korte nachtelijke uren is de haven onbruikbaar geworden. Diezelfde dag ondergaat Mölde zijn eerste zware luchtraid, waarbij een belangrijke electriciteitscentrale vernietigd wordt. Op 27 april ondergaat Andalsnes nog 4 zware luchtraids. In de namiddag vaart een bevoorradingskonvooi de fjord binnen, maar verlaat deze weer rond 02.00 van de 28e, onder zware escorte.

In de loop van deze 28e april ontvangt Gen. Paget een bijkomend bericht van Gen. Massy, dat voor de evacuatie schepen zullen beschikbaar zijn tijdens de nacht van 30 april op 1 mei, waarbij bij voorkeur gebruik zal gemaakt worden van de haven van Mölde. Indien nodig kan de evacuatie verder gezet worden tijdens de volgende nacht. De manschappen zetten zich in beweging, ongeacht het verlies van hun materiaal.

In de ogen van Gen. Paget hangt de goede afloop van de evacuatie voornamelijk af van de volgende 4 factoren. Vooreerst moet de Britse terugtocht rekening houden met de terugtrekking van de nog aanwezige 4.000 man sterke Noorse troepen. De tweede factor is het aantal beschikbare schepen. Ten derde moet de terugtocht gebeuren over één enkele weg en spoorweg over een afstand van 100 mijl. Tenslotte zal de fysieke paraatheid van de troepen een belangrijke rol spelen.

Een ander belangrijk punt bij de evacuatie vormt de luchtsteun. Zoals reeds gezien bestaat de rechtstreekse ondersteuning uit beperkte patrouilles, uitgevoerd door lange-afstandsjagers (Bristol Blenheim’s), die zullen bijgestaan worden door Lockheed Hudson’s, en enkel over de sector van Andalsnes; Namsos ligt immers buiten de actieradius. Daarenboven zal de RAF indirecte steun verlenen door lichte bombardementen uit te voeren op de vliegvelden van Stavanger, Fornebu (Oslo) en Aalborg (Noord-Jutland). Hiermee hoopt men de activiteiten van de Luftwaffe zoveel mogelijk te beperken.

Dienovereenkomstig bombarderen tijdens de nacht van 30 april en de volgende dag, 31 toestellen Stavanger; tijdens de nacht van 30 april vallen 14 toestellen Fornebu aan; tijdens de nacht van 1 op 2 mei is Stavanger opnieuw het doelwit met 15 toestellen, Fornebu met 6 toestellen en Aalborg met 5 toestellen.
Naast de RAF zal eveneens de Fleet Air Arm (FAA) ondersteuning verlenen. De carriers HMS Ark Royal en Glorious (V.Adm. Wells), bereiken de Noorse kusten op 24 april. Vaernes wordt aangevallen door 34 Gladiator’s van de beide carriers op 25 april en door 18 toestellen van de Ark Royal op de 28e april. Daarnaast worden dagelijkse patrouilles gevlogen over Andalsnes en Namsos. Na een rustdag keert de Ark Royal terug op 30 april, ‘s anderendaags gevolgd door de Glorious. De plannen voorzien een ondersteuning over Andalsnes op 1 mei en over Namsos op 2 en 3 mei.

De volgende stap in de voorbereiding van de evacuatie is het afbreken van de contacten met de Duitse troepen. Rond 18.00 van de 28e april beveelt Gen. Paget dat het KOYLI posities zou betrekken nabij het spoorwegkruispunt van Dombaas. De Britse flanken worden beschermd door Noorse skipatrouilles. De rest van de Britse troepen zullen worden vervoerd per trein en langs de weg. In de ochtend van de 29e april bereiken ze Dombaas. Na de terugtocht hebben Royal Engineers op verschillende plaatsen springladingen tot ontploffing gebracht, waarbij wegversperringen met rotsblokken worden aangelegd. Hiermee hopen de Britten de Duitsers minimaal 48 uur op te houden. Daarnaast begeeft zich een Noors detachement eveneens naar Dombaas, vanop de weg Trondheim-Dombaas; die eenheid wordt echter niet verwacht vóór de nacht van 30 april. Hierdoor moet Dombaas minstens 48 uur standhouden.

In Dombaas wordt de 29e april doorgebracht vooral met rusten. Het York and Lancaster vertrekt per spoor naar Andalsnes rond 22.00. In de namiddag van de 30e april bemerkt het KOYLI de eertse Duitse infanteristen. De Britten openen meteen het vuur, ondersteund door 4 stukken Noors veldgeschut. De Duitsers lijden zware verliezen. Ze pogen dan met rubberbootjes de rivier over te steken, en aldus de Britse posities te omtoeren. Dat wordt echter verhinderd door een compagnie van de Green Howards. Eén na één beginnen de Britse eenheden terug te plooien en plaats te nemen in een klaarstaande trein, die rond 23.30 vertrekt voor Andalsnes. De 2 compagnie’s die de achterhoede vormen volgen in vrachtwagens een half uur later. De Royal Engineers zorgen voor de nodige wegversperringen.

De vele bombardementen op de spoorlijn zorgen voor heel wat schade. Zo moet het York and Lancaster ter hoogte van het dorp van Lesjaskog uitstappen en te voet verder gaan. De lijn is hersteld in de namiddag van 30 april. Dan slaat het noodlot toe. Rond 01.15, en nadat een anti-tankeenheid en 280 Noorse skitroepen zijn opgepikt, ontspoort de trein. Er zijn verschillende doden en gewonden. Deze laatsten zullen in voertuigen afgevoerd worden. De rest van de manschappen moet te voet verder. Ze bereiken het station van Verma, waar kan gerust worden in een spoorwegtunnel. Van daaruit kunnen ze verder per trein. Het station en zijn installaties worden echter zwaar gebombardeerd door de Luftwaffe. Een in de nabijheid gelegen eenheid van de Royal Marines wordt naar Verma gestuurd om het vertrek van de trein te beschermen. Deze zal, samen met een compagnie van de Green Howards de achterhoede vormen.

Ondertussen gaan de maritieme voorbereidingen voor de evacuatie verder. De Luftwaffe bombardeert nu Andalsnes ook tijdens de nacht met brandbommen. Op 29 april pikt de kruiser HMS Glasgow in de haven van Mölde Koning Haakon en de Kroonprins van Noorwegen op, samen met de leden van de regering en de Geallieerde legaties, en de goudvoorraad van de Nationale Bank van Noorwegen. In Andalsnes gaan 340 manschappen aan boord van de sloop Fleetwood, die afvaart in de ochtend van 30 april.

In de nacht van 30 april op 1 mei komt V.Adm. Edward-Collins vanuit Scapa Flow aan met de kruisers HMS Galatea, Arethusa, Sheffield en Southampten, de destroyers HMS Tartar, Sikh, Mashona, Walker, Westcott en Wanderer en de transportschepen Ulster Prince en Ulster Monarch. Samen zullen ze ongeveer 2.200 manschappen aan boord nemen, afkomstig van Andalsnes en Mölde. Aldus eindigt de campagne in het Gudbransdal.

* * *

Na de ontvangst van het evacuatiebevel door Gen. Carton de Wiart, in de nacht van 27 april, begint de terugtrekking de volgende avond; 2 Franse transportschepen nemen het 53e B.C.A. aan boord. Nochtans voorziet de Admiraliteit de hoofdinscheping in 2 delen, namelijk tijdens de nachten van 1 op 2 mei en van 2 op 3 mei. Intussen wordt Namsos zwaar gebombardeerd op 28 en 30 april. De AA-sloop Bittern wordt tot zinken gebracht door Ju-87’s van het I/StG.1. Daarnaast worden eveneens de bewapende trawlers Cape Siretko, Jardine en Warwickshire gekelderd. Ze worden later echter door de Kriegsmarine gelicht en in dienst gesteld onder de naam Gote, Cherusker en Alaune.

Voor de algemene terugtocht zal Gen. Carton de Wiart gebruik maken van de tactiek van de kikkersprongen. Het 13e B.C.A. bevindt zich het dichtst tegen de Duitse stellingen, ongeveer halfweg tussen Namsos en Steinkjer. Korter bij Namsos liggen de posities van respectievelijk het KOYLI, het Hallamshire en het 67e B.C.A.; het Lincolnshire ligt langs de spoorweg in het oosten. Als eerste gaat het 13e B.C.A., in kleine groepen, om zo weinig mogelijk de Duitse aandacht te trekken. De skiërs vormen de achterhoede. Als tweede eenheid zal het KOYLI terugplooien. Volgens plan zouden de beide bataljons overvaren van Bangsund naar Namsos. Uiteindelijk gaat de terugtocht over de weg, waarbij het Hallamshire de achterhoede vormt. Deze eenheid krijgt het bevel om de brug te Bangsund te houden tot minstens 21.30 van de 2e mei; tegen dan moeten de beide andere bataljons Namsos bereikt hebben. In eenzelfde beweging trekt het 67e B.C.A. terug tot Namsos, gevolgd door het Lincolnshire. De achterhoede van dit bataljon zal worden afgelost door deze van het Hallamshire, die, samen met de Franse skiërs slechts op het allerlaatste ogenblik Namsos zullen binnentrekken.

Adm. Cunningham komt aan vanuit Scapa Flow op 29 april. Hij voorziet het eerste deel van de evacuatie aan boord van 3 grote Franse transportschepen en het tweede deel aan boord van de kruisers HMS Devonshire en York en van de Franse kruiser Montcalm. Tijdens de nacht van 1 op 2 mei is de mist danig dik dat de operatie afgeblazen wordt. In totaal moeten zowat 5.400 manschappen geëvacueerd worden; er kunnen 1.700 manschappen aan boord van elk van de transportschepen en de rest aan boord van de York. Tijdens de tweede nacht van 2 op 3 mei wordt opnieuw geprobeerd. Cunningham bevindt zich ter hoogte van het Kya-lichtbaken met 2 kruisers en 4 destroyers. De 3 Franse transportschepen en de York en 5 destroyers varen de haven van Namsos binnen. Twee transportschepen nemen manschappen aan boord vanaf de kade; de 2 andere schepen worden ingeladen vanaf destroyers en trawlers. De laatste groep gaat aan boord van de HMS Afridi om 02.20.

In de vroege ochtend worden de schepen ontdekt door Duitse luchtverkenning. Het konvooi wordt tot vijfmaal aangevallen tussen 08.45 en 15.30. Hierbij worden de destroyers Bison en Afridi tot zinken gebracht.

Nu de Britse en de Franse troepen vertrokken zijn, blijven de Noren alleen achter. De Noorse strijdkrachten ten zuiden van Trondheim (Gen. Haug) kapituleren om 05.00 op 3 mei; de strijdkrachten ten noorden ervan (Kol Getz) op dezelfde dag maar met ingang om 14.00 op 4 mei. De Noorse troepen in het Österdal hebben op 29 april de wapens neergelegd. De 4e Brig. die reeds is teruggedreven tot Valdres heeft gekapituleerd op 30 april, net als de geïsoleerde eenheden in West-Noorwegen. Met uitzondering van enkele kleine groepen die kunnen ontkomen naar Noord-Noorwegen of Zweden, komt de Noorse weerstand tot een einde om 05.15 op 5 mei, wanneer de witte vlag gehesen wordt op de vesting van Hegra.

* * *

De operaties te Mosjoën, Mo en Bodö.

Door de bezetting van Mosjoën, Mo en Bodö hopen de Britten de Duitse druk op de sectoren van Narvik en Trondheim te verlichten. Na de terugtrekking uit Trondheim kunnen de Britten op deze plaatsen de Duitse opmars naar Narvik vertragen.

Reeds vanaf 21 april worden de havenfaciliteiten van Mosjoën verkend; het is een kleine haven aan de Vefsenfjord, op 90 mijl ten noorden van Namsos. Een Noors bataljon ligt er in garnizoen. In de nacht van 30 april vertrekt aan boord van een destroyer, vanaf Namsos, een eenheid Chasseurs Alpins en een batterij lichte AA. Ze bereiken Mosjoën op 1 mei. Een week later zullen de Fransen vervangen worden door Britse troepen. Naast Mosjoën wordt Bodö bezet door een compagnie Scots Guards.

Inmiddels wordt een strijdmacht gevormd onder de naam van Scissorforce, die onder de leiding staat van Brig. C.McV. Gubbins. De Nr.1 Independant Company gaat op 4 mei aan land, aan de Ransfjord te Mo. De Nr.3 Independant Company, later gevolgd door de Nr.2 Independant Company landen meer noordwaarts te Bodö. Het Scissorforce Hoofdkwartier vestigt zich te Hopen, waar de Scots Guards gelegerd zijn. Tijdens de nacht van 8 op 9 mei lossen de Nr.4 en 5 Independant Companies de Franse troepen af te Mosjoën. De Nr.4 Company neemt stellingen in om Mosjoën te beschermen vanuit de zee en langs de weg naar Mo. De Nr.5 Company rukt zuidwaarts op om contact te leggen met de Noorse troepen die gevestigd zijn te Fellingfors, op 25 mijl van Mosjoën. Twee peletons van de Nr.5 Company beschermen de Noorse flank, het derde peleton verdedigt de spoorlijn aan de brug over de Vefsna-rivier, die vakkundig wordt opgeblazen. In de ochtend van de 10e mei wordt een Duitse voorhoede vernietigd. In de namiddag wordt de Duitse druk echter onhoudbaar, zodat begonnen wordt met een gestadige terugtocht naar Mosjoën. Col. Gubbins voorziet een nieuwe defensielijn aan de buitenwijken van het stadje, maar na overleg met de Noorse bevelhebber wordt teruggetrokken tot voorbij Mosjoën, in de richting van Mo.

Op 10 mei ondernemen de Duitsers een gedurfde landing in de omgeving van Mo. Zowat 300 manschappen gaan aan boord van de Noorse stomer Nord-Norge en zetten koers in de richting van de Ransfjord. Deze troepenbeweging wordt opgemerkt door de Noorse kustwacht, die het Britse Marinehoofdkwartier te Harstad ervan inlicht. De enige beschikbare schepen zijn de AA-kruiser HMS Calcutta en de destroyer HMS Zulu. De beide oorlogsbodems varen de fjord binnen ruim na de Duitse troepen. Deze worden aan land gezet te Hemnesberget, op 15 mijl ten westen van Mo, aan het schiereiland van Hemnes, waar ze de weg tussen Mo en Mosjoën kunnen afsluiten. De hoofdmacht wordt voorafgegaan door een kleine groep van 40 manschappen met mortieren en mitrailleurs, die aan land wordt gezet door 2 Dornier-watervliegtuigen. Er is meteen contact met een peleton van de Nr1 Company, dat wordt teruggeslagen en zich terugtrekt tot Finneid. Daar wordt het tijdens de nacht vervoegd door de rest van de Company en zowat 120 Noorse soldaten met 4 zware mitrailleurs. Ondertussen hebben de Britse schepen de Noorse stomer tot zinken gebracht, maar niet vooraleer het schip uitgeladen is. De volgende dag worden de Duitse troepen bevoorraad door watervliegtuigen.

De Duitse druk op Mosjoën wordt onhoudbaar. Col. Gubbins voorziet in een versnelde evacuatie van de Nr. 4 en 5 Companies, waarbij Mosjoën moet opgegeven worden. De Nr.4 Company gaat diezelfde avond aan boord van een kleine Noorse stomer; de Nr.5 Company volgt ‘s anderendaags, samen met de sectie Light AA, die echter vooreerst haar kanonnen heeft moeten vernietigen. De Britse troepen zullen op 12 mei aan land gaan te Bodö. Om 04.00 van de 11e mei is Mosjoën reeds in Duitse handen. De nog aanwezige Noorse troepen worden overgebracht naar Mo en in de richting van Elsfjord, in de omgeving van Hemnesberget.
Op 12 mei gaan 3 compagnie’s Scots Guards, met vier 25-ponders en 4 lichte AA-kanonnen aan land te Mo (Brig. Fraser).

Op 11 mei volgt een Noorse aanval vanaf Finneid op de Duitse stellingen te Hemnesberget. De Noren worden echter teruggeslagen door Duits mortiervuur. De verovering van Hemnesberget wordt ‘s anderendaags opnieuw overwogen, maar ondanks de komst van de Scots Guards, verkiest Col. Trappes-Lomax te wachten op versterkingen. Hij voorziet wel een nieuwe defensielijn te Stien. Inmiddels hebben de bij Mosjoën geëvacueerde Noorse troepen stellingen ingenomen om te verhinderen dat Duitse eenheden zouden doorsteken vanuit Hemnesberget en aldus Mo aanvallen vanuit het westen. De volgende dag rukken de Duitsers verder op langs het schiereiland, in zoverre dat hun mortieren en zware mitrailleurs de weg naar Finneid onder schot houden. Er volgt een Noorse tegenaanval, maar op 14 mei zetten de Duitsers hun opmars verder. Na hevige gevechten moeten de Noren en de Nr.1 Company, Finneid opgeven en terugtrekken op de nieuwe linie te Stien.

Ondertussen is Gen. Mackesy vervangen door Gen. C.J.E. Auchinleck. Deze beveelt Brig. Fraser om de posities te Mo zo lang mogelijk te houden. Hij gaat ter plaatse en onderhoudt er zich met Col. Trappes-Lomax en Lt.Col. Roscher Nielsen. Hun standpunt is al snel duidelijk, de Mo-regio is onhoudbaar geworden. De Duitse troepen worden immers elke dag sterker en de Luftwaffe kan ongemoeid optreden. Te Hemnesberget worden de Duitsers bevoorraad door watervliegtuigen. Een Duits bataljon geraakt met paardgetrokken transport over de bergtop van Korgen. Verschillende eenheden van de 2.Geb.Div. onder Gen. Feurstein bevinden zich ten noorden van Mosjoën. De moeilijke situatie nabij Mo verslechtert nog door 2 ongelukken op zee.

In de nacht van 14 op 15 mei wordt het Poolse lijnschip Chrobry ter hoogte van de Lofoten aangevallen door de Luftwaffe. Aan boord bevinden zich het 1st. Irish Guards en enkele andere troepen met bestemming Bodö. Door de bomexplosies worden praktisch alle officieren gedood of zwaar gewond; midscheeps breekt een zware brand uit met het risico tot ontploffing van de aanwezige munitie. De Irish Guards wachten geduldig aan dek tot ze kunnen geëvacueerd worden aan boord van de destroyer HMS Wolverine en de sloop Stork. In amper 16 minuten tijd worden 694 manschappen overgezet. De troepen worden overgebracht naar Harstad om uit te rusten.

Tegen de avond van de 17e mei strandt de kruiser HMS Effingham ter hoogte van de Faksen-zandbank. Aan boord bevinden zich de South Wales Borderers, met eveneens Bodö als bestemming. De manschappen kunnen overstappen op een begeleidende AA-kruiser en worden aan wal gezet te Harstad. Net als bij de Irish Guards gaat ook hier bijna al het materiaal verloren. Een poging om de Effingham weer vlot te trekken mislukt.

In de namiddag van 17 mei rukken de Duitsers vanaf Finneid op tegen de stellingen van de Scots Guards. Twee compagnie’s bevinden zich in Stien, de 3e compagnie en een Independant Company betrekken posities verderop aan de weg naar Mo. De gevechten beginnen rond 18.30. Ondersteund door veldgeschut wagen de Duitsers een frontale aanval. Deze wordt met vrij zware verliezen afgeslagen. Door de inzet van Gebirgsjäger worden de Britten stilaan teruggedreven. Rond 02.00 vallen ze terug op een nieuwe defensielijn nabij Lundenget. De 3e compagnie houdt nog steeds haar posities langs de weg naar Mo.
Na overleg met Gen. Auchinleck beveelt Col. Gubbins de verdere terugtocht uit de Mo-regio. De compagnie die de achterhoede vormt lijdt zware verliezen. Tegen 15.00 worden de beide bruggen over de Rana opgeblazen. Amper een half uur later trekken de Duitsers Mo binnen.

Vanaf 20 mei worden de South Wales Borderers en de Irish Guards vanuit Harstad overgebracht naar Bodö; ze krijgen er het gezelschap van een Noorse mitrailleurcompagnie, enkele kleinere eenheden en een verse compagnie Scots Guards.

Tegen de avond van de 21e mei vallen de Duitsers de buitenste defensielijn aan te Krokstrand, waar de brug wordt gedynamiteerd. De positie kan echter slechts enkele uren gehouden worden. De Duitsers vallen aan vanop de omliggende hoogten en worden bovendien ondersteund door de Luftwaffe. In 24 uren tijd slagen Duitse pioniers er in om een nieuwe brug te bouwen.

In de vroege ochtend worden nieuwe stellingen bezet te Viskiskoia; ook hier wordt de brug vernietigd. De Scots Guards vatten er post, terwijl de Nr.3 Independant Company en enkele Noorse ski-eenheden, afkomstig vanuit Rognan, zich ontplooien aan de overkant van het dorp. De Duitse infanterie verschijnt in de namiddag, ondersteund door laagvliegende vliegtuigen enn mortiervuur. Rond 16.00 wordt de Independant Company teruggedreven. Om 18.00 volgt de algemene terugtocht naar Storjord, waar identieke posities worden ingenomen als te Viskiskoia. Het is slechts tegen de avond van de 24e mei dat de Duitsers contact hebben met de verdedigers. Op dat ogenblik heeft Col. Gubbins echter reeds de terugtocht bevolen. In de loop van de volgende morgen bereiken de Britse troepen eindelijk Bodö.

In de gegeven omstandigheden besluit Gen. Auchinleck om Bodö zo goed mogelijk te verdedigen. Hiervoor zal hij een beroep doen op alle beschikbare strijdkrachten. Er wordt overwogen om een bijkomend bataljon Chasseurs Alpins en 3 verse Independant Companies vanuit Engeland te sturen. Er wordt hulp verwacht van de FAA en er wordt een landingsplaats voorzien voor vliegtuigen afkomstig van Bardufoss. Om in Bodö alles in gereedheid te kunnen brengen besluit Col. Gubbins om in het gehucht Pothus een versterkte voorpost te voorzien. Eerst komt een peleton van de Nr.2 Independant Company aan, gevolgd door de Irish Guards en de Nr.3 Independant Company. Rond middernacht van de 24e mei zijn alle posities ingenomen. Een Noorse mortier- en mitrailleurcompagnie vormen de ondersteuning voor de Britten. De troepen te Pothus staan onder het bevel van Lt.Col. H.C. Stockwell (C/O Nr.2 Independant Company - Stockforce).

Duitse wielrijders hebben contact met de Britse voorhoede rond 08.00 van de 25e mei. Tegen 11.00 worden de verdedigers teruggedreven naar de hoofdverdedigingslijn. Daar zijn de Guards stevig ingegraven en krijgen ze steun van de eigen veldstukken en van de Noorse mortieren. De Duitsers wagen een frontaanval, die echter wordt afgeslagen. Met flankaanvallen worden de Britten echter stilaan teruggedreven. Om de toestand te stabiliseren worden de reserve-eenheden van de Nr.2 Independant Company en de Irish Guards en de Nr.3 Independant Company naar voren gestuurd. Deze bezetten nieuwe stellingen en tegen 04.30 van de 26e mei is de situatie voor de Britten weer wat beveiligd.

Tijdens de nacht steken de Duitse troepen de rivier over door mideel van een vlottende brug. De Britse troepen aan de overkant worden teruggedreven en de laatste reserves worden ingezet. Tegen 11.30 beveelt Col. Gubbins de algemene terugtocht, die effectief begint rond 19.00; de Nr.2 Independant Company vormt de achterhoede en heeft nog contact met de Duitsers tot rond 22.30.

Narvik, het laatste strijdtoneel.

Zoals reeds eerder gezien, wordt op 24 april een 3-uren durend bombardement uitgevoerd door HMS Warspite. Daarna wordt HMS Warspite vervangen door HMS Resolution.

Intussen zijn de aankomst van Franse en Poolse versterkingen en de algemeen intredende dooi voor Lord Cork een aanmoediging om toch een aanval te voorzien. Het nieuwe plan bestaat er in te landen aan de kop van de fjord, voorbij Narvik en daarna via de Rombaksfjord de stad aan te vallen.

Met zijn Rupertforce beschikt Lord Cork nog steeds over de 24th Guards Brigade; begin mei wordt ze aangevuld met de 27e Demi-Brigade de Chasseurs Alpins (met het 6e, 12e en 14e B.C.A.), de 13e Demi-Brigade de Marche de la Légion Etrangère (met het 1e en 2e Bat.), een Poolse Brigade (Gen. Bohucz-Szysko, met de 1e Demi-Brigade bestaande uit het 1e en het 2e Bat. en de 2e Demi-Brigade bestaande uit het 3e en het 4e Bat.) en zowat 3.500 Noorse manschappen. Het Frans-Poolse contingent staat onder het bevel van Général de Brigade Béthouart.

De eerste landing te Bjerkvik is voorzien in de nacht van 11 op 12 mei. Doch op het laatste moment besluit Lord Cork om de operatie te verdagen naar de volgende nacht. Dit order bereikt echter de Noorse 6e Brig. niet, die aan de linkerflank van de Franse troepen zal opereren. Desondanks slagen de Noren er in om de volgende twee dagen verschillende hoogten te bezetten op het Kuberg-plateau.

De zeestrijdkrachten voor de landing verzamelen zich op 12 mei ter hoogte van Ballangen, waar de beide bataljons van het Légion Etrangère opgepikt worden, samen met een 5tal lichte tanks. De bevelhebbers, Gen. Béthouart en Lord Cork bevinden zich aan boord van de HMS Effingham. Het slagschip HMS Resolution en de kruiser HMS Aurora geven de noodzakelijke steun. Daarnaast zijn er nog 5 destroyers aanwezig. Een voorhoede van de landingstroepen gaat aan land vanaf 4 Assault Landingcraft (ALC). De rest van de 1500 manschappen bevindt zich aan boord van de beide kruisers. De tanks zijn ingeladen in het slagschip, samen met de 2 Motor Landingcraft (MLC) die hen aan wal moeten brengen. De luchtbescherming voor de operatie wordt geleverd door de vliegtuigen van de HMS Ark Royal.

Het scheepsbombardement begint stipt om middernacht, waar het op dat tijdstip van het jaar klaarlichte dag is, maar hopelijk nog donker genoeg te Trondheim om de Luftwaffe te beletten om op te stijgen. De duur van het bombardement is voorzien op een kwartier, maar gezien het aanhoudende tegenvuur van de Duitse zware mitrailleurs wordt de beschieting verder gezet. Wanneer om 01.00 de landing begint wordt de artilleriebarrage verlengd naar het binnenland. Rond 02.00 wordt de beschieting gestopt, maar ze wordt een uur later hervat voor de dekking van de tweede golf van landingstroepen. Na het van boord gaan van de manschappen verlaten de grote schepen de landingsplaats, waar enkel de destroyers in steun blijven. Na de inzet van de vliegtuigen van de Ark Royal kunnen ook zij terugtrekken. Eens aan land zijn het vooral de tanks die de Duitse mitrailleursnesten uitschakelen. De eerste landingseenheid bevindt zich ten westen van Bjerkvik, aan de weg noordwaarts naar Gratangen. De tweede eenheid gaat aan land ter hoogte van de weg naar Öyjord, gezien de te zware tegenstand vanuit de oorspronkelijke landingsplaats in de omgeving van Elvergaard. Via een omsingelingsbeweging veroveren de Fransen Elvegaard, na harde huis-aan-huisgevechten. In de late voormiddag bereikt een sectie motorrijders van het Légion Etrangère, Öyjord.

Rond 14.00 van de 14e mei hebben de troepen uit Bjerkvik contact op hun rechterflank met het 14e B.C.A. In het hoogplateau raakt het 6e B.C.A. echter verstrikt tussen Roasme en Örnefjell, zonder contact te kunnen leggen met de Noorse eenheden op hun linkerflank. De Duitsers kunnen aldus terugtrekken vóór de val dichtklapt. Op deze manier houden de Duitsers nog 2 fronten tegenover de Geallieerde troepen: een noordelijk front in de bergen tegenover de Noren en een westelijk front landinwaarts vanaf de weg Bjerkvik-Öyjord.

Ten zuiden van Narvik bevinden zich op het Ankenes-schiereiland het 2nd South Wales Borderers, een bataljon Chasseurs Alpins en een compagnie Irish Guards. Vanaf de 14e mei worden volgens plan de Britse troepen geconcentreerd rond Bodö. Vandaar dat de Britten te Ankenes vervangen worden door het 2e Poolse Bat, afkomstig van Öyjord.

Tijdens een vergadering te Harstad op 13 mei krijgt Gen Auchinleck, onder Lord Cork, de algemene bevelvoering over alle Britse land- en luchtstrijdkrachten, onder de naam van North Western Expeditionary Force, in de regio van Mo-Bodö. Van zijn kant wordt Gen. Béthouart de bevelhebber van de Noorse-Franse- en Poolse landstrijdkrachten in de Narvik-regio.

Door het betere weer herneemt eveneens de luchtactiviteit. De Luftwaffe voert verschillende aanvallen uit tegen de Geallieerde zeestrijdkrachten: het slagschip Resolution krijgt een voltreffer en wordt op 18 mei huiswaarts gestuurd; het transportschip Chrobry en de AA-kruiser HMS Curlew worden op 26 mei tot zinken gebracht. De hoofdkwartieren van de verschillende Franse eenheden worden gebombardeerd; op 21 mei lijdt het 6e B.C.A. zware verliezen bij haar overplaatsing naar een rustgebied. Eens te meer wordt de noodzaak aangetoond van aan land gebaseerde jachtvliegtuigen. Op 21 mei landen te Bardufoss de Gladiator’s van het 263.Squadron afkomstig van de carrier Furious, die de Ark Royal komt aflossen. Met het oog op de finale aanval op Narvik, voorzien voor 28 mei, landt op 26 mei te Skaanland het 46.Squadron met zijn Hurricane’s, afkomstig van de carrier Glorious.

De te zachte ondergrond dwingt de Hurricane’s echter om uit te wijken naar Bardufoss, waardoor ze zich echter op het extreme bevinden van hun actieradius. Naast de Gladiator’s en de Hurricane’s worden eveneens 6 Walrus-watervliegtuigen ingezet.

Aan de vooravond van de finale aanval ziet de situatie er voor de Geallieerden als volgt uit: de Noorse 6e Brig. is er op het Kuberg-plateau in geslaagd om de Duitsers terug te drijven. Het 14e B.C.A., ondersteund door de scheepsartillerie, bevindt zich aan de Rombaksfjord, waar het zich voegt bij een deel van de Noorse 7e Brig. De Fransen bevinden zich te Lilleberg, waar ze de weg controleren die loopt naar de Straumen-engten. Aan de zuidkant van Narvik hebben de Duitsers in de ochtend van 17 mei een tegenaanval gedaan tegen de Chasseurs Alpins. De aanval wordt gestopt door de Britse veldstukken, die bij de Fransen zijn achtergelaten. De sector wordt daarna overgedragen aan de 1e, 2e en 4e Poolse Bat. (Gen. Bohusz-Szysko) en een eenheid Franse skitroepen. De Poolse linie loopt van aan de Beisfjord tot aan het dorp van Ankenes.

De finale aanval zal plaatsvinden door een landing vanaf Öyjord, dwars over de Rombaksfjord. Eens aan land rukken de aanvallers via een heuvelrug Narvik binnen. Tegelijkertijd ondernemen de Polen een dubbele aktie, namelijk tegen Ankenes en aan de kop van de Beisfjord. De Fransen en de Noren houden de Duitsers onder druk aan het uiteinde van de Rombaksfjord. Aldus blijft er de Duitsers slechts één vluchtweg langs de spoorlijn over Sildvik, in de richting van de Zweedse grens. Om deze vluchtweg af te snijden voorziet Gén. Béthouart de inzet van de 1e Cie. van het 3e Poolse Bat. en de skiërs van de Chasseurs Alpins. De landingstroepen bestaan uit de beide bataljons van het Légion Etrangère, een Noors bataljon en een sectie tanks. De overvaart gebeurt aan boord van 3 ALC’s en 2 MLC’s, of een contingent van zowat 290 manschappen. Tussen de eerste en de tweede overvaart ligt een kritieke tijdspanne van ongeveer drie kwartier. Het voorbereidende scheepsbombardement zal beginnen op zowat 20 minuten vóór de eerste landing; de destroyers HMS Whirlwind, Fame, Havelock en Walker zullen het vuur openen vanuit de Rombaksfjord, de AA-kruisers HMS Cairo en Coventry en de destroyer HMS Firedrake vuren vanuit de Ofotfjord, de Southampton bestookt Ankenes en de sloop Stork beschermt de operatie tegen luchtaanvallen, in samenwerking met de verschillende jachtsquadrons.

Het bombardement begint om precies 23.40 tijdens de nacht van 27 op 28 mei. De eerste overvaart vanaf de Herjangsfjord kent geen problemen en wordt niet opgemerkt door de Duitsers. De tweede vertrekt vanaf Öyjord, maar wordt al snel opgemerkt en onder vuur genomen door Duits veldgeschut of mortieren. Om 04.00 zijn een bataljon van het Légion Etrangère en een Noors bataljon aan land gegaan. De Noren beginnen meteen met de beklimming van de Taraldsvikfjell, vanwaar ze de toegangsweg naar Narvik beheersen. Door mistbanken vanuit zee worden de Britse jachtvliegtuigen aan de grond gehouden. De Luftwaffe daarentegen kan wel uitrukken; duikbommenwerpers raken het vlaggeschip Cairo dat zich moet terugtrekken. De tweede landingsgolf wordt eveneens gebombardeerd, waardoor het 2e Bat. van het Légion Etrangère slechts tegen 11.00 aan land kan gaan; ook de Poolse troepen in de regio van Ankenes worden aangevallen.

De Duitsers doen een hevige tegenaanval om de hoogten van Taraldsvikfjell opnieuw te veroveren. De Noren en de Fransen worden eerst teruggedrongen, maar door de steun van een destroyer en veldgeschut wordt het verloren terrein opnieuw teruggewonnen. Het 2e Bat. van het Légion Etrangère bezet een heuvel ten noordwesten van het station van Narvik. Tegen de middag heeft het Duitse garnizoen de stad verlaten langs de weg naar Beisfjord. Poolse troepen bezetten Ankenes. Rond 17.00 marcheert het Noorse bataljon Narvik binnen. De val van de stad wordt door Gén. Béthouard officieel bekendgemaakt om 22.00. De Geallieerden verliezen 150 manschappen, waaronder 60 Noren. Tussen 300 en 400 Duitse soldaten worden krijgsgevangen gemaakt. Er worden geen Franse of Poolse troepen ingekwartierd in de stad; ze zal eveneens niet gebruikt worden als militaire of maritieme basis. Inmiddels zijn de gevechten opgeschoven in de richting van Sildvik.

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 


Kaart van de inval in Noorwegen.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.