<< Menu  


Het Duits offensief aan de Rijn.

Tijdens de eerste maanden van 1940 wordt een grootschalig Duits-Italiaans offensief vooropgesteld in de Elzas. Dat klinkt onwaarschijnlijk, maar de mogelijkheid is wel besproken op 18 maart 1940 naar aanleiding van een onderhoud tussen Hitler en Mussolini. Samen met de Wehrmacht zouden de Italiaanse troepen de Rijn oversteken, zich meester maken van het gat van Belfort en verder doorstoten naar de Rhône-vallei om aldus de Franse Alpentroepen in de rug aan te vallen.
Het OKH loopt echter niet warm over dit initiatief; Gen. Halder heeft namelijk geen hoge pet over de waarde van het Italiaans militair apparaat.
Hitler wil zijn Italiaanse bondgenoot wel een kans bieden en beveelt daarom aan Gen. von Leeb, de bevelhebber van Heeresgruppe C, om een plan uit te werken. Het krijgt de naam Fall Grün en wordt groots opgevat: zes Panzerdivisionen vormen het speerpunt, gevolgd door maar liefst 50 infanteriedivisies die doorbreken in het gat van de Sarre, tussen St Avold en Sarralbe. In deze sector beschikt de ML niet over grote vestingswerken, maar enkel over kleinere blockhauser en kazematten omgeven door water en moerasgebied. Fall Grün omvat eveneens twee kleinere offensieven die moeten zorgen voor een afleiding in de Elzas: Geier (Gier) met 16 divisies aan de col van Saverne en Sarrebourg en Habicht (Havik) waarbij zes of zeven divisies de Rijn oversteken ter hoogte van Mulhouse. De Italiaanse inbreng blijft onduidelijk zodat uiteindelijk het plan opgeborgen wordt, temeer von Leeb zich rekenschap geeft van het overdreven aantal voorziene divisies.
Enkele dagen later, op 21 maart krijgt het OKH het bevel om een nieuw plan uit te tekenen voor een offensief in Lotharingen en de Elzas, en met de inzet van het Italiaanse leger; de enige contrainte is dat de aanval slechts van start mag gaan na de doorbraak van de Wehrmacht aan de fronten van de Somme en de Aisne. Deze aanval aan de Boven-Rijn wordt uitgevoerd in de richting van het plateau van Langres, waarna de Italiaanse divisies hun opmars verderzetten naar de vallei van de Rhône. Dit offensief krijgt de codenaam Fall Braun en wordt opnieuw voorbereid door de staf van Heeresgruppe C, zij het met iets minder middelen, namelijk een dertigtal divisies. In het beste geval kan de aanval van start gaan tegen eind juni 1940.
De hoofdaanval met de codenaam Bär (Beer) wordt uitgevoerd tussen Neuf-Brisach en Zwitserland, waarbij de Rijn wordt overgestoken door minstens twee Italiaanse legerkorpsen. Daarnaast worden drie nevenaanvallen voorzien:

  • Panther (Panter): één Italiaans legerkorps steekt de Rijn over ten noorden van Straatsburg en rukt verder op naar Saverne en Sarrebourg;
  • Luchs (Lynx): het 7.Armee van Gen. Dollmann steekt de Rijn over ten zuiden van Straatsburg en verovert de hoofdstad van de Elzas;
  • Tiger (Tijger): de aanval in het gat van de Sarre door het 1.Armee van Gen. von Witzleben.

 Maar ook bij deze voorbereiding blijft de Italiaanse inbreng een vraagteken: hoeveel divisies, artillerie, tanks, vliegtuigen en vooral, wanneer komen die troepen aan in Zuid-Duitsland ? Er is blijkbaar ook nog geen contact genomen met de Italiaanse generale-staf; uiteindelijk wordt Gen. von Rintelen, de militaire attaché in Rome aangeduid om even gaan “te polsen”.
Von Rintelen ontmoet de generaals Graziani en Roatta; tot zijn ontstentenis krijgt hij te horen dat er volgens hen geen politiek draagvlak bestaat en dat de vraag zal overgemaakt worden aan de Duce. Het officieel Italiaans antwoord zal rechtstreeks worden overgemaakt aan het OKH. Het zal er nooit komen.
De Duitse generale-staf is de Italiaanse houding grondig beu en beveelt von Leeb om zijn plan te herzien met de deelname van uitsluitend Duitse troepen. Inmiddels kent Fall Gelb het gekende succes, zodat Fall Braun kan teruggebracht worden tot twee offensieven: Tiger en Luchs, zij het deze laatste met minder middelen. Ook de codenaam wordt in evenredigheid aangepast naar Kleiner Bär.
Op 28 mei verneemt Gen. Dollmann in zijn Hoofdkwartier van Freudenstadt (Zwarte Woud) over welke effectieven hij zal kunnen beschikken voor zijn offensief. Hij behoudt zijn vier Stellungs-divisionen uit de reeks 550: de 554.ID (Gen. Freiherr von Hirschberg), de 555.ID (Gen. Henrici), de 556.ID (Gen. von Berg) en de 557.ID (Gen. Kuprion). Daarnaast zal hij nog de beschikking hebben over vier infanteriedivisies: de 218.ID (vanuit Polen), de 221.ID (vanuit Oostenrijk), de 239.ID (vanuit Polen) en de 213.ID (vanuit Polen, als Armee-reserve). De aanvangsdatum van de operatie wordt vastgesteld op 8 juni. Veel tijd voor de voorbereiding is er dus niet. De 31e mei meldt Gen. von Leeb dat het offensief verdaagd wordt tot 12 juni; bovendien krijgt Dollmann nog de beschikking over een tweede reserve-divisie, namelijk de 6.Geb.Div. van Oberst Ferdinand Schörner. De divisie bestaat hoofdzakelijk uit Oostenrijksse bergtroepen die hun opleiding beeindigen in de Jura. Haar aanwezigheid is trouwens niet dringend aangezien ze slechts zal ingezet worden in de Vogezen, dus na de oversteek van de Rijn.
De Luftwaffe verleent steun met de inzet van het V.Flieger Korps van Gen. von Greim en de luchtafweer wordt geleverd door de Flak Brigade Veith.
De oversteek van de Rijn zal gebeuren tussen Schoenau en Neuf-Brisach, over een afstand van zowat 30km. Vandaar wordt doorgestoten naar het massief van de Vogezen, over de cols van Sainte Marie en de Schlucht.
Maar eerst moet je de Rijn kunnen oversteken; deze machtige stroom is meer dan 200m breed en heeft een debiet van 3m/seconde. Langs de oevers vind je dode armen, overstromingsgebied, stilstaand water en moerasgrond. Bovendien is het een erg nat begin van de maand juni. Tenslotte zijn de bootbruggen en de motorboten nog in onvoldoende aantallen aanwezig.

* * *

Tegenover het 7.Armee bevindt zich het Franse 8e Armée. Op 20 mei heeft Gén. Laure het bevel overgenomen van Gén. Garchery. Dit leger bestaat uit drie legerkorpsen:

  • XXIIIe CA (Gén. Misserey) met de 104e DIF (Colmar, Gén. Cousse) en de 105e DIF (Mulhouse, Gén. Didio) en als versterking de 54e DI van Gén. Coradin ;
  • XXXXIVe CA (Gén. Tencé) met de SF van Altkirch (Gén. Salvan) en de 63e DI van Gén. Parvy;
  • XXXXVe CA (Gén. Daille) met enkel het 12e RIF en een brigade spahi’s ; op 7 juni is de 57e DI immers overgeplaatst. De 67e DI van Gén. Boutignon wordt als het ware beschouwd als legerreserve waardoor ze constant over en weer beweegt door de Elzas.

In het Hoofdkwartier van Laure te Giromagny is men er van overtuigd dat, mocht er een Duits offensief komen, dit zal gebeuren tegenover Colmar of Mulhouse. De Fransen weten op dat ogenblik niet dat de keuze van Dollmann gevallen is op Colmar.
Het terrein dat moet verdedigd worden door de beide vestingsdivisies is praktisch identiek. We hebben reeds gezien wat je zoal langs de oevers van de Rijn kan tegenkomen. Eenmaal voorbij de bosstrook van drie tot vijf kilometer breed is een dijk opgetrokken. Daarachter liggen vruchtbare velden en boomgaarden. Deze vlakte wordt doorsneden door de rijksweg Bazel-Straatsburg die de loop van de Rijn volgt.
In de sector van de 105e DIF loopt het kanaal van de Rhône naar de Rijn. Tussen het kanaal en Mulhouse ligt het dichte bos van de Hardt; hierin heeft Gén. Didio de plaatsing voorzien van 20 tot 25 artilleriebatterijen.
In de sector van de 104e DIF vloeit een bijrivier van de Rijn, de Ill. Verderop beginnen de eerste hellingen van de Vogezen.
Vanaf de oevers is een reeks kleinere blockhauser en kazematten voorzien. In een tweede lijn zijn iets grotere modellen gebouwd. De derde verdedigingslijn, langs de rijksweg, is het sterkst verdedigd. Deze grotere vestingswerken zijn voorzien van een dubbele 37’ of een 47’ AT. Dit verdedigingssysteem toont aan dat het Franse Opperbevel gekozen heeft om een eventuele Duitse aanval niet in eerste instantie af te slaan aan de oevers van de Rijn, maar eerder aan de sterk verdedigde derde linie. Daarenboven zijn de enkele kleine dorpen gelegen tussen de dijk en de rijksweg in staat van verdediging gebracht.    

* * *

De hoofdaanval van Kleiner Bär zal worden uitgevoerd door de twee divisies van het XXVII.AK. (Gen. Alfred Wäger): de 218.ID (Gen. Freiherr Waldemar Grote) en de 221.ID (Gen. Johann Pflugbeil). Het AK krijgt zeven inschepingsstroken toegewezen; vanaf elke strook zal één bataljon inschepen, versterkt met een eenheid Pionniere. Van noord naar zuid wordt de volgende slagorde voorzien:

  • de 218.ID: één bataljon van het IR.397 (Oberst von Busse) vertrekt ten westen van Weisveil en ontscheept ten zuiden van Schoenau. Twee bataljons van het IR.386 (Oberst Manitius) scheept in ten westen van Wyhl en gaat aan land ter hoogte van Mackenheim;
  • de 221.ID: twee bataljons van het IR.360 (Oberst Klockenbring) gaan aan land tegenover de oude brug van Limbourg; deze eenheden, samen met deze van Manitius zullen aanvallen in de sector van het I/42e RIF (Cdt. Coulomb). Twee bataljons van het IR.350 (Oberst Koch) landen ter hoogte van de weg naar Artzenheim, verdedigd door het II/42e RIF (Cdt. Gagneux).

Het Höheres Kommando z.b.V. XXXIII (Gen. Georg Brandt) vormt met zijn 239.ID (Gen. Ferdinand Neuling) de zuidflank van Kleiner Bär. Er worden zes bataljons voorzien in eerste linie. Twee bataljons van het IR.444 (Oberst Häcker), ondersteund door een bataljon Pionniere ontschepen in een zone gelegen tussen Artzenheim en Baltzenheim, in de sector van het II/42e RIF. Twee ontschepingsstroken zijn voorzien voor twee bataljons van het IR.327 (Oberst von Drebber) en een bataljon Pionniere; ze zijn gelegen ter hoogte van Kunheim, in de sector van het 9e BCPyr (Bataillon de Chasseurs Pyrénéens, Cdt. Ninous). Tenslotte kan Brandt nog een regiment weghalen bij de 554.ID; de keuze valt op het IR.623 (Oberst Franz Vaterrodt) en zal ingezet worden tegenover Vieux-Brisach. Als de opzet slaagt kan het regiment een bruggenhoofd uitbouwen waarlangs de 556.ID kan oprukken in de richting van Neuf-Brisach, verdedigd door het I/28e RIF (Cdt. Chappey).
   
Ook voor het XXV.AK. van Gen. Karl Ritter von Präger is een taak weggelegd bij de uitvoering van Kleiner Bär. De 557.ID zal twee afleidingsaanvallen uitvoeren rond Strasbourg; de eerste door een aanval te simuleren ten noorden van de Wantzenau, op ongeveer 20km van de stad en de tweede ten zuiden, ter hoogte van Rhinau. De 555.ID zorgt eveneens voor afleiding door een schijnaanval ten noorden van Strasbourg, terwijl de divisie zich in feite moet klaarhouden voor een aanval in het zuiden. Enkele dagen later zal een groep van de divisie onder het bevel van Gen. Schmitt het bevel krijgen om Strasbourg te veroveren. Klein detail, von Präger wordt verondersteld van op eigen middelen de Rijn over te steken !!
In het finale plan voor de aanval valt de voorziene schijnaanval uit te voeren door de 555.ID weg; hoogstens zullen tijdens de nacht de vrachtwagens van de divisie rondrijden met volle lichten en zal de divisionele artillerie een beschieting uitvoeren.
Aldus blijft Rhinau de enige ontschepingszone toebedeeld aan het XXV.AK. Het IR.633 van Oberstlt. Wordt aangeduid om als eerste over te steken; het III/IR.633 van Hptm. Glattenberg vormt de voorhoede, gevolgd door het II/IR.633 van Lt. Kissel en het eerste bataljon van Maj. Hoffmeister.

* * *

De 9e juni verneemt Gén. Vallée (103e DIF) na luchtverkenning de aanwezigheid van grote troepenconcentraties aan de Rijn tegenover de sector van Colmar. Als gevolg hiervan wordt de 62e DI (Gén. de la Guillonnière, op 12 juni opgevolgd door Col. de Mortemart de Boisse) teruggetrokken uit de subsector van Erstein om meer naar achter te kunnen fungeren als reserve. Om het 34e RIF niet alleen aan de Rijn te laten, worden de door de 62e DI verlaten posities ingenomen door de drie opleidingsbataljons van de 103e DIF. Alle eenheden betrekken hun stellingen op 10 juni.
De divisionele artillerie krijgt het bevel om barragebeschietingen uit te voeren teneinde mogelijke Duitse ontschepingsvoorbereidingen te verstoren. De 11e juni, om 02.00 begint een beschieting die twee uur zal aanhouden en waarbij 7.900 obussen verschoten worden, waaronder 4.000 75’s. Voorlopig worden dorpen en spoorlijnen nog ontzien en bestookt men enkel lokaties waar concentraties van schepen, troepen en pontons vermoed worden, zoals de monding van de Kinzig, de opslagplaatsen in de haven van Kehl, de brug van Gerstheim en de moerassige gebieden tegenover Rhinau. De Duitse artillerie reageert niet.
De volgende nacht herneemt het bombardement vanaf 01.42; gedurende één uur wordt de sector van Rhinau bestookt. Maar niet enkel op Rhinau vallen bommen want de artillerie schiet bij momenten te kort en er worden enkele Franse voorposten geraakt.
Omstreeks 17.30 komt een verbindingsofficier aan in de citadel van Mutzig. Chef de Bataillon de Beauchamp brengt bevelen van de CP van het 5e Armee  te Wangenbourg. Deze zijn op zijn minst eigenaardig: de divisionele artillerie wordt ingescheept per spoor en teruggetrokken. Hoe wordt verondersteld om een Duitse aanval tegen te houden ??
De volgende nacht, van 12 op 13 juni treedt de Franse artillerie opnieuw in aktie; tussen 02.17 en 03.27 worden 4.500 obussen verschoten, nog steeds zonder Duitse reaktie.
Rond 09.00 komt opnieuw een officier van de Staf van het 5e Armee naar Mutzig; Cap. Giard meldt dat niet enkel de artillerie zal vertrekken, maar de volledige divisie !! Enkel de bemanningen van de kazematten, ondersteund door één compagnie per kwartier, blijven achter. De divisie zal terugtrekken op Epinal, waar ze een defensieve positie aan de Moezel moet uitbouwen. De divisionele artillerie vertrekt in de loop van de volgende nacht, de rest volgt vanaf de 14e juni. Inmiddels trekt de 62e DI terug op de cols van de Vogezen, waar eveneens defensieve stellingen worden voorzien.
Omstreeks 22.15 wordt vanuit de CP van Wangenbourg telefonisch gemeld dat de artillerie slechts de 14e zal vertrekken; een half uur later volgt een nieuwe mededeling waarbij de infanterie pas de 15e juni wordt teruggetrokken.
Om de infanteristen intussen nuttig bezig te houden wordt aangeraden om ze AT-hindernissen te laten opwerpen. De vrees dat de Duitsers met amfibie-panzers de Rijn zullen oversteken is dus nog zeer levendig bij de Franse Generale-Staf.
Tijdens de nacht van 13 op 14 juni trekt de 103e DIF terug vanaf de Rijn; er worden zowat 30km te voet afgelegd. Daar ontvangt Gén. Vallée zijn zoveelste tegenbevel: geen Epinal meer, maar een AT-positie uitbouwen tussen Chaumont en Nuits-sous-Ravière. Hier moeten de oprukkende panzers van Guderian gestopt worden. God mag weten waarom Gén. Prételat hiervoor de 103e DIF uitkiest; de divisie bevindt zich immers in het noordoosten en moet nu uitwijken naar het zuidwesten. Als versterking krijgt Vallée een inderhaast samengestelde divisie met vestingstroepen afkomstig van de SF van Haguenau. Dit bevel komt echter veel te laat want Guderian heeft Chaumont reeds bereikt en zijn panzers zwermen uit in de richting van Langres. De CP van het 5e Armee bevestigt inmiddels de inscheping van de infanterie op treinstellen tijdens de nacht van 15 op 16 juni; de artillerie zal terugtrekken over de weg.
De door de 103e DIF achtergelaten troepen zijn dun gezaaid. Lt.Col. Le Mouël wordt bevelhebber; zijn eigen 172e RIF gaat over naar zijn adjunct, Chef de Bataillon Bonnescuelles de Lespinois. De artillerie komt onder het commando van Chef d’Escadron Michel van het I/155e RAP; hij beschikt over alle stukken die niet konden weggehaald worden, namelijk 24 stuks 155’ en de vaste batterijen van de forten van Strasbourg: Ney, Rapp,  Cronenbourg, Uhrich en Les Cerisiers. De subsector van Erstein, waar de Duitse ontscheping voorzien is (Rhenau) staat onder het bevel van Cap. Gerlier, met eenheden afkomstig van de 5e CEO (Cie. d’Equipages d’Ouvrages) en het II/34e RIF. Cap. Lafitte van de 1e Batterij van het I/155e RAP beschikt over 12 stuks 155’, model 1917.

* * *

De noordelijke sector van Colmar wordt toevertrouwd aan het 242e RI van  Col. Bouchon. Twee bataljons bevinden zich aan de Rijn: het I/242e RI van Cdt. Dallennes en het II/242e RI van Cdt. Braban. Het derde bataljon (Cdt. Boyer) vormt de reserve en valt derhalve onder het rechtstreekse bevel van de 104e DIF. Ten zuiden van het 242e RI bevinden zich twee bataljons van het 42e RIF (Col. Fonlupt): het I/42e RIF van Cdt. Coulomb en het II/42e RIF van Cdt. Gagneux.
Ter hoogte van Neuf-Brisach bevindt zich het tweede vestingsregiment van de divisie, namelijk het 28e RIF (Lt.Col. Roman), eveneens met twee bataljons aan de Rijn: het I/28e RIF van Cdt. Chappey en het II/28e RIF van Cdt. Mercier.
De 104e DIF telt in haar rangen eveneens de 5e Demi-Brigade de Chasseurs Pyrénéens met twee bataljons : het 9e BCPyr van Cdt. Ninous bevindt zich tussen het 42e RIF en het 28e RIF, het 10e BCPyr van Cdt. Mialet houdt posities aan de grens met de 105e DIF ter hoogte van Mulhouse.

De voornaamste natuurlijke hindernis die bescherming biedt aan de verschillende regimenten van de 104e DIF is uiteraard de Rijn zelf. In de sector van het 242e RI wordt de Rijn omzoomd door dicht bos. Eén enkele invalsweg loopt van de oude brug van Schoenau over Baldenheim naar Séléstat. De oever wordt er beschermd door verschillende kazematten, met als belangrijkste Schoenau-sud.
Het front van het 42e RIF heeft twee invalswegen: die van de Limbourg langs de weg naar Marckolsheim en die van de Sponeck langs de baan Artzenheim-Colmar.
Ook aan dit front, maar evenzeer aan dat van het 9e BCPyr en het 28e RIF worden de oevers beschermd door een gordel van kazematten.
  

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 




Totstandkomen van het bruggenhoofd in Duinkerken.


Verdere doorbraak Duitse troepen van 4 tot 22 juni 1940.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.