Op 1 september, na het vernemen van de Duitse
inval in Polen, begint in Groot-Brittannië (GB) de algemene
mobilisatie. Duitsland ontvangt om 21.30 een eerste ultimatum, gevolgd
door een tweede en laatste op 3 september om 09.00. De Britse regering
verklaart Duitsland de oorlog om 11.00, de Franse om 17.30.
Voor de dagelijkse opvolging van de oorlogsevenementen
wordt in Londen onder het voorzitterschap van de Prime Minister
Chamberlain een oorlogskabinet samengesteld: Lord Halifax (Foreign
Secretary), sir Samuel Hoare (Lord Privy Seal - grootzegelbewaarder,
minister in algemene dienst zonder portefeuille), sir John Simon
(Chancellor of the Exchequer - minister van Financiën), Lord
Chatfield (Minister of Coordination of Defence) en Lord Hanky (minister
zonder portefeuille). Daarbij komen de 3 ministers wiens departementen
rechtstreeks betrokken zijn bij de oorlogsvoering: Hore-Belisha
(Secretary of State for War - minister voor Oorlog), sir Kingsley
Wood (Secretary of State for Air - minister voor Luchtvaart) en
sir Winston Churchill (First Lord of the Admiralty - minister voor
Marine). Tenslotte zetelen eveneens Anthony Eden (Dominions Secretary
- minister voor de Dominions) en sir John Anderson (Home secretary
en minister of Home secretary).
* * *
Na de veldtocht tegen Polen volgt een relatief
kalme periode waarin gedurende 8 maanden, en afgezien van de Winteroorlog,
weinig akties van betekenis te melden vallen; het enige grondoffensief
tijdens deze periode wordt hierna beschreven. De zeegevechten worden
behandeld in het deel “De oorlog op de wereldzeeën”.
De dag-aan-dagbeschrijvingen van de luchtgevechten tijdens de “Drôle
de guerre” zijn weergegeven in het nr. 3 van “Batailles
aériennes”.
Operatie Saarland.
Operatie Saarland betreft de Franse inval in Duitsland naar aanleiding
van de Duitse inval in Polen, overeenkomstig het Militair akkoord
tussen Polen en Frankrijk/Groot Britannië.
Deze operatie was al voorbereid sinds 24 juli 1939 door generaal
Prételat (Commandant van Legergroep 2).
Op 9 september vallen het IVe Armée (generaal Réquin)
en het IIIe Armée (generaal Condé) de Siegfriedlinie
aan. Enkele eenheden rukken traag op door het bos van Warndt. De
Duitse tegenstand is hevig. Bij een tegenaanval, ondersteund door
automitrailleurs, zet Réquin tanks in en het 170e R.I. (kol.
Codechèvre).
Op 12 september
beveelt gen. Gamelin aan het IVe Armée om op zijn huidige
posities te stoppen en er zich in te graven.
Vanaf 20 september
bereiden de generaals Prételat en Georges de terugtocht voor.
Tijdens de nacht van 22 op 23 september gebeurt nog een drama, wanneer
in het bos van Saint-Arnual de tirailleurs van het 23e R.T.A. (kol.
Magnien) door hevig artillerievuur bijna volledig worden uitgeroeid.
Op 4 oktober
is de terugtocht van het IVe Armée beeindigd. De Franse troepen
hebben over een front van 38 km Duits grondgebied bezet, waarbij
30 Duitsers worden gevangen genomen. De verliezen zijn echter aanzienlijk
(officieren en soldaten): 308 gesneuvelden, 1378 gekwetsten en 141
vermisten.
Tegen 16 oktober is het gros van de Franse troepen teruggetrokken.
* * *
In Berlijn is de Duitse generale staf veel minder
enthousiast over het verloop van de
Poolse campagne dan Hitler.
Even heeft hij hoop op een Europese vredesconferentie, maar al snel
begint hij werk te maken van plannen voor een offensief in het westen.
Nadat Hitler’s vredesvoostellen op 9 oktober definitief afgewezen
worden beveelt hij zijn generale staf om de plannen concreet uit
te werken. De Duitse militairen zijn evenwel niet erg happig op
het idee van een oorlog tegen Frankrijk en GB. Dit zijn tegenstanders
van een ander kaliber dan Polen en daarenboven is het verrassingseffect
van de Blitzkrieg enigszins verdwenen.
De troepensterktes schijnen de Duitse generaals in het gelijk te
stellen; de Fransen kunnen 110 divisies op de been brengen; de Engelsen
kunnen daar in eerste instantie nog 4 tot 6 divisies aan toevoegen.
Deze zullen de British Expeditionary Force (BEF) vormen, onder de
leiding van Lord Gort.
Daartegenover kunnen de Duitsers 98 divisies aligneren waarvan er
in feite 36 niet inzetbaar zijn ingevolge onvoldoende training en/of
uitrusting. Eenzelfde krachtsverhouding is terug te vinden bij de
tanks en de artillerie.
Uiteindelijk geven Brauchitsch (opperbevelhebber van het OKH) en
Halder (chef van de generale staf) tegen hun zin toe en beginnen
met de opmaak van een aanvalsplan voor het westelijk offensief dat
moet van start gaan tegen half november 1939, maar dat als gevolg
van de weersomstandigheden een aantal keer zal uitgesteld worden.
Het vormt een bleke kopie van het Plan Schlieffen uit 1914 dat gebaseerd
was op een hoofdaanval door Midden-België, samengaand met een
nevenaanval in de Ardennen. Dit plan krijgt nogal wat kritiek van
de jongere officieren, net door zijn gelijkenis met het aanvalsplan
van 1914. Door omstandigheden zal dit plan evenwel nooit uitwerking
vinden.
Op 10 januari 1940 landt een Bf 108 (Taifun) van het Fliegerhorst
Münster bij vergissing op het grondgebied van de gemeente Vucht
(Mechelen aan de Maas). De piloot, maj. Erich Hoenmanns, is verdwaald
en neemt de loop van de Maas voor deze van de Rijn. Samen met zijn
passagier, maj. Helmuth Reinberger, wordt hij gevat en gevangen
gezet door Belgische militairen. Groot is hun verwondering wanneer
zij in de aktentas van Reinberger het volledige gedetailleerde invasieplan
voor België en Nederland ontdekken.
Door deze tegenslag moet een nieuw plan uitgewerkt worden. De ontwerper
hiervan wordt Erich von Manstein, de stafchef van von Rundstedt,
samen met de panzerspecialist Heinz Guderian. Hun voorstel is het
oorspronkelijke plan gewoon om te draaien. De hoofdaanval zou dus
geschieden via de Ardennen, met afleidingsmanoeuvers door het hart
van België, langs de Maginot-linie en door Nederland. Het is
een onverwacht plan, gezien het ondoordringbaar bosgebied van de
Ardennen. Het zal niet alleen de geallieerden verrassen, maar de
Duitsers eveneens toelaten om de zwak bezette Franse linies snel
te doorbreken en door te stoten naar de Kanaalkust en aldus de Britse,
Franse en Belgische troepen af te snijden.
Ondanks zijn stoutmoedig karakter wordt het plan aanvaard.
Het Duits offensief wordt gedragen door 3 Heeresgruppen: in het
noorden, tegenover Nederland en Noord-België bevindt zich Heeresgruppe
B onder het bevel van gen. von Bock; in het centrum, tussen Aachen
en Zuid-Luxemburg bevindt zich de machtigste legergroep, met name
Heeresgruppe A onder het bevel van gen. von Rundstedt; in het zuiden,
tussen Zuid-Luxemburg en Zwitserland bevindt zich Heeresgruppe C
onder het bevel van gen. Ritter von Leeb. Deze legergroep is eerder
belast met de beveiliging van de Siegfriedlinie tegenover de Maginotlinie.
Langs de grenzen met België en Luxemburg wordt
de Groupe d’Armées n°1 (G.A.1) gestationeerd onder
het bevel van gen. Billotte.
Op 14 november 1939 neemt gen. Gamelin de beslissing voor de stationering
van de verschillende legers voor de verdediging van België:
steunend op de verdedigingslinie Antwerpen-Gent
dekt het Belgisch leger het noorden van het land;
in het centrum beschermen de Britten de
regio Brussel;
in het zuiden verdedigt het Ie Armée
(gen. Blanchard) de Dijle en het gat Wavre-Namur; het IXe Armée
(gen. Corap) neemt het front tussen Givet en Namur voor zijn rekening;
de inname van de voornoemde posities gebeurt
onder de bescherming van de Divisions Légères Méchaniques
(D.L.M.);
het VIIe Armée (gen. Giraud) bevindt
zich achter en op links van de Belgische strijdkrachten rond Antwerpen;
het beschermt hun linkerflank en leunt zo mogelijk aan bij de
Nederlandse troepen. Tevens kunnen delen van de Nederlandse eilanden
Walcheren en Beveland bezet worden.
Waaruit bestaan de verdedigingen in België
?
In het noorden:
De vestiging Antwerpen:
omvat een gordel van oude forten die sinds WOI. niet gemoderniseerd
zijn; het betreft blockhausen en kazematten met errond overstromingsgebieden
en anti-tankgrachten. Bij een invasie via Nederland wordt vermoed
dat de Wehrmacht Antwerpen bereikt binnen de 48 u.
H et bruggenhoofd Gent: omvat weerstandspunten (47 bouwwerken)
en steunpunten (30 bouwwerken) bestaande uit blockhausen voor 1
of 2 mitrailleurs met errond prikkeldraadversperringen en anti-tankgrachten;
er zijn een aantal overstromingsgebieden (vanuit de Schelde) voorzien
tussen Antwerpen en Gent
In het oosten:
De defensieve organisatie van de provincies Luik
en Luxemburg bestaat uit een dubbele linie van kazematten en betonnen
steunpunten van waaruit een aantal strategische communicatiecentra
en de valleien onder vuur kunnen genomen worden. Hierbij speelt
de vesting Luik een sleutelrol. Afgezien van tal van kazematten
en steunpunten beschikt Luik over 5 moderne forten (Eben-Emael,
Neufchâteau, Pepinster, Battice en Sougne-Remouchamps) die
onderling verbonden zijn met ondergrondse gallerijen waarin eveneens
het communicatienetwerk opgenomen is. Daarnaast zijn er nog 7 oudere
forten die opnieuw bemand en bewapend zijn (Barchon, Evergnée,
Fléron, Chaudfontaine, Embourg, Boncelles en Pontisse).
Een belangrijk strategisch nadeel is dat Luik gemakkellijk kan omtoert
worden via Maastricht in het noorden en via Namur in het zuiden.
Het behoud van Maastricht is dus van essentieel belang; indien de
Wehrmacht daar kan doorbreken worden in een mum van tijd, via Tongeren,
de defensielijnen aan de Dijle en tussen Wavre en Namur bereikt.
Wavre-Gembloux (Dijle)-Namur:
Rond Wavre komen, afgezien van enkele beboste delen,
weinig natuurlijke hindernissen voor. De bermen van de spoorlijn
Brussel-Wavre-Gembloux-Namur kunnen eventueel gebruikt worden als
defensielijn.
De Dijle is in Wavre 8 m breed en tussen 1,5 en 3 m diep; in de
omgeving van Leuven wordt ze tussen 12 en 20 m breed en maximaal
2,5 m diep.
Gembloux vormt het kruispunt van 4 hoofdwegen: Brussel, Luik-Maastricht,
Namur en Charleroi.
Vanaf het plateau van Rhisnes is het ongeveer 7 km dalen tot in
Namur en de Maas. Voor het overige zijn er geen noemenswaardige
natuurlijke hindernissen.
Naast de Dijle zijn er in de regio nog enkele kleinere riviertjes
en beken zoals de Thyle, de Gete, de Oncz, de Houyouse en de Méhaigne.
Het Ie Armée krijgt de opdracht om de Duitsers
aan de Dijle te stoppen. In Frankrijk beschikt het over een front
van 90 km over 2 versterkte posities: Maubeuge en de Schelde.
Een versterkte positie bestaat uit betonnen bouwwerken, aangevuld
met lichtere constructies die evenwel bestand zijn tegen obussen
van 210. Errond is meestal een anti-tankgracht gegraven.
Een nieuwe versterkte positie over Le Coteau-Cambrai-kanalen du
Nord, is nog in aanbouw.
De voorhoede van het Ie armée wordt gevormd door de 1e en
2e D.L.M. behorende tot het Corps de Cavalerie (C.C.) van gen. Prioux.
De D.L.M.’s zijn aangevuld met 2 bat. gemotoriseerde mitrailleurs.
Het materieel is modern: AMD Panchard (kanon van 25), Somua-tanks
(kanon van 47) en de minder krachtige Hotchkiss (kanon van 37).
Nadeel is dat het C.C. niet beschikt over een voldoende luchtsteun.
Het gros van het Ie Armée bestaat uit 3 Corps d’Armée’s
(C.A.) waarvan de infanteriedivisies zich volledig gemechaniseerd
kunnen verplaatsen en tevens kunnen beschikken over krachtige verkenningsgroepen
uitgerust met automitrailleurs.
Op links het 3e C.A. (gen. de la Laurencie) met de 1e Div.Inf.Motorisée
(D.I.M.) (gen. de Camas) en de 2e Div.Inf.Nord-Africaine (D.I.N.A.)
(gen.Dame).
Op rechts het 5e C.A. (gen. Altmeyer) met de 12e D.I.M. (gen. Johnson)
en de 5e D.I.N.A.
In de achterhoede het 4e C.A. (gen. Aymes) met de 15e D.I.M. (gen.
Juin) en de 1e Div.Marocaine (gen. Mellier).
In reserve en op spoorwegtransport: de 32e D.I. (vervoegt het 3e
C.A. ten zuiden van Cambrai) en de 43e D.I. (vanuit de regio van
Epernay naar het kanaal van Charleroi)
Vanaf de grens is het zowat 100 km tot de regio van Gembloux, maar
voor een aantal eenheden die zich dieper in Frankrijk bevinden kan
die afstand gemakkelijk oplopen tot 200 en zelfs 300 km. Om de troepentransporten
bij daglicht te vermijden wordt ‘s nachts gereden waarbij
de reiswegen afgebakend worden.
Rechts van het Ie Armée bevindt zich het IXe
Armée (gen. Corap). Door de grote beboste oppervlakten en
de aanwezigheid van de Maas lijkt de taak van dit Armée iets
makkelijker. Het IXe Armée is geografisch als volgt bevoegd:
in het oosten tot aan de loop van de Bar, de streek van Donchery
en het dorp Vrigne-au-Bois, halverwege Sedan en Charleville-Mézières.
In het noordwesten tot in Givet en de Belgische grens. In geval
van een Duitse aanval zal het IXe Armée 3 infanteriedivisies
vooruitsturen om de vijand op te vangen. Om deze divisies toe te
laten hun posities in te nemen zullen eenheden Cavalerie te paard
van het IXe Armée vertragingsgevechten uitvoeren ten oosten
van de Maas en tot aan de Ourthe en de Semois. Gelijkaardige eenheden
van het IIe Armée zullen identieke opdrachten uitvoeren ten
noorden van de regio Sedan en in de vallei van de Chiers.
De verdedigingsgordel in de sector van het IXe Armée is relatief
zwak. Enkel tussen Revin en Trélon bestaat een versterkte
positie die is uitgewerkt in de diepte. Langs de Maas zijn er vrijwel
nergens bouwwerken opgetrokken.
Generaal Corap beschikt over de volgende strijdkrachten:
3 C.A.’s: het 2e Mot. (gen. Bouffet),
het 11e (gen. Martin) en het 41e (gen. Libaud);
7 Infanteriedivisies: de 5e D.I.M. (gen.
Boucher), de 4e D.I.N.A. (gen. Danselme), de 18e D.I. (gen. Buffet),
de 22e D.I. (gen. Hassler), de 53e D.I. (gen. Etcheberrygaray),
de 61e D.I. (gen. Vauthier) en de 102e D.I.(F) (Forteresse) (gen.
Portzer);
2 Div.Cav.Lég.: de 1e en 4e D.C.L.
en de 3e Brig.Spahis.
7 artillerieregimenten van verschillend
kaliber;
1 bat. mitrailleurs;
2 bat. R.35-tanks en 1 bat. oude F.T.Renault-tanks
uit 1918;
3 groepen van 75-luchtafweer;
3 batterijen van 25-luchtafweer;
1 groep van autotransport.
De aan het IXe Armée toegewezen luchtmacht
staat onder het bevel van gen. Augereau.
Het front van het IIe Armée (gen. Huntziger)
strekt zich uit over een 60tal km met van het westen naar het oosten
de streek van Donchery (aan de rechterflank van het IXe Armée),
Sedan, de vallei van de Chiers, de sector van Mouzon, het versterkte
bruggenhoofd van Montmédy en de sector van Marville tot Longuyon
(aan de linkerflank van het IIIe Armée van gen. Condé).
Het verdedigingssysteem aan dit front is nogal variabel. Het krachtigste
is dat van Montmédy (19 km): 4 belangrijke betonnen bouwwerken
(type Maginot) onderling verbonden met kazematten en artillerieplatforms
en een anti-tank railnetwerk; daarnaast nog een gordel van lichte
blockhausen.
Tussen Montmédy en Longuyon bevindt zich de sector van Marville
(15 km): 1 kazematte voor 75 en 19 platforms voor marinebatterijen
van 47 en 63.
De sector van Mouzon (20 km) en de vallei van de Chiers: 10 zware
blockhausen (voor 47 en verscheidene mitrailleurs), 90 lichte blockhausen,
enkele platforms voor 75 en 105 en een netwerk van prikkeldraad
met her en der anti-tankrails.
De verdediging van de sector van Sedan zorgt voor hoofdbrekens;
de stad ligt op amper een 10tal km van de Luxemburgse grens en op
120 km van Duitsland. Het is daarenboven een belangrijk kruispunt
voor enkele hoofdwegen. Tenslotte is de stad mogelijk te omtoeren
in het westen langs de vallei van de Bar (met dreiging in de rug
van de rechterflank van het IXe Armée) en in het oosten langs
de gaten van Thélonne en Angecourt. De val van Sedan betekent
de doorgang naar Reims, Châlons-sur-Marne, Verdun en de vallei
van de Aisne.
Generaal Huntziger beschikt over de volgende strijdkrachten:
28e C.A. (of de 18e C.A. ??): in de sector
van Marville en het bruggenhoofd van Montmédy, met de 41e
D.I. en de 1e D.I.C.;
10e C.A. (gen. Gransard): de sectoren van
Mouzon en Sedan met de 55e en 71e D.I. en de 3e D.I.N.A.
* * *
Onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog wordt
aangevangen met het overbrengen naar Frankrijk van de Britse expeditionaire
macht (BEF).
Uit vrees voor Duitse luchtaanvallen wordt voor het overbrengen
enkel gebruik gemaakt van havens ten zuiden van deze aan het Pas
de Calais. Hiervoor komen in aanmerking Saint-Nazaire, Cherbourg
waar troepen ontschepen en Brest en Nantes waar voertuigen en voorraden
aan land gaan. Le Mans en Laval worden verzamelpunten. Dit heeft
wel als nadeel dat de Britse soldaten nog tot 250 mijl met de trein
of per vrachtwagen moeten afleggen alvorens hun posities langs de
Frans-Belgische grens in te nemen.
Tegen half oktober hebben 4 divisies hun posities bezet. Uit 3 infanteriebrigades
die in de loop van oktober en november aangekomen zijn, wordt in
december een 5e divisie gevormd. De 48e divisie komt aan in januari
1940, gevolgd door de 50e en de 51e in februari en de 42e en de
44e in maart. {In april volgen de 12e, de 23e en de 46e divisies.
Daarenboven is het BEF, sinds 9 januari versterkt met een eerste
koloniale contingent, bestaande uit Cypriotische troepen}
Voorlopig volbrengen de Britse soldaten weinig militaire taken.
Zij worden ingezet bij allerhande bouwwerken: het verbeteren van
de door de Fransen aangelegde verdedigingswerken, het graven van
anti-tankgrachten, het plaatsen van prikkeldraad, het aanleggen
van spoorlijnen, het trekken van een ondergronds kabelnet, het bouwen
van ondergrondse commandoposten en het aanleggen of verbeteren van
vliegvelden.
Om de militaire paraatheid toch enigszins op peil te houden worden
Britse eenheden afwisselend naar de Franse frontsector nabij Metz
gestuurd. Ze nemen er deel aan patrouilles en militaire oefeningen.
Door de relatieve kalmte worden nu eveneens havens ten noorden van
Le Havre in gebruik genomen; zo wordt Dieppe een hospitaalhaven
en Fécamp een munitiehaven.
* * *
Na het incident van de 10e januari te Mechelen a/d
Maas draait de diplomatieke molen op volle toeren. In de nacht van
de 13e op de 14e januari ontbiedt Spaak de Franse en de Engelse
ambassadeurs om hen nogmaals op het hart te drukken om de gegeven
waarborgen na te komen in geval van een Duitse inval. Hij deelt
hen eveneens mee dat alle versperringen langs de Belgisch-Franse
grens weggenomen zijn.
Diezelfde nacht ontmoet Koning Leopold III de Engelse gezant bij
het Koningshuis, admiraal Keyes. Ook hier komen die waarborgen aan
bod, zelfs diegenen voorzien na het stopzetten van de vijandelijkheden.
Het betreft meer bepaald dat geen vredesbesprekingen mogen gevoerd
worden zonder deelname van België; het volledige herstel van
het politieke statuut van België en de kolonies en bijstand
tot het financiële en economische herstel van België.
In principe zou Keyes dit gaan bepleiten in Londen, maar een dichte
mist verhindert hem over te vliegen. Daarop besluit hij Churchill
telefonisch te contacteren. Dit onderhoud blijkt de oorzaak te zijn
van een diplomatiek misverstand. Londen meent te begrijpen dat België
akkoord gaat om onmiddellijk Franse en Engelse troepen op haar grondgebied
toe te laten (at once), en niet meer van zodra België wordt
aangevallen ( as soon as). Londen aanvaardt de Belgische vraag en
is eveneens bereid om grotendeels tegemoet te komen aan de verdere
Belgische eisen.
Wanneer de Koning beseft dat Franse en Britse troepen klaarstaan
om onmiddellijk het Belgische leger te vervoegen, ontbiedt hij Keyes.
Hij maakt hem duidelijk dat België slechts tot de Geallieerden
zal toetreden wanneer het wordt aangevallen. Er is dus geen sprake
van troepen te ontplooien op het grondgebied. Dit antwoord wordt
door Keyes op 15 januari aan de Britse regering medegedeeld. Dezelfde
dag wordt de Belgische neutraliteit bevestigd aan Frankrijk en Duitsland.
* * *
Op 20 maart 1940 valt in Parijs de regering-Daladier.
Ze wordt vooral afgerekend op haar zwak optreden tijdens de Winteroorlog.
‘s Anderendaags vormt Paul Reynaud een nieuwe regering.
Aan het front in het Saargebied lost de Britse 51st (Highland) Division,
Franse troepen af.
* * *
Op 28 maart 1940 wordt tijdens de zitting van de
6e Intergeallieerde Hoge Raad in Londen (met o.m. Reynaud, Gamelin,
Darlan en Vuillemin aan Franse kant en Chamberlain, Halifax, gen.
Ironside, Dudley Pound (RN), Cyrill Newall (RAF) en Churchill aan
Britse kant) de volgende militaire kalender afgesproken:
op 1 of
2 april: officiële diplomatieke
verwittiging aan Zweden en Noorwegen ivm. de ertsleverancies aan
Duitsland;
4 april: van
start gaan met de operatie “Royal Marine” (droppen
van speciale mijnen in de Rijn); het Franse Comité de Guerre
zal evenwel een uitstel van de operatie vragen met 3 maanden tot
einde juni 1940;
5 april:
leggen van mijnenvelden in de Noorse territoriale wateren; de
operatie wordt verdaagd naar 8 april (codenaam Wilfred), maar
zal als dusdanig niet doorgaan door de aanvang van “Operatie
Weserubung” die van start gaat op 9 april; {Oorspronkelijk
had de Raad voorzien, in het vooruitzicht van een Duitse reactie,
om Britse en Franse troepen te sturen naar Narvik, om de haven
te bewaken en eventueel op te rukken naar de Zweedse grens. Tegelijkertijd
zouden eveneens troepen overgebracht worden naar Stavanger, Bergen
en Trondheim}
vanaf 15
april: droppen van soortgelijke speciale
mijnen in talloze Duitse rivieren en kanalen;
er wordt begonnen met een studie naar de
mogelijkheid van het bombarderen van de olievelden in de Kaukasus.
{Er wordt eveneens overeengekomen dat de Geallieerden
België onmiddellijk zullen binnentrekken wanneer het aangevallen
wordt door Duitsland, en dit zonder te wachten op een voorafgaandelijke
vraag of toestemming van de Belgische regering. Mocht Nederland
aangevallen worden en België komt niet ter hulp, zullen de
Geallieerden zich vrij achten om België binnen te trekken en
Nederland ter hulp komen.}
Op 2 september worden
10 squadrons Fairey Battle’s en 2 squadrons Hurricane van
het Advanced Air Striking Force overgebracht en verspreid over verscheidene
bases in Frankrijk.
Op 3 september voert een Bristol
Blenheim van het 139.Squadron de eerste operationele vlucht uit
van de RAF tijdens WOII, namelijk een fotografische verkenningsvlucht
boven de Duitse marinebasis van Wilhelmshaven. In de nacht van 3
op 4 september voeren 10 Whitley-bommenwerpers van de 51. en 58.Squadron
de eerste raid van de RAF uit boven Duitsland door het strooien
van 6 miljoen pamfletten boven Hamburg, Bremen en het Ruhr-gebied.
Bronnen :
Le Désastre de 1940 - Tôme 2: La
Guerre Immobile - Claude Paillot (Ed. Robert Laffont).