<< Menu  


De Maginotlinie

Dit hoofdstuk is gewijd aan de strijd aan de Maginot-linie; het is echter geenszins mijn bedoeling om hier een preciese en gedetailleerde beschrijving te geven van de linie met al haar vestingswerken.

* * *

SLt. Thouémont meldt omstreeks 18.15 het slechte nieuws aan Lt. Bourguignon; bij de explosie zijn tevens drie soldaten om het leven gekomen. Bouguignon belt op zijn beurt naar de CP van de SF van Montmédy. Er wordt besloten om tegen de avond een sectie Genie te sturen die zal proberen de opening met een staalplaat dicht te lassen.  De sectie zal aangevoerd worden met enkele lichte rupsvoertuigen van het IV/155e RIF.
Daar zitten de Pionniere nu wel niet op te wachten. Na de inslag van de laatste Flak-obus hijsen de manschappen van Olt. Germer zich op het platform van blok 2. Een eerste springlading wordt tot ontploffing gebracht tegen de GFM-koepel. Vandaar gaat het naar de geblokkeerde intrekbare koepel. Er wordt een springlading van maar liefst 40 kilo voorzien. Bij de ontploffing wordt de koepel even de lucht ingestuwd en valt terug in een schuine stand; Lt. Sommerhuber plaatst dan een tweede lading van 6 kilo om de opening nog te vergroten. Daarna gooien de Pionniere granaten, rookpotten en springladingen van 3 kilo naar binnen.

Binnenin is de verrassing totaal en er ontstaat paniek. De schade is enorm (zo worden het kanon van 25’ en de dubbele mitrailleur van hun affuit geslingerd) en er hangt een versmachtende rook. De manschappen vluchten ongeordend naar de onderliggende verdiepingen en de onderaardse gallerij. Weldra zal blok 2 moeten opgegeven worden, met als gevolg dat de Fransen niet meer de beschikking zullen hebben over de ruimtes met de motoren, de filters en de radio.
Lt. Bourguignon meldt deze hachelijke toestand aan de CP van de SF van Montmédy; hij krijgt het lakonieke antwoord dat de gallerij tussen de beide blokken moet opgeblazen worden. Bourguignon belt eveneens met Cap. Aubert van het fort van Le Chesnois. Deze heeft meteen door dat door de ontruiming van blok 2 de boveningang ervan niet meer verdedigd wordt. De Duitsers kunnen aldus ongehinderd het blok binnendringen door de ingangspoort op te blazen. Bourguignon krijgt meteen het bevel om ten allen prijze de ingang te blijven verdedigen. Van de zes uitgestuurde vrijwilligers zal geenenkele terugkomen.
Omstreeks 20.15 wordt Bourguignon aan de telefoon geroepen ; Col. Renucci (stafchef 3e DIC) meldt hem dat twee bataljons infanterie, ondersteund door zware tanks klaarstaan voor een tegenaanval op het fort.                       

* * *

De tegenaanval zal uitgevoerd worden door twee bataljons van het 119e RI van de 6e DI (Gén. Lucien) die reeds in steun opereert van de 3e DINA. De infanterie zal ondersteund worden door zware tanks van de types R35 en B1bis; de Renaults bevinden zich echter in de omgeving van Metz en zullen niet op tijd op het strijdtoneel kunnen verschijnen. De B1’s van het 41e BCC (Cdt. Malaguti) daarentegen, zijn in de ochtend van de 17e mei aangekomen te Savigny-s/Aisne, na een rit van 40km vanuit Grandes-Armoises. Deze eenheid staat al sinds 13 mei op de bres, waardoor de bemanningen oververmoeid zijn. Malaguti verlaat rond de middag Savigny voor de CP van Gén. Rochard (XVIIIe CA). Deze ontvangt hem eerder vijandig en geeft hem het bevel om tegen de avond een tegenaanval uit te voeren vanuit Stenay. Malaguti probeert de generaal duidelijk te maken dat zijn tanks daar onmogelijk tegen de vooravond kunnen zijn, aangezien zij nog zowat 65 to 70km af te leggen hebben. Rochard heeft er echter geen oren naar en zegt dat de tanks “dan maar wat sneller moeten rijden”. Ontzet begeeft de tankcommandant zich dan naar de CP van Gén. Lucien te Baâlon; deze is heel wat redelijker en toont Malaguti op een kaart hoe de tegenaanval moet verlopen. Het is de bedoeling een aanval op te zetten in de richting van La Ferté-s/Chiers en de heuvel “311”; volgens Malaguti is er nooit sprake geweest van een ontzetting van het fort van La Ferté.
Gén. Lucien lijkt helemaal niet gehaast ; het terrein is weinig toegankelijk voor tanks en de Duitse artillerie bestrijkt het volledige veld. Een aanval lijkt dus het meest geschikt bij valavond zodat de troepen zich kunnen ingraven tijdens de nacht; het vooropgestelde tijdstip wordt de 19e mei tussen 18.00 en 19.00. De generaal schijnt wel te vergeten dat de Duitsers niet bepaald 48u gaan wachten op een Franse tegenaanval; zoals reeds eerder gezien valt de heuvel “311” trouwens diezelfde avond in handen van het III/IR.211 van Maj. Haas.
Tegen de avond begeeft Cdt. Malaguti zich naar Lion-devant-Dun, waar zijn eerste tanks zijn aangkomen. Ze worden naar het plaatselijke bos geleid waar ze zich kunnen camoufleren en de bemanningen een verdiende rust nemen. In de ochtend van de 18e mei rijdt de laatste tank het kampement binnen; in totaal zijn slechts 13 tanks operationeel voor de tegenaanval.
Diezelfde ochtend wordt Gén. Rochard aan het hoofd van het XVIIIe CA vervangen door Gén. Doyen; deze begeeft zich naar de CP van de 6e DI waar hij Gén. Lucien op de hoogte brengt van de bezetting van de heuvel “311”. Hierdoor veranderen de plannen; Lucien voorziet voor dezelfde dag de tegenaanval vanaf 18.30, voorafgegaan van artilleriebarrage.
Het III/119e RI (Cap. Ledrappier) heeft de opdracht de heuvel “311” te herroveren vanaf het bos van Ligant; het I/119e RI (Cdt. Delaval) geeft aan de oostelijke flank de nodige steun, samen met een peleton motorwielrijders van de 3e DIC en een compagnie van het 20e RIC.
Uit latere verklaringen van Cdt. Malaguti blijkt een enorme tegenstrijdigheid met de bevelen van Gén. Lucien; Malaguti spreekt namelijk het voorziene artilleriebombardement formeel tegen en geeft als aanvangsuur 19.00, tijdstip waarop de Duitse waarnemers het terrein niet meer helemaal kunnen overzien met de invallende duisternis.
Uit het oorlogsjournaal van de 3e DIC kunnen evenwel de volgende verduidelijkingen gehaald worden:

“ Mission de la contre-attaque: chasser l’ennemi de la côte 311, la côte Morchand, la vallée de la Chiers. Objectif de l’infanterie : chemin de terre de Malandry à La Ferté-s/Chiers. Appui d’artillerie : AD 6e DI, AD 3e DINA et AD 3e DIC. Les chars qui opèrent à droite dans la vallée reçoivent la mission supplémentaire de se porter jusqu’à l’ouvrage de La Ferté pour dégager ses abords immédiats. Si la contre-attaque réussit, l’intention du commandement est de reprendre l’attaque le lendemain afin de rétablir le front sur la ligne : bois du Ligant, côte 311, ouvrage de La Ferté »

Hieruit blijkt duidelijk dat enerzijds een artilleriebarrage is voorzien en dat anderzijds, indien de toestand het zou toelaten, het fort van La Ferté zou ontzet worden.         

Tussen 18.30 en 18.45 begint de tegenaanval : zeven B1’s gaan het I/119e RI vooraf, terwijl zes anderen dat doen bij het III/119e RI. De Duitse infanterie verraadt haar posities door te vroeg te vuren. Een 37’ PAK en verscheidene mitrailleurs worden vernietigd. Om deze Franse mastodonten tegen te houden is er 88’ Flak noodzakelijk, maar de enige beschikbare batterij bevindt zich te Fromy, waar ze ingezet wordt tegen het fort van La Ferté.
De eerste tanks bereiken hun objectieven tegen 19.30, de infanterie omstreeks 19.45. Ondanks een hevig Duits artillerievuur blijven de tanks ter plekke tot ongeveer 20.45.
De compagnies Chanut en Godron van het I/119e RI naderen de weg Malandry-La Ferté s/Chiers, maar ze lijden redelijk wat verliezen door verdekt opgestelde mitrailleurs.
Van zijn kant begint het III/119e RI zich in te graven aan de heuvel “311”.

Tijdens de nacht van 18 op 19 mei voert de Duitse artillerie een hevig bombardement uit. Om 02.00 meldt Cdt. Delaval dat zijn bataljon niet langer in staat is om zijn posities te houden; een uur later ontvangt hij de toestemming om terug te trekken op Olizy. Enkel de 1e Cie. van Lt. Bouvier en SLt. de Tramont blijven op de linkeroever van de Chiers. Die nacht verliest het bataljon twee officieren en 91 onderofficieren en manschappen.
Op de heuvel “311” ondergaat het III/119e RI een ware slachting, waarna het zich terugtrekt naar het bos van Ligant. Cap. Ledrappier wordt gedood, net als de luitenanten Vidal, Delmas en de onderluitenanten Combescure en Allio. De rest van de officieren raakt gewond; tegen de ochtend van de 19e mei staat nog enkel Cap. Prigent rechtop.
Wanneer Gén. Lucien de zware verliezen verneemt laat hij de heuvel « 311 » schoonvegen ; zo worden in maar liefst tien minuten tijd 2.500 obussen van de kalibers 75 en 155 op de heuvel afgevuurd. Uiteindelijk zal de heuvel “311” niemand toebehoren.

* * *

Aan het fort van La Ferté bereidt Olt. Germer zich met zijn Pionniere voor op de neutralisering van blok 1. Nochtans zijn de Duitsers er niet gerust in; ze vrezen immers een Franse artilleriebarrage op en rond het fort. Zelfs Gen. Weisenberger verwacht zich aan zware verliezen door de Franse artillerie. Maar er gebeurt niets; de Franse divisionele artillerie ondersteunt de tegenaanval en de 75’ van het fort van Le Chesnois vuurt niet uit vrees om eigen tanks en infanterie te bestoken in de omgeving van La Ferté.
De Pionniere kunnen dus in alle rust tot de aanval overgaan. Germer weet echter dat zijn manschappen zouden kunnen ontdekt worden door de lichtprojector van blok 1 en onder vuur genomen worden. Daarom voorziet hij een schijnaanval vanaf blok 2, terwijl de rest van zijn Pionniere blok 1 zullen beklimmen langs de stijlste noordwestwand. Germer vraagt en krijgt daarenboven nog een artilleriebarrage die de prikkeldraadversperringen verder moet openreten.
Het bombardement begint omstreeks 22.10 en duurt tot 22.40, waarna het vuur verlengt wordt tot de heuvels van St Walfroy. Dan zetten de Pionniere zich in beweging: de manschappen van Lt. Grothaus banen zich een weg door de prikkeldraad terwijl die van Lt. Ahr (2e Kie. van het I/Pion.Bat.171) zich via de noordwand tot op de bovenstructuur van blok 1 hijsen; de mitrailleurs onder de koepels vuren niet.
Langs verscheidene openingen worden springladingen aangebracht bij drie van de vier koepels; enkel de GFM-koepel die volledig dicht is blijft gespaard. Net als bij blok 2 worden na de explosies van de springladingen handgranaten, rookpotten en andere springladingen naar binnen gegooid met dezelfde verschrikkelijke gevolgen. Tussen middernacht en 01.00 zijn de Pionniere volledig meester van de bovenstructuren van het fort van La Ferté. Om een eventuele Franse uitval tegen te gaan voorziet Olt. Germer de 7/IR.211 van (Lt. Könnecke) om de intacte koepel en de toegang tot blok 1 onder vuur te houden.

* * *

Op 35m diepte bevinden zich de overlevenden van de blokken 1 en 2 in de gallerij; Lt. Bourguignon is zinnens om het fort te evacueren, maar daarvoor heeft hij de toestemming nodig van zijn oversten. De ontruiming van de beide blokken is paniekerig gebeurt waarbij vergeten is om de op de verschillende niveau’s de tussendeuren hermetisch af te sluiten. De natuurlijke luchtverplaatsing zuigt echter het levengevaarlijke koolmonoyde mee. De manschappen beschikken over gasmaskers, maar er zijn te weining vervangfilters. De meesten liggen beweegloos op de grond; ze schijnen een “mirakel” af te wachten dat hen hieruit zal halen.
Bourguignon belt omstreeks 03.00 met het fort van Le Chesnois om te melden dat de situatie zeer ernstig is; vandaar gaat de communicatie door naar de staf van de 3e DIC. Daar oordeelt men dat het uitgesloten is om het fort te ontruimen; hoe kun je nu een bolwerk ontruimen waar je beschermd bent door metersdikke betonnen muren ??
Omstreeks 04.00 telefoneert Lt. Bourguignon met de CP van het 155e RIF ; hij krijgt er precies hetzelfde antwoord van Lt.Col. Henry.
Een half uur later is de situatie volledig hopeloos; tientallen soldaten zijn inmiddels gestikt. Om 05.00, op zondag 19 mei stuurt het fort van La Ferté zijn laatste bericht uit; Adj. Sailly meldt met schorre stem dat de overlevenden gaan proberen naar boven te komen, maar niemand komt naar boven.

In de vroege ochtend van deze 19e mei laten de Pionniere van Germer een tweetal gepantserde ingangspoorten van het fort springen. Een dikke, zware rook komt hen tegemoet, waardoor de Duitsers besluiten om niet binnen te dringen. In de namiddag doen de manschappen van Lt. Künnecke de intacte koepel aan blok 1 springen.

De Franse waarnemers op de hoogte van Saint-Walfroy menen dat blok 1 van La Ferté nog niet bezet is door Duitse troepen. Gén. Falvy (3e DIC) besluit om een nachtelijke verkenning te laten uitvoeren. Deze zal uitgevoerd worden door S.Lt. Fiévet met een detachement kolonialen; aangezien ze niet op de hoogte zijn van de structuur van het fort worden ze vergezeld van enkele manschappen van het 155e RIF. Om middernacht (20e mei) zetten ze zich in beweging. Het wordt echter een maat voor niets want ze worden ontdekt; de Duitsers schieten lichtkogels en openen een fors mitrailleurvuur.
De volgende nacht wordt het detachement opnieuw uitgezonden. Een barrage van 75’ “veegt” de toegang tot blok 1 schoon; de Franse artillerie blijft echter doorvuren waardoor de kolonialen er niet door geraken.
De 25e mei wordt omstreeks 02.00 een nieuwe poging ondernomen. Dank zij de nevel geraken de Fransen eindelijk tot bij blok 1. Met enkele electrische toortsen voeren zij een snelle verkenning uit waarbij de ernst van de situatie duidelijk wordt: alom brand- en ontploffingschade, een bijtende geur die naar de keel grijpt en verscheidene lijken.
De 27e mei worden de manschappen van het 155e RIF opnieuw ingezet, deze keer vergezeld van enkele geniesoldaten die beschikken over gasmaskers om de gallerij binnen te dringen. Zo ver geraken ze echter niet want de Duitsers hebben zich inmiddels rond blok 1 ingegraven.

* * *

Enkele dagen later dringen de Duitsers blok 2 binnen, waar de brandhaarden gedoofd zijn ingevolge een gebrek aan brandstoffen. Ze geraken echter nog niet tot in de gallerij. De 2e juni ondernemen twee officieren en acht manschappen van de 6/IR.191 voorzien van gasmaskers een nieuwe poging. Langs de trap van blok 2 bereiken ze de gallerij; ze ontdekken de eerste lijken aan de ingang van de keuken. Verderop stuiten ze echter op een muur van lijken, tot soms wel een meter hoog. Uiteindelijk bereiken ze de trap naar blok 1, die eveneens bedekt ligt met lichamen. Allen dragen ze gasmaskers.
Na de lijken te hebben bestrooid met kalkchloride keert de patrouille terug; ze schat het aantal lichamen op 150.
Tijdens de nacht van 7 op 8 juni daalt een patrouille Pionniere van Germer eveneens af; bij een doorgedreven onderzoek vinden zijn ondermeer de archieven en de kaarten van het Panzerwerk 505.
De 8e juni begint een disciplinaire eenheid (Feldsonderabteilung) van het 16.Armee met het buitenhalen van de lijken. De eenheid bestaat uit 11 onderofficieren en 34 soldaten. Tijdens de nacht van 8 op 9 juni wordt in een boomgaard rond Villy een massagraf gegraven van 53m lang, 2m breed en 1,5m diep. De eigenlijke werkzaamheden beginnen de volgende nacht. Ondanks de kilte in het fort verkeren de lijken in een verre staat van ontbinding. In een eerste fase worden de lijken uit blok 1 naar de gallerij gevoerd en vandaar naar de trap van blok 2. Er kan immers niet rechtstreeks gewerkt worden vanuit blok 1 omdat deze nog steeds blootstaat aan het vuur van de Franse artillerie. De “lijkendragers” proberen hun macabere werk wat te verzachten met de in de keuken gevonden wijn. Tijdens de nacht van 9 op 10 juni worden de eerste zestien lijken bovengehaald, daarna 40 in de loop van de 10e en dan nog eens 60 op de 11e juni. De ontsmetting van het fort begint in de avond van de 12e juni.
De voormelde cijfers lijken echter niet helemaal correct.

* * *

In de loop van de maand juli 1941 zal een plaatselijk Frans comité overgaan tot de opgraving van de lijken. Uit het massagraf in de boomgaard worden 80 lijken opgegraven,waarvan er 77 éénduidig kunnen geïdentificeerd worden. Onder een houten kruis aan blok 2 worden nog 6 lichamen opgegraven. Een laatste lijk wordt opgegraven uit de diamant-gracht aan blok 1. In totaal dus 87 lichamen op een verondersteld garnizoenseffectief van 107 manschappen. De lijken van ondermeer Lt. Bourguignon, dokter Fontaine, Adj.Chef Surmonne en Adj. Sailly zijn nooit teruggevonden.
De enig mogelijke uitleg is dat de Duitse disciplinairen zich van een aantal lijken ontdaan hebben in de talrijke bomkraters, zonder dit officieel op te geven.
Ook na de oorlog heeft de Franse regering het niet nodig geacht om een doorgedreven onderzoek uit te voeren in de omgeving van het fort. Tot op de dag van vandaag behoudt La Ferté dus zijn geheim.  

* * *

Na de val van het fort van La Ferté wordt voor het eerst gewag gemaakt van een mogelijke ontruiming van de Maginot-linie.
Net als in Lotharingen oefenen de Duitsers vanaf de 10e mei druk uit op de voorposten, zonder evenwel massaal aan te vallen. De activiteiten blijven voorlopig beperkt tot enkele bloedige schermutselingen tussen patrouilles en artillerieduels.
Ook wanneer de Duitsers de hoogten veroveren rond Stromberg en Hetschenberg (tegenover het 3e Armée van Condé) en rond Maimont en Schauffenshalt (tegenover het 5e Armée van Bourret) komen er geen grootschalige aanvallen. De Duitsers zien liever dat grote Franse eenheden zouden ingezet worden vóór de verdedigingsgordel. Maar zo gemakkelijk laat Gén. Prételat zich niet in de val lokken. Hij geeft dan ook bevelen in die zin aan zijn drie legercommandanten: Bourret van het 5e Armée, Réquin van het 4e Armée en Condé van het 3e Armée. Vanaf 16 mei kan Prételat iets geruster zijn aan zijn linkerflank want Gén. Georges geeft hem het 2e Armée van Huntzinger; drie dagen later komt daar nog het 8e Armée van Gén. Laure bij. De GA/2 van Prételat beschikt dus van aan de Maas tot aan de Rijn over vijf legers.
Desondanks loopt de GA/2 leeg; reeds op10 mei moet Prételat de 35e DI (Gén. Decharme) en de 45e DI (Gén. Roux) afstaan; op 12 mei de 14e DI (Gén. de Lattre de Tassigny) ; op 13 mei de 44e DI, de 87e DIA (Gén. Barbeyrac de Saint-Maurice), het 2e en 19e BCC ; op 15 mei de 6e DI (Gén. Lucien), de 4e DIC (Gén. Bazelaire de Rupierre), de 3e DLC (Gén. Petiet) en de 11e DI (Gén. Arlabosse).

* * *

« Vous devez faire sauter les ponts de Kehl cet après-midi ». Dit hoogst merkwaardige bevel ontvangt Cdt. Simon van de Genie van de 103e DIF, nadat hij de 14e mei ontboden is op de CP van Gén. Noël (XVIIe CA) te Molsheim.
De bruggen van Kehl omvatten een spoorwegbrug en een wegenbrug die Strasbourg verbinden met Kehl. De spoorwegbrug rust op vijf pijlers en heeft aan de Franse zijde een draailuik dat sinds de mobilisatie opengedraaid staat. Daarenboven heeft de genie vanaf de eerste pijler twee gepantserde poorten voorzien van 1500 ton elk. De wegenbrug, die heel wat lichter is, telt twee pijlers; vanaf de eerste tot aan de boog is een antitankversperring voorzien uit staal en beton van 400 ton.
Cdt. Simon rijdt terug naar Strasbourg, waar hij aan de bruggen opgewacht wordt door enkele officieren : Cdt. Grossin (generale-staf van het 5e Armée), Cap. Prieur (Génie van het 5e Armée) en Cap. Andrieu (103e DIF). Tegelijk brengt Cdt. Munier de kazematten van het 172e RIF in staat van paraatheid, want er valt een hevige Duitse reactie te verwachten. En het belooft inderdaad vuurwerk te worden !! De eerste pijler aan de spoorwegbrug bevat vijf springladingen met 1100kg; aan het draailuik is 800kg verbonden. Aan de eerste pijler van de wegenbrug is 1200kg aangebracht; de boog is eveneens ondermijnd met een lading van 1200kg.
Om 17.15 is alles klaar en om 17.30 wordt de elektrische ontsteking ontstoken. Vijfenveertig seconden later doen zich twee geweldige explosies voor. Eens de rook en het stof opgetrokken wordt vastgesteld dat de schade aan de bruggen onvoldoende is.
Na een verkenning onder de leiding van Cap. Costantini (I/172e RIF) brengen geniesoldaten één ton springstof aan, verspreid in ladingen van 20kg; het plaatsen gebeurt onder een regen van Duits mitrailleurvuur. Omstreeks middernacht worden de ladingen tot ontploffing gebracht, waarbij de oevers verlicht worden als bij klaarlichte dag. En opnieuw is het resultaat onvoldoende want de brugdekken zijn nog steeds niet helemaal in het Rijnwater beland.
Tijdens de nacht van 17 op 18 mei keren de sapeurs van Lt. Nivat terug naar de bruggen met op hun ruggen zowat 900kg springstof. Ze moeten werken in extreme omstandigheden: verlicht door sterke projectoren worden ze onder hevig mitrailleurvuur genomen, zonder te spreken over de krachtige stroom van de Rijn. Omstreeks 00.30 heeft de explosie plaats, maar voor de derde keer zonder het gewenste resultaat. Er zullen geen verdere pogingen worden ondernomen om de brugdekken volledig in het water le laten zakken.
Vanaf de 21e mei zal de Franse genie in het waterrijke gebied rond Strasbourg verder overgaan tot de vernieling van tal van andere bruggen: de Petit en Grand ponts d’Anvers in de havenzone van de Chapeau de Gendarme, de Tarade-brug, de wegenbrug over het bassin van Vauban en over de Petit-Rhin en de bruggen over de Place de la Bourse, ea…

 

* * *

De 20e mei neemt zoals reeds gezien Gén. Weygand het Opperbevel over van Gén. Gamelin. In de namiddag belt hij naar Prételat in Villers-lès-Nancy. Hij maant het GA/2 aan stand te houden en niet meer te wijken. Weygand is verplicht om vertrouwen te hebben in Prételat want op dit ogenblik is alle aandacht gericht op het sailliant van Duinkerke, waar zich de doodstrijd afspeelt van zowat 45 Geallieerde divisies.
Weygand is er zich van bewust dat na de val van Duinkerke de Duitse legers zich zullen concentreren aan de Somme en de Aisne. Er blijven hem twee opties over:

  1. een front voorzien in het westen waardoor contact mogelijk blijft met de Britten en waarbij Parijs en omstreken kunnen verdedigd worden; hierbij moet de Maginot-linie worden geofferd.
  2. Een tegenovergesteld scenario waarbij wordt vastgehouden aan de ML en de oprichting van een versterkte plaats in het oosten; hierbij worden het westen en Parijs geofferd.

Geenenkele van de opties lijkt verdedigbaar. Daarop neemt Weygand een beslissing op maat van zijn temperament: hij zal slag leveren aan de Somme en de Aisne. Dit is een beslissing zonder tweede kans !!

De 26e mei begeeft Prételat zich naar de CP van Gén. Georges, te La Ferté-sous-Jouarre, waar hij voor het eerst Weygand ontmoet. Prételat kaart meteen de verzwakte positie van zijn GA/2 aan: van zijn 30 divisies op 10 mei houdt hij er nog 10 over, waarvan 6 met het B-statuut en twee Poolse divisies wier vorming nog niet beëindigd is en van de 11 moderne tankbataljons resten hem nog amper 4. Daarom verzoekt Prételat om een reserve te mogen aanleggen met troepen afkomstig van de ML. Deze vraag komt neer op een verdoken voorbereiding voor een evacuatie van de ML. Weygand werpt meteen het statische karakter op van vestingstroepen die per definitie niet beschikken over eigen transport.
Prételat beseft echter maar al te goed dat de Franse troepen de Duitsers aan de Somme en de Aisne niet zullen kunnen tegenhouden en hij vreest daarom voor een mogelijke omsingeling van de ML; daarom moet een evacuatie nu reeds voorbereid worden.
Weygand laat zich echter niet vermurwen en wijst het voorstel van Prételat cathegorisch af.

* * *

De volgende dag ontbiedt Prételat de generaals Huntzinger en Condé te Hattonchâtel. Hij zegt niets over zijn ontmoeting met Weygand maar geeft hen lezing van het order 1783/OP: “houden tot volledige uitputting van de beschikbare middelen tussen de ML en de Aisne. Het 2e Armée behoudt ten allen prijze de verbinding met het 6e Armée. Houden zonder terug te trekken aan de ML en de Rijn”.
Huntzinger is echter van mening dat een terugtocht moet overwogen worden, met daarbij de ontruiming van de ML en nieuwe legers voorzien in het Centraal Massief. Condé is het daarmee echter niet eens en hij wijst op de problematiek van het leeghalen van talrijke depots en het ontbreken van transportmiddelen voor de vestingstroepen. Hoe ga je daarenboven aan die troepen en aan de bevolking uitleggen dat een verdedigingsgordel zoals de ML met al zijn forten zo maar zonder vechten aan de Duitsers kunnen achtergelaten worden ??
Aangezien er geen akkoord bereikt wordt, vat Prételat de situatie als volgt samen: de bevelen van Weygand worden opgevolgd en de Franse troepen vechten door op hun actuele posities; indien het 6e Armée van Touchon ingedrukt wordt mag het 2e Armée terugtrekken tot aan de Marne en nieuwe posities betrekken ten oosten van Verdun en Longuyon; als ook die posties verloren gaan maakt Huntzinger een draaibeweging rond Longuyon, waardoor alle forten en kazematten van de SF van Montmédy verloren zijn.

De 28e mei ontbiedt Prételat te Rambervillers zijn twee overige legergeneraals: Bourret en Laure. Hij geeft de mogelijke gevolgen aan van een Duitse aanval langs de as Rethel-Châlons s/Marne voor de ML; als men wil verhinderen dat de ML in de rug zou worden aangevallen moeten zowel 5e als het 8e Armée hun posities houden. Desondanks moet een terugtocht voorbereid worden. Tenslotte geeft Prételat aan Laure mee dat zijn vrees voor een een Duitse aanval vanuit Zwitserland ongegrond wordt.

Diezelfde dag wordt het 4e Armée (staf en diensten) teruggetrokken van het front van Lotharingen en in reserve geplaatst in de regio van Troyes. Gén. Réquin laat zijn CP te Vic s/Seille (op 35km ten noordoosten van Nancy) over aan Gén. Hubert (XXe CA); deze neemt vanaf ’s anderendaags 09.00 het bevel over de troepen uit de sector, die worden samengebracht onder de benaming van “Groupement de la Sarre”. Deze omvat de SF van Faulquemont (Gén. de Girval), de SF van de Sarre (Col. Dagnan), de 52e DI, de 1e DGP en twee bataljons mitrailleurs.

De 2e juni ontmoeten de generaals Weygand, Georges, Prételat en Huntzinger zich opnieuw te Châlons s/Marne. Er wordt opnieuw fel gedebateerd over de terugtocht van het 2e Armée en zelfs over die van het 3e Armée; daarnaast blijft eveneens de onenigheid over de rol van de vestingstroepen. Huntzinger stelt voor om deze troepen in hun vestingswerken en kazematten te laten en hen autonoom te laten optreden teneinde de Duitse opmars zoveel en zolang mogelijk te vertragen. Prételat daarentegen pleit voor een terugtocht van de vestingstroepen en een georganiseerde ontruiming van de ML. Om niet te worden ingedeukt vanaf de Champagne stelt Weygand voor dat het 2e Armée zou ombuigen langs Montmédy of Longuyon. Eens te meer gaan de generaals uit elkaar zonder akkoord, tenzij dat er ter plekke wordt verder gestreden zonder terugtocht.

’s Anderendaags besluit Weygand tot de oprichting van een Groupe d’Armées n° 4 (GA/4) aan de linkerflank van de GA/2. Gén. Huntzinger wordt aan het hoofd geplaatst van deze nieuwe GA ; deze zal bestaan uit het 4e Armée en het 2e Armée, waar Gén. Freydenberg Huntzinger opvolgt. Freydenberg’s CAC komt onder het bevel van Gén. Carles.

* * *

Door het terugtrekken van grote eenheden van de GA/2 en het gestadig terugplooien vanuit de linies vóór de ML kunnen Duitse troepen deze ontruimde posities zonder problemen bezetten. Tegen het einde van de maand mei zullen de Duitsers de Franse vooruitgeschoven posten in het gat van de Sarre aanvallen. Voor Gén. Hubert is dat het teken dat de Duitsers de ML willen aanvallen vanuit het zwakste punt, want in de sector is geen enkel groot vestingswerk gebouwd. In dit moerassig gebied wordt de weerstandslijn gevormd door overstroomd gebied waarin zich honderden kleine kazematten bevinden.

In de loop van de 29e mei vallen de Duitsers het stoppunt Guebenhouse aan; tegen de avond is het dorp bezet. Een tegenaanval uitgevoerd door de Corps franc (CF) van Lt. Quenneday loopt op niets uit. Daarop wordt besloten om het dorp te laten beschieten door het 166e RAP (Régiment d’Artillerie de Position, Col. Robert). Na de beschieting blijft er niet veel meer over van Guebenhouse, maar de Duitsers trekken er zich wel uit terug. Hierdoor kan het kleine Franse garnizoen (het III/174e RIF) opnieuw haar posities innemen, temidden de ruïnes.

Op 2 juni volgt een nieuwe aanval, dit keer met als doel Loupershouse, in de sector van het II/174e RIF. Slechts enkele verdedigers zullen de Franse linies kunnen vervoegen.
Diezelfde dag maken de Duitsers gebruik van de ochtendmist om de PAF’s (Point d’appui fortifié) van Henriville en Marienthal te omsingelen en te bezetten (sector gehouden door het 82e RIF). Het Franse Opperbevel besluit tot een tegenaanval die zal uitgevoerd worden door een eenheid van de GRCA/15 en de CF van Lt. Colombéro. Henriville wordt herroverd en Lt. Collin kan met zijn garnizoen het dorp opnieuw bezetten ; bij Marienthal lukt de tegenaanval echter niet. De Fransen kunnen slechts met moeite tijdens de volgende nacht hun vertrekposities opnieuw bereiken. Deze uitval wordt echter duur betaald: Colombéro valt dodelijk gekwetst in Duitse handen, de GRCA/15 verliest 4 officieren, waarvan 1 dode en ongeveer 60 manschappen, bij het 82e RIF bedragen de verliezen 90 manschappen.

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 




Totstandkomen van het bruggenhoofd in Duinkerken.


Verdere doorbraak Duitse troepen van 4 tot 22 juni 1940.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.