<< Menu  


Operatie Overlord: de uitbraak en het slagveld
De uitbraak

In de Amerikaanse sector rukte het 7de korps op naar Cherbourg en het 8ste korps kwam moeizaam vooruit in zuidelijke richting ten noorden van de moerassen bij Carentan. Ten oosten van de moerassen hadden het 19de en het 5de korps ook een trage opmars naar het zuiden. De storm van 19 - 22 juni had ervoor gezorgd dat deze formatie te maken kregen met gebrekkige aan-voer van munitie zodat er maar weinig terreinwinst kon worden gemaakt. Rond 21 juni had Bradley een plan voor een uitbraak. Bradley wilde een zwakke plek in de vijandelijke linie vinden, waar hij voldoende troepen kon samenbrengen om een gat in de vijandelijke linie te maken. Vervolgens zouden mobiele eenheden het gebied binnentrekken. Dit vereiste een controle over een opmarslijn te zuiden van de moerassen bij Carentan en het vinden van voldoende parallelwegen voor de uitgestrekte verdeling en het bevoorra-den van de verschillende mobiele divisies. De terreinkeuze bracht Bradley ertoe de weg Saint-Lô-Coutances uit te kiezen als het ideale vertrekpunt. Vanaf deze rechte hoofdweg liepen twee geschikte wegen parallel langs hoger gelegen terrein naar het zuidwesten. Enkele kilometers ten zuiden van de opmarslijn, voorbij Marigny en Saint-Gilles liep het land schuin af, op zo'n manier dat een leger vanaf het noorden snel kon oprukken. Het dichte, met heggen begroeide bocagelandschap maakte plaats voor meer open terrein. Het eerste belangrijke tactische doel was controle over de weg Saint-Lô-Coutances te krijgen. Bradley wilde een directe aanval op Saint-Lô vermijden, omdat het te zwaar te sterk verdedigd was. In eerste instantie leken de heidevelden, heuvels en bossen in het uiterste westen van Normandië het meest geschikt voor een aanval. Bradley was van plan om het 5de en 19de korps achter te houden, terwijl het 7de korps de moerassen moest oversteken en het 8ste korps langs de westkust moest oprukken. Het terrein, weer en de vijand verijdelden dit plan, de regen maakte de moerassen niet alleen groter, maar bemoeilijkte iedere manoeuvre. Het 7de korps slaagde erin de Vire en talrijke andere waterhindernissen over te steken en naar het zuiden op te trekken, maar veel langzamer dan verwacht, pogingen om die opmars te versnellen voor de 3de pantserdivisie met een ten westen van de Vire via de positie van de 30ste divisie (van het 19de korps) te laten oprukken, leidde tot opstoppingen en verwarring. De Duitsers beantwoorde deze opmars met tegenaanvallen van de 17de SS panzergrenadiers en de 2de SS pantserdivisie. Op 11 juni zetten de Duitsers een grote tegenaanval in met de Panzerlehr, die net uit het zuiden van Bayeux was gekomen. De Duitse aanvallen kregen dezelfde problemen als die van de Amerikanen, wat betreft manoeuvres, communicatie en coördinatie en bereikten het gewenste resultaat niet. Ze slaagde er wel in om de opmars van het 7de korps te vertragen. Verder naar het westen raakte ook het 8ste korps in problemen. De heuvels van Mont Castre, dicht bebost en zwaar verdedigd, konden niet snel worden ingenomen. Op 14 juli was het korps in 12 dagen en ten koste van vele mensenlevens slechts 13 kilometer vooruit gekomen. Bij de gevechten van 3 - 10 juli was de 90ste divisie 5.000 man verloren.
De eerste taak van het Amerikaanse 1ste leger was nu om Saint-Lô te veroveren. De vijand in het gebied bestond uit het 2de parakorps. In het oosten lag de 3de paradivisie, bestaande uit 2 sterke regimenten van de Fall schirmjagers (para-infanterie), zeer bekwame en vastberaden elitetroepen. Ten westen van hen lagen de kampfgruppen (gevechtsgroepen) van de 353ste, 352ste en 266ste divisie. Ondersteuning werd gegeven door de 12de brigade Sturmgeschutz (stormgeschut) een bataljon Nebelwerfers (raketwerpers), 2 batterijen 88 mm kanonnen, 105 mm en 150 mm houwitzers en vele zware mortieren. Dit was allemaal opgesteld op heuvel 122. Heuvel 122 was eigen-lijk de belangrijkste heuvel in het gebied. Vanaf deze heuvel had men zicht op Saint-Lô. Heuvel 122 werd echter zwaar verdedigd en was beschermd door een stelling met heggen in het noorden bij le Carillon en een versterking op een heuvel bij le Cauchais. Een aanval op de Martinville-hoogte zou echter nooit kunnen slagen zolang heuvel 122 in handen van de vijand was. Het 5de korps zou de aanval inzetten met krachtige ondersteuning van artillerie. Op 11 juli om 5.00 uur begon de artillerie te schieten. De kanonnen vuurden 50 minuten lang op de Duitse batterijen, communicatieposten en logistieke reserves. Terwijl de veldkanonnen de eerste 3 rijen heggen onder vuur namen (hierin zaten mortier- en machinegeweerposten). Verder vuurde ze brisant-granaten en granaten met schokontsteking af om de troepen en schuilplaatsen te vernietigen. Op 15 juli nam men heuvel 122 in met behulp van infanterie, tactische vliegtuigen, artillerie en tanks. Saint-Lô werd veroverd en de geallieerden rukte verder op. Op 21 juli werd een begin gemaakt met operatie "Cobra", maar dit werd uitgesteld. Op 24 juli leek het weer beter maar het werd steeds slechter. Dit was een tegenslag omdat een groep zware bomme-werpers al was opgestegen en niet meer kon worden teruggeroepen. Boven Normandië naderden ze de aanvalslijn vanaf het noorden, met als gevolg dat de bommen te dicht bij eigen linies vielen en er vele doden aan de geallieerde zijde vielen. De Duitsers maakten hier gebruik van en lieten de 2de SS pantserdivisie oprukken naar het front tegenover het 8ste korps. De Duitsers hadden geen kans om te hergroeperen, want op 25 juli begon operatie "Cobra", de Amerikaanse 9de, 4de en 3de pantserdivisie rukten op.
Op 26 juli deden middelzware bommenwerpers een aanval op de doorgangen langs de hoofdwegen en de 2de en 3de pantserdivisie rukten op. Aan de oostkant passeerde de 2de pantserdivisie ongehinderd Saint-Gillis en bereikte tegen de avond Canisy en ging door om de hoogte bij le-Mesnil-Herman in te nemen en te versterken. Aan de westkant moest de 3de pantserdivisie, ondersteund door het 1ste gemotoriseerde infanteriedivisie, een zware strijd leveren om Marigny. Bovendien moest er rekening worden gehouden met tegenaanvallen door de 2de SS pantserdivisie en de 17de SS pantsergrenadiers. De geallieerden rukten op naar Falaise, de 12de SS pantserdivisie bleef over om de Britten en Canadezen te stoppen. In het gebied ten oosten van Mortain verzamelden de Duitsers het 5de pantserleger, bestaande uit het 1ste, 2de en 9de SS pantserdivisie, en de 2de en 116de pantserdivisie die in totaal maar over 250 tanks zouden bezitten. Dit werd opgemerkt door de geallieerden, die er verschillende divisies naar toe stuurden. Door gebrek aan tijd en materieel om zich voor te bereiden, waren ze gedwongen aan te vallen. Dit gebeurde op 7 augustus. De noordflank van de 116de pantserdivisie werd tegengehouden door het 7de korps. De 2de SS pantserdivisie rukte op, won 11 kilometer terrein, voordat het werd tegengehouden door Combat Command B van de 3de pantserdivisie. De 1ste en 2de SS pantserdivisie boekte weinig terreinwinst, omdat de 30ste divisie de stelling op de heuvels van Mortain wist te behouden. De infanterie van de SS pantserdivisie deden herhaaldelijk pogingen om de heuvels te veroveren. Op 7 augustus werd het 5de pantserleger gedekt door mist, maar op de 8ste was het helder weer. De geallieerde luchtmacht liet weinig heel van de tanks en halfrupsvoertuigen van het 5de pantserleger. Eisenhower gaf Patton opdracht om op te rukken in de richting van Alençon, het voornaamste bevoorradingsdepot van het Duitse 7de leger. Op 8 augustus waren ze nog maar 8 kilometer van Falaise verwijderd. Op 9 augustus begonnen de geallieerden de Duitse troepen te omsingelen. De Duitse linies waren doorbroken, verschillende Duitse divisies stortten in. De enige manier om te ontkomen was om de Dives over te steken. Dit werd verhinderd omdat Poolse en Canadese troepen aan de andere kant waren gekomen. Het Duitse 7de leger en 5de pantserleger zaten vast in een gebied van 32 bij 32 kilometer, in hoger gelegen terrein; 100.000 soldaten, de resten van 20 divisies, zaten vast in een arena waar men van alle kanten zicht op had. Op 19 augustus was de route zo versperd met kapotte voertuigen, lichamen en dode paarden, dat er bijna geen doorkomen aan was. Sinds die dag staat de route bekent als de corridor des doods. Op de avond van de 19de ontmoetten Polen, Amerikanen en Canadezen elkaar in Chambois. Nog 3 dagen vochten de Duitsers binnen en buiten de Falaise-pocket door, toen gaven ze het op. Op 22 augustus kreeg het 2de SS pantserkorps bevel zich aan te sluiten bij algehele terugtocht in de richting van de Seine. Tegen die tijd waren er al verschillende eenheden van het 3de leger de rivier op twee plaatsen overgestoken. De Falaise-pocket maakte het instorten van het Duitse leger compleet. De geallieerden namen 50.000 Duitse krijgsgevangenen en vernietigden naar schatting 5.000 pantservoertuigen en tanks in het gebied. De Duitsers verloren tijdens deze strijd 400.000 man en waren bezig met een totale aftocht. Ze hielden niet eerder halt voordat ze in het oosten de heuvels in de Vogezen en in het noorden de kanalen te oosten van Antwerpen hadden bereikt.

Verslag/artikel door:
Jeroen Koppes
 
     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.