<< Menu  


- Operatie Weserubung -
Duitse inval in Denemarken en Noorwegen.

De Britse tegenaanval.

Van zodra het duidelijk wordt dat de Duitsers zich in Noorwegen stevig ingegraven hebben, begint de Royal Navy daadwerkelijk, doch ietwat laattijdig op te treden.
Bij het plannen van Weserübung is het admiraal Raeder er vooral om te doen hoe de Duitse schepen, en dan vooral de oorlogsbodems zullen beschermd worden nadat de Britten beseffen dat er een landing heeft plaatsgehad.

Om zijn schepen te beschermen op het ogenblik dat ze het meest kwetsbaar zijn, namelijk binnen de fjorden, stelt Raeder voor dat de Luftwaffe mijnen zou droppen in de uitgangen van Scapa Flow. Hoewel dit de mobiliteit van de Royal Navy niet volledig zou beperken, zou de Kriegsmarine niettemin kostbare tijd winnen tijdens de eerste uren van Weserübung: ontschepen van troepen, uitrusting en voorraad, en, theoretisch de nodige tijd om de fjorden te verlaten vóór een Britse tegenaanval.
Göring weigert echter om zijn Luftwaffe mijnendroppings te laten uitvoeren; hoogstens kan hij akkoord gaan met het bombarderen van de marinebasis van Scapa Flow.

Raeder verwittigt Hitler dat geen Duitse oorlogsbodems in de Noorse fjorden zullen vertoeven na de landingen; hij beseft maar al te goed dat de nauwe fjorden echte rattenvallen kunnen worden, gezien de beperkte manoeuvreerruimte in geval van aanvallen vanop de zee of vanuit de lucht.
Raeder dringt er bij Hitler op aan vooral geen zerstörer achter te houden in de havens van Narvik en Trondheim.

Göring heeft evenwel een belangrijke invloed op Hitler en stelt dat de oorlogsschepen in de havens kunnen blijven om de grondtroepen te ondersteunen met hun kanonvuur.
Hitler volgt zijn Luchtmaarschalk en beveelt dat de schepen moeten blijven tot wanneer voldoende voorraad en uitrusting aangekomen zijn en tot wanneer de grondtroepen zelfondersteunend zijn.

Gebrekkige bevoorrading.

We hebben reeds gezien dat de gebrekkige bevoorrading ervoor zorgt dat de Duitse eenheden te Narvik en Trondheim een nijpend tekort hebben aan munitie, artillerie en transport. Van de schepen die deel uitmaken van het Tankerstaffel bereikt enkel de Jan Wellem Narvik en slechts 1 bevoorradingsschip, de Levante bereikt veilig Trondheim.

De precaire toestand van de troepen aan land, het gebrek aan brandstof, schade onderweg en de richtlijnen van het Duitse Oberkommando leiden er toe dat de oorlogsschepen in de fjorden blijven.
Naast de afleidingsmanoeuvers van de Gneisenau en de Scharnhorst dient Operatie Hartmut de invasievloot te beschermen tegen aanvallen van de Britse oorlogsbodems. Enkele U-boten behalen beperkte resultaten. De U-4 brengt op 10 april de onderzeeër HMS Thistle tot zinken. De U-13 brengt 2 vrachtschepen met 9857 BRT tot zinken en torpedeert een tanker van 6999 BRT. De U-59 haalt een schip van 2118 BRT naar de kelder; de U-37 maar liefst 3 schepen met 18.715 BRT. Daartegenover gaan 4 U-boten verloren. De U-1 en U-50 lopen op 6 april op mijnen uit het Britse mijnenveld Nr. 7, aangelegd door de destroyers HMS Express, Esk, Icarus en Ivanhoe. De U-64 gaat op 13 april ten onder door een Swordfish van HMS Warspite. Op 15 april wordt de U-49 tot zinken gebracht door de destroyers HMS Brazen en Fearless. In het wrak wordt een kaart gevonden met de posities van alle U-boten in de Noordzee, die ondersteuning bieden aan de inval in Noorwegen.

Met de Duitse slagkruisers ver naar het noorden en het U-bootnet ontcijferd, kan de Royal Navy met beperkte middelen de Noorse kust afsluiten.

Het treffen op zee :

In de late namiddag van 9 april bevindt de Home Fleet (Admiraal Forbes met de HMS Rodney, Valiant, Galatea, Devonshire, Berwick, York, Emile Bertin (Fr) en de destroyers Codrington, Griffin, Jupiter, Electra, Escapade, Tartu (Fr) en Maille-Breze (Fr) zich dwars van Bergen. Hij wil namelijk een flottielje van kruisers en torpedobootjagers (Vice-admiraal Layton met de kruisers HMS Manchester, Southampton, Sheffield en Glasgow en de destroyers Afridi, Gurkha, Sikh, Mohawk, Somali, Matabele en Mashona met hun begeleidende kruiser HMS Aurora) de haven laten binnenvaren en alle aanwezige Duitse schepen aanvallen. De aanwezigheid van 2 Duitse kruisers en de vrees dat de Noorse kustbatterijen nu in Duitse handen zijn leidt de Admiraliteit ertoe de aanval af te gelasten. Tegen de middag vaart Forbes noordwaarts, naar een rendez-vouspunt met het vliegdekschip HMS Furious, met het oog op een luchtaanval op Trondheim.

In de namiddag volgen hevige Duitse luchtaanvallen op de Home Fleet, uitgevoerd door 47 Ju-88’s van het KG 30 en 41 He-111’s van het KG 26: de torpedojager HMS Gurkha wordt tot zinken gebracht ; de kruisers HMS Southampton, Devonshire en Glasgow worden licht geraakt, alsmede het vlaggeschip HMS Rodney.

De Duitse luchtoverheersing laat Forbes concluderen dat schepen niet afdoende beschermd kunnen worden door hun AA-batterijen, zonder steun van gevechtsvliegtuigen.

De beide Zeeslagen van Narvik:

De eerste zeeslag (10/04/1940)
In de hoop een Duitse bezetting van de havenstad te voorkomen geeft de Admiraliteit opdracht aan kapitein-ter-zee Warburton-Lee om de Westfjord binnen te varen en een landing te voorkomen. Op 9 april, om 1600 vaart het flottielje de fjord binnen. Warburton-Lee wordt door de Noorse loodsverantwoordelijke te Tranoy op de hoogte gebracht dat zich in Narvik een zerstörer-eenheid bevindt. Hij speelt deze informatie door aan de admiraals Forbes en Whitworth, waarbij hij eveneens meldt te zullen aanvallen in de vroege ochtend bij hoog water.

Eerst overweegt admiraal Whitworth nog om het flottielje te versterken, maar uiteindelijk wenst hij zulke unieke kans niet te laten voorbijgaan door verder tijdverlies. Ook de Admiraliteit geeft haar akkoord voor deze operatie.

In de vroege ochtend van de 10e april stomen 5 destroyers van de 2.Destroyer-flottielje de fjord binnen : het zijn de
HMS Hardy, Hunter, Havock, Hotspur en Hostile.

Bij de eerste aanval torpedeert de Hardy het Duitse commodoreschip de Wilhelm Heidkamp : Kommodore Bonte wordt gedood.
De Anton Schmitt wordt eveneens getorpedeerd en de Dieter von Roeder, de Hermann Künne en de Hans Lüdemann worden zwaar beschadigd.

In de haven bevinden zich 23 koopvaardijschepen, waaronder 6 Duitse die worden vernietigd (Hein Hoyer van 5836 BRT, Neuenfels van 8096 BRT, Aachen van 6388 BRT, Marthe Fisser van 4879 BRT, Planet van 5821 BRT en Altona van 5892 BRT).

Bij een 2e aanval brengt de Hotspur nog 2 koopvaardijschepen tot zinken.
Daarna trekt Warburton-Lee zijn flottielje terug tot in de Ofotfjord. Ondertussen stomen de overgebleven zerstörer ter hulp vanuit de Herjangenfjord en vanuit de Ballangenfjord. De strijd is nu gelijk: 5 destroyers tegen 5 zerstörer.

Al snel wordt de brug van de Hardy verbrijzeld door dicht kanonvuur afkomstig van de Bernd von Arnim en Georg Thiele, waarbij de Engelse bevelhebber gedood wordt. Alle andere officieren worden eveneens gedood of gewond, behalve Paymaster Lt G.S.Stanning, die de controle over het brandende schip overneemt. Na nog een voltreffer in de machinekamer laat hij het schip vastlopen op het strand van Vidrek. De overlevenden, met het lichaam van hun commandant, zoeken hun heil in de omliggende bergen en worden 2 dagen later overgebracht naar Engeland.

De Bernd von Arnim en de Georg Thiele worden op hun beurt geraakt en lopen opnieuw de haven van Narvik binnen. De 3 overgebleven zerstörer, de Wolfgang Zenker, de Erich Koellner en de Erich Giese, zetten de achtervolging in op de Britten. Bij een artilleriesalvo wordt de HMS Hotspur zwaar beschadigd. De Hunter wordt op zijn beurt geraakt en wordt stuurloos. Hierdoor wordt hij door de Hotspur geramd en zinkt. De Havock zorgt voor dekking voor de uitvarende Hotspur en Hostile. Bij de ingang van de Westfjord komen de Britten het Duitse munitieschip de Rauenfels tegen, dat tot zinken wordt gebracht door de Havock.

Na de dood van Kommodore Bonte wordt het bevel over het zerstörerverband overgenomen door de rangoudste officier, Fr.Kpt. Bey. Zijn eerste zorg is het zo goed mogelijk herstellen van de opgelopen schade. Koortsachtig wordt gewerkt aan de draaibanken en de boordsmidsen. Vanop de Jan Wellem worden lasapparatuur en staalplaten aangevoerd. Maar er zijn nog kopzorgen; van de voorziene aanvoer van brandstof en munitie vanuit de Ausführstaffel is nog niets aangekomen.

Het Marinegruppenkommando West heeft geen goed oog in deze situatie en dringt aan op een versnelde terugtrekking van de zerstörer. Op deze 11e april zijn echter enkel de Wolfgang Zenker en de Erich Giese zeewaardig en gevechtsklaar. In de vooravond vaart Fr.Kpt. Bey met de beide zerstörer af, doch ter hoogte van het eilandje Tranö stuiten ze op een Britse kruiser en 2 destroyers. Bey voelt zich niet geroepen om de Britse blokkade te forceren en keert terug naar Narvik. Een tweede poging had kunnen ondernomen worden in de nacht van 11 op 12 april. Op dat ogenblik zijn 4 zerstörer klaar, maar Bey vindt het risico nog steeds te groot, ondanks een gunstig rapport van een langeafstandsverkenningsvliegtuig, dat voorlopig geen Britse schepen meer ontwaart. Op de avond van de 12e april komt de U-64 bijtanken langszij de Jan Wellem. De kapitein meldt dat aan de ingang van de Westfjord sterke schijnwerpersbatterijen aangebracht zijn en die bewaakt worden door een aantal destroyers. Deze blokkade had kunnen doorbroken worden door de inzet van enkele slagschepen, maar de aanwezigheid van Britse carriers houdt een te groot risico in. De zerstörer blijven dus opgesloten in de fjord.

De 2e Zeeslag van Narvik (13/4/1940) :
Op 13 april bevinden zich dus de 8 overblijvende zerstörer nog altijd in de haven van Narvik.
In de ochtend van deze 13e april komen Forbes en de Home Fleet, aangevuld met de HMS Warspite en de carrier HMS Furious aan vanaf de Lofoten Eilanden.

Dan begint Admiraal Whitworth aan zijn afvaart door de Westfjord met de HMS Warspite, gesteund door de destroyers HMS Icarus, Hero, Foxhound, Kimberley, Forester, Bedouin, Punjabi, Eskimo en Cossack De Icarus vaart vooruit, gevolgd door de andere destroyers en de Warspite. Het hele gebeuren verloopt nochtans niet onopgemerkt voor de Duitsers, dank zij een efficiënte luchtverkenning. Die melding bereikt Fr.Kpt. Bey omstreeks 10.10. Tegen dan bereikt het Brits flottielje de Ofotfjord. Bey besluit daarop om een zerstörer als vlottende kustartillerie in te zetten aan de Hammes-Rammesengte. Zijn eerste idee is daarvoor de Dieter von Roeder te gebruiken, maar die ligt zielloos en kapotgeschoten aan een kade. Dan valt de keuze op de Erich Koellner. Ook die is zwaar geraakt en niet meer zeewaardig, maar hij beschikt nog over al zijn geschutscapaciteit. De zerstörer zal naar zijn ankerplaats begeleid worden door de Hermann Künne, die bij contact met de Britten onmiddellijk moet terugkeren. De resterende zerstörer trekken zich terug in aanpalende fjorden.

De Hermann Künne en de Erich Koellner varen af in de richting van de engte, de eerste als voorpost. Plotseling wordt hij beschoten; meteen zwenkt hij en vaart in een rookgordijn af. De Erich Koellner gaat voor anker in een kleine bocht en wacht op de Britten. Weldra verschijnt de Icarus, gevolgd door de andere destroyers in kiellinie. De zerstörer opent meteen het vuur, maar de strijd is ongelijk. Wanneer de Warspite zich in het gevecht mengt is het pleit snel beslecht. De Erich Koellner gaat ten onder, met 31 gesneuvelde matrozen.

Na de alarmerende berichten van de Hermann Künne varen de Wolfgang Zenker, de Hans Lüdemann en de Bernd von Arnim de Britten tegemoet. De Erich Giese en de Georg Thiele zijn nog niet gevechtsklaar. Rond 13.00 begint het gevecht. De zerstörer zijn krap in munitie. Er volgt een luchtaanval met vliegtuigen van de Furious. De boordflak haalt 2 toestellen neer. De geschutstorens van de Warspite overheersen het strijdtoneel. De Wolfgang Zenker probeert haar te torpederen, maar dat mislukt. Hij slaagt er wel in de Punjabi te raken. Ondertussen neemt de Hermann Künne eveneens deel aan de strijd. Door munitiegebrek breekt Fr.Kpt. Bey het gevecht af rond 13.50 en beveelt zijn zerstörer zich terug te trekken in de Rombakenfjord. Dat bevel bereikt de Hermann Künne niet, die zich terugtrekt in de Herjangenfjord. Daar gaat de bemanning aan land en brengt het schip tot zinken.

De Erich Giese, die inmiddels gevechtsklaar is, vaart uit. In de Bocht van Framnes wordt hij echter onmiddellijk onder vuur genomen door 5 destroyers. Het gelukt hem de Cossack zwaar te treffen. De zerstörer wordt zelf geraakt en begint water te maken. De bemanning verlaat het schip en even later zinkt het met 85 gesneuvelden aan boord.

De aan de kade liggende Dieter von Roeder bestookt de Britten met zijn beperkte mogelijkheden. Lang duurt het niet vooraleer ook deze zerstörer zinkt.

Fr.Kpt. Bey beveelt zijn laatste 4 zerstörer om de Rombakenfjord binnen te varen. Op het einde van de fjord zullen de bemanningsleden van boord gaan en zullen de schepen zichzelf tot zinken brengen. In het midden van de fjord moeten de zerstörer de Strömmenengte passeren. Daar leggen de Hans Lüdemann en de Georg Thiele zich in positie. De eerste beschikt nog over een zeer beperkte voorraad munitie. Bij het verschijnen van de destroyers wordt het vuur geopend. De Hans Lüdemann is snel door zijn munitie heen en vaart af. De Georg Thiele staat er nu alleen voor. De zerstörer blijft doorvuren en maakt zijn laatste torpedo vuurklaar. Hiermee wordt het voorsteven van de Eskimo afgerukt. De Georg Thiele is inmiddels herschapen tot een wrak, dat door haar kapitein op de klippen nabij Sildvik wordt gestuurd. De bemanning gaat van boord, waarna het schip in de diepte glijdt.

De 3 resterende zerstörer bereiken het einde van de fjord, brengen hun bemanning in veiligheid en brengen zichzelf tot zinken. De Hans Lüdemann die nog niet volledig is gezonken, wordt verder afgemaakt door een torpedo van de Hero; de Bernd von Arnim ligt met zijn kiel naar boven en de Wolfgang Zenker is doormidden gebroken.

De Navy verliest die dag 83 manschappen, de Kriegsmarine telt zowat 300 doden.

Dit betekent meteen de eerste belangrijke nederlaag voor de Duitsers tijdens WOII. De Duitsers bevinden zich in Narvik, terwijl de Royal Navy meester is in de fjorden en de haven.

Algemeen genomen hebben de Duitsers de controle over het land, en de Royal Navy over de zee langs de Noorse westelijke kustlijn. De Luftwaffe geniet van op haar nieuwe bases de complete vrijheid. Dit neemt evenwel niet weg dat de Royal Navy een permanente druk blijft uitvoeren op de Duitse strijdkrachten in en rond Narvik.

Daar worden naast de Gebirgsjäger de geredde matrozen van de zerstörer ingezet. Naast de zowat 500 matrozen afkomstig van de gezonken zerstörer in de haven van Narvik, zijn er nog een duizendtal van de 3 zerstörer gezonken in de Rombakenfjord. Van de Georg Thiele kunnen zich een 300tal manschappen redden naar Sildvik. De bemanning van de Hermann Künne vormt een Marinebat. onder het commando van Oberst Windisch. In de haven wordt het Marinebat. Erdmenger ingezet voor de bewaking van de installaties. Andere zerstörerbemanningen vormen het Marinebat. Bey, dat later opgaat in het Marinereg. Berger, en dat wordt ingezet voor de verdediging van de ertsspoorweg. Het aantal beschikbare matrozen beloopt al snel het dubbele van de Gebirgsjäger en zonder hen zou Gen. Dietl zijn stellingen niet hebben kunnen behouden.

Dietl wil meteen het gebied rond Narvik uitbreiden. Hij stuit daarbij op Noorse troepen afkomstig van Tromsö en vanaf de Oallepas, langswaar de Nordlandroute loopt. Een verkenningseenheid van de Gruppe Windisch verjaagt een aantal patrouilles van leerlingen uit de onderofficierenschool van Elvenes. Op 18 april geeft Dietl het bevel de pas te bezetten, waarin de Kie. Bauer na een kort gevecht slaagt. Een andere Duitse verkenningseenheid signaleert de aanwezigheid van Noorse troepen in de omgeving van Spionkop, Björnfjell en aan de Norddalenbrug aan de Zweedse grens. De door de Duitsers opgejaagde Noorse troepen blazen de Norddalenbrug op en trekken zich vanuit Bjönfjell terug over de Zweedse grens. Meteen is de ertsspoorweg vrij en wordt de landverbinding tussen Zweden en Narvik heropend. Zweden laat beperkte burgertransporten toe, waardoor sanitaire voorzieningen en allerhande specialisten Narvik kunnen bereiken.

De bedreiging op zee dwingt de Duitsers er toe in hun bevoorrading te voorzien langs de zuidelijke Noorse havens, door middel van kleine, snelle oorlogsschepen, vertrekkend vanuit Frederikshaven, aan het Jutland-schiereiland.

Tussen mid-april en juni 1940 worden 42.000 manschappen overgezet naar Noorwegen zonder verliezen. Vanaf het begin van de operatie tot 15 juni 1940 vervoeren 370 schepen en trawlers een totaal van 107.581 officieren en manschappen, 16.102 paarden, 20.339 voertuigen en 109.400 ton voorraad naar Noorwegen ten koste van slechts 21 schepen.

Gezien het Ausfuhrstaffel de noordelijke garnizoenen niet kan bevoorraden, worden vliegtuigen en onderzeeërs ingeschakeld als transportmiddel. De duikboten varen 8 transportopdrachten met relatief klein tonnage, dat evenwel van vitaal belang blijkt voor de Wehrmacht in de meest noordelijke gebieden. De Luftwaffe slaagt er in met 582 vliegtuigen 29.280 manschappen en 2.376 ton goederen af te leveren.

* * *

De sleutel tot de controle van Noorwegen is de verovering van bases waar een groot leger kan aan land gezet worden en degelijk bevoorraad.

De Duitsers hebben dit verwezenlijkt in 1 dag. Hoewel de Duitsers in het noorden nog weinig houvast hebben, rukken hun troepen vanuit Oslo uit over het gehele zuiden. Het Duitse leger rukt nu eveneens op naar het noorden, om verder contact te leggen met de enclaves in Bergen, Trondheim en Narvik.

De weerstand van het kleine en slecht uitgeruste Noorse leger kan niet lang aanhouden, tenzij de Geallieerden het ter hulp komen, en dan liefst snel. Het Britse Oorlogskabinet beslist dat de beste bases voor een expeditieleger Narvik en Trondheim zijn. Het plan hiervoor leunt aan bij het vroegere Plan R4.
Op korte termijn wordt een troepenmacht voor een expeditie naar Narvik bijeengebracht.

Op 12 april vertrekt een eerste konvooi met 1 Britse brigade en bijhorende hulptroepen. Binnen 1 of 2 weken zouden ze gevolgd worden door 3 bataljons Chasseurs alpins en andere Franse en Poolse troepen. Ten noorden van Narvik kunnen ook Noorse troepen hulp bieden.

Reeds op 5 april is generaal-majoor J.P. Mackesy aangeduid als bevelhebber van de North West Expeditionary Force die naar Noorwegen zou gestuurd worden.

Daarnaast wordt mits het akkoord van de First Sea Lord, Earl of Cork and Orrery op 10 april benoemd tot bevelhebber van de zeestrijdkrachten.

Op 12 april vertrekt Gen. Mackesy met een voorhoede van 2 compagnie’s van de Scots Guards en een beperkte staf, waaronder Naval Chief of Staff Cpt. L. Maund, aan boord van de HMS Southampton naar Harstad, op 120 mijl van Narvik.

Dezelfde dag vaart Lord Cork uit aan boord van de HMS Aurora vanuit Rosyth, met het oog zich te vervoegen bij generaal Mackesy.

De 14e ontvangt hij een telegram van admiraal Whitworth vanop de Warspite waarin deze stelt dat na de 2e Zeeslag van Narvik de hoofdmacht van de landingstroepen slechts beperkt hoeft te zijn. Volgens Noorse schattingen zouden er slechts 1500 tot 2000 Duitse troepen aanwezig zijn, zodat een frontaanval op de haven kan overwogen worden zonder een risico van zware tegenstand. Tegen het moment dat zijn advies de hogere hërarchie bereikt, is het te laat om de troepen om te leiden die op 14 april aan land zijn gegaan te Sjovegan, aan de noordelijke oevers van de Vaagsfjord, op 40 mijl van Narvik.

Met het oog op een landing in de ochtend van de 15e april, dirigeert Lord Cork de Aurora naar de Skjelfjord op de Lofoten en beveelt hij de Southampton zich bij hem te voegen. Aldus beschikt hij over een strijdmacht bestaande uit 2 compagnies Scots Guards vanop de Southampton en over 200 matrozen en mariniers vanop de de andere schepen. Door de slechte weersomstandigheden ontvangt de Southampton dit, en een volgend bericht niet, zodat Lord Cork besluit om de operatie af te blazen.

In de ochtend van de 15e komt het grootste gedeelte van de Britse 24th Guards Brigade (Brig W. Fraser) met het 1st. Bat. Scots Guards (Lt.Kol. Trappes-Lomax), het 1st. Bat. Irish Guards (Lt.Kol. Faulkner), het 2nd. Bat. South Wales Borderers (Lt.Kol. Gottwaltz) en de 3rd. Light AA Battery, R.A., maar zonder haar kanonnen, aan in de haven van Harstad. De manschappen bevinden zich aan boord van 3 grote transportschepen, geëscorteerd door het slagschip HMS Valiant en 9 destroyers (Operatie Avonmouth).

De 17e wordt het duidelijk dat Mackesy niet voornemens is Narvik rechtstreeks aan te vallen ; hoogstens wil hij twee nog niet door de Duitsers bezette posities innemen en daar stand houden in afwachting van het smelten van de sneeuw. Hij hoopt daar op de versterking vanwege een halve brigade Chasseurs alpins.

Op 21 april wordt lord Cork benoemd tot enig en uitsluitend opperbevelhebber van de zee-, land- en luchtstrijdkrachten in het gebied rond Narvik; hierdoor wordt generaal Mackesy onder zijn onmiddellijk gezag geplaatst; deze commandowijziging doet generaal Mackesy evenwel niet stoutmoediger optreden, integendeel, hij blijft twijfelen. Lord Cork neemt daarop het besluit om Narvik niet meer in te nemen via een rechtstreekse landing, maar de Duitsers tot overgave te dwingen door een zwaar scheepsbombardement en enkel aan land te gaan wanneer de verdedigers zich overgeven.

De Geallieerden raken er steeds meer van overtuigd dat versterkingen absoluut noodzakelijk zijn; hiertoe worden de volgende troepen vrijgemaakt: 5.000 man Britse,7.000 man Franse en 3.000 man Poolse troepen, 3 Britse gemechaniseerde bataljons, 1 Brits licht tankbataljon, 3 Franse lichte divisies en 1 Britse territoriale divisie.

De 22ste april gaat de Opperste Oorlogsraad akkoord met de volgende militaire doelstellingen:
- de verovering van Trondheim;
- de verovering van Narvik en de samentrekking van een behoorlijke Geallieerde strijdmacht bij de Zweedse grens.

Maar ook de Duitsers onderkennen het belang van Narvik niet. Op 18 april wordt de Kampfgruppe Narvik weggehaald uit de effectieven van het XXI.A.K. en ondergebracht onder het direct bevel van het OKW. Hierdoor staat Gen. Dietl niet meer onder Gen.Oberst Falkenhorst, maar onder het rechtstreeks gezag van de Führer. Een rapport van Fr.Kpt. Bey vermeldt dat de Kampfgruppe Dietl best zou teruggetrokken worden. Volgens Gen. Jodl kan dat onmogelijk via de lucht. De Luftwaffe beschikt immers niet over voldoende lange afstandstransporten om de klus te klaren. Daarenboven zou deze actie het moreel van Dietl’s manschappen neerhalen. Hitler wil echter absoluut vermijden dat de Kampfgruppe in Geallieerde handen valt. Hij voorziet daarom dat Dietl en zijn manschappen de Zweedse grens zouden oversteken en daar in gevangenschap gaan. Het radiografische bevel bereikt hem evenwel niet. Daarom wordt een koerier, Hptm. der Luftwaffe Schenk von Sternburg, naar Noorwegen gestuurd. Hij krijgt pas op 22 april Gen Dietl te zien in hotel “Royal”, waar hem het geschreven bevel van de Führer wordt overhandigd. Dietl houdt echter voet bij stuk en verklaart in Narvik te willen blijven, ware het maar om Trondheim niet het volle gewicht te laten dragen van een Britse aanval. Via de radiozender Tromsö worden de bewoners van Narvik ervan op de hoogte gesteld dat een Britse artillerie-aanval op til is en dat de stad best ontruimd wordt. Na rijp beraad besluit Dietl in de stad te blijven en haar, samen met de haven te verdedigen en zo lang mogelijk stand te houden.

Het scheepsbombardement is voorzien voor 24 april en zal uitgevoerd worden door het slagschip HMS Warspite, de kruisers HMS Effingham, Aurora en Enterprise en de destroyer HMS Zulu. Het slechte weer verhindert de ondersteuning door de FAA vanaf HMS Furious, maar het houdt eveneens de vliegtuigen van de Luftwaffe aan de grond. De beschieting haalt echter niet het verwachte resultaat. De landingstroepen (Irish Guards) aan boord van de scholingskruiser HMS Vindictive, en beschermd door de destroyers HMS Faulkner, Encounter, Escort, Foxhound, Havock, Hero, Hostile en de Poolse destroyers Grom en Blyskawica, moeten aldus niet uitvaren.

Dezelfde dag bereiken de eerste langverwachte versterkingen Harstad. De 27e Demi-Brigade de Chasseurs Alpins (Lt.Col. Valentini) komen van boord van de transportschepen Djenné, Flandre en Président Doumer; ze zijn geëscorteerd door de destroyers Tartu, Chevalier-Paul, Milan en de HMS Codrington en Farne. Samen met deze Franse troepen beschikt Gen. Mackesy over voldoende manschappen om het schiereiland van Narvik aan te vallen langs 3 kanten.

Het is in de omgeving van Gratangen dat Gen. Mackesy beslist om de opmars naar Bjerkvik te laten beginnen door 2 van de 3 Franse bataljons. Ze gaan aan land op 28 april in de omgeving van Sjövegan. Het 14e B.C.A. wordt in reserve gehouden, terwijl het 6e B.C.A. overgebracht wordt naar Gratangen, om vandaar op te rukken naar Labergdal, waar het op 1 mei contact heeft met Duitse troepen. De Noorse troepen in de regio worden gereorganiseerd in 2 brigades. Op links de 6e Brig., bestaat uit 3 bataljons en 1 batterij bergartillerie (Kol. Löken), duwt de Duitse voorposten terug in de richting van de Zweedse grens. Op rechts de 7e Brig., bestaat uit 2 bataljons, een batterij bergartillerie en een gemotoriseerde batterij (Kol. Foye) en opereert in nauwe samenwerking met de Fransen. Deze leveren 2 compagnie’s en een mortiersectie voor de opmars langs de weg van Elvenes naar Bjerkvik.

Op 4 mei wordt een batterij van de Franse Koloniale artillerie als versterking gestuurd, een paar dagen later gevolgd door het 14e B.C.A. Op 10 mei bezet een Franse ski-eenheid de 3000 m hoge top van de Labergdal. Noorse troepen ontplooien zich aan de oostkant. De weg zelf blijft in Duitse handen. Gedurende de laatste tien dagen zijn de Fransen en de Noren amper 5 mijl opgerukt naar Narvik.

De Britse opmars, ondersteund door de Navy en Noorse eenheden kan enigszins profiteren van de intredende dooi gedurende de eerste dagen van mei. Aan de noordkant van de Ofotfjord gaan de Irish Guards aan land te Bogen. Tussen 26 en 28 april komen de South Wales Borderers aan te Ballangen, ‘s anderendaags gevolgd door de Brigade Advanced Headquarters. Dezelfde dag landen de South Wales Borderers zonder tegenstand te Haakvik, op slechts 4 mijl van Ankenes, maar binnen het bereik van Duitse patrouilles. Vandaar wordt verder opgerukt naar Ankenes. De Britten stuiten op een Duitse artilleriebarrage; er wordt een voorpost geïnstalleerd te Baatberget. Tot aan het meer van Storvatn worden enkele stellingen voorzien om de flanken te beschermen.

Naast een aanval op Narvik via Ankenes, wordt door het betere weer de hoop gekoesterd om de stad aan te vallen langs de Beisfjord. Maar de Duitsers houden rekening met deze mogelijkheid. Dietl kan in deze regio 1 infanteriebataljon en 1 marinebataljon inzetten. De Duitsers zijn echter afhankelijk van bevoorrading per spoor via Zweden. De kanonnen in Narvik beschermen de toegangsweg vanaf Ankenes, terwijl de mitrailleursposten aan de Beisfjord bevoorraad worden door watervliegtuigen. Op 1 mei gebeurt een tegenaanval aan het noordelijke eind van het Storvatn, de volgende dag volgt er een in de richting van Haakvik. De Duitsers worden echter tegengehouden door de boordkanonnen van de HMS Aurora. De Britten krijgen versterking van het 12e B.C.A.. De Fransen nemen geleidelijk de taken van de South Wales Borderers over, die niet uitgerust zijn voor operaties in de sneeuw. Op 9 mei worden de Duitsers door 2 Franse compagnie’s en een ski-eenheid teruggedreven vanop 3 heuvelruggen ten noorden van het Storvatn. Hierdoor krijgen ze zicht op de Beisfjord.

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 


Kaart van Noorwegen


Duitse troepen, na het gevecht.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.